Benedictijnse spiritualiteit



Dovnload 36.76 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte36.76 Kb.

BENEDICTIJNSE SPIRITUALITEIT

Het hoofdthema van dit artikel is benedictijnse spiritualiteit. Er wordt kort ingegaan op de zogenaamde Regel van Benedictus, een verzameling leefregels voor monniken, zodat iets zichtbaar wordt van deze 1500 jaar oude spiritualiteit. Ook zal worden getoond, hoe verrassend modern de benedictijnse spiritualiteit kan zijn. Maar vóóraf zal in het kort de ontwikkeling van het kloosterleven geschetst worden. Soms wordt in ‘kleine-letterteksten’ dieper op een thema ingegaan of nadere toelichting gegeven.



1. ONTWIKKELING VAN HET KLOOSTERLEVEN: EEN KORTE SCHETS
In de afgelopen 1700 jaar heeft zich binnen het christendom een rijk kloosterleven ontwikkeld: het is eenvoudig begonnen, maar van eeuw tot eeuw verder uitgedijd, zoals een boom tot volle wasdom komt en uitgroeit tot een ingewikkeld samenstel van takken en gebladerte. Het protestantisme heeft in de 16de eeuw het kloosterleven afgeschaft, maar binnen het katholicisme is het tot op de dag van vandaag springlevend gebleven.
Het is onmogelijk een volledig overzicht van dat rijke kloosterleven te geven. Daarom worden in dit stuk enkele globale historische lijnen getekend en zal toegeschreven worden naar een speciale tak aan de ‘kloosterboom’: de benedictijnen.
Het monnikendom is in de derde eeuw ontstaan in de Egyptische en Syrische woestijn. De allereerste monniken leefden solitair, als kluizenaar (ook wel heremiet of anachoreet genoemd). Ze trokken zich uit het volle leven terug om in een grot of in ’n kluis (een afgesloten ruimte, een eenvoudig hutje) ascetisch te leven en soms aan zelfkastijding te doen. Op die manier volgden ze Jezus na in zijn eenvoud, dienstbaarheid en lijden. Ze werden door gewone gelovigen als heilige mannen gezien. Velen vroegen hen om allerlei raad, in de eerste plaats wat het geloofsleven betreft. De meest bekende onder hen was de heilige Antonius. Athanasius van Alexandrië schreef een vita, zeg maar: een biografie, over hem. Daarmee werd een traditie gevestigd: er zouden van beroemde christenen nog vele vitae volgen.
Eigenlijk al vanaf het allereerste begin ontwikkelden zich de drie ‘pijlers’ waarop het leven van kluizenaars en monniken gebaseerd is: het ongehuwd zijn, het in armoede leven en het gehoorzamen aan de overste van de kloostergemeenschap, later abt genoemd. We noemen dat de drie geloften (een gelofte is een plechtige belofte die de monnik ten overstaan van de gemeenschap doet): de geloften van kuisheid, armoede en gehoorzaamheid.
Deze woorden klinken alsof ze van een andere planeet komen en wat ermee gepaard gaat lijkt op een strenge leefwijze te duiden. Niets is minder waar dan dat.

In de eerste plaats kiezen monniken – waar ‘monniken’ staat worden ook ‘zusters’ of ‘nonnen’ bedoeld – er in alle vrijheid voor. Vanwege het toch wel ongewone karakter ervan, wordt een lange voorbereidingstijd in acht genomen, alvorens een monnik definitief in een klooster intreedt.

In de tweede plaats is het van belang te kijken naar welke zín de betrokkenen er zelf aan geven. De meeste monniken leggen bijvoorbeeld de gelofte van kuisheid als volgt uit: om mij te committeren met de kloostergemeenschap, kan ik er geen gezin bij hebben of er een vaste partner op nahouden, dus kies ik ervoor ongehuwd te blijven. Ook aan de andere twee geloften kan een dergelijke weloverwogen, ruime interpretatie worden gegeven.
Op een gegeven ogenblik gingen monniken gemeenschappen vormen: ze zijn dan geen heremieten meer maar cenobieten (gemeenschappelijk levende monniken). Pachomius was de eerste die daar rond 325 na Chr. vorm aan gaf. Hij schreef een regel – dit is een soort reglement - voor deze eerste monnikengemeenschap. Daarmee begon het eigenlijke kloosterleven, waarin gemeenschappelijke én solitaire activiteiten werden afgewisseld.

De Regel van Pachomius is geschreven in het Koptisch, de taal die christenen in Egypte toentertijd spraken. Ze kenmerkt zich door een strakke organisatie met gebed, bijbelstudie en handwerk.


Ruim een eeuw later deed een groot gelovige en theoloog van zich horen: Augustinus. Ook hij schreef een Regel. Nog steeds leven augustijnen volgens die kloosterregel. De Regel van Basilius de Grote heeft zich vooral over het oosterse christendom verspreid.
In het westerse christendom werd Benedictus (ca. 480-550), dit is ‘gezegende’, toonaangevend. Hij werd geboren te Nursia in de Italiaanse provincie Perugia. Het Romeinse rijk was tenondergegaan en wat ervan over was had te lijden onder invallen van stammen of volkeren van buiten, zoals die van de Goten en de Vandalen. Er was grote behoefte aan rust en stabiliteit. Mede om die reden trok Benedictus zich terug in Subiaco en stichtte een kloostergemeenschap op een hoge rots, de Monte Cassino. Hier schreef hij zijn beroemde Regula monachorum ofwel Regel voor de monniken. Nog in dezelfde eeuw, maar vooral daarna, verspreidde het benedictijnse kloosterleven zich over héél het westen van Europa. Daarom wordt de heilige Benedictus de vader van het westerse kloosterleven genoemd. Paus Gregorius de Grote was een grote bewonderaar van hem en schreef rond 593 een vita over Benedictus.
Uit de benedictijnse tak zijn veel zijtakken tot bloei gekomen. Zo ontstond in 12de eeuw een hervormingsbeweging onder leiding van Bernardus van Clairvaux. Deze gaf een strengere uitleg aan de regel van Benedictus. Daarmee werd de cisterciënserorde (cisterciënzer staat voor ‘grijs’ vanwege het habijt van de monniken) een feit. In ons land sprak men van ‘schiermonniken’ ofwel ‘grijze monniken’: Schiermonnikoog is hiervan afgeleid. De cisterciënsers hier te lande hebben zich intensief met landontginning en dijkaanleg beziggehouden.
Benedictijnen en alle vertakkingen ervan vormen typische plattelandskloosters: naast het bidden wordt vooral op het land gewerkt, alhoewel tegenwoordig monniken met een benedictijnse spiritualiteit steeds meer overgaan op andere, eenvoudige werkzaamheden. Het westerse christendom kent namelijk ook typische stadsorden, zoals de dominicanen en franciscanen. Deze orden zijn tot bloei gekomen op het moment dat de middeleeuwse stad zich sterk ontwikkelde, er een stadsproletariaat ontstond en er mede om die reden extra zielzorg aan de stadbevolking gegeven moest worden. Daarmee werden de dominicanen en franciscanen belast.
In de 17de eeuw ontstond vanuit de cisterciënserorde een nog strengere orde, namelijk die der trappisten, genoemd naar het klooster La Trappe in Normandië: de nadruk lag op contemplatie, zeg maar: meditatief gebed, en een vegetarisch leven. Bonen, met enige zelfspot ‘trappistenvlees’ genoemd, waren het voornaamste gerecht. Ons tegenwoordige trappistenbier doet anders vermoeden!

2. DE ORDE DER BENEDICTIJNEN
Terug naar de spiritualiteit van Benedictus. Deze laat zich kenmerken door: aardsheid, mildheid, matigheid, broederlijkheid, eenvoud, nederigheid en bescheidenheid. Het benedictijnse kloosterleven is aards, staat met beide benen op de grond: behalve bidden doen de monniken aan handenarbeid, vaak op het land. De aarde levert voedsel en bouwmaterialen. De matigheid bijvoorbeeld, blijkt uit het eten van weinig vlees. Het drinken van wijn wordt niet aanbevolen, maar áls men zich eraan overgeeft, dán met mate. De Regel spreekt over een kwartliter drank per dag, behalve als het warm is in de zomer. Dan mag er meer gedronken worden. De abt (kloosteroverste) dient daar een beslissing over te nemen. De broederlijkheid, om nog een voorbeeld uit te werken, blijkt uit de correctio fraterna, dit is een milde berisping bij overtredingen. Er is een opklimming in sancties: berisping, vermaning, uitsluiting en tenslotte lijfstraf (zweepslagen).

Bij dit laatste mag niet vergeten worden, dat lijfstraffen in Benedictus’ tijd algemeen geaccepteerd waren en dat deze in de 21ste eeuw niet meer letterlijk toegepast worden.


Men zegt weleens, dat benedictijnen nog een vierde gelofte kennen: stabilitas loci. Dit is de plechtige belofte om ‘stabiel van plaats’ te blijven, om verbonden te blijven met de concrete kloostergemeenschap waar men voor gekozen heeft.
Ook deze gelofte is weer ruimer uit te leggen: stabilitas kan ook betekenen, dat je je voorneemt om niet weg te lopen voor taken of situaties in de gemeenschap die je moeilijk vindt. Op een nog dieper niveau betekent het eigenlijk, dat je probeert evenwicht in je dagelijkse activiteiten te vinden, dat je een evenwichtig mens wilt zijn.
In het benedictijnse kloosterleven is het ora et labora (bid en werk) op een wonderlijke manier in evenwicht: de gehele dag door worden werken en bidden afgewisseld. Wat het bidden betreft, baseert Benedictus zich op psalm 119,164 ‘Ik zing U dagelijks zevenmaal lof …..’ en 119,55 ‘Zelfs in de nacht denk ik aan uw naam, Heer …..’. Daarop is het officie (koorgebed: dit is het gemeenschappelijk zingen en bidden van de monniken in het koor van de kerk of de kapel) gebaseerd: zeven keer komen de monniken samen, vanaf het eind van de nacht tot aan het slapen gaan. In volgorde: metten, lauden, priem, terts, sext, none, vespers en completen. Het officie begint nog vóór de dageraad met de metten, door Benedictus ook wel vigiliae (wat aan de dag voorafgaat) genoemd. Soms ook matutini: dit betekent ‘kleine uren’. Vaak zijn ze kort. Daar komt de uitdrukking ‘korte metten’ vandaan. De tweede bijeenkomst, de lauden, kenmerkt zich door de lofprijzingen, vandaar de naam. Priem, terts, sext en none geven het tijdstip aan: respectievelijk het 1ste, 3de, 6de en 9de uur van de dag. Vespers duidt het ‘avondgebed’ aan. Met de completen verder op de avond wordt het koorgebed afgesloten, ‘compleet’ gemaakt. Daarnaast vieren de monniken elke dag de eucharistie (letterlijk: dankzegging), door katholieken ook wel de heilige mis genoemd. Deze eucharistieviering vindt ergens halverwege de ochtend plaats, meestal na de lauden.

3. DE REGEL VAN BENEDICTUS
Benedictus heeft een zogenaamde Regel geschreven, zeg maar een soort van huisreglement voor de monnikengemeenschap die hij voor ogen had.

Hierna volgen enkele delen uit de regel van Benedictus in de vertaling van Vincent Hunink (Amsterdam 2000): hfst. 22 over het slapen gaan, hfst. 33 over het privébezit, hfst. 35 over de keukendienst, hfst. 44 over de boetedoening en hfst. 72 over goede wedijver. Maar eerst wordt de openingstekst van de Proloog, het voorwoord, geciteerd en vervolgens een soort inhoudsopgave verstrekt om een indruk te geven van de onderwerpen die Benedictus in zijn regel zoal aansnijdt.

Misschien ten overvloede: het betreft hier een tekst van 1500 jaar oud die geschreven is in een tijd met andere gewoonten en gezagsverhoudingen dan de onze. Daarom zal hier en daar extra toelichting gegeven worden om de tekst ‘bij de tijd’ te brengen.
In Benedictus’ Regel begint de Proloog (voorwoord) met: “Luister, mijn zoon, naar de richtlijnen van uw meester en neig het oor van uw hart: aanvaard gewillig de vermaningen van uw liefhebbende vader en breng ze metterdaad te uitvoer.”
In de Latijnse tekst staat ‘ausculta’ waar het Nederlands ‘luister’ gebruikt. Het gaat hier om een zeer aandachtig luisteren: de luisteraar is er geheel bij, luistert met heel zijn hart. Het is díe vorm van luisteren die voor benedictijnen een ‘tweedenatuur’ is geworden: met intense andacht stemmen ze af op het verhaal dat een ander hen vertelt. Ze geven je het gevoel, alle tijd voor je te hebben. Gesprekken verlopen kalm, ingetogen en rustig. Haast is uit den boze.
De Regel wordt als volgt ingedeeld:
Deel 1: Geestelijke leidraad

Proloog: Een persoonlijke uitnodiging

Hfst. 1-7: Over de verschillende soorten monniken

Over de hoedanigheden van de abt

Over het raadplegen van de broeders

Over de mogelijkheden om goed te handelen

Over de gehoorzaamheid

Over het stilzwijgen

Over de nederigheid

Deel 2: Institutioneel en disciplinair deel

Hfst.8 20: Over het werk Gods (= koorgebed)

Hfst.21 30: Over de tucht

Hfst.31 41: De econoom en de broederlijke dienst

Hfst.42 49: Leefregels in de gemeenschap

Hfst.50 57: Klooster, bidplaats en buitenwereld

Hfst.58 61: Aangroei van de gemeenschap met nieuwe kandidaten

Hfst.62 65: Eigen plaats van de monnik binnen de gemeenschap

Hfst.66: De portier als schakel tussen de binnen  en buitenwereld

Hfst.67-72: De weg van de liefde in het klooster

Hfst.73: Epiloog: beperktheid van deze Regel

SLAPEN (22)


“De monniken slapen ieder in een eigen bed. Beddengoed dat bij hun levenswijze past krijgen ze verstrekt van de abt. Indien mogelijk slapen allen in een ruimte. Als dat vanwege het grote aantal niet kan, rusten ze in groepen van tien of twintig, samen met ouderen die zich om hen bekommeren. In de slaapruimte brandt de hele tijd een lamp, tot de ochtend toe.

De monniken slapen gekleed, met een riem of touw om hun middel, maar dragen hun messen niet tijdens het slapen (anders zonden ze zich in hun slaap nog kun­nen verwonden). De monniken zijn op die manier altijd klaar om op een gegeven teken direct op te staan en de anderen snel voor te zijn bij het officie. Daarbij blijft wel alle ernst en ingetogenheid bewaard. Jongere broeders hebben hun bedden niet naast elkaar, maar tussen die van ouderen. Bij het opstaan voor het officie spoort men elkaar rustig aan: langslapers hebben dan geen ex­cuus.”


‘Spoort men elkaar rustig aan’. Hieruit blijkt de mildheid van de manier waarop Benedictus vond dat monniken met elkaar om moeten gaan: aansporen, niet dwingen of kapittelen. Natuurlijk slaapt men nu niet meer ‘op zaal’, maar heeft elke monnik zijn eigen kamer, doorgaans cel genoemd. Natuurlijk slaapt de benedictijner monnik niet meer met zijn kleren aan en met een riem of touw om zijn middel: de ‘spiritualiteit’ van dit voorschrift is, dat hij zo moet slapen, dat hij niet al te traag maar juist op een ‘wakkere’ manier opstaat.

EVENTUEEL PRIVEBEZIT VAN MONNIKEN (33)


“Er is een fout die als geen andere met wortel en tak in het klooster moet worden uitgeroeid: niemand mag het zich aanmeten om zonder bevel van de abt iets te geven of aan te nemen, of enig persoonlijk bezit te hebben— absoluut niets: geen boek, geen schrijfplankje, geen pen, helemaal niets. Want zelfs over hun eigen lichaam of hun eigen wil mogen de monniken niet vrijelijk be­schikken. Alles wat ze nodig hebben vragen ze aan de kloostervader, en ze mogen niets bezitten wat de abt niet heeft verstrekt of toegelaten. 'Alles is voor allen ge­meenschappelijk' (Hand. 4,32), zoals er staat geschreven, en niemand noemt iets het zijne of beschouwt het zo.

Als echter wordt geconstateerd dat iemand plezier heeft in deze kwaadaardige fout, wordt hij vermaand, een­maal en andermaal. Betert hij zich niet, dan wordt hij bestraft.”


Voor mensen van de eenentwintigste eeuw die niet hiërarchisch maar egalitair denken en handelen klinkt dit voorschrift erg streng! Het betreft hier de gelofte van armoede. Wie eigendommen heeft en intreedt, draagt deze over aan de kloostergemeenschap. Monniken hebben dus geen spaarrekening. Heel persoonlijke eigendommen, zoals boeken en foto’s, blijven uiteraard in het bezit van de monnik. Meestal vraagt de monnik ‘zakgeld’ aan de overste of de econoom – dit is iemand in de gemeenschap die de gelden beheert – zodat hij elders iets kan kopen dat hij nodig heeft: een boek, een fiets. Van dat geld kan hij ook enkele dagen op vakantie gaan, bijvoorbeeld om zijn familie te bezoeken.

DE WEKELIJKSE KEUKENDIENST (35)


“De broeders bedienen elkaar om de beurt en niemand is vrijgesteld van de keukendienst, behalve bij ziekte of als iemand niet kan vanwege belangrijke bezigheden. Want deze dienst levert groter loon en meer liefde op.

Zwakkere broeders krijgen ondersteuning zodat ze het werk niet met tegenzin hoeven doen. Iedereen krijgt trouwens ondersteuning, afhankelijk van de omvang van de gemeenschap en de toestand ter plaatse. Als de gemeenschap wat groter is, krijgt de keldermeester vrijstelling van de keukendienst. Dat geldt ook voor mensen die, zoals we zeiden, met belangrijker zaken be­zig zijn. De anderen bedienen elkaar met liefde om beurten.

Wie zijn weekdienst beëindigt houdt op zaterdag schoonmaak. Men wast dan de doeken waarmee de broeders zich de handen en voeten afdrogen. Wie zijn weekdienst beëindigt en wie ermee gaat beginnen was­sen de voeten van alle broeders. De eerste levert zijn dienstmateriaal schoon en in goede staat in bij de kelder­meester, en deze verstrekt het weer aan de man van de nieuwe week. Zo weet de keldermeester wat hij geeft en wat hij ontvangt.
Een uur voor de maaltijd krijgt de keukenploeg een beker drinken en wat brood, naast de vastgestelde por­ties. Daardoor kunnen ze op het uur van de maaltijd zonder gemor of zware inspanning hun broeders bedie­nen. Op andere dagen moeten ze het echter volhouden tot na de mis.
Zondags na de lauden maken de gaande en komende keukenploeg in de kapel voor allen een diepe buiging en vragen om voor hen te bidden. Wie zijn dienst beëindigt zegt het vers Benedictus es Domine Deus, qui adiuvasti me et conso­latus es me (noot van de vertaler: Gezegend zijt Gij, Heer God, die mij hebt geholpen en getroost, Ps 85,17). Als dit driemaal is gezegd, krijgt men de ze­gen. Dan komt zijn opvolger en zegt: Deus in adiutorium meum intende, Domine ad adiuvandum me festina (noot van de vertaler: God, kom mij te hulp; Heer, haast U mij te helpen, Ps. 69,2). Als ook dit driemaal door allen gezegd is, ontvangt de nieuwe man de zegen en begint aan zijn weektaak.”
Wat opvalt, is weer de mildheid: zwakkere monniken worden ontzien. Maar ook de gelijkwaardigheid valt op. Abt en keldermeester, tegenwoordig de econoom genoemd, zijn niet uitgezonderd van de keukendienst. Iedereen moet elkaar tot dienst zijn. In wezen is dit een heel evangelische gedachte.

BOETEDOENING VAN UITGESLOTENEN (44)


“Wie vanwege ernstige vergrijpen uitgesloten is van de kapel en de maaltijd, die gaat op het uur waarop het of­ficie wordt gevierd voor de deur van de kapel liggen. Hij zegt niets, maar blijft languit met zijn hoofd op de grond liggen, aan de voeten van allen die uit de kapel komen. En dit doet hij net zolang totdat hij naar het oordeel van de abt boete heeft gedaan. Als de abt hem dan opdraagt er weer bij te komen, valt hij aan de voe­ten van de abt en daarna van allen, met de vraag om voor hem te bidden. Dan pas wordt hij, als de abt het hem opdraagt, weer in het koor opgenomen, op een door de abt te bepalen plaats. Maar hij waagt het niet om een psalm of lezing of wat dan ook in de kapel in te zetten zonder uitdrukkelijke opdracht van de abt. En op alle uren werpt hij zich bij het einde van het officie op de grond, op de plek waar hij staat. Zo doet hij boete totdat de abt hem opdraagt hier weer mee op te hou­den.

Wie echter vanwege lichte vergrijpen alleen van de maaltijd wordt uitgesloten, doet boete in de kapel. Dat gebeurt zolang de abt het wil, totdat hij zijn zegen geeft en zegt: 'Zo is het genoeg.'”


Waar mensen samenleven worden fouten gemaakt. Ook in kloostergemeenschappen kunnen dingen misgaan. Benedictus was reëel genoeg om dat in te zien en er rekening mee te houden. Hij was mild in zijn straffen: deze klommen op van ‘licht’ naar ‘zwaar’ al naargelang de ernst van de overtreding. Uit deze opklimming blijkt matigheid. Vergeving stond voorop, maar de monnik die een ernstig vergrijp verweten kon worden, moest wél tonen, dat hij er berouw van had. Uiteraard word hedendaagse monniken na een vergrijp niet meer opgelegd om voor de deur van de kapel te gaan liggen of voor de voeten van de abt neer te knielen. Overigens drukt het bidden van alle monniken voor de zondaar de broederlijke zorg voor elkaar uit!

De benedictijnen zijn met de tijd meegegroeid: straffen zijn niet aan de orde. Wanneer er fouten worden gemaakt, spreekt men elkaar erop aan. Dit is een eigentijdse invulling van de correctio fraterna: letterlijk ‘broederlijke correctie’.



DE GOEDE WEDIJVER VAN DE MONNIK (72)
“Zoals er een slechte, bittere wedijver bestaat, die een mens verwijdert van God en naar de hel voert, zo bestaat er ook een goede wedijver, die een mens verwijdert van zonde en naar God en het eeuwig leven voert. Deze vorm van wedijver beoefenen de monniken met vurige liefde. Dat wil zeggen: 'Ze proberen elkaar in beleefdheid te overtreffen' (Rom. 12,10), ze verdragen elkaars zwakhe­den van lichaam of karakter met groot geduld en doen hun uiterste best om elkaar te gehoorzamen. Niemand volgt zijn eigenbelang maar juist dat van een ander. Ze bewijzen elkaar in zuivere liefde broederlijke genegen­heid, zijn vol ontzag voor God en beminnen hun abt met een oprechte, nederige genegenheid. En ze stellen in het geheel niets boven Christus. Moge Hij ons alle­maal samen naar het eeuwig leven leiden!”
Een prachtige tekst! Wil je competitief zijn? Wees het dan in goede gedragingen. Uiteraard bedoelt Benedictus niet, dat de ‘goeddoeners’ zich erop moeten laten voorstaan dát ze het goed doen. Juist dán zou ‘het sterke’ een ‘zwakheid’ blijken. Eigenlijk zegt Benedictus: wees sterk in het gewone. Doe wat je doet, hoe eenvoudig het ook is, met liefde en toewijding.

4. BENEDICTIJNSE SPIRITUALITEIT IN DEZE TIJD
Wil Derkse heeft het boek ‘Een levensregel voor beginners’ geschreven. Het gaat over benedictijnse spiritualiteit voor het dagelijkse leven. Hij beschrijft wat ze voor het persoonlijke leven van niet-kloosterlingen kan betekenen en hoe ze een rol kan spelen in het leiding geven door eigentijdse managers. Niet voor niets laten managers zich in benedictijnse kloosters bijscholen in de spiritualiteit van hun leiding geven. Hoe leerkrachten door benedictus geïnspireerd kunnen zijn, beschrijft hij niet, maar de lijnen laten zich gemakkelijk doortrekken. Daartoe wordt in dit hoofdstuk een poging ondernomen.
Aardsheid. Benedictijnse spiritualiteit is aards, bevindt zich ‘dicht bij de grond’: het gaat niet om interessante verlichtingservaringen, om mystieke ervaringen of om grote godsdienstige ijver. Doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg, zou door Benedictus gezegd kunnen zijn. Het gaat erom, dat het alledaagse in alle eenvoud en met aandacht en toewijding doet. Je wijdt je aan een bepaalde taak en dat gaat het beste, als je niet tegelijkertijd aan ‘gisteren’ of aan ‘zo meteen’ denkt: je bent op dat moment met heel je aandacht bij díe taak. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen belangrijke en onbelangrijke taken: voor benedictijnen is het werken op het land of in de keuken net zo belangrijk als het zingen en bidden in de kapel: in alles wat je doet kun je ‘God prijzen’.
Wat betekent deze aardsheid in het onderwijs? Misschien wordt dat verduidelijkt door de volgende vragen: wil je excelleren in het team van leraren door bepaalde taken op je te nemen, bijvoorbeeld het organiseren en leiden van een ouderavond, zo van ‘Kijk eens hoe ik dat aanpak?’ Of is het eerder: de schriften van de kinderen die ik dagelijks nakijk mogen gezien worden. Is het onderwijs voor jou alleen een springplank naar een managementfunctie of is het meer? Wat zou dat ‘meer’ dan kunnen zijn? Hoe wil je, dat eenvoudige klusjes in het onderwijs gewaardeerd worden?
Ausculta. Zoals al eerder geschreven, gaat het om een intense manier van luisteren, zeg maar: actief luisteren. Veel van wat er in communicatie tussen mensen misgaat is geen gevolg van kwade opzet of boze plannen, maar van half of slecht luisteren. Vaak doen we alsóf we naar iemand luisteren, maar in werkelijkheid vertoeven onze gedachten ergens anders. We zitten dan nog teveel vast aan ‘gisteren’: dat wat zojuist gebeurd is en ons nog geheel bezighoudt. Ook zitten we vast aan ‘morgen’: dat wat we zo meteen of straks doen moeten en waar we ons nú al zorgen over maken. Benedictijnse spiritualiteit leeft bij het moment: wat ik nú doe, doe ik met aandacht. Ik denk nu niet aan ‘gisteren’, niet aan ‘morgen’. Alleen zó kan ik luisteren met mijn hart.
Onderwijs is een buitengewoon verbaal gebeuren. Kinderen moeten vooral luisteren. Wij leerkrachten hebben hen veel te vertellen. Maar luisteren wij ook naar kinderen? Luisteren we actief, d.w.z. spannen we ons in om door te dringen in wat een kind ons te vertellen heeft? Geven we het kind ook de indruk dat we tijd voor hem hebben? Zou ik voorbeelden kunnen geven van momenten waarop ik écht naar kinderen geluisterd heb? Of naar collega’s? Hoe heb ik dat ervaren?
Geduld, matigheid en mildheid. De mens is niet af, nooit af, is een open project. Hij mag blijven groeien, mag aan zichzelf blijven werken. Accepteren dat een mens niet af is, betekent ook het accepteren van fouten. Benedictijnen gaan daar mild mee om. Daarbij moeten berispingen en straffen zoveel mogelijk voorkomen worden. Dat bereik je onder andere door mensen niet te zware taken op hun schouders te leggen: laat iemand doen wat hij aankan. Overbelast hem niet.
Geduld, matigheid en mildheid horen in ons onderwijsgedrag een belangrijke rol te spelen. Alle kinderen zijn verschillend. Ze zijn ieder voor zich een persoonlijkheid met eígen mogelijkheden. De mens is aangelegd op groei. Er mogen fouten worden gemaakt. Hoe geduldig zijn wij naar kinderen toe? Hoeveel ruimte krijgen zij mij voor eígen vormen van gedrag? Wat tolereer ik en wat niet? Trek ik mijn grenzen scherp of geef ik kinderen de ruimte? Waarom doe ik dat? Hoe ga ik om met straf? Zet ik meteen stevige sancties is of kies ik voor een bewust opbouw in de wijze waarop ik straf?
Stabilitas. We lazen het al: stabilitas is ten diepste ‘persoonlijk stabiel zijn en niet bij het minste zuchtje wind al wegvluchten’. In een kloostergemeenschap is het ook niet altijd pais en vree. Stabilitas, ‘commitment’ zeggen wij nu, betekent dat je juíst in een leefgemeenschap waarin je je medebroeders niet zelf gekozen hebt, wegduikt voor verantwoordelijkheid als het je even tegenzit. Belangrijk is om wat jou als monnik dwarszit tegenover medebroeders uit te kunnen spreken en om wat uiteindelijk onveranderbaar blijkt te kunnen dulden. Samenleven betekent soms ook iets volhouden of uithouden.
Hoe gaan wij in een werk- of taakgroep met de anderen om? Als we met de manier van werken van de groep of een enkeling in de groep moeite hebben, zeggen we dat dan hardop? Duiken we weg in vluchtgedrag of, nog erger, praten we er alleen over buiten de groep om? Hoe gaan we om met kinderen die ons niet zo liggen? Als we met een onhandelbaar kind te maken hebben, gaan we dan de confrontatie aan of kiezen we ervoor het gedrag van dat kind zoveel mogelijk te negeren?
Tenslotte: als het goed is, is dit artikel erin geslaagd te laten zien, dat benedictijnse spiritualiteit nog steeds springlevend is en dat we er, als we dat zouden willen, bewust iets mee kunnen in de praktijk van het onderwijs. Dat we laatste wensen we elke onderwijsgevende lezer van dit artikel toe!




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina