Beklag niet vervolgen van strafbare feiten (artikel 12 Sv.) Aan het Gerechtshof te ’s Gravenhage



Dovnload 89.36 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte89.36 Kb.


Beklag niet vervolgen van strafbare feiten

(artikel 12 Sv.)



Aan het Gerechtshof te ’s Gravenhage

Geeft te kennen:


Osman B., woonachtig te Turkije en voor deze aangelegenheid woonplaats kiezende te Amsterdam op het kantoor van mr. A.G. van der Plas, Prinsengracht 708, 1017 LA Amsterdam, die door hem bepaaldelijk is gevolmachtigd dit klaagschrift te ondertekenen en in te dienen;
Namens klager is op 25 mei 2010 bij het Landelijk Parket schriftelijk aangifte gedaan tegen
mr. J. Demmink, Secretaris-Generaal van het Ministerie van Justitie,
ter zake van:


  1. Verkrachting als strafbaar gesteld in artikel 242 WvSr, gepleegd in Edirne in Turkije in of omstreeks het jaar 1997;

  2. Ontuchtige handelingen onder dwang en seksueel binnendringen bij iemand beneden de 16 jaar als strafbaar gesteld in de artikelen 245 en 246 WvSr, gepleegd in Edirne in Turkije in of omstreeks het jaar 1997;

Kopie van de schriftelijke aangifte van 25 mei 2010 gaat hierbij.1


Bij schrijven van 2 februari 2012 heeft de officier van Justitie bij het Landelijk Parket mr. J. van Zijl aan klager meegedeeld geen aanleiding te zien om op basis van de gedane aangifte een strafrechtelijk opsporingsonderzoek te gelasten of tot vervolging over te gaan.2
Klager heeft een rechtstreeks belang bij de vervolging van voormelde strafbare feiten en personen om redenen als hieronder vermeld:


  1. De aangifte

Klager heeft op 12 december 2009 in Istanbul tegenover Klaas Langendoen een verklaring afgelegd over hetgeen hem twaalf jaar geleden is overkomen, toen hij als 14-jarige in een hotelkamer in Edirne is verkracht, en de psychische schade die hij daarvan heeft ondervonden. De beëdigde Nederlandse vertaling van dit door Langendoen afgenomen verhoor gaat hierbij, gehecht aan twee verklaringen van Langendoen over het verhoor.3 Het verhoor is met behulp van twee videocamera’s geregistreerd.4 De video-opnamen van het verhoor door Langendoen zijn aan het Openbaar Ministerie overgelegd.


De aangifte zoals samengevat in de oorspronkelijke aangifte luidt als volgt:
p. 1 Mijn naam is Osman B.. (---)

Ik ben geboren in Bursa Inegöl (---) op xx xxxxxxxx 1983, (---)

p. 3 Het gaat uiteindelijk om iets wat mij is overkomen als kind. Iets wat slecht is voor mij. (---) Ik was ongeveer veertien jaar oud toen. (---)

p. 4 Zoals ik al heb gezegd was dat twaalf jaar geleden. Omdat ik ondeugend was, liep ik wel eens weg van huis (---) Ik had toen een kennis, politieman Mehmet. Als er iets was voorgevallen was hij degene die kwam. Ondanks het feit dat we kinderen waren, waren de dingen die we deden wel strafbaar maar hij heeft ons nooit geslagen of in de cel gezet. Het was iemand die altijd met goede raad kwam en ons altijd zei dat we ons niet zo moesten gedragen. Ik en de andere jongens mochten politieman Mehmet omdat hij op een bepaalde manier ons altijd beschermde. Als we zeiden dat we honger hadden, dan stak hij ons wat geld toe. Als we iets wilden of ergens trek in hadden als kind, dan gaf hij ons geld zodat we dat konden kopen. En wij vroegen ons nooit af waarom die man zich zo goed gedroeg naar ons toe en waarom hij ons altijd geld gaf. In de dagen erna zei hij tegen mij dat hij mij zou voorstellen aan iemand die heel rijk was en van kinderen hield. Er is een rijk iemand, hij is een vriend van mij, hij houdt van kinderen, ik wil jou voorstellen aan hem. Ik heb dat toen geaccepteerd. Op een dag is hij samen met die man verschenen. De man was werkelijk vrijgevig, hij vroeg of we iets wilden, hij aaide me over het hoofd, hij lachte me toe. Ik en de andere kinderen dachten toen dat deze man dit alleen maar deed omdat hij echt van kinderen hield. Hij kwam met een auto naar onze buurt, hij had ook een chauffeur en die was volgens mij tegelijkertijd ook zijn lijfwacht. Hij bracht mij bijvoorbeeld naar zaken waar je een hapje kon eten, of naar restaurants, we gingen ook wel eens naar de lobby’s van hele mooie hotels. (---) Op een dag kwam hij weer met zijn auto en chauffeur naar onze buurt. Hij zei dat we die dag weer naar een mooie plaats zouden gaan. Ik ben in zijn auto gestapt. We zijn behoorlijk lang onderweg geweest. We zijn gereden naar de stad Edirne. (---) Het was een vrij lange rit. Uiteindelijk zijn we in Edirne naar de lobby gegaan van een mooi hotel. Op een gegeven moment zei hij dat het laat was geworden en dat het beter was om niet gelijk terug te keren en hij heeft toen een kamer geboekt in dat hotel, staat me nog bij. Ik ben met die meneer naar de hotelkamer gegaan, we zouden in dezelfde kamer verblijven. Ik weet niet wat hij aan de receptie heeft verteld, maar ik heb wel gezien dat hij een behoorlijk bedrag heeft betaald. We zijn naar zijn kamer gegaan en ik had ook wat alcohol gedronken, ik weet niet meer wat; ik was nog maar een kind dus ik was ook een beetje duizelig. Het was vrij laat, als ik me niet vergis was het na middernacht. Hij was ook behoorlijk aangeschoten, dronken. Hij zei: kom, laten we naar bed gaan, gaan slapen. Vervolgens begon hij mij ook te aaien over mijn hoofd. Hij begon dingen te doen die ik niet wilde, en begon me aan te raken op bepaalde plekken van mijn lichaam. Deze man was ook behoorlijk oud. Ook als hij niet oud was geweest, waren het dingen die ik als kind nog niet wilde. Toen hij me begon te betasten op mijn lichaam, ben ik agressief geworden, probeerde ik te vluchten en ben ik weggelopen richting badkamer. Ik ben de badkamer ingegaan, de badkamer weer uitgegaan, en gaan lopen richting de deur. Ik weet niet hoe dat is gegaan, maar zijn chauffeur kwam ook ineens plotseling binnen. Hij zei op harde toon: doe wat deze man je zegt. Hij zei: verzet je niet tegen hem, anders loopt het slecht af. Ik ben toen bang geworden, ik was nog maar een kind. Die nacht zijn er dingen gebeurd die ik niet wilde. Ik ben seksueel misbruikt, om open te zijn.

p. 15 (KL: Ja? Wat zei de chauffeur?) (---)

Toen hij voor me bleef staan, bleef ik ook staan. Hij zei: waar ga je naar toe? Ik zei: ik wil weg. Hij zei: je kan niet weg, je moet doen wat deze man je vraagt. Hij zei dit op harde toon en zei: anders loopt het slecht met je af. (---)

Het was niet nodig om mij fysiek tegen te houden. Hij zag er heel sterk uit, en ik was uiteindelijk nog maar een kind. (---)

(KL (stelt vraag via tolk): Oké. Kon hij ontsnappen op dat moment?)

Aan zo’n persoon niet, want hij stond voor de deur.

(KL (stelt vraag via tolk): Maar als hij had kunnen ontsnappen, dan was hij ontsnapt?)

Jazeker, dan was ik gevlucht.

(---) Ja, omdat ik bang was heb ik vervolgens niet meer geprobeerd om te vluchten nadat ik deze man had gezien. Ik dacht: iemand die dit kan, kan mij ook vermoorden. (---)

p. 13 Dat hij me over mijn hoofd aaide vond ik normaal, maar wat hij daarna deed dat was helemaal niet normaal. (---)

(KL (stelt vraag via tolk): Ik heb respect voor de moeilijkheid van het beantwoorden van vragen, maar ik moet toch wat vervelende en heel intieme vragen stellen. Het zijn vervelende vragen, daar ben ik me terdege van bewust, (---) maar is meneer Demmink met zijn geslachtsdeel in het lichaam van meneer geweest?)

Antwoord: Ja

p.14 (KL (stelt vraag via tolk):: Nog een vervelende vraag. Weet hij…. kan hij vertellen of meneer Demmink een zaadlozing heeft gehad in zijn lichaam?)

Om eerlijk te zijn had ik toen mijn ogen dichtgedaan en ik dacht ‘laat maar gebeuren wat moet gebeuren’ omdat de chauffeur binnengekomen was en boos geworden was op mij. Ik heb mij toen niet verzet omdat ik bang was.
p. 16 Hij is gaan slapen. (---)

Demmink. (---)

Ik ben gaan liggen, maar ik kon niet slapen. (---)
p. 5 Ik weet dat hij mij in de ochtend een bundel geld gaf. Met die bundel geld zijn ik, die oude man en zijn chauffeur uit het hotel vertrokken en zijn we teruggekeerd naar Istanbul. (---)

p. 17 Ze hebben me afgezet in de wijk waar ik woonde.
Aan klager zijn acht foto’s voorgelegd waaruit hij zonder aarzeling de foto van Joris Demmink aanwees als diegene die hem had verkracht. Ook herkende hij de veiligheidsbeambte Mehmet Korkmaz, die ook Mustafa Y. bij Demmink had gebracht, als de Mehmet waarover hij in dit verband sprak en die hem in contact met Demmink had gebracht.
Op 10 februari 2011 is klager over zijn aangifte gehoord door de Jeugd- en Zedenpolitie van het politiekorps Hollands Midden. Het proces-verbaal van dit verhoor waarin klager zijn aangifte tegen Demmink bevestigde en overige vragen van het onderzoeksteam beantwoordde gaat hierbij.5 De video die van het verhoor van klager is gemaakt, is niet aan klager ter beschikking gesteld. Ik verwijs wat dat betreft naar het dossier.


  1. Ondersteunend bewijs vanuit Kazmali


Burhan Kazmali, onderzoeksjournalist
Op 10 en 11 februari 2011 is ook de Turkse onderzoeksjournalist Burhan Kazmali door de Rijksrecherche te Den Haag gehoord over de aangifte van klager en over de aangifte van een ander Turks slachtoffer van Joris Demmink: Mustafa Y. Burhan Kazmali had namelijk als eerste met beide slachtoffers gesproken over hun ervaringen en daarover gepubliceerd in de Turkse krant Yalova Çizgi Gazetesi . Namens Mustafa was al in september 2008 aangifte gedaan tegen Joris Demmink wegens seksueel misbruik van een jongen jonger dan 16 jaar. Ook sprak Kazmali met een derde Turks slachtoffer genaamd Yasin, die in 1995 in Bodrum op minderjarige leeftijd seksueel was misbruikt door Demmink. De Turkse politieman Mehmet Korkmaz, die de heer Demmink beveiligde tijdens zijn bezoeken aan Turkije in de jaren negentig, bevestigde tegenover Kazmali dat hij op verzoek van Demmink minderjarige jongens voor hem regelde. Eén van deze jongens, zo bevestigde hij zelfs op video, was Mustafa, toen 11 jaar oud. De baas van Korkmaz, Necdet Menzir, voormalig politiechef van Istanbul, sprak ook met Kazmali en bevestigde dat zijn mensen indertijd Demmink beveiligden bij zijn bezoeken aan Turkije en dat hij bekend was met het feit dat Demmink zich bezighield met seksueel misbruik van jongeren. Het proces-verbaal van verhoor van Kazmali door de Rijksrecherche is nooit ter beschikking gesteld aan klager.
Wel beschikt klager over een schriftelijke en ondertekende verklaring van Kazmali van december 2007.6 In deze verklaring beschrijft Kazmali wat hem door Mustafa Y., de politieman Mehmet Korkmaz en de voormalig politiechef van Istanbul Necdet Menzir is verteld. Deze verklaring is in het bezit van het Openbaar Ministerie sedert de aangifte door Mustafa in september 2008.
Ook beschikt klager over een proces-verbaal van verhoor van Burhan Kazmali onder ede door de officier van justitie te Fatih op 5 november 2008. Hij bevestigt daar de personen Necdet Menzir, Mehmet Korkmaz en Mustafa Y. te hebben geïnterviewd en het resultaat daarvan te hebben gepubliceerd en te hebben samengevat in een verklaring die is verzonden aan de Nederlandse advocate Adèle van der Plas.7 Dit document is ook aan het Openbaar Ministerie overhandigd.
Mehmet Korkmaz
Uit Kazmali’s verklaring blijkt dat Mehmet Korkmaz hem vertelde dat hij tussen 1995 en 1997 werkzaam is geweest bij de afdeling Beveiliging van de Directie van Politie te Istanbul. Hij kreeg in die periode de opdracht buitenlandse functionarissen gedurende hun verblijf in Turkije te beveiligen. In die hoedanigheid ontmoette hij ook de Nederlandse ambtenaar Demmink, zo liet hij Kazmali weten. Van zijn leidinggevenden kreeg hij de opdracht om te voldoen aan het verzoek van Joris Demmink om hem een jonge jongen te brengen. Van het kind zelf vernam hij achteraf dat Demmink hem seksueel had misbruikt. Kazmali geeft in zijn verklaring van 12 december 2007 aan van Korkmaz het volgende hierover te hebben vernomen:
Het was een paar maanden voordat Hüseyin Baybaşin werd opgepakt, het kan 5 of 8 maanden daarvoor zijn geweest. Het feit dat er buitenlandse functionarissen naar Turkije en in het bijzonder naar Istanbul kwamen die uiteindelijk met de politie zouden gaan samenwerken, bracht met zich mee dat die teams moesten worden beveiligd en bijgestaan, dat was de taak van de afdeling beveiliging. (---) De mijnheer die voorafgaand aan de operatie Baybaşin uit Nederland kwam, was de persoon die ik ken als degene waarover ik later heb vernomen dat hij mr. D. heet. (---) Samen met drie collega’s hielden wij ons bezig met de beveiliging van de heer mr. D. en van degenen die in zijn gezelschap waren. (---) Ik had de genoemde persoon echter maar drie keer tijdens zijn bezoeken aan Istanbul begeleid. Een keer op zijn echte naam, dat was mr. D., maar bij zijn tweede en derde bezoek maakten wij om veiligheidsredenen gebruik van valse namen, wij deden ons werk… de tweede komst van deze persoon was in 95, het zou ook begin 96 kunnen zijn geweest. Na een aantal besprekingen te hebben gevoerd in Gayrettepe was er in hotel Akgün in Topkapi voor deze persoon een kamer gereserveerd onder een andere naam. (---)

Hij heeft mijn collega naar zijn kamer ontboden en had tegen hem gezegd dat hij klaar was met zijn werkzaamheden en dat hij een paar dagen door Turkije wilde reizen en plezier wilde maken, dat hij overdag oudheden en toeristische plaatsen wilde bezoeken en dat hij ‘s avonds uit wilde gaan (---)

Ik heb tegen mijn collega gezegd: ‘kom en laten wij hier van af zien en laten we dat aan onze Directeur laten weten’ en dat hebben we ook gedaan.

Maar het antwoord dat wij van hem kregen was dat we alles moeten doen wat die man van ons vroeg. Ze hadden gezegd dat hij een belangrijk persoon was. (---) de man (---) zei dat hij de liefde wilde bedrijven met iemand van het mannelijke geslacht. (---) De werkelijke bedoeling van deze persoon, zijn leeftijd, was om geslachtsgemeenschap te hebben met een jongetje.(---) hem is op een gepaste wijze gevraagd wat voor man hij dan wilde hebben. (---)

Ik dacht aan de stadsmuren van Topkapi. Ik ben daar in mijn eentje naar toe gegaan, de auto was een burgerauto met een vals kenteken. Op de muren van de citadel heb ik een van de als drugsverslaafde, ver van de maatschappij staande, als ‘straatkinderen’, kinderen van onder brug bekend staande kinderen gevonden (---) Die persoon kent u trouwens ook. Voordat ik hem naar het hotel bracht is hij in het hotel gewassen, geschoren etc. We hebben hem kleding aan gegeven die de obers gebruiken en op de zaterdagavond heeft hij hem in zijn kamer ontboden en hebben ze in de kamer samen gegeten… Ik denk dat het rond 02.03 was dat de jongen uit de kamer kwam en de kamer ernaast is binnengegaan. Wij hebben aan hem gevraagd wat er was gebeurd, aanvankelijk wilde hij het niet vertellen, maar op ons aandringen heeft hij gezegd dat zij samen waren geweest en seks hadden bedreven. (---) Zondag zijn ze ook weer bij elkaar geweest en na een paar uur samen te zijn geweest ging hij naar zijn eigen kamer. (---) Op maandag is de persoon met een voertuig waarvan wij wisten dat het toebehoorde aan het Nederlandse Consulaat samen met de jongen, die hij meenam, naar Izmir, Kuşadası, Bodrum en omgeving gegaan.” 8
In een op videoband vastgelegd interview bevestigt Korkmaz aan Kazmali, dat hij diens publicaties over zijn ontboezemingen had gelezen en dat Kazmali hierover de waarheid had gepubliceerd. Samengevat specificeert K. in dit interview dat volgens hem het betreffende straatkind Mustafa indertijd 11/12 jaar oud was en logischerwijs erg bang: “In het stadswallengebied van Istanbul. Daar hebben we gezocht (---) Ja straatkinderen (---) Ja, Ook Mustafa. Die hebben we gevonden en meegenomen (---)Natuurlijk was het kind bang. Maar we zeiden niemand iets. (---) Ja, hij was ongeveer elf en een half, twaalf jaar oud.” De videoband, gedateerd op 10 januari 2008, is bijgesloten met een schriftelijke uitwerking van de gesproken tekst.9
Mustafa Y.
Het slachtoffer waarover Korkmaz spreekt, sprak ook zelf met Kazmali. Zijn relaas bevestigt het verhaal van de politieman Korkmaz. Hij geeft aan dat hij in de periode dat hij bij Demmink werd gebracht, 12-13 jaar oud was. Hij werd indertijd door veiligheidsambtenaren benaderd en beschrijft dat hij geen kans had om hun verzoek te weigeren. Letterlijk gaf hij hierover aan volgens Kazmali:
Ze zeiden toen: ‘wij staan achter jou, wij zullen voor je opkomen. We zullen bemiddelen zodat jij beter werk zult kunnen krijgen. Maar we gaan jou naar een plek brengen, we zullen je met iemand laten kennismaken, die gaat zich met jou bezighouden´ (uit schaamte wil ik niet verder ingaan op hetgeen mij toen is verteld). Ik had ook geen kans om te weigeren. Ik was namelijk tot hen veroordeeld. Ik weet heel goed wat mij had kunnen overkomen als ik nee zou hebben gezegd. (---) Ik werd geconfronteerd met iemand die even oud was als mijn vader. (---) Nadat die functionaris was vertrokken zijn er een aantal dingen gebeurd. We zijn namelijk samen in het bed gegaan en hij kuste en streelde mij onophoudelijk. Ik walgde van de man maar ik had geen keus… Nadat deze gemeenschap enige tijd had geduurd, heeft hij mij verleid. Ik heb die nacht twee keer een dergelijke gemeenschap gehad met deze persoon. Na verloop van een hele tijd ben ik naar mijn kamer gegaan en hij had mij ook behoorlijk veel geld gegeven, hij had Marken gegeven. De volgende dag ben ik zo rond de middag uit het hotel weggegaan, maar mij werd gevraagd om niet te ver weg te gaan. (---) de volgende dag is er niets gebeurd, later is mij gezegd dat wij met een andere automobiel naar de buurt van Izmir zouden gaan en dat ik mee zou moeten en ik ben met hen meegegaan.10
Necdet Menzir, politiechef Istanbul
Het relaas van de politieman Korkmaz wordt voorts bevestigd door Necdet Menzir, indertijd chef van politie in Istanbul. Het waren inderdaad zijn mensen die Demmink beveiligden wanneer hij Turkije bezocht en in de woorden van Menzir “helaas hebben sommige collega’s binnen onze organisatie voor deze persoon een aantal diensten verricht, u mag ze zelf benoemen. Zelfs in die jaren spraken wij al van een ’PEDOFIEL’.” Kazmali schrijft dat Menzir hem het volgende vertelde:
DAN KOMEN WE aan de zaak J.D, ... De naam van die man heb ik erg vaak gehoord. Ik kan me de exacte datum niet meer herinneren maar in die jaren verzorgde onze veiligheidsdienst zijn beveiliging... In het verleden, ook al voor de jaren 1995, hoorde ik af en toe dat hij weer in Turkije was geweest. Ik vermoed dat hij een nauwe band met Turkije had, maar wij konden niet weten wat zijn bedoelingen waren, ik wilde het ook niet weten.

Voor zover ik weet is het wel zo dat hij onderzoek deed in de zaak Baybaşin (---) Zelfs als tussen onze collega’s, (---), stelden wij elkaar de vraag wat die J. toch van plan was en waarom hij zich toch zo van nabij met Turkije bezig hield. Ik wil mij hier ook niet al te veel in verdiepen want de waarnemingen waren vaak niet erg chic, het ging om zaken die niet zouden moeten gebeuren. Maar helaas hebben sommige collega’s binnen onze organisatie voor deze persoon een aantal diensten verricht, u mag ze zelf benoemen. Zelfs in die jaren spraken wij al van een “’PEDOFIEL’, mijn opvoeding staat mij niet toe om dit uit te spreken. Ik heb hem trouwens maar een of twee keer gezien en kort met hem gesproken (---)

Bekend was dat mr. D., wiens naam in Turkije in verband werd gebracht met seksschandalen, in de jaren 1995 tot 2000 met gebruikmaking van verschillende namen in Turkije is geweest (het verhullen van iemands werkelijke identiteit is iets dat om veiligheidsredenen wel vaker gebeurde). De politie in Istanbul verleende hem vanzelfsprekend beveiliging, zowel bij zijn officiële als ook bij zijn niet officiële bezoeken. Met die zaken hield de afdeling beveiliging zich bezig. Wij deden het nodige voor zijn officiële- en zijn privébezoeken.”11
Korkmaz, die in opdracht van zijn chef Necdet Menzir Demmink beveiligde en zelf verklaart in die hoedanigheid jonge jongens te hebben gezocht en geleverd aan Demmink voor seksueel misbruik, is zoals gezegd de politieman wiens foto ook door klager is aangewezen als de agent Mehmet, die hem voorstelde aan Joris Demmink. De verklaringen van Necdet Menzir, Korkmaz en Mustafa vormen daarmee belangrijk ondersteunend bewijs van klagers aangifte.


  1. Ondersteunend bewijs vanuit het EK RAPOR


Hüseyin Celebi
Hetzelfde geldt voor het EK RAPOR, dat in januari 2007 werd aangeboden bij het Hoofd van de Generale Staf, het Hoofd van Politie, de Procureur-generaal bij de Hoge Raad en het Ministerie van Justitie in Turkije.12 De schrijver van dit rapport is de Turkse veiligheidsfunctionaris Hüseyin Celebi. Celebi werkte vanaf 1980 als speciale veiligheidsadviseur voor diverse Turkse instanties, waaronder de Minister van Binnenlandse zaken, zo blijkt uit zijn brief van 5 februari 2010 aan de voorzitter van de TCEAS, prof. Y. Buruma.13 Hetgeen in dit rapport wordt beschreven vormt ook belangrijk ondersteunend bewijs voor de door klager gedane aangifte.
Zo vermeldt het rapport: “ De naam Demmink is in Nederland in opspraak geraakt doordat bekend werd dat hij, buiten de uitvoering van zijn functie, betrokken was in schandalen inzake seks die hij had met jonge kinderen en jongens. (---) Demmink had ook in Turkije soortgelijke “party’s” gerealiseerd. Omdat in 1995 in Bodrum tijdens zo’n “party” een wapen afging, is de politie ter plaatse gekomen.”14
Over Demminks bezoeken aan Turkije schrijft het rapport:

Joris Demmink, die zich speciaal heeft beziggehouden met de zaak van Hüseyin Baybasin in Nederland, is in november 1995 als toerist hier geweest en in juni 1996 in Antalya voor een internationale bijeenkomst. Daarnaast is hij Turkije in- en uitgereisd in de jaren 1997, 1998, 1999, 2000, 2001, 2001, 2003 en meestal wiste hij zijn sporen. Deze gegevens zijn verzameld bij officiële en speciale inlichtingendiensten. Er is ook geconstateerd dat hij onder verschillende namen in Turkije is geweest.”15



Celebi verzoekt in zijn brief van 5 februari 2010 de Nederlandse autoriteiten om een onderzoek in deze zaak te openen en biedt hen aan in geval daaraan behoefte is, meer gedetailleerde informatie over zijn eigen onderzoek in Turkije te verschaffen.
Het is klager niet bekend of de Nederlandse autoriteiten ooit op dit aanbod zijn ingegaan. Hierover is klager niet geïnformeerd. De afwijzende beschikking spreekt slechts over een “onderzoek naar de aanwezigheid van mogelijk bewijsstukken met betrekking tot dienstreizen van Demmink en diens paspoorten.16
In ieder geval vormt het EK RAPOR van Celebi belangrijk ondersteunend bewijs voor klagers aangifte tegen Demmink, waar het eerder kindermisbruik door Demmink in Turkije beschrijft en een opsomming geeft van Demminks inreisdata in Turkije, die de periode van klagers aangifte omvat.
Het derde slachtoffer Yasin
In februari 2011 heeft Burhan Kazmali de advocaat van klager en ook de Rijksrecherche laten weten, tevens te hebben gesproken met een derde slachtoffer van Demmink, genaamd Yasin. Deze jongen zou aanwezig zijn geweest op het partijtje in Bodrum in 1995, waarover het EK RAPOR rapporteert, aldus zijn mededelingen aan Kazmali, en daar seksueel zijn misbruikt door Demmink.
Ook deze ‘hearsay’ verklaring van Yasin vormt belangrijk ondersteunend bewijs voor klagers aangifte.
Herhaaldelijk is door klagers advocaat aan het Openbaar Ministerie verzocht deze getuige Yasin in Turkije te horen. Zo vermeldt een brief van 3 november 2011:
Wat mij tot slot het meeste verbaast, is dat u met geen woord ingaat op mijn advies de belangrijkste getuigen in de zaak Osman, te weten de veiligheidsambtenaar Mehmet Korkmaz, de politiechef Necdet Menzir en de twee andere misbruikte jongens, Mustafa en Yasin, rogatoir in Turkije te horen. Deze vier getuigen hebben de in februari jl. door u gehoorde journalist Burhan Kazmali laten weten al uw vragen te willen beantwoorden in een officieel rogatoir verhoor in Turkije. Het is toch zonneklaar dat dit de meest effectieve weg is en ook nog eens de meest koninklijke. Waarom is dat nog steeds niet gebeurd, is de eerste vraag. Waarom gaat dit niet op de kortst mogelijke termijn alsnog gebeuren, is de tweede vraag die rijst. “17
Het is klager in ieder geval bekend dat het Openbaar Ministerie zijn advocaat in een persoonlijk gesprek op 9 november 2011 heeft meegedeeld in dit onderzoek aan handen en voeten gebonden te zijn. Zolang er geen strafrechtelijk onderzoek liep tegen Demmink en daarvoor waren de feiten zoals hiervoor beschreven onvoldoende miste het openbaar ministerie de bevoegdheid om via een rechtshulpverzoek de aangeboden getuigen in Turkije te horen.
Met andere woorden, het openbaar ministerie vond het aangeleverde materiaal zoals hiervoor beschreven onvoldoende feiten en omstandigheden opleveren om Joris Demmink aan te merken als verdachte in de zin van de wet. Men had daarom gekozen voor een zogenaamd “oriënterend onderzoek”, dat het wetboek van strafvordering niet kent voor zaken als deze en dat geen strafrechtelijke bevoegdheden creëert. Deze beslissing van het openbaar ministerie moet opmerkelijk worden genoemd in het licht van recente jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin een anonieme tip in bepaalde gevallen al voldoende wordt geacht voor een formele strafrechtelijke verdenking. Het gevolg voor klagers aangifte is geweest dat op basis daarvan geen rogatoire verhoren in Turkije hebben plaatsgevonden en evenmin archiefonderzoek heeft kunnen plaatsvinden naar de reisbewegingen van Joris Demmink in de periode waarop de aangifte van klager ziet.
IV. Weigering strafrechtelijk onderzoek
LEBZ
Op 2 februari 2012 heeft het Openbaar Ministerie klager meegedeeld geen aanleiding te zien om op basis van de gedane aangifte en het aangereikte bewijsmateriaal een strafrechtelijk opsporingsonderzoek te gelasten of tot vervolging over te gaan.18
Als reden wordt genoemd dat de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (de LEBZ) op 3 juni 2011 een rapport zou hebben uitgebracht, waarin de door klager gedane aangifte onvoldoende betrouwbaar wordt genoemd. De brief van het Landelijk Parket beroept zich in dit verband op het volgende citaat uit het rapport van de LEBZ:
De leden van de Expertisegroep hebben zich geen oordeel gevormd over de vraag

of hetgeen door Basak wordt verklaard wel of niet is gebeurd. Zijn verhaal is

echter niet consistent en bevat op meerdere plaatsen te weinig detail. Daarmee

kan niet gesteld worden, dat hetgeen door Basak verklaard is, betrouwbaar is.
Het rapport van de LEBZ is echter nooit aan klager of zijn advocaat ter beschikking gesteld, zodat het gissen blijft op welke inconsistenties wordt gedoeld door de expertisegroep. Hetzelfde geldt voor het proces-verbaal van het verhoor van Burhan Kazmali, dat volgens de LEBZ ook op punten zou afwijken van hetgeen klager heeft verklaard.
Het is zeer wel mogelijk dat de geconstateerde inconsistenties voortkomen uit het tijdsverloop, uit een verschil in interpretatie van dezelfde gebeurtenissen, of uit verwarring bij klager zelf gedurende een lange dag van verhoor. De vergelijking van de verklaring van klager tegenover Klaas Langendoen met die tegenover het politieteam toont een grote consistentie in plaats van inconsistentie in klagers beschrijving van wat hem is overkomen. Verschillen zijn vrijwel niet te vinden op twee na. Zo valt op uit een vergelijking tussen beide verklaringen, dat klager beide keren aangeeft direct na de verkrachting naar de badkamer te zijn gegaan om zich te wassen. In de verklaring bij de politie bevestigt hij wat hij daarover tegenover Langendoen had verklaard: “Ik ben naar de badkamer gegaan daarna.”19 Maar wanneer klager vervolgens later in het verhoor wordt voorgehouden: “Je zei dat je na het gebeuren met Demmink bent blijven liggen in bed. Bij Klaas zei je dat je van bed bent gegaan en bent gaan wassen”, antwoord hij, kennelijk geïntimideerd, het zich niet meer te kunnen herinneren. Een tweede inconsistentie waarop zou kunnen worden gedoeld door de LEBZ is de wijze waarop klager in contact is gekomen met de onderzoeksjournalist Burhan Kazmali. Volgens Kazmali is dit gebeurd via de hiervoor genoemde Mehmet Korkmaz. Dat was ook wat klager tegenover Langendoen aangaf. Tegenover het politieteam in Nederland heeft klager echter aangegeven Kazmali zelf te hebben benaderd na diens publicaties. Niet uit te sluiten is dat beide versies kloppen. Deze verschillen wettigen in ieder geval niet dat klagers aangifte daarmee zomaar naar de prullenbak kan worden verwezen, hetgeen in casu is gebeurd.
Klager behoudt zich het recht voor op de door de LEBZ ‘geconstateerde’, maar hem nog steeds onbekende inconsistenties te reageren na inzage van het rapport van de expertisegroep en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen.
Hetzelfde geldt voor de aan klager meegedeelde overweging van de LEBZ dat klagers beschrijving van de verkrachting te weinig gedetailleerd zou zijn. Ook op deze kennelijke ‘mening’ van de LEBZ zou klager graag eerst ingaan na lezing van het LEBZ rapport en haar overwegingen. Kennelijk heeft de LEBZ uit het oog verloren dat klager vanuit zijn culturele achtergrond niet dan met grote moeite praat over wat hem als maagdelijke jongen van 14 jaar oud is overkomen. Klager beschrijft tegengehouden te zijn toen hij de kamer wilde ontvluchten waar Demmink hem dwong handtastelijkheden te ondergaan. Daarna heeft hij zijn ogen dicht gedaan.20 Hij lag op zijn buik, voelde van achteren veel pijn, drukte zijn kaken op elkaar, maar kan de rechercheurs niet met zekerheid zeggen of Demmink hem toen met zijn vinger of met zijn penis verkrachtte. Wat voor verschil voel je tussen vinger en penis, wordt klager gevraagd 14 jaar na het gebeuren. Zijn antwoord is:

Ik weet het niet. Ik heb zoiets nooit eerder meegemaakt. Wat ik voel(de) was pijn.”21



En : ”Ik voelde nattigheid. Kleverig. Zijn sperma was (---) op mijn billen als ik me niet vergis”22
Is dit soms waar de LEBZ op doelt? Onvoldoende gedetailleerd? Na lezing van het LEBZ rapport zal namens klager hierop nader worden ingegaan.
V. Demminks alibi: ‘Ik was niet in Turkije’
Op basis van deze beoordeling en zonder het in beschouwing nemen van het overige aangeleverde ondersteunende bewijsmateriaal is voorts door het Openbaar Ministerie besloten dat er op basis van klagers aangifte niet gesproken kan worden van een ‘redelijk vermoeden van schuld’ als bedoeld in art 27 lid 1 Sv. Deze laatste beslissing impliceerde dat er geen strafrechtelijk onderzoek kon plaatsvinden naar het aangeleverde ondersteunende bewijsmateriaal. Dit is een cirkelredenering die een gedegen onderzoek bij voorbaat uitsluit en waartegen klager zich middels dit klaagschrift verzet.
In het wel uitgevoerde ‘oriënterend’ feitenonderzoek ontbrak iedere mogelijkheid de door het Wetboek van Strafvordering gegeven bevoegdheden uit te oefenen. Het heeft zich beperkt tot het stellen van vragen aan Demmink en enkele andere niet nader gespecificeerde personen. In het bijzonder werd ingezet op het onderzoek of Demmink in de door klager aangegeven periode in Turkije was geweest, aldus het schrijven van het Landelijk Parket aan klager. Demmink zelf ontkent namelijk sinds 1987 in Turkije te zijn geweest. Door de Rijksrecherche is ondermeer onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van mogelijke bewijsstukken met betrekking tot dienstreizen van Demmink en diens paspoorten in de betreffende periode. Dit onderzoek heeft, aldus het Landelijk Parket, “op geen enkele wijze een bevestiging opgeleverd van het feit dat Demmink in de betreffende periode in Turkije zou zijn geweest.
Turkse getuigen en officiële Turkse documenten tegenover het alibi van Demmink
Dit laatste oriënterende onderzoek kan in de ogen van klager niet anders worden aangeduid dan als een beschamende ‘cover-up actie’. Met het voorbijgaan aan vijf Turkse getuigen, waaronder een voormalige Turkse politiechef en minister (Necdet Menzir was ook Minister van Transport), een Turkse politieman, een hoge Turkse veiligheidsfunctionaris en twee slachtoffers, die allen verklaren dat Demmink in de door klager bedoelde periode in Turkije was, wordt gesteld dat door Demminks ontkenning niet kan worden bevestigd dat Demmink in die tijd daadwerkelijk in Turkije was. Het bewijs dat de aangeboden getuigen hiertoe zouden kunnen leveren en reeds leverden, wordt genegeerd door te stellen dat deze getuigen niet kunnen worden gehoord bij gebrek aan voldoende strafrechtelijke verdenking.
Geen enkele poging is ondernomen om de door Hüseyin Celebi in het EK Rapor gegeven feiten over Demminks bezoeken aan Turkije in de jaren 1995, 1996, 1997, 1998, 1999, 2000, 2001, 2001 en 2003 nader te onderzoeken. Aan Celebi is in het kader van het ‘oriënterend’ onderzoek zelfs geen vriendelijke vraag hierover gesteld, ondanks zijn aanbod van 5 februari 2010 bij nadere vragen graag meer gedetailleerde informatie te willen verschaffen.23
Evenmin is onderzoek gedaan naar het namens klager overgelegde document van de

Gouverneur van Istanbul, Directeur van Politie van 25 december 2002 met daarop de inreisdata van Joris Demmink tussen 11 november 1995 en 13 november 2002, met als meest opvallende bezoeken de deelname aan de op 23 oktober 1996 in Antalya gehouden Interpol bijeenkomst, de op 11 oktober 1996 gehouden bijeenkomst voor Internationale Veiligheid en Samenwerking en een bezoek aan Ankara in maart 1998. 24 Uit het oriënterend onderzoek naar aanleiding van de aangifte van klager blijkt op geen enkele wijze dat dit document nader is onderzocht of dat er nader onderzoek op basis van dit document is verricht.


Vernietigde reisgegevens
Wat het oriënterend onderzoek naar Demminks reisbewegingen in de jaren negentig dan wel heeft ingehouden, is klager nooit meegedeeld. Het betrof o.a. een onderzoek naar ‘paspoorten’, aldus de brief aan klager van 2 februari 2012.25 Dit onderzoek kan echter onmogelijk de reisbewegingen van Demmink vóór 2005 hebben omvat, zo toont de mededeling van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Directoraat-Generaal Vreemdelingenzaken van 21 februari 2011 aan. Deze mededeling gericht aan een Nederlandse onderzoeksjournalist houdt in dat alle gegevens met betrekking tot de reisbewegingen van de Directeuren-Generaal Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken over de periode 1997 en 2000 reeds waren vernietigd.26

Welk onderzoek naar de aanwezigheid van mogelijke bewijsstukken met betrekking tot dienstreizen van Demmink en diens paspoorten is dan wel verricht door de rijksrecherche? Het is klager noch zijn advocaat ooit meegedeeld.


Directeur-Generaal Internationale Aangelegenheden en lid van het K4 comité
Dat Joris Demmink in de jaren negentig nooit Turkije heeft bezocht, zoals hij zelf pretendeert, moet bovendien als vergaand onaannemelijk worden beschouwd gezien de functie die hij binnen het ministerie van Justitie en op Europees niveau bekleedde en het specifieke Koerden-dossier waarmee hij met name in de jaren 1997 en 1998 belast bleek te zijn. Demmink was Directeur-Generaal Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken van 1993 tot 2002, het jaar waarin hij werd benoemd tot Secretaris-Generaal van het ministerie van Justitie. Vanuit die hoedanigheid was Demmink tevens lid van het geheime K4 comité27 van de Europese Unie. Hij nam daarin de honneurs waar voor Nederland, zo wordt duidelijk uit een document van 9 april 1997 dat een vergadering verslaat van de Troika van het K4 comité en een delegatie van de Raad van Europa onder leiding van de Nederlandse voorzitter Joris Demmink.28
In het najaar van 1997 was het volgens de onderzoeksjournalist Wil van der Schans “druk op de burelen van de directeur-generaal vreemdelingenzaken, Joris Demmink” van waaruit op 18 november 1997 een nota werd ingebracht in de Centrale Groep van Schengen. In deze nota werd stevig ingezet op samenwerking met Turkije, als belangrijk transitland voor Koerden uit Noord-Irak, ter bevordering van de buitengrenscontrole van Europa, aldus Van der Schans.29
Het Koerden-dossier en het bezoek aan Turkije in maart 1998
In maart 1998 is het dan zover en reist een delegatie van hoge Europese ambtenaren, waaronder de voorzitters van het K4 comité en haar werkgroep migratie af naar Turkije om daar in Istanbul en Ankara te vergaderen met ambtenaren van de Turkse Veiligheids- en Vreemdelingenpolitie en met ambtenaren van de Turkse ministeries van Buitenlandse en Binnenlandse zaken.30 Een verslag van hetgeen daar besproken is, is te vinden in een document van de Raad van de Europese Unie van 21 april 1998.31 Daaruit komt naar voren dat het K4 comité na afloop kennelijk heeft afgesproken dat Nederland de ‘lead’ neemt ter zake de “feedback to Turkey on operational information involving illegal immigration.”32
Op grond van deze informatie moet de conclusie worden getrokken dat het uiterst onaannemelijk is dat de Nederlandse vertegenwoordiger in het K4 comité op wiens bureau het Europese Koerden-dossier werd uitgewerkt, geen lid was van de geheime delegatie die op 9 en 10 maart 1998 Turkije bezocht ter bespreking van de migratiestroom van Koerden uit Noord-Irak. Dit is meegedeeld aan de officier van Justitie die het rijksrechercheonderzoek naar aanleiding van klagers aangifte leidde, met het verzoek dit gegeven in het onderzoek te betrekken. Voor zover klager bekend is dit niet gebeurd, ondanks het feit dat de bezoekdata van de K4 delegatie corresponderen met de uit Turkije ontvangen lijst met inreisdata van Joris Demmink. Daarop staat vermeld dat Demmink in maart 1998 Turkije binnenreisde voor een bezoek aan Ankara.33
Thans heeft zich een getuige gemeld die uit hoofde van zijn functie persoonlijk aanwezig was bij de besprekingen met de K4-delegatie in Ankara op 10 maart 1998. Hij verklaart dat ook Joris Demmink bij deze bespreking aanwezig was. De naam van de getuige is bekend aan klagers advocaat, evenals zijn schriftelijke verklaring hierover. Teneinde mogelijke bedreiging van deze getuige te voorkomen, wordt deze verklaring eerst aan Uw Hof overlegd zodra deze in een officieel document is vastgelegd.
Een tweede getuige heeft verklaard uit hoofde van zijn functie Joris Demmink te hebben ontmoet tijdens een Interpol-vergadering in juli 1996 te Antalya. Voor deze getuige geldt eveneens dat zijn verklaring eerst aan Uw Hof zal worden overgelegd zodra deze in een officieel document is vervat.


Demmink boven de wet?
Op zaterdag 6 oktober 2012 publiceerde het Algemeen Dagblad op basis van een diepgaand onderzoek over de contacten die Joris Demmink in de jaren tachtig zou hebben gehad met de beruchte Haagse pooier Dick Willard, die indertijd minderjarige jongens leverde tegen betaling. Getuigen met wie de journalist van het AD heeft gesproken, zeiden gezien te hebben dat Demmink ook jongens zichtbaar jonger dan 16 van Willard afnam. Willard zelf is in 1991 uit wraak vermoord door twee van zijn voormalige minderjarige ‘seksslaven’.34 De maandag erop, te weten op 8 oktober 2012, kondigde de minister van Veiligheid en Justitie niet een nader onderzoek aan, maar liet de Tweede Kamer weten dat hij na raadpleging van de AIVD, Rijksrecherche en het Openbaar Ministerie geen reden ziet deze aantijgingen nader te laten onderzoeken. De minister geeft – zonder daadwerkelijk nader onderzoek naar deze nieuwe beschuldigingen – aan dat “van enige grond voor de juistheid van de beschuldigingen niet is gebleken”.35
Dit recente voorval vormt voor klager een extra aanwijzing dat ook in Nederland hoge ambtenaren van Justitie kennelijk boven de wet staan. Via dit klaagschrift legt klager aan u de vraag voor of de ‘onafhankelijke rechter’ in Nederland met deze kennelijke praktijk blijft instemmen.
V. Conclusie
Op grond van het voorhanden materiaal moet allereerst worden geconcludeerd dat

klagers aangifte en zijn toelichting daarop tegenover de politie niet op zichzelf staan. Ondersteunend bewijsmateriaal is ruim voorhanden. Allereerst herkent klager Mehmet Korkmaz als de politieman die hem in contact bracht met Demmink, terwijl Korkmaz zelf tegenover Kazmali en op video heeft aangegeven dat hij jongens bij Demmink heeft gebracht voor seksueel misbruik. Wat lag er meer voor de hand dan dat het onderzoeksteam dat klagers aangifte onderzocht, deze Korkmaz als getuige had gehoord. De baas van Korkmaz, voormalig politiechef van Istanbul, bevestigt dat zijn mensen Demmink beveiligden bij zijn bezoeken aan Turkije in de jaren negentig. De hoge Turkse veiligheidsfunctionaris Hüseyin Celebi beschrijft in een rapport voor hoge Turkse instanties Demminks chantabele positie nadat hij in 1995 in Turkije op kindermisbruik was betrapt. Ook beschrijft Celebi de data waarop Demmink in de jaren negentig en daarna Turkije al of niet officieel bezocht. Aan het onderzoeksteam is een lijst met vergelijkbare inreisdata overgelegd afkomstig van de gouverneur van Istanbul. De daarop vermelde data sporen rechtstreeks met het bezoek van het EU K4 comité, waarin Demmink Nederland vertegenwoordigde, aan Ankara. Het isoleren van klagers aangifte van dit ondersteunende bewijsmateriaal en het vervolgens op basis van niet nader geëxpliceerde ‘inconsistenties’ ontkrachten ervan, geeft aan dat het ingestelde onderzoek niet meer is geweest dan een weloverwogen ‘cover-up’ actie. Deze conclusie kan slechts worden versterkt door de onmiddellijke mededeling van de minister van Veiligheid en Justitie aan de Tweede Kamer op 10 oktober 2012, dat nieuw geopenbaarde misbruikgevallen waar zijn Secretaris-generaal thans van wordt beschuldigd, niet nader onderzocht zullen worden.


Het aangeleverde en voorhanden materiaal betreft document voor document bewijs dat de aangifte van klager ondersteunt en dat Demminks alibi dat hij sedert 1987 niet in Turkije zou zijn geweest rechtstreeks tegenspreekt. Aan het feit dat Demmink over zijn bezoeken aan Turkije onwaarheid spreekt, kan eveneens bewijskracht tegen hem worden ontleend.
Het thans aan Uw Hof gepresenteerde materiaal levert tezamen met klagers aangifte ruim voldoende feiten en omstandigheden voor de ernstige verdenking dat jegens klager de hierna volgende strafbare feiten zijn gepleegd, alsmede voor de conclusie dat klager een rechtstreeks belang heeft bij de vervolging ervan.
REDENEN WAAROM
Klager U verzoekt
a. hem en zijn advocaat kennis te laten nemen van de op deze zaak betrekking hebbende stukken;

b. hem en zijn advocaat in de gelegenheid te stellen het beklag in raadkamer toe te lichten;

c. te bevelen dat de verlangde vervolging wordt ingezet van:

mr. J. Demmink, Secretaris-Generaal van het Ministerie van Justitie,

ter zake van:




  1. Verkrachting als strafbaar gesteld in artikel 242 WvSr, gepleegd in Edirne in Turkije in of omstreeks het jaar 1997;

  2. Ontuchtige handelingen onder dwang en seksueel binnendringen bij iemand beneden de 16 jaar als strafbaar gesteld in de artikelen 245 en 246 WvSr, gepleegd in Edirne in Turkije in of omstreeks het jaar 1997;

Amsterdam, 24 oktober 2012
______________________ mr. A.G. van der Plas

1 bijlage 1: aangifte d.d. 25 mei 2010 met Nederlandse vertaling van klagers verklaring op 12 december 2009

2 bijlage 2: brief d.d. 2 februari 2012 van mr. J. van Zijl

3 bijlage 3: verklaringen van Langendoen d.d. 21 januari 2010 en 17 maart 2011

4 bijlage 4: video-opname van het verhoor d.d. 12 december 2009 door Langendoen (op dvd)

5 bijlage 5: proces-verbaal van verhoor d.d. 10 februari 2011 van Politie Hollands Midden , Rijksrecherche Regio West I

6 bijlage 6: verklaring d.d. 12 december 2007 van Burhan Kazmali met Nederlandse vertaling

7 bijlage 7: proces-verbaal d.d. 28 oktober 2009, parket van de Hoofdofficier van Justitie te Fatih, onderzoeksnummer: 2008/20522

8 Zie bijlage 6, de pp. 16-19 van de schriftelijke verklaring d.d. 12 december 2007 van B. Kazmali

9 bijlage 8: video-opname (op dvd) d.d. 10 januari 2008 te 15.46 uur van een gesprek tussen Kazmali en Korkmaz met de in het Nederlands vertaalde transcriptie

10 Zie bijlage 6, schriftelijke verklaring van B. Kazmali, de pp. 19-20

11 Zie bijlage 6, schriftelijke verklaring van B. Kazmali, de pp. 3-6

12 bijlage 9: EK RAPOR van Hüseyin Celebi, Ankara, januari 2007 (De bijgesloten Nederlandse vertaling van het rapport is verricht door een niet beëdigde vertaler, te weten de journalist Sinan Can van het Nederlandse actualiteitenprogramma Zembla)

13 bijlage 10: brief van Hüseyin Celebi aan prof. Y. Buruma, d.d. 5 februari 2010

14 Zie bijlage 9, het EK RAPOR, p. 13

15 Zie bijlage 9, het EK RAPOR, p. 23

16 Zie bijlage 2, p. 3

17 Bijlage 11: brief d.d. 3 november 2011 van mr. A.G. van der Plas aan mr. J. van Zijl en mr. D.M.A. van der Zwan

18 Zie bijlage 2, brief d.d. 2 februari 2012 van mr. J. van Zijl

19 Zie bijlage 5, proces-verbaal van aangifte d.d. 10 februari 2011 bij Politie Hollands Midden, p. 42

20 Zie bijlage 5, p. 39

21 Zie bijlage 5, p. 41 en 43

22 Zie bijlage 5, p. 45

23 Zie bijlage 10, brief van Hüseyin Celebi van. 5 februari 2010

24 bijlage 12, document d.d. 25 december 2002 van de Gouverneur van Istanbul, Directeur van Politie met Nederlandse vertaling

25 Zie bijlage 2, brief d.d. 2 februari 2012 van OvJ Van Zijl

26 Bijlage 13: de betreffende email d.d. 21 februari 2012 doorgestuurd aan mr. A.G. van der Plas

27 Zie bijvoorbeeld Christina Boswell in “The ‘external dimension’ of EU immigration and asylum policy”, International Affairs 79, 3 (2003) p. 623, waar zij schrijft: “This (lack of transparency) continued after the Maastricht Treaty came in force, with the notorious K4 Committee – named after the relevant article in the treaty – meeting behind closed doors, without public access to its proceedings. This provided an attractive venue for police and judicial officials to cooperate on questions of border control and police cooperation, away from scrutiny by the press or NGO’s.”

28 Bijlage 14: rapport van de vergadering d.d. 9 april 1997 van de Troika van het K4 Comité en een delegatie van de raad van Europa, https://wcd.coe.int/ViewDoc.jsp?id=574639&Site=COE

29 Wil van der Schans, “Help! De Koerden komen, Asielbeleid in 2000”, 1 september 1999, Jansen&Jansen, pp. 7 en 8, http://www.burojansen.nl/artikelen_item.php?id=125

30Bijlage 15: Statewatch, “EU officials visit Turkey to set up camps” Vol. 8 no 3&4, May-August 1998,

31Bijlage 16: European Union, the Council, Brussels, 21 April 1998, document 6938/1/98, REV 1

32 Zie bijlage 16, p. 4

33 Zie bijlage 12

34 Bijlage 17: Algemeen dagblad van 8 oktober 2012, pp. 8 en 9

35 Bijlage 18: Brief d.d. 8 oktober 2012 van I.W. Opstelten aan de Voorzitter van de Tweede kamer





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina