Benedictus XVI duitsland – Keulen – 18 augustus 2005 Internationale luchthaven Keulen/Bonn Begroetingsceremonie



Dovnload 156.84 Kb.
Datum25.08.2016
Grootte156.84 Kb.
Benedictus XVI

Duitsland – Keulen – 18 augustus 2005

Internationale luchthaven Keulen/Bonn

Begroetingsceremonie
Zeer geachte heer Bondspresident,

zeer geachte vertegenwoordigers uit het politieke en openbare leven,

geachte kardinalen, dierbare medebroeders in het bisschopsambt,

dierbare burgers van de Bondsrepubliek,

dierbare jongeren!

Voor de eerste keer na mijn verkiezing tot opvolger van Petrus sta ik vandaag vol vreugde op

het grondgebied van mijn dierbaar vaderland, Duitsland. En ik dank God uit de grond van

mijn hart dat Hij het zo beschikt heeft dat mijn pastorale bezoeken buiten de grenzen van

Italië mogen beginnen juist met een bezoek aan het land waar ik geboren ben. Ik kom naar

Keulen naar aanleiding van de twintigste Wereldjongerendag, die mijn voorganger, de

onvergetelijke paus Johannes Paulus II, reeds lang gepland en voorbereid had. U allen hier

aanwezig ben ik oprecht dankbaar voor de hartelijke ontvangst. Mijn eerbiedige groet geldt

op de eerste plaats de bondspresident, de heer Horst Köhler, die ik dank voor zijn

vriendelijke woorden, waarmee hij mij in de naam van alle burgers van de Bondsrepubliek

Duitsland welkom heeft geheten. Met achting en dankbaarheid groet ik ook de

regeringsvertegenwoordigers, de leden van het corps diplomatique en de burgerlijke en

militaire overheden. Met broederlijke waardering begroet ik de herder van het aartsbisdom

Keulen, kardinaal Joachim Meisner. In verbondenheid met hem begroet ik de overige

bisschoppen, de priesters en religieuzen en allen die in de verschillende pastorale

activiteiten van de Duitstalige bisdommen hun waardevolle medewerking verlenen. Ik denk

op dit moment ook met genegenheid aan alle burgers van de verschillende deelstaten.

In deze dagen van de meest intensieve voorbereiding op de Wereldjongerendag zijn de

bisdommen van Duitsland, en in het bijzonder het bisdom en de stad Keulen, door de

aanwezigheid van zoveel jongeren uit de hele wereld, vol leven. Ik bedank alle mensen die

door hun bekwame en edelmoedige medewerking hebben bijgedragen tot de organisatie van

deze kerkelijke gebeurtenis, die van wereldwijde betekenis is. Vol dankbaarheid denk ik aan

de parochies, de kloosters, de verenigingen, de burgerlijke organisaties en de particulieren,

die hebben getoond dat ze meeleven door de wijze waarop ze duizenden pelgrims uit

verschillende werelddelen hartelijke en adequate gastvrijheid hebben geboden. De Kerk in

Duitsland en de gehele bevolking van de Bondsrepubliek kunnen zich beroemen op een

traditie van openheid ten opzichte van de wereld, zoals ondermeer blijkt uit de vele

initiatieven van solidariteit, met name ten aanzien van de ontwikkelingslanden.

In die geest van bereidheid mensen op te nemen die uit andere tradities en culturen

afkomstig zijn, staan wij op het punt de Wereldjongerendag in Keulen te beleven. De

ontmoeting van zoveel jongeren met de opvolger van Petrus is een teken van de vitaliteit van

de Kerk. Ik ben gelukkig dat ik midden onder de jongeren mag zijn om hun geloof te

versterken en hun hoop te stimuleren. Tegelijk ben ik er zeker van dat ik ook iets van die

jonge mensen zal ontvangen, bovenal hun enthousiasme, hun meeleven en hun bereidheid

zich bezig te houden met de uitdagingen van de toekomst. Ik richt nu reeds mijn hartelijke

groet aan hen en aan allen die hen in deze veelbewogen dagen opgenomen hebben. Naast

de intense momenten van gebed, reflectie en vieren met de jongeren en met allen die aan de

verschillende manifestaties van het programma deelnemen, zal ik in de gelegenheid zijn een

ontmoeting met de bisschoppen te hebben, tot wie ik nu reeds mijn broederlijke groet richt.

Verder zal ik de vertegenwoordigers van de andere kerken en kerkgenootschappen

ontmoeten, een bezoek aan de synagoge brengen voor een samenkomst met de joodse

gemeenschap en ook de vertegenwoordigers van enige islamitische gemeenschappen

ontvangen. Het gaat hier om belangrijke ontmoetingen, erop gericht nog beter samen de weg

te kunnen gaan van de dialoog en de samenwerking, met een gemeenschappelijke inzet

voor een rechtvaardige en broederlijke toekomst, die werkelijk menselijk is.

In de loop van deze Wereldjongerendag zullen wij gezamenlijk nadenken over het thema ‘Wij

zijn gekomen om Hem te aanbidden’ (Mt 2,2). Deze gelegenheid om de betekenis te

verdiepen van het menselijk bestaan als ‘pelgrim zijn’, onder leiding van de ‘ster’ op zoek

naar de Heer, mogen wij niet voorbij laten gaan. Samen zullen wij opzien naar de ‘heilige

drie Wijzen’, naar deze ‘sterren-lezers’, die uit verschillende verre landen kwamen en tot de

eerste mensen behoorden die in Jezus van Nazaret, de zoon van de Maagd Maria, de

beloofde Messias herkenden, en voor Hem neerknielden (vgl. Mt 2,1-12). Zowel de

kerkgemeenschap van Keulen als de stad zelf zijn op bijzondere wijze verbonden met de

herinnering aan deze voorbeeldige personen. Net als de heilige drie Wijzen zijn alle

gelovigen en in het bijzonder de jongeren ertoe geroepen hun levensweg te gaan op zoek

naar waarheid, gerechtigheid en liefde. Het is een weg waarvan het uiteindelijke doel slechts

te vinden is door de ontmoeting met Christus, een ontmoeting die zonder het geloof niet kan

plaatsvinden. Op deze weg kunnen tekenen van allerlei aard hulp bieden, tekenen die de

lange en rijke christelijke traditie onuitwisbaar op het Duitse grondgebied heeft achtergelaten:

van de grote historische monumenten tot de talloze kunstwerken overal in het land, van de in

bibliotheken bewaarde documenten tot de met intense deelname van het volk beleefde

tradities, van het filosofische gedachtegoed tot de theologische overwegingen van vele

Duitse denkers, van het geestelijk erfgoed tot de mystieke ervaring van een hele schaar van

heiligen. Het gaat hier om een uiterst rijk cultureel en geestelijk erfgoed, dat tot vandaag de

dag in het hart van Europa getuigt van de vruchtbaarheid van het geloof en de christelijke

overlevering. De bisdommen en in het bijzonder de regio Keulen bewaren levendige

herinneringen aan grote getuigen van de christelijke beschaving. Ik denk onder meer aan de

H. Bonifatius, de H. Ursula, de H. Albertus Magnus en – meer recent – aan de H. Teresia

Benedicta a Cruce (Edith Stein) en de zalige Adolph Kolping. Mogen deze beroemde

broeders en zusters van ons in het geloof, die in de loop der eeuwen de fakkel van de

heiligheid hebben laten schijnen, de ‘voorbeelden’ en ‘patronen’ zijn van de

Wereldjongerendag, die hier gehouden wordt.

Terwijl ik u allen hier aanwezig nogmaals mijn allerhartelijkste dank breng voor de

vriendelijke ontvangst, bid ik de Heer voor de toekomst van de Kerk en van de hele

samenleving in mijn geliefde Bondsrepubliek Duitsland. Mogen de geschiedenis van dit land

en de grote sociale, economische en culturele doelen die hier bereikt zijn, een aanmoediging

vormen met hernieuwd engagement verder te gaan op de weg van waarachtige vooruitgang

en solidaire ontwikkeling, niet alleen voor Duitsland, maar ook voor de andere volkeren van

het continent. Moge de Maagd Maria, die het Kind Jezus aan de heilige drie Wijzen toonde,

toen zij naar Betlehem gekomen waren om de Verlosser te aanbidden, steeds weer onze

voorspreekster zijn, zoals zij reeds eeuwenlang vanuit de vele over Duitsland verspreide

pelgrimsoorden over het Duitse volk waakt. Moge de Heer u allen zegenen, u die hier

aanwezig bent, evenals alle pelgrims en de inwoners van het land. God behoede de

Bondsrepubliek Duitsland!



Vertaling: dr. N. Stienstra

Benedictus XVI

Duitsland – Keulen – 18 augustus 2005

Op de ‘Poller Rheinwiesen’

Viering ter begroeting van de jongeren

Dierbare jongeren,

Ik ben blij jullie hier in Keulen aan de oever van de Rijn te ontmoeten! Als pelgrim in het

voetspoor van de heilige drie Wijzen zijn jullie uit verschillende delen van Duitsland, van

Europa en van de wereld gekomen. Daar jullie hun spoor volgen, willen jullie Jezus vinden.

Jullie waren bereid op pad te gaan om zelf ook, persoonlijk en tegelijk gezamenlijk, het

gelaat van God te aanschouwen, dat zich openbaart in het Kind in de kribbe. Net als jullie

ben ik ook op weg gegaan om samen met jullie neer te knielen voor de witte geconsacreerde

hostie, waarin de ogen van het geloof de werkelijke tegenwoordigheid van de Verlosser van

de wereld herkennen. Samen zullen we nadenken over het thema van deze

Wereldjongerendag: ‘Wij zijn gekomen om Hem te aanbidden’ (Mt 2,2).

Met zeer grote vreugde begroet en ontvang ik jullie, dierbare jongeren, die van dichtbij of

veraf langs de wegen van de wereld en van jullie leven hierheen gepelgrimeerd zijn. Een

bijzondere groet richt ik tot degenen, die evenals de Wijzen uit het ‘Oosten’ gekomen zijn.

Jullie zijn de vertegenwoordigers van de ontelbare menigte van onze broeders en zusters in

de mensheid die, zonder het te weten, wachten op het opgaan van de ster aan de hemel, om

naar Christus, het licht van de volken, geleid te worden en in Hem het bevredigende

antwoord op het verlangen van hun hart te vinden. Ook begroet ik hartelijk diegenen onder

jullie die niet gedoopt zijn, die Christus nog niet kennen of in de Kerk niet thuis zijn. Juist tot

jullie heeft paus Johannes Paulus II een bijzondere uitnodiging voor deze bijeenkomst

gericht. Ik dank jullie dat je besloten hebt naar Keulen te komen. Sommigen van jullie kunnen

misschien de uitspraak op jezelf betrekken die Edith Stein – die later in de Karmel van

Keulen woonde – over haar jeugd deed: “Ik had de gewoonte te bidden bewust en vrijwillig

opgegeven”. Tijdens deze dagen zullen jullie het gebed weer op roerende wijze kunnen

ervaren als een tweegesprek met God, met de God van wie we weten dat Hij ons liefheeft en

die wij van onze kant willen liefhebben. Tot jullie allemaal wil ik met nadruk zeggen: “Open je

hart wijd voor God, laat je door Christus verrassen! Verleen Hem tijdens deze dagen het

‘recht tot je te spreken’! Open de deuren van je vrijheid voor zijn barmhartige liefde! Leg je

vreugde en je lijden aan Christus voor en laat toe dat Hij je geest met zijn licht verlicht en je

hart met zijn genade aanraakt! Ervaar tijdens deze gezegende dagen van samenzijn en

vreugde de Kerk als een plaats van barmhartigheid en van de tederheid van God jegens de

mensen. In en door de Kerk zullen jullie tot Christus komen, die jullie verwacht.

Omdat ik vandaag naar Keulen gekomen ben om met jullie aan de twintigste

Wereldjongerendag deel te nemen, denk ik spontaan met dankbaarheid en ontroering aan

de door ons allen zo geliefde dienaar Gods, Johannes Paulus II, die het schitterende idee

had de jongeren van de hele wereld bij elkaar te roepen om samen Christus, de enige

Redder van de mensheid, te vieren. Dankzij de diepgaande dialoog die zich in de loop van

twintig jaar tussen de paus en de jongeren ontwikkeld heeft, konden velen van hen hun

geloof verdiepen, nauwe banden van gemeenschap aangaan en zich ook laten begeesteren

door de Blijde Boodschap van het heil in Christus en die op vele plaatsen in de wereld

verkondigen. Deze grote paus was in staat de uitdagingen te begrijpen van de jonge mensen

van deze tijd en hij heeft zijn vertrouwen in hen geheel duidelijk gemaakt door nooit te

aarzelen hen aan te sporen moedig het evangelie te verkondigen en onverschrokken te

bouwen aan de cultuur van de waarheid, de liefde en de vrede.

Nu is het mijn opgave deze bijzondere geestelijke erfenis die paus Johannes Paulus II ons

nagelaten heeft, op te pakken. Hij heeft van jullie gehouden, jullie hebben dat begrepen en

die liefde met het elan van jullie jeugd beantwoord. Nu moeten wij allemaal samen zijn leer in

daden omzetten. Met deze opgave zijn wij hier in Keulen, als pelgrims in het voetspoor van

de heilige drie Wijzen. Volgens de overlevering zijn hun namen in het Grieks Caspar,

Melchior en Balthasar. In zijn evangelie vermeldt Matteüs de vraag die in hun hart brandde:

“Waar is de pasgeboren koning der Joden?” (Mt 2,2). Het zoeken naar Hem was de reden

waarom ze de lange reis naar Jeruzalem hadden ondernomen. Daarvoor hadden ze zich

moeite getroost en ontberingen verdragen, zonder de moed te verliezen en te bezwijken voor

de bekoring rechtsomkeert te maken. Nu ze hun doel naderden, hadden ze geen andere

vraag dan deze. Ook wij zijn naar Keulen gekomen omdat wij in ons hart – zij het in een

andere vorm – dezelfde dringende vraag voelen, die de mannen uit het Oosten op weg deed

gaan. We vragen vandaag de dag weliswaar niet naar een koning, maar we maken ons

zorgen over de toestand van de wereld en we vragen: Waar vind ik de normen voor mijn

leven – waar de normen om verantwoordelijk mee te werken aan het vormgeven van de

huidige en toekomstige wereld? Wie kan ik vertrouwen – aan wie mij toevertrouwen? Waar is

degene die mij het bevredigende antwoord kan geven op de verwachtingen van mijn hart?

Zulke vragen stellen betekent op de eerste plaats erkennen dat de weg niet ten einde is

gegaan zolang je niet Diegene hebt ontmoet, die de macht heeft het universele rijk van

gerechtigheid en vrede te vestigen waarnaar de mensen streven, maar waartoe ze alleen

niet in staat zijn. Het stellen van deze vragen betekent ook dat je iemand zoekt die zichzelf

niet bedriegt en anderen niet bedriegen kan en die daarom in staat is zo’n rotsvaste

zekerheid te bieden dat je daarvan leven kan en er eventueel zelfs voor sterven.

Als zich aan de horizon van het leven dit antwoord aftekent, dan, dierbare vrienden, moet je

nog de nodige beslissingen nemen. Je staat als het ware op een tweesprong: welke weg zul

je inslaan? De weg waartoe de hartstochten je lokken of de weg die je gewezen wordt door

de ster, die straalt in je geweten? Toen de Wijzen het antwoord hoorden: “Te Betlehem in

Juda. Zo immers staat er geschreven bij de profeet” (Mt 2,5), besloten ze, door dit woord

verlicht, de weg te vervolgen tot aan het doel. Van Jeruzalem gingen ze naar Betlehem, dat wil

zeggen, van het woord dat hun aangaf waar de koning was die ze zochten, naar de ontmoeting

met deze koning, die tegelijk het Lam Gods was, dat de zonden van de wereld wegneemt. Dit

woord is ook tot ons gericht. Ook wij moeten onze keuze maken. Feitelijk is het, als je er goed

over nadenkt, precies hetzelfde wat we bij de deelname aan iedere eucharistieviering ervaren.

In iedere Mis namelijk leidt ons de ontmoeting met het woord van God tot deelname aan het

mysterie van het kruis en de verrijzenis van Christus en zo tot de eucharistische maaltijd, tot de

vereniging met Christus. Op het altaar is Hij aanwezig, die de Wijzen in het stro zagen liggen:

Christus, het levende brood, dat uit de hemel is neergedaald ten bate van het leven der wereld,

het ware lam, dat zijn leven geeft voor het heil van de mensen. Door het woord verlicht kunnen

wij – opnieuw in Betlehem, ‘huis van het brood’ – de overweldigende ontmoeting ervaren met

de onbegrijpelijke grootheid van een God die zich zo diep vernederd heeft dat Hij zich toonde in

een kribbe en zich op het altaar als voedsel wegschenkt.

Wij kunnen ons de verbazing voorstellen van de Wijzen bij het kind gewikkeld in doeken! Alleen

het geloof stelde hen in staat in dit kind de koning te herkennen die ze zochten, de God waar de

ster hen naartoe geleid had. In Hem is de Eeuwige binnengetreden in de tijd, door de afgrond te

overbruggen die tussen het eindige en het oneindige, tussen het zichtbare en het onzichtbare

bestaat; in Hem heeft zich het geheim geopenbaard, door zich in het tere lijfje van een klein

kind aan ons over te leveren: “De astrologen staan vol verbazing voor wat ze zien: de hemel op

aarde en de aarde in de hemel; de mens in God en God in de mens. In een klein lijfje zien ze

Hem omsloten, die door de hele wereld niet omvat kan worden.”i Met dezelfde verbazing willen

wij ons tijdens deze dagen in dit ‘Jaar van de Eucharistie’ tot Christus wenden, die in het

Tabernakel van de Barmhartigheid, in het Altaarsacrament, tegenwoordig is.

Dierbare jongeren, het geluk dat jullie zoeken, het geluk waarop jullie aanspraak kunnen

maken, heeft een naam, een gezicht: het is Jezus van Nazaret, verborgen in de Eucharistie. Hij

alleen schenkt de mensheid leven in overvloed! Zeg samen met Maria “Ja” tegen de God die

zich aan jullie wil schenken. Ik herhaal vandaag wat ik aan het begin van mijn pontificaat heb

gezegd: “Wie Christus [in zijn leven] binnenlaat, die verliest niets, helemaal niets van alles wat

het leven vrij, mooi en groots maakt. Nee, pas in deze vriendschap gaan de deuren van het

leven wijd open. Pas in deze vriendschap ontstaan de grote mogelijkheden van het menszijn.

Pas in deze vriendschap ervaren wij wat mooi en bevrijdend is.”ii Wees er volledig van

overtuigd: Christus neemt niets weg van wat jullie aan moois en groots in je hebt; Hij brengt

alles juist tot volmaaktheid, omwille van de eer van God, het geluk van de mensen en het heil

van de wereld.

In deze dagen nodig ik jullie uit je onvoorwaardelijk toe te wijden aan de dienst van Christus, tot

iedere prijs. De ontmoeting met Jezus Christus zal het jullie mogelijk maken inwendig de

vreugde te ervaren van zijn levende en levenschenkende tegenwoordigheid, om daar dan in

jullie omgeving van te getuigen. Moge jullie aanwezigheid in deze stad al het eerste teken zijn

van een verkondiging van het evangelie door het getuigenis van jullie gedrag en van jullie

levensvreugde. Laten wij uit ons hart dank- en lofgezangen opstijgen tot de Vader voor de vele

weldaden die Hij ons bewezen heeft en voor de gave van het geloof, dat wij met elkaar willen

vieren, waardoor we het vanuit dit land aan de wereld verkondigen, dit land dat midden in

Europa ligt – een Europa dat in de loop er eeuwen veel verschuldigd is aan het evangelie en

aan hen die ervan hebben getuigd.

Ik zal mij nu als pelgrim naar de Keulse Dom begeven, om daar de relieken te vereren van de

heilige drie Wijzen, die bereid waren alles achter te laten om de ster te volgen die hen naar de

Redder van de mensheid leidde. Ook jullie, dierbare jongeren, hebben die gelegenheid al

gehad of zullen die nog krijgen, om deze bedevaart te doen. Deze relieken zijn slechts broze en

armzalige tekenen van wat de Wijzen waren en wat ze, nu alweer zoveel eeuwen geleden,

ervaren hebben. De relieken leiden ons naar God zelf: Hij is het namelijk die met de kracht van

zijn genade zwakke mensen moed schenkt om voor de wereld van Hem te getuigen. Als de

Kerk ons uitnodigt de sterfelijke resten van martelaren en heiligen te vereren, vergeet ze niet dat

het uiteindelijk slechts om armzalig menselijk gebeente gaat; maar dat gebeente heeft

toebehoord aan mensen waar de transcendente macht van God in doorgedrongen was. De

relieken van de heiligen zijn tekenen van die onzichtbare doch werkelijke aanwezigheid, die de

duisternis van de wereld verlicht, waardoor het Rijk van God, dat in ons is, zichtbaar wordt

gemaakt. Met en voor ons roepen zij: “Maranatha!” – “Kom, Heer Jezus!” Mijn dierbaren, met

deze woorden neem ik afscheid van jullie en zeg tegen jullie allemaal van harte “Tot ziens”, bij

de vigilieviering op zaterdagavond!

Vertaling: dr. N. Stienstra
i Petrus Chrysologus, Sermo 160, 2.

ii Benedictus XVI, Homilie bij de inauguratie (24 april 2005), in: Kerkelijke documentatie 33/4 (3 juni

2005), 124.

Benedictus XVI

Duitsland – Keulen – 19 augustus 2005

Synagoge

Bezoek

Zeer geachte dames en heren,

dierbare broeders en zusters!

Shalom lêchém! Het was een diep verlangen van mij tijdens mijn eerste bezoek aan

Duitsland na mijn verkiezing tot opvolger van Petrus de joodse gemeenschap van Keulen en

de vertegenwoordigers van het Duitse jodendom te ontmoeten. Met dit bezoek wil ik

aansluiten bij de gebeurtenis van 17 november 1980, toen mijn vereerde voorganger, paus

Johannes Paulus II, tijdens zijn eerste reis naar Duitsland in Mainz een ontmoeting had met

de Centrale Raad van de Joden in Duitsland en met de Rabbijnenconferentie. Ook bij deze

gelegenheid wil ik u verzekeren dat ik voornemens ben voort te gaan op de weg tot

verbetering van de betrekkingen en de vriendschap met het joodse volk, een weg waarop

paus Johannes Paulus II beslissende stappen heeft gezet.i

De joodse gemeenschap van Keulen mag zich in deze stad werkelijk ‘thuis’ voelen. In feite is

dit de oudste plaats van een joodse gemeenschap op Duits grondgebied, teruggaand tot het

Keulen van de Romeinse tijd. De geschiedenis van de betrekkingen tussen de joodse en de

christelijke gemeenschap is complex en dikwijls pijnlijk. Er waren perioden dat de twee

goede buren waren, maar er was ook de verdrijving van de joden uit Keulen in het jaar 1424.

Vervolgens heeft in de twintigste eeuw, in de donkerste periode van de Duitse en Europese

geschiedenis, een krankzinnige, uit nieuw heidendom ontstane rassenideologie, geleid tot

een door de staat geplande en systematisch uitgevoerde poging het Europese jodendom uit

te roeien, hetgeen de geschiedenis ingegaan is als de Sjoa. Van deze ongehoorde en tot

dan toe ook onvoorstelbare misdaad zijn alleen al in Keulen 7.000 bij naam bekende joden –

in werkelijkheid waren het er zeker veel meer – het slachtoffer geworden. Daar men de

heiligheid van God niet meer erkende, werd ook de heiligheid van het menselijk leven met

voeten getreden.

In dit jaar gedenken wij dat het zestig jaar geleden is dat mensen werden bevrijd uit de

nationaal-socialistische concentratiekampen; in de gaskamers van die kampen werden

miljoenen joden – mannen, vrouwen en kinderen – om het leven gebracht en in de

crematoria verbrand. Ik maak mij de woorden eigen die mijn vereerde voorganger schreef ter

gelegenheid van de zestigste gedenkdag van de bevrijding van Auschwitz en zeg ook: “Ik

buig mijn hoofd voor allen die deze uiting van het mysterium iniquitatis ervaren hebben.” De

vreselijke gebeurtenissen van toen moeten “onophoudelijk ons geweten wakker houden,

conflicten tot een oplossing brengen en oproepen tot vrede”.ii Gezamenlijk moeten wij ons

bezinnen over God en zijn wijze plan voor de door Hem geschapen wereld: Hij is – zoals het

Boek Wijsheid ons leert – de Heer “die alles wat leeft bemint” (11,26).

Ook is het dit jaar veertig jaar geleden dat het Tweede Vaticaans Concilie de verklaring



Nostra aetate promulgeerde en daarmee nieuwe perspectieven opende voor de joodschristelijke

betrekkingen, die getekend worden door dialoog en samenwerking. In het vierde

hoofdstuk herinnert deze verklaring aan onze gemeenschappelijke wortels en aan het

buitengewoon rijke geestelijke erfgoed dat joden en christenen gemeen hebben. Zowel de

joden alsook de christenen erkennen in Abraham de vader van hun geloof (vgl. Gal. 3,7;

Rom 4,11 e.v.) en beroepen zich op de leer van Mozes en van de profeten. De spiritualiteit

van de joden wordt, net als die van de christenen, door de psalmen gevoed. Met de apostel

Paulus zijn de christenen ervan overtuigd dat “God geen berouw kent over zijn genadegaven

noch over zijn roeping” (Rom 11,29; vgl. 9,6.11; 11,1 e.v.) De joodse wortels van het

christendom in beschouwing nemend (vgl. Rom 11,16-24) heeft mijn vereerde voorganger

ter bevestiging van een verklaring van de Duitse bisschoppen gezegd: “Wie Jezus Christus

ontmoet, ontmoet het jodendom.”iii

Daarom betreurt de concilieverklaring Nostra aetate “de haat, de vervolgingen en de uitingen

van antisemitisme die, wanneer en door wie ook, tegen de joden zijn gericht”.iv God heeft ons

naar “zijn beeld” geschapen (Gn 1,27) en ons daardoor gehuldigd met een transcendente

waardigheid. Voor God hebben alle mensen dezelfde waardigheid, onafhankelijk van het

volk, de cultuur of de godsdienst waartoe ze behoren. Op grond hiervan spreekt de

verklaring Nostra aetate ook met groot respect over de moslimsv en de aanhangers van

andere godsdiensten.vi Op grond van de algemene menselijke waardigheid “verwerpt de

Kerk … elke discriminatie of kwelling die mensen wordt aangedaan vanwege ras of kleur,

stand of godsdienst” als een handeling die in tegenspraak is met de wil van Christus.vii De

Kerk is zich bewust van haar plicht deze leer in de catechese en in ieder aspect van haar

leven door te geven aan de jongere generaties, die zelf geen getuigen zijn geweest van de

verschrikkelijke gebeurtenissen voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dat is bovendien

een heel belangrijke opgave, daar tegenwoordig opnieuw tekenen van antisemitisme en

vormen van algemene vreemdelingenhaat opduiken. Dit is reden tot zorg en waakzaamheid.

De katholieke Kerk – dat wil ik bij deze gelegenheid opnieuw benadrukken – zet zich in voor

tolerantie, respect, vriendschap en vrede tussen alle volken, culturen en godsdiensten.

In de veertig jaar die zijn verstreken sinds de verklaring Nostra aetate is er in Duitsland en

ook op internationaal vlak veel gedaan voor de verbetering en verdieping van de verhouding

tussen joden en christenen. Naast de officiële betrekkingen zijn er, in het bijzonder dankzij

de samenwerking van bijbelwetenschappers, veel vriendschappen ontstaan. Hier wil ik de

verschillende verklaringen van de Duitse Bisschoppenconferentie in herinnering roepen, en

het zegenrijke werk van de ‘Kölnische Gesellschaft für christlich-jüdische Zusammenarbeit’

(het Keulse genootschap voor christelijk-joodse samenwerking), dat ertoe bijgedragen heeft

dat de joodse gemeenschap zich sinds 1945 hier in Keulen weer ‘thuis’ kan voelen en weer

als goede buren kan samenleven met de christelijke gemeenschappen. Er blijft echter nog

veel te doen. Wij moeten elkaar nog veel meer en veel beter leren kennen. Daarom wil ik

oproepen tot een oprechte dialoog, vol vertrouwen, tussen joden en christenen. Alleen zo zal

het mogelijk zijn te komen tot een wederzijds aanvaarde interpretatie van historische

vraagstukken die nog omstreden zijn en bovenal voortgang te boeken wat betreft de

evaluatie van de relatie tussen jodendom en christendom. Eerlijkheidshalve kan het in die

dialoog niet gaan om het negeren of bagatelliseren van de verschillen: ook daar, en juist

daar, waar we op grond van onze diepste geloofsovertuiging van elkaar verschillen, moeten

we elkaar respecteren.

Ten slotte moet onze blik niet alleen op het verleden gericht zijn; we moeten ook vooruit

kijken naar de opgaven van vandaag en morgen. Ons rijke gemeenschappelijke erfgoed en

onze op groeiend vertrouwen gerichte broederlijke betrekkingen verplichten ons ertoe een

nog eenstemmiger getuigenis te geven en in de praktijk samen te werken voor de

verdediging en de bevordering van de mensenrechten en de heiligheid van het menselijk

leven, voor de waarden van het gezin, voor sociale gerechtigheid en voor de vrede in de

wereld. De Tien Geboden (vgl. Ex 20; Dt 5) vormen voor ons een gemeenschappelijke

erfenis en een gemeenschappelijke opdracht. De Tien Geboden zijn geen last, maar de

wegwijzer naar een leven dat zijn doel bereikt. Dat zijn ze bijzonder voor de jongeren die ik

tijdens deze dagen ontmoet en die mij zo na aan het hart liggen. Ik hoop dat zij de Tien

Geboden ervaren als een lamp voor hun voeten, een licht op hun pad (vgl. Ps 119,105). De

volwassenen hebben de verantwoordelijkheid om aan de jongeren de fakkel van de hoop

door te geven, die aan joden zowel als christenen door God geschonken is, opdat de

machten van het kwaad ‘nooit weer’ aan de macht komen en de toekomstige generaties met

Gods hulp een meer rechtvaardige en vredige wereld kunnen opbouwen, waar alle mensen

hetzelfde burgerrecht bezitten.

Ik sluit af met de woorden uit psalm 29, die zowel een wens als een gebed vormen: “De Heer

vermeerdert de kracht van zijn volk, Hij zegent zijn volk met vrede.”

Moge Hij ons verhoren!



Vertaling: dr. N. Stienstra
i Vgl. Benedictus XVI, Toespraak tot de delegatie van de International Jewish Committee on

Interreligious Consultations, in: L’Osservatore Romano (10 juni 2005), 5.

ii Johannes Paulus II, Boodschap ter gelegenheid van de bevrijding van Auschwitz (15 januari 2005).

iii In: Insegnamenti III/2 (1980), 1272.

iv Tweede Vaticaans Concilie, Verklaring over de houding van de Kerk ten opzichte van de nietchristelijke

godsdiensten Nostra aetate, 4.

v Vgl. a.w., 3.

vi Vgl. a.w., 2.

vii Vgl. a.w., 5.

Benedictus XVI

Duitsland – Keulen – 20 augustus 2005

Marienfeld

Vigilieviering met de jongeren

Dierbare jongeren!

Op onze pelgrimstocht met de mysterieuze Wijzen uit het Oosten zijn wij nu aangeland op de

plaats die Matteüs in zijn evangelie als volgt omschrijft: “Zij gingen het huis binnen

(waarboven de ster stil was blijven staan), zagen er het Kind met zijn moeder Maria en op

hun knieën neervallend betuigden zij het hun hulde” (Mt 2,11). De uiterlijke weg van deze

mannen was ten einde. Ze hadden hun doel bereikt. Maar op deze plaats begint voor hen

een nieuwe weg, een innerlijke pelgrimstocht, die hun hele leven verandert. Want ze hadden

zich deze pasgeboren koning beslist anders voorgesteld. Ze waren toch in Jeruzalem

gestopt en hadden bij de koning daar naar het beloofde koningskind gevraagd. Ze wisten dat

de wereld in verwarring was en dat daarom hun hart onrustig bleef. Ze waren zich bewust

van het feit dat God bestaat, een rechtvaardige en goede God. En ze hadden ook van de

grote profetieën gehoord, waarin de profeten van Israël een koning voorspelden, die nauw

verbonden zou zijn met God en door Hem orde in de wereld zou brengen. Die koning waren

ze gaan zoeken: ze waren ten diepste op zoek naar het recht, naar de gerechtigheid, die van

God moest komen en zij wilden deze koning dienen, zich aan zijn voeten neerwerpen en zelf

deel hebben aan de hernieuwing van de wereld. Ze behoorden tot degenen die “hongeren en

dorsten naar de gerechtigheid” (Mt 5,6). Op hun pelgrimstocht waren ze deze honger en

dorst gevolgd – ze waren pelgrims naar de gerechtigheid, die zij van God verwachtten en

waaraan zij zich wilden wijden.

Ook al hielden de andere mensen, die thuis gebleven waren, hen voor fantasten en dromers

– zij waren door en door realistisch en ze wisten dat er macht nodig is om de wereld te

veranderen. Daarom konden ze het kind van de belofte op de eerste plaats alleen maar in

het koninklijk paleis zoeken. Maar nu bogen ze zich neer voor het kind van arme mensen en

al spoedig kwamen ze erachter dat Herodes – de koning die ze opgezocht hadden – zijn

macht zou gebruiken om Hem te vervolgen en dat het gezin gedwongen was te vluchten en

in ballingschap te gaan. De nieuwe koning die zij aanbaden, was heel anders dan ze hadden

verwacht. Zo moesten ze leren dat God anders is dan wij Hem ons gewoonlijk voorstellen.

Nu begon hun innerlijke pelgrimage. Die begon op het moment dat ze zich voor dit kind

neerwierpen en het als de beloofde koning erkenden. Maar ze moesten zich deze

vreugdevolle gebaren ook nog innerlijk eigen maken.

Ze moesten hun ideeën over macht, over God en over de mensen veranderen en daarmee

moesten ze zichzelf veranderen. Ze zagen nu in: de macht van God is anders dan de macht

van de machtigen der aarde. De manier waarop God werkt is anders dan wij ons voorstellen

en Hem wel graag zouden voorschrijven. God concurreert in deze wereld niet met wereldlijke

vormen van macht. Hij stelt zijn divisies niet tegenover andere divisies op. Hij stuurt Jezus op

de Olijfberg geen twaalf legioenen engelen om Hem bij te staan (vgl. Mt 26,53). Hij stelt

tegenover de lawaaierige, pretentieuze macht van deze wereld de weerloze macht van de

liefde, die aan het kruis – en in de loop van de geschiedenis steeds weer – ten onder gaat en

toch het nieuwe, het goddelijke is, dat het onrecht weerstaat en het Koninkrijk van God doet

binnentreden. God is anders – dat erkennen ze nu. En dat betekent dat ze nu zelf anders

worden en Gods wegen moeten leren kennen.

Ze waren gekomen om zich in dienst van de koning te stellen, hun koninkrijk naar het zijne in

te richten. Dat was de betekenis van hun huldebetoon, hun aanbidding. Daarbij hoorden ook

hun geschenken – goud, wierook, mirre – gaven die men aanbood aan een koning die men

goddelijk achtte. Aanbidding heeft inhoud, en daar hoort een geschenk bij. De mannen uit

het Oosten zaten helemaal op het rechte spoor toen zij met de gebaren van aanbidding dit

kind als hun koning wilden erkennen, in wiens dienst ze hun macht en hun mogelijkheden

wilden stellen. Ze wilden, door Hem te dienen en te volgen, samen met Hem de zaak van

gerechtigheid, van het goede in de wereld, dienen. En dat hadden ze goed gezien. Maar nu

leren ze dat dit niet eenvoudig plaats kan hebben door bevelen en vanuit een hoge troon. Nu

leren ze dat ze zichzelf moeten geven – deze koning neemt geen genoegen met een minder

geschenk. Nu leren ze dat hun leven getekend moet zijn door de manier waarop God macht

uitoefent en door de wijze waarop God zelf is: ze moeten mensen van waarheid, recht,

goedheid, vergeving, barmhartigheid worden. Ze zullen niet meer vragen: Wat levert mij dat

op, maar ze moeten nu vragen: waarmee dien ik Gods tegenwoordigheid in de wereld? Ze

moeten leren zichzelf te verliezen en juist zo zichzelf te vinden. Als ze vertrekken uit

Betlehem, moeten ze op het spoor van de ware koning blijven, in navolging van Jezus.

Dierbare vrienden, laten we ons afvragen wat dit voor ons betekent. Want wat we zojuist

gezegd hebben over de andere wijze waarop God handelt en waardoor onze manier van

leven bepaald moet worden, klinkt ons wel mooi in de oren, maar blijft toch vaag en weinig

concreet. Daarom heeft God ons voorbeelden gegeven. De Wijzen uit het Oosten zijn nog

maar de eersten in een lange rij van mensen die voor hun leven de blik hebben gevestigd op

de ster van God, die God gezocht hebben, die ons mensen nabij is en ons de weg wijst. Er is

de grote schare heiligen, bekende en onbekende, in wier leven de Heer het evangelie

geopend en doorgebladerd heeft, in de loop der geschiedenis en ook nu nog. In hun leven

toont zich de rijkdom van het evangelie als in een groot prentenboek. Zij vormen het

stralende pad van God, dat Hij zelf door de geschiedenis heeft getrokken en nog steeds

trekt. Mijn vereerde voorganger paus Johannes Paulus II heeft heel veel mensen uit het

verleden en uit meer recente tijden zalig en heilig verklaard. Hij wilde ons in deze mensen

tonen wat het betekent christen te zijn, wat het betekent het leven goed te leven – het op

Gods wijze te leven. De zaligen en heiligen waren mensen die niet vertwijfeld hun eigen

geluk zochten, maar zichzelf eenvoudig wilden geven, omdat ze door het licht van Christus

geraakt waren. En zo tonen ze ons hoe men gelukkig wordt, hoe men waarlijk mens kan zijn.

In de wisselvalligheden van de geschiedenis waren zij de werkelijke vernieuwers, die de

geschiedenis steeds weer uit de donkere dalen getrokken hebben, waarin ze steeds weer

dreigt te verzinken, en die steeds weer zoveel licht hebben gebracht dat mensen, zelfs als ze

lijden, kunnen instemmen met het woord van God, dat Hij sprak aan het einde van de

schepping: Het is goed. Denken wij slechts aan figuren als St. Benedictus, Franciscus van

Assisi, Teresa van Avila, Ignatius van Loyola, Carolus Borromeüs, aan de ordestichters van

de negentiende eeuw, die de sociale beweging hebben geïnspireerd of aan de heiligen van

onze eigen tijd – Maximilan Kolbe, Edith Stein, Moeder Teresa, Pater Pio. Als wij naar deze

mensen kijken, dan leren wij wat ‘aanbidden’ betekent en wat het betekent naar de normen

van het Kind van Betlehem, de normen van Jezus Christus en God zelf te leven.

We hebben gezegd dat de heiligen de waarachtige hervormers zijn. Ik zou het nu nog

radicaler willen uitdrukken: Alleen van de heiligen, alleen van God, komt de werkelijke

revolutie, de fundamentele verandering van de wereld. Wij hebben in de afgelopen eeuw

revoluties beleefd die als gemeenschappelijk programma hadden niet meer op God te

wachten, maar de verantwoordelijkheid voor de wereld helemaal zelf in de hand te nemen.

En we hebben gezien dat daarbij altijd een menselijk, een partijdig standpunt tot absolute

norm werd verheven. Het verabsoluteren van iets dat niet absoluut maar relatief is heet

totalitarisme. Dat maakt de mens niet vrij doch onteert hem en maakt hem tot slaaf. Niet de

ideologieën redden de wereld, maar het zich wenden tot de levende God, die onze schepper

is, en die borg staat voor onze vrijheid, voor het werkelijk goede en ware. De werkelijke

revolutie bestaat slechts uit een zich radicaal wenden tot God, die de norm van de

gerechtigheid en tegelijkertijd de eeuwige liefde is. En wat zou ons kunnen redden behalve

die liefde?

Dierbare vrienden! Laat mij hier nog twee korte gedachten aan toevoegen. Veel mensen

spreken over God; in naam van God wordt ook haat gepredikt en geweld bedreven. Het komt

er dus op aan het ware gelaat van God te leren kennen. De Wijzen uit het Oosten hebben

dat gevonden, toen ze zich neerbogen voor het Kind van Betlehem. “Wie Mij ziet, ziet de

Vader”, zei Jezus tegen Filippus (Joh 14,9). In Jezus Christus, die voor ons zijn hart heeft

laten doorboren, is ons het ware gelaat van God verschenen. Wij volgen hem, met de grote

schaar van hen die ons zijn voorgegaan. Dan zitten we op de goede weg.

Dat betekent dat we geen eigen God en geen eigen Jezus voor onszelf fabriceren, maar

geloven in de Jezus, ons neerbuigen voor de Jezus, die de heilige Schrift ons toont, en die

zich eveneens toont in de grote stoet van gelovigen, die wij de Kerk noemen, als de

Levende, tegelijkertijd met ons en voor ons uit. Men kan veel kritiek op de Kerk hebben. Wij

weten het en de Heer heeft het ons gezegd: Ze is een net met goede en slechte vissen, een

akker met tarwe en onkruid. Paus Johannes Paulus II, die ons in de vele zaligen en heiligen

het ware gezicht van de Kerk getoond heeft, heeft ook gebeden om vergeving voor het

kwaad dat door het handelen en spreken van mensen die tot de Kerk behoorden in het

verleden gedaan is. Zo houdt hij ook ons een spiegel voor en roept ons op, met al onze

tekortkomingen en zwakheden, ons aan te sluiten bij de rij van heiligen, die begonnen is met

de Wijzen uit het Oosten. Het is tenslotte troostrijk dat er onkruid in de Kerk is: met al onze

tekortkomingen mogen wij hopen dat wij toch nog navolgers van Jezus zijn, die juist de

zondaars geroepen heeft. De Kerk is als een menselijke familie, en toch is ze tegelijk de

grote familie van God, waardoor Hij een overkoepeling van gemeenschap en van eenheid

schept, dwars door de continenten, door de culturen en door de naties. Daarom zijn wij blij

dat wij tot deze grote familie behoren, dat wij broeders en zusters en vrienden over de hele

wereld hebben. Wij beleven hier in Keulen hoe mooi het is tot een wereldwijde familie te

behoren, die de hemel en de aarde, verleden, heden en toekomst, en alle delen van de

aarde omvat. In deze grote gemeenschap van pelgrims gaan wij met Christus, gaan wij met

de ster die de geschiedenis verlicht.

“Zij gingen het huis binnen, zagen er het Kind met zijn moeder Maria en op hun knieën

neervallend betuigden zij het hun hulde” (Mt 2,11). Dierbare vrienden – dat is geen verhaal

van heel vroeger, van lang vervlogen tijden. Dat is het heden. Hier in de heilige Hostie is HIJ

voor ons en onder ons. Evenals toen verhult Hij zich in heilig zwijgen en evenals toen

openbaart Hij juist zo Gods ware gezicht. Hij is voor ons de graankorrel geworden die in de

aarde valt en sterft en vrucht voortbrengt tot aan het einde der tijden (vgl. Joh 12,24). Hij is

aanwezig, zoals toen in Betlehem. Hij nodigt ons uit tot die innerlijke pelgrimage die

aanbidding wordt genoemd. Laten wij op die innerlijke weg gaan en bidden wij Hem dat Hij

ons mag leiden. Amen.

Vertaling: dr. N. Stienstra

Benedictus XVI

Duitsland – Keulen – 21 augustus 2005

Marienfeld

Heilige Mis

Dierbare jongeren!

Voor de heilige hostie, waarin Jezus zich voor ons tot brood heeft gemaakt, dat ons leven

van binnen uit draagt en voedt, zijn wij gisteren de innerlijke weg van de aanbidding

opgegaan. In de Eucharistie moet aanbidding tot eenwording worden. Bij de

eucharistieviering staan wij in Jezus’ ‘uur’, waarover het evangelie van Johannes spreekt.

Door de eucharistieviering wordt zijn ‘uur’ ons uur, onder ons tegenwoordig. Met de

leerlingen vierde Hij het Pascha-maal van Israël, de herinnering aan de bevrijdende daad

van God, die Israël uit de slavernij in de vrijheid voerde. Jezus volgt de rituelen van Israël. Hij

spreekt het lofgebed en de zegen over het brood uit. Maar dan gebeurt er iets nieuws. Hij

dankt God niet alleen voor de grote daden van het verleden, Hij dankt Hem voor zijn eigen

verheerlijking, die wordt voltrokken aan het kruis en in de opstanding. Daarbij spreekt Hij ook

tot de leerlingen met woorden die alles van de Wet en de Profeten in zich dragen: “Dit is mijn

Lichaam dat voor u gegeven wordt. Deze beker is het Nieuwe Verbond in mijn Bloed.” Zo deelt

Hij brood en beker rond en draagt hun tegelijkertijd op datgene wat Hij zegt en wat Hij doet te

blijven zeggen en doen om Hem te gedenken.

Wat gebeurt daar? Hoe kan Jezus zijn Lichaam en zijn Bloed uitdelen? Als Hij brood tot zijn

Lichaam en wijn tot zijn Bloed maakt, loopt Hij vooruit op zijn dood, ervaart Hij deze innerlijk en

verandert die zo in een daad van liefde. Wat uiterlijk een daad van bruut geweld is, wordt

innerlijk een daad van liefde, die zichzelf wegschenkt, geheel en al. Dat is in feite de

verandering die in de zaal van het Laatste Avondmaal heeft plaats gevonden en die bestemd

was een heel proces van veranderingen op gang te brengen, waarvan het laatste doel is de

wereld zodanig te veranderen dat God alles in allen is (vgl. 1Kor 15,28). Alle mensen wachten

altijd op de één of andere manier in hun hart op een verandering en omvorming van de wereld.

En dit is nu de centrale daad van omvorming, die alleen de wereld werkelijk kan vernieuwen:

geweld wordt veranderd in liefde en aldus de dood in het leven. Omdat Hij de dood omvormt tot

leven, is de dood als zodanig reeds innerlijk door Hem overwonnen en is de verrijzenis reeds in

Hem aanwezig. De dood is als het ware van binnen verwond en kan niet meer het laatste woord

zijn. Dat is om zo te zeggen de kernsplitsing in het binnenste van het zijn – de overwinning van

de liefde op de haat, de overwinning van de liefde op de dood. Alleen vanuit deze innerlijke

explosie van het goede, dat het kwade overwint, kan dan de kettingreactie van veranderingen

uitgaan die geleidelijk de wereld omvormt. Alle andere veranderingen blijven oppervlakkig en

brengen geen redding. Daarom spreken wij van verlossing: het allerdiepst noodzakelijke is

gebeurd, en wij kunnen in dit gebeuren binnen treden. Jezus kan zijn Lichaam geven, omdat Hij

werkelijk zichzelf geeft.

Op deze eerste fundamentele verandering van geweld in liefde, van dood in leven, volgen dan

de volgende veranderingen. Brood en wijn worden zijn Lichaam en Bloed. Maar hier mag de

verandering niet stoppen, hier moet die juist volledig beginnen. Het Lichaam en Bloed van

Christus worden ons gegeven, opdat wij omgevormd zullen worden. Wij zelf moeten het

Lichaam van Christus worden, zijn bloedverwanten. Wij eten allen van het ene brood. Dat

betekent echter: wij worden onderling één. Aanbidding wordt, zo hebben wij gezegd,

eenwording. God staat niet meer tegenover ons als de geheel Andere. Hij is in ons en wij in

Hem. Zijn dynamiek doordringt ons en wil vanuit ons de anderen en de hele wereld

doordringen, opdat zijn liefde werkelijk de alles overheersende maat van de wereld wordt.

Volgens mij wordt deze nieuwe stap, die het Avondmaal ons geschonken heeft, heel mooi

aangeduid door het verschil tussen het Griekse en het Latijnse woord voor aanbidding. In het

Grieks zegt men proskynesis. Dat betekent het gebaar van onderwerping, de erkenning van

God als onze waarachtige maatstaf, wiens voorschrift wij volgen. Het wil zeggen dat vrijheid niet

betekent zich uitleven en zich autonoom wanen, maar zich naar de waarheid en het goede

richten en zo zelf waar en goed worden. Dit gebaar is noodzakelijk, ook als het in strijd is met

ons streven naar vrijheid. Maar wij kunnen ons pas aan Hem toewijden in het tweede stadium

dat zich bij het Avondmaal opent. Het Latijnse woord voor aanbidding is ad-oratio – aanraking

van mond tot mond, kus, omarming en dus ten diepste liefde. Uit onderwerping ontstaat

eenwording, omdat Hij aan wie wij ons onderwerpen, de liefde is. Zo wordt onderwerping zinvol,

omdat ze ons niets vreemds oplegt, maar ons vrijgemaakt voor het meest innerlijke van onszelf.

Keren wij nog eenmaal terug tot het Laatste Avondmaal. Het nieuwe dat daar gebeurde was de

verdieping van het oude zegengebed van Israël, dat nu tot woord van omvorming, van

transsubstantiatie, wordt en ons deel laat hebben in het ‘uur’ van Christus. Jezus heeft ons niet

opgedragen het Pascha-maal te herhalen; dat is dan ook een jaarlijks feest dat men niet kan

herhalen wanneer men dat maar wil. Hij heeft ons opgedragen binnen te treden in ‘zijn uur’. Wij

treden daar binnen door de heilige macht van de woorden van de consecratie, die plaats vindt

door het lofgebed, dat ons plaatst in de doorlopende samenhang met Israël en met Gods hele

heilsgeschiedenis, en ons tegelijk het nieuwe schenkt, waarnaar dit gebed op het diepste

niveau verwees. Dit gebed – de Kerk noemt het het hooggebed – vormt de Eucharistie. Het is

een machtswoord dat de gaven van de aarde op geheel nieuwe wijze verandert in de zelfgave

van God en ons binnenvoert in dit proces van omvorming. Daarom noemen wij dit gebeuren

Eucharistie, wat de vertaling is van het hebreeuwse woord beracha – dank, lofprijzing, zegen en

zo, vanuit de Heer, omvorming: de aanwezigheid van zijn ‘uur’. Het ‘uur’ van Jezus is het uur

waarin de liefde overwint. Dat wil zeggen: God heeft overwonnen, want Hij is Liefde. Het ‘uur’

van Jezus wil ons uur worden en wordt het ook als wij ons, door het vieren van de heilige

Eucharistie, binnen laten voeren in het proces van omvorming, waar het de Heer om gaat. De

Eucharistie moet het middelpunt van ons leven worden. Het is geen positivisme of

machtswellust als de Kerk ons zegt dat de Eucharistie bij de zondag hoort. Op Paasmorgen

hebben eerst de vrouwen, daarna de leerlingen, de Verrezene mogen zien. Zo wisten ze vanaf

dat moment dat nu de eerste dag van de week, de zondag, zijn dag is. De eerste dag van de

schepping wordt tot de dag van de hernieuwing van de schepping. Schepping en verlossing

horen bij elkaar. Daarom is de zondag zo belangrijk. Het is goed dat tegenwoordig in veel

culturen de zondag een vrije dag is of zelfs samen met de zaterdag een zogenaamd vrij

weekend vormt. Maar deze vrije tijd blijft leeg als God er niet in voorkomt. Dierbare vrienden!

Dikwijls is het misschien op het eerste gezicht ongemakkelijk om op zondag tijd vrij te maken

voor de heilige Mis. Maar jullie zullen ontdekken dat juist de eucharistieviering de vrije tijd in het

juiste perspectief plaatst. Laat je niet afbrengen van de zondagse Eucharistie en help ook

anderen om die te ontdekken. Omdat de Eucharistie de bron is van de vreugde die wij nodig

hebben, moeten wij deze ook steeds beter van binnen uit leren begrijpen en liefhebben. Laten

we daar ons best voor doen – het is de moeite waard! Laten wij de innerlijke rijkdom en de ware

grootheid ontdekken van de liturgie van de Kerk: wij hebben daar geen feest voor onszelf

alleen, maar de levende God zelf richt een feest voor ons aan. Met de liefde voor de Eucharistie

zullen jullie ook het sacrament van verzoening opnieuw ontdekken, waarin Gods vergevende

goedheid altijd weer een nieuw begin in ons leven mogelijk maakt.

Wie Christus ontdekt heeft, moet anderen tot Hem leiden. Een grote vreugde kan men niet voor

zichzelf houden. Die moet men doorgeven. Tegenwoordig heerst er in grote delen van de

wereld de eigenaardige tendens God te vergeten. Het lijkt ook zonder Hem wel te lukken. Maar

tegelijk is er een gevoel van frustratie, van onvrede met alles en iedereen: dat kan toch het

leven niet zijn! Inderdaad niet. En zo is er, terwijl God vergeten wordt, tegelijk een sterke hang

naar het religieuze. Ik wil niet beweren dat daar helemaal niets goeds bij zit. Er kan ook eerlijke

vreugde bij zijn omdat men iets gevonden heeft. Maar op grote schaal wordt godsdienst toch tot

marktproduct. Men zoekt uit wat bevalt en veel mensen weten daar winst uit te slaan. Maar die

zelfgezochte religie helpt ons uiteindelijk niet. Ze is makkelijk, maar op het moment dat we in

nood zijn laat ze ons in de steek. Help de mensen de werkelijke ster te ontdekken die ons de

weg wijst: Jezus Christus. Laten wij zelf proberen Hem beter te leren kennen, zodat wij ook

anderen met overtuiging tot Hem kunnen leiden. Daarom is de liefde tot de heilige Schrift zo

belangrijk, en daarom is het belangrijk het geloof van de Kerk te kennen, waarin ons de Schrift

ontsloten wordt: Het is de heilige Geest die de Kerk in haar groeiend geloof steeds verder in de

diepte van de waarheid heeft gevoerd en nog steeds voert (vgl. Joh 16,13). Paus Johannes

Paulus II heeft ons een geweldig werk geschonken, waarin het geloof van de eeuwen

samenvattend wordt weergegeven: de Katechismus van de Katholieke Kerk. Ik heb zelf

kortgeleden het Compendium van deze Katechismus mogen presenteren, dat ook op verzoek

van de overleden paus is samengesteld. Het zijn twee fundamentele boeken, die ik jullie

allemaal van harte wil aanbevelen.

Natuurlijk zijn boeken alleen niet genoeg. Vorm gemeenschappen op grond van het geloof.

Tijdens de laatste decennia zijn bewegingen en gemeenschappen ontstaan, waarin de kracht

van het evangelie zich levendig toont. Zoek gemeenschap in het geloof, tochtgenoten die

gezamenlijk voortgaan op de grote pelgrimsweg die ons de Wijzen uit het Oosten voor het eerst

getoond hebben. Het spontane van de nieuwe gemeenschappen is belangrijk, maar het is ook

belangrijk daarbij vast te houden aan de gemeenschap met de paus en de bisschoppen, die er

borg voor staan dat we geen eigen wegen zoeken, maar werkelijk leven in de grote familie van

God, die de Heer met de twaalf apostelen gesticht heeft.

Nog éénmaal moet ik terugkomen op de Eucharistie. “Omdat het brood één is, vormen wij allen

tezamen één lichaam”, zegt de apostel Paulus (1 Kor 10,17). Hij bedoelt daarmee: Daar wij

dezelfde Heer ontvangen en Hij ons opneemt, in zich binnenvoert, zijn wijzelf ook samen één.

Dat moet in het leven blijken. Het moet blijken uit het feit dat wij kunnen vergeven. Het moet

blijken uit onze gevoeligheid voor de noden van anderen. Het moet blijken uit de bereidheid te

delen. Het moet blijken uit de inzet voor de naasten, zowel die letterlijk nabij als die uiterlijk ver

weg zijn. Er zijn tegenwoordig vormen van vrijwilligerswerk en wederzijdse dienstverlening die

onze samenleving juist dringend nodig heeft. Wij mogen bijvoorbeeld bejaarde mensen niet aan

hun eenzaamheid overlaten, de mensen die lijden niet links laten liggen. Als wij vanuit Christus

denken en leven, dan gaan onze ogen open, en dan leven we niet meer losjes voor ons zelf,

maar dan zien we waar en hoe we nodig zijn. Als we zo leven en handelen, dan merken we al

gauw dat het veel mooier is nodig te zijn en er voor anderen te zijn, dan alleen maar te vragen

naar het comfort dat ons worden aangeboden. Ik weet dat jullie jonge mensen het grote willen,

dat jullie je willen inzetten voor een betere wereld. Toon het de mensen, toon het de wereld, die

juist op dit getuigenis van de leerlingen van Jezus Christus wacht en op de eerste plaats door

het teken van jullie liefde de ster kan ontdekken, die wij volgen.

Laten wij voortgaan met Christus en ons leven leiden als waarachtige aanbidders van God.



Amen.

Vertaling: dr. N. Stienstra









De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina