Beoordeling van de financiële toestand van een onderneming



Dovnload 97.96 Kb.
Datum07.10.2016
Grootte97.96 Kb.
BEOORDELING VAN DE FINANCIËLE TOESTAND VAN EEN ONDERNEMING

1. INLEIDING


Om de financiële gezondheid van een onderneming te beoordelen, staat ons een uitgebreid instrumentarium ter beschikking. Vier dimensies zijn belangrijk : liquiditeit, solvabiliteit, rentabiliteit en toegevoegde waarde.
Een succesvolle onderneming genereert voldoende toegevoegde waarde om alle productiefactoren te vergoeden. Onder “productiefactoren” verstaan we alle middelen nodig voor de bedrijfsactiviteit, zoals arbeid, grondstoffen,kapitaal… Wat nog overblijft van de toegevoegde waarde na vergoeding van alle andere productiefactoren, is de winst na belastingen die toekomt aan de aandeelhouders als vergoeding voor het ingebrachte kapitaal.
Rentabiliteit houdt een vergelijking in van opbrengsten en kosten met het geïnvesteerde vermogen. We stellen hier de vraag naar het rendement van de geïnvesteerde middelen. We kunnen dit vanuit twee invalshoeken beschouwen. Enerzijds vanuit het standpunt van de onderneming, die de rendabiliteit van haar investeringen in de ruime zin (activa) onderzoekt, en anderzijds vanuit het standpunt van de aandeelhouders , die privé-middelen in de onderneming hebben geïnvesteerd (eigen vermogen) en daar een vergoeding voor verwachten.
Liquiditeit betreft de vergelijking van inkomsten en uitgaven. Wanneer de uitgaven systematisch hoger zijn dan de inkomsten kan er binnen de onderneming een betalingsprobleem of liquiditeitstekort ontstaan. Als de onderneming er niet in slaagt bijkomende financiering aan te trekken, kan zij uiteindelijk failliet gaan. Liquiditeit is immers de onmiddellijke aanleiding voor een faillissement.
De liquiditeit en rentabiliteit van een onderneming kunnen op korte en middellange termijn sterk uiteenlopen. Rentabiliteit geeft eerder een indicatie van de financiële gezondheid op langere termijn, terwijl de liquiditeit eerder op korte termijn gericht is. Zo zijn er veel jonge, groeiende ondernemingen die veel rendabele investeringen doorvoeren, maar dit niet tijdig gefinancierd krijgen en dus liquiditeitsproblemen kunnen krijgen.
Een volgende dimensie in de financiële toestand van een onderneming is de solvabiliteit. Een onderneming is solvabel als zij in staat is de betalingsverplichtingen gekoppeld aan haar schuldfinanciering te voldoen. Met andere woorden : er moeten interesten betaald worden en schulden afgelost.
Wat bedoeld wordt met toegevoegde waarde illustreren we aan de hand van een eenvoudig voorbeeld : een onderneming A verwerkt voor 10.000€ grondstoffen tot behangpapier. Dit papier wordt voor 24.000€ verkocht aan een groothandelaar die al die rollen verkoopt aan een kleinhandelaar voor 40.000€ . In de winkel wordt het behangpapier verkocht voor 60.000€. De BTW is overal 21%. Bereken telkens de toegevoegde waarde, de BTW die betaald wordt door elke onderneming en de BTW die de uiteindelijke verbruikers betalen.

Liquiditeit, rentabiliteit,solvabiliteit en toegevoegde waarde kunnen echter niet los van elkaar bekeken worden. Wanneer we de bestaande verbanden niet onderkennen, kunnen we nooit komen tot een goed inzicht van de globale financiële gezondheid van een onderneming. De beoordeling gebeurt aan de hand van ratio’s. Aangezien dit verhoudingen tussen 2 kengetallen zijn, kunnen de ratio’s vanéén onderneming over opeenvolgende perioden vergeleken worden. Ook kunnen de ratio’s van verschillende ondernemingen op eenzelfde tijdstip worden vergeleken.



2. BALANS





ACTIEF

PASSIEF

I oprichtingskosten

II immateriële vaste activa

III materiële vaste activa

IV financiële vaste activa

V vorderingen op meer dan 1 jaar

VI voorraden en bestellingen in uitvoering

VII vorderingen op ten hoogste 1 jaar

VIII geldbeleggingen

IX liquide middelen

X overlopende rekeningen



I kapitaal

II uitgiftepremies

III herwaarderingsmeerwaarden

IV reserves

V overgedragen winst of verlies

VI kapitaalsubsidies

VII voorzieningen voor risico’s en kosten

VIII schulden op meer dan 1 jaar

IX schulden op ten hoogste 1 jaar

X overlopende rekeningen


Om de nodige ratio’s te berekenen moet ook de balans en haar verschillende begrippen enigszins verduidelijkt worden.




3. LIQUIDITEIT

Een onderneming is liquide als zij erin slaagt haar korte-termijn-betalingsverplichtingen te voldoen.


De betalingsverplichtingen, zowel op korte termijn als op lange termijn, vinden we terug op de passiva-zijde van de balans. Het “vreemd vermogen op korte termijn” omvat alle schulden die de onderneming zal moeten betalen binnen het jaar (vb: leveranciers , kortlopende leningen aan banken…)
Wanneer wij ons afvragen hoe de onderneming deze schulden zal betalen, ligt één mogelijkheid al voor de hand, namelijk met het geld in de kas en op zichtrekening : de beschikbare middelen. Daarnaast heeft de onderneming doorgaans ook nog andere bezittingen,die op relatief korte termijn getransformeerd zullen worden in liquide middelen. Hierbij zijn vooral de geldbeleggingen, de handelsvorderingen die op korte termijn door klanten zullen betaald worden en de voorraden die kunnen verkocht worden, belangrijk. Alle vlottende activa zijn bestemd om op relatief korte termijn in geld omgezet te worden. Ze kunnen dus allemaal worden gebruikt om de korte-termijnschulden te betalen.

3.1. IN RUIME ZIN

Vlottende activa

Current ratio = ------------------------------------------

Vreemd vermogen op korte termijn

Indien de vlottende activa juist voldoende zijn om de schulden op korte termijn te dekken is de current ratio gelijk aan 1. Hoe groter de current ratio, hoe groter het overschot of de veiligheidsmarge die de onderneming heeft : ze heeft immers meer midddelen ter beschikking op korte termijn dan dat er kortetermijnbetalingsverplichtingen zijn, en ze heeft derhalve dus nog een buffer voor het opvangen van bijkomende uitgaven.
Nochtans neemt men vaak een current ratio van 1,2 tot 2 voor men van een gunstige situatie spreekt. Er weze hierbij opgemerkt dat dergelijke maatstaven hoogstens kunnen worden beschouwd als rudimentaire vuistregels. De waarde van een ratio moet steeds beoordeeld worden op basis van bv. De aard van de activiteit, omvang van het bedrijf, e.a.
Maar de current ratio geeft soms een té optimistisch beeld van de liquiditeit van een onderneming. Er wordt immers verondersteld dat de voorraden snel verkoopbaar zijn en aan de vooropgestelde prijs. Het is echter mogelijk dat de voorraad bestaat uit verouderde of beschadigde goederen, die nauwelijks nog te verkopen zijn.
Uit veiligheidsoverwegingen kunnen de minst liquide elementen uit teller en noemer van de current ratio gehaald worden. Zo bekomen we de acid test of de liquiditeitsratio in enge zin.

3.2. IN ENGE ZIN

vlottende activa - voorraden

Acid test =----------------------------------------------------------

Vreemd vermogen op korte termijn

Ook de overlopende rekeningen actief en passief kunnen uit de formule in ruime zin gehaald worden om nog te verfijnen.
De interpretatie van de acid test is analoog aan deze van de current ratio, maar zal altijd kleiner zijn want het is een strengere benadering. Zowel bij de current ratio als bij de acid test moet opgemerkt worden dat een té hoge liquiditeit ook niet gunstig is voor een onderneming,nl. voor de rentabiliteit.

4. NETTOBEDRIJFSKAPITAAL

Onderscheid wordt gemaakt tussen bruto- en nettobedrijfskapitaal. Het bruto-bedrijfskapitaal bestaat uit de som van de vlottende activa. Deze activa zijn voor de liquiditeitspositie belangrijk vermits zij binnen het jaar zullen gerealiseerd worden. Bij de berekening van het nettobedrijfskapitaal worden de schulden die binnen het jaar moeten betaald worden in mindering gebracht.


Het netto bedrijfskapitaal, ook wel het werkkapitaal genoemd, kan op twee manieren worden gedefinieerd.(grafische weergave)
Netto bedrijfskapitaal (NBK) = Vlottende activa – Vreemd vermogen

Op korte termijn


Netto bedrijfskapitaal (NBK) = Permanent vermogen –Vaste activa

(eigen vermogen +

vreemd vermogen lang)

Als de current ratio groter is dan 1 , dan is het netto bedrijfskapitaal groter dan 0 en omgekeerd.


Een positief netto bedrijfskapitaal betekent dat alle vaste activa ( en ook een deel van de vlottende activa) op lange termijn gefinancierd worden(tweede formule). Dit is conform met de “gulden financieringsregel” : elk bezit met een bepaalde levensduur wordt gefinancieerd door een financieringsbron met ongeveer dezelfde looptijd.
Indien het netto bedrijfskapitaal negatief is, wordt een deel van de langetermijninvesteringen gefinancierd met kortetermijnschulden, wat een potentieel gevaarlijke situatie is(liquiditeitsproblemen).
Het netto bedrijfskapitaal zou moeten positief zijn,om een veiligheidsmarge te hebben. Indien negatief, hoe kunnen we dat dan oplossen ? (zie voorbeeld met cijfers)
De omloopsnelheid van het bedrijfskapitaal is de snelheid waarmee iets bereikt wordt, het aantal keren dat een bepaald proces doorlopen wordt per jaar. Hoe intensiever die omloopsnelheid, hoe intensiever de winstrealisatie
omzet

Omloopsnelheid = ------------------------

bedrijfskapitaal
De omlooptijd is de tijd die de totale omloop in beslag neemt, in dagen uitgedrukt. Hoe groter de omlooptijd, hoe kleiner de winstrealisatie.
365 dagen

Omlooptijd = ---------------------

omloopsnelheid

De omloopsnelheid is een grootheid die in de tijd gezien, sterk kan fluctueren. Er kunnen daarvoor een aantal oorzaken voor teruggevonden worden :



  • Conjuncturele invloed : Bij hoogconjunctuur zal de omzet stijgen waardoor er een betere capaciteitsbenutting is, terwijl bij laagconjunctuur de omzet zal dalen. Het is wel zo dat bepaalde sectoren veel meer conjunctuurgebonden zijn dan anderen zoals toerisme,textiel…

  • Prijspolitiek : Bij penetratieprijsstrategie verkoopt men aan een lage prijs en dus ook een lage gemiddelde winstmarge, samen met een ruime afzet waarvoor we dus een hoge omloopsnelheid nodig heeft om voldoende winst te realiseren.vb : distributie,voeding; Bij afroomprijsstrategie ontstaat er een hoge verkoopprijs en ook een hogere winstmarge gecombineerd met een selecte klantengroep zodat een lagere omloopsnelheid leefbaar is. Vb: gespecialiseerde winkels ,juwelen,haute couture….



5. KENGETALLEN I.V.M. ROTATIE VAN BEPAALDE BALANSPOSTEN




5.1. Aantal dagen klantenkrediet

Handelsvorderingen betekenen voor de meeste ondernemingen een belangrijke investering ( voor de Belgische ondernemingen ongeveer één vierde van het balanstotaal). De omvang van de handelsvorderingen wordt bepaald door twee factoren.

Een eerste aspect is de omzet : als de omzet van de onderneming toeneemt, zal ook het bedrag aan uitstaande vorderingen groeien (bij ongewijzigde kredietpolitiek).

Anderzijds is er de kredietpolitiek van de onderneming, die zij zelf kan vastleggen, rekening houdend met de concurrentie . Hieronder vallen een aantal variabelen zoals de betalingstermijn, korting voor contante betaling,……


Aangezien de handelsvorderingen grote investeringen kunnen vergen, is het opvolgen ervan een belangrijke zaak. Vorderingen van klanten die de toegestane betalingstermijn ver overschrijden, blijken later misschien oninbaar, wat een verlies betekent voor de onderneming. Vorderingen die niet binnen een redelijke termijn geïnd kunnen worden, zijn niet liquide voor de onderneming. Om een indicatie te krijgen van de liquiditeit van de vorderingen, wordt de gemiddelde inningsperiode berekend (= aantal dagen klantenkrediet). Dit is het gemiddeld aantal dagen dat verloopt tussen de verkoop en de betaling door de klanten.

We berekenen eerst de klantenrotatie: het aantal keer dat de klantenvorderingen gedurende de periode veranderd zijn.


omzet

Klantenrotatie = ---------------------------------------------------------

Gemiddelde handelsvorderingen op ten hoogste 1 jaar

Handelsvorderingen op ten hoogste 1 jaar

Aantal dagen klantenkrediet = -----------------------------------------------

Omzet / 365 dagen


Een klein aantal dagen klantenkrediet wijst op een snelle en efficiënte inningspolitiek. Hoe kleiner deze inningsperiode is, hoe groter de liquiditeit van de vorderingen is. Nochtans kan een té korte innings-periode ook wijzen op een té strenge kredietpolitiek. Hierbij worden de verkopen onnodig beperkt tot klanten met geen of weinig risico, waardoor potentiële winsten verloren gaan.
Een groot aantal dagen kan wijzen op een te losse kredietpolitiek ; een deel van de vorderingen zijn over tijd en misschien oninbaar. De hieraan verbonden nadelen kwamen reeds ter sprake ; potentiële verliezen wegens dubieuze en grote financieringsbehoefte.Een ongewenst groot gedeelte van de financiële middelen worden bevroren. Dit kan ook wijzen op een minder goede opvolging van de klantenvorderingen.
De te volgen kredietpolitiek is afhankelijk van kenmerken van de markten of sector en het soort product van elke individuele onderneming. In een sector met veel concurrentie, waar klanten de keuze hebben tussen diverse alternatieve leveranciers, zal doorgaans meer en langer krediet worden gegeven. Indien een onderneming er in dergelijke markten een zeer strenge kredietpolitiek op nahoudt, kan dit voor haar een concurrentiëel nadeel zijn.

5.2. aantal dagen leverancierskrediet

Handelsschulden betekenen voor veel ondernemingen een belangrijke bron van financiering. Het is een vorm van “spontane financiering” .


Dit is een financieringsbron die automatisch toe- en afneemt met het activiteiten-niveau : als de verkopen toenemen, dan volgt een stijging van de productie en van de aankopen. Bij een gelijkblijvende betalingstermijn volgt er automatisch ook een stijging van de uitstaande handelsschulden. Het omgekeerde gebeurt bij een daling van de verkopen.
De gemiddelde duur van dergelijk krediet, of de periode die verloopt tussen de inkoop van allerlei goederen en de betaling ervan noemen we het aantal dagen leverancierskrediet.

Eerst berekenen we de leveranciersrotatie: het gemiddeld aantal keren dat de kortetermijnschulden wegens aankopen van goederen en diensten bij leveranciers in een periode vernieuwd worden wegens nieuwe aankopen van handelsgoederen, grondstoffen, verbruiksgoederen en hulpstoffen en wegens aankopen en leveringen van diensten en diverse goederen.


aankopen

Leveranciersrotatie =-------------------------------------------------------

Gemiddelde handelsschulden op ten hoogste 1 jaar

Handelsschulden op ten hoogste 1 jaar

Aantal dagen leverancierskrediet = -----------------------------------------

Aankopen /365 dagen


Een groot aantal dagen leverancierskrediet kan betekenen dat de leveranciers vertrouwen stellen in de kredietwaardigheid van de onderneming. Deze ratio mag echter niet té eenzijdig worden bekeken. Het kan immers ook wijzen op liquiditeitsproblemen bij de onderneming die er niet in slaagt om tijdig haar handelsschulden te betalen.
Het aantal dagen leverancierskrediet kan gebruikt worden voor de beoordeling van de kredietwaardigheid van huidige of potentiële klanten. Wanneer uit de financiële gegevens van een (potentiële) klant blijkt dat deze ratio niet beantwoordt aan de gebruikelijke sectorgemiddelden, is enige voorzichtigheid aan te raden op het vlak van kredietverlening.
Opgelet !Soms kan het voor de onderneming voordeliger zijn contant te betalen en geen leverancierskrediet aan te nemen indien korting voor contante betaling gegeven wordt.


5.3. ROtatie van de voorraad

De voorraden die een onderneming aanhoudt, betekenen net als de handelsvorderingen een investeringen van middelen. Hoe langer voorraden in het magazijn blijven of hoe langer het productieproces duurt, hoe slechter voor de liquiditeit van een onderneming. Om de liquiditeit van de voorraden te berekenen maakt men gebruik van de voorraadrotatie, die aangeeft hoeveel maal de voorraden gedurende een bepaalde periode gemiddeld verkocht zijn. Een hoge rotatie geeft aan dat voorraden gemiddeld snel worden verbruikt, geproduceerd en verkocht en dus niet lang in het magazijn blijven. Een trage rotatie wijst op een grote voorraad in vergelijking met de verkopen en/of verouderde voorraden die moeilijk verkoopbaar zijn.

Kostprijs van de verkopen

Rotatie = --------------------------------------------

Gemiddelde voorraad (aan inkoopprijs)

Let op ! De kostprijs van de verkopen is niet steeds gelijk aan de kost van de geproduceerde goederen (voorraadwijzigingen).


Let op ! kostprijs van de verkopen = omzet aan inkoopprijs
Let op ! Een te hoge voorraadrotatie kan ook het gevolg zijn van te kleine voorraden. Te kleine voorraden veroorzaken stockbreuken en vergen frequente bestellingen van grondstoffen of opdrachten voor kleine productie-orders. De kosten van voorraaadbreuken of van kleine orders kunnen hoger oplopen dan de besparingen die men realiseert door de lagere investeringen in voorraad.

Voorwaarde : de bedrijfsactiviteit moet gelijkmatig gespreid over de beschouwde periode. Daartegenover kan men wel stellen dat de ratio wel bruikbaar blijft bij de vergelijking in de tijd en vergelijking tussen ondernemingen.


Bij middel van het aantal dagen voorraad of omlooptijd van de voorraad bepaalt men hoeveel dagen de voorraden worden aangehouden vooraleer zij verkocht worden. Teller en noemer worden aan kostprijs gewaardeerd.

365 dagen

Aantal dagen voorraad = --------------------------------------------

rotatie


Samengevoegd geven de berekende omlooptijden een benadering van de totale omlooptijd van het in goederen geïnvesteerde vermogen ( = de te financieren periode). Aan de gemiddelde opslagduur gaat een aantal dagen leverancierskrediet vooraf. Na het moment van de verkoop dient rekening te worden gehouden met het gemiddeld aantal dagen klantenkrediet voor uiteindelijk de financiële middelen teruggewonnen worden.

Grafisch kan het geschetste tijdsverloop als volgt voorgesteld worden :



6. RENTABILITEIT
Rentabiliteit betreft een vergelijking van opbrengsten en kosten met het geïnvesteerd vermogen. We kunnen de rentabiliteit vanuit twee standpunten bekijken. Enerzijds moet de onderneming voldoende operationeel rendement halen op haar investeringen en anderzijds willen ook de aandeelhouders voldoende vergoed worden voor hun ingebrachte middelen.
Definitie : de mate waarin de onderneming erin slaagt met het vermogen winst te realiseren.
Waarom is het resultaat zo belangrijk ?

  • In een vennootschap is het een uitgangspunt tot toekenning van een dividend

  • Winst schept ontwikkelingsmogelijkheden

  • Het is een garantie voor de solvabiliteit van de onderneming

6.1. Operationele rentabiliteit

De operationele rentabiliteit wordt ook de rentabiliteit van de activa genoemd. Hiervoor vergelijken we de investeringen die een onderneming doet met het resultaat dat ze daarmee behaalt .


resultaat
Rentabiliteit van de activa = ------------------------

Totaal der activa


De rentabiliteit van de activa drukt uit hoeveel van elke frank, geïnvesteerd in de onderneming, gedurende een bepaald jaar opgebracht heeft. Rentabiliteit op de investeringen wordt door twee componenten gegenereerd. Vooreerst dient een positieve verkoopmarge gerealiseerd te worden en vervolgens dient deze marge zo frequent mogelijk verdiend te worden.


De verkoopmarge geeft weer hoeveel een onderneming overhoudt van haar verkopen. Hoe groter het verschil tussen de verkoopprijs en de kostprijs, hoe groter de verkoopmarge is. De verkoopmarge kan stijgen door de kosten te drukken of door de verkoopprijzen te verhogen.
De rotatie van de activa gaat na hoeveel verkopen voortgebracht zijn met de geïnvesteerde middelen of hoe frequent de verkoopmarge gerealiseerd wordt. Een hoge rotatie betekent dat de activa goed worden benut. Men kan de rotatie verhogen door met de bestaande investeringen meer te verkopen, of door dezelfde verkopen te realiseren met minder investeringen.
Indien de operationele rentabiliteit te laag is, kan deze verbeterd worden door ofwel de verkoopmarge ofwel de rotatie te verhogen. Een voorwaarde bij deze laatste ingreep is dat de verkoopmarge wel positief dient te zijn! (voorbeeld Aldi versus staalfabriek)

6.2. Rentabiliteit voor de aandeelhouders

Als aandeelhouders is men natuurlijk geïnteresseerd in het rendement dat men persoonlijk haalt op de geïnvesteerde middelen.


Een mogelijke ratio zou de ontvangen dividenden kunnen vergelijken met het ingebracht kapitaal. Dividenden zijn immers de werkelijke inkomsten die de aandeelhouders ontvangen en het kapitaal omvat de werkelijk ingebrachte middelen.
Er worden hier echter een aantal belangrijke zaken over het hoofd gezien. Een onderneming die winst maakt, kan een deel ervan uitkeren als dividenden. Dit zijn directe opbrengsten voor de aandeelhouders. Het restant van de winst blijkt in de onderneming onder de vorm van reserves. Wanneer de onderneming later geliquideerd wordt, worden de reserves uitgekeerd aan de aandeelhouders (nadat alle schuldeisers zijn betaald). Indien de onderneming wordt verkocht, zullen reserves leiden tot een meerwaarde van de aandelen. Gereserveerde winsten vormen dus een essentieel deel van de vergoeding van de aandeelhouders. Daarenboven is het kapitaal ook niet de enige inbreng vanwege de aandeelhouders. Wanneer zij beslissen om de winst binnen de onderneming te houden in plaats van dividenden uit te keren, dan is dit in feite een bijkomende investering van middelen in de onderneming.

6.2.1. rentabiliteit van het eigen vermogen voor belastingen

Winst voor belasting

rendement van het EV voor belasting = ------------------------------x100

eigen vermogen


6.2.2. rentabiliteit van het eigen vermogen na belastingen

Winst na belasting +

Niet-kaskosten

rendement van het EV na belasting = --------------------------------x100

eigen vermogen
Om de rentabiliteit voor de aandeelhouders (voor of na belastingen) te beoordelen, houden we rekening met een aantal factoren. Een absolute ondergrens is ongetwijfeld het rendement dat te verdienen is met beleggingen in termijndeposito’s,staatsobligaties,… Dit zijn immers risicoloze beleggingen , terwijl men als eigenaar van een onderneming wel degelijk een risico loopt en dus een hoger rendement verwacht. In de eerste jaren na de oprichting van een onderneming zijn lage of zelfs negatieve rendementen echter niet uitgesloten. Dit zou van voorbijgaande aard moeten zijn. Zoniet moet er worden gesaneerd !


6.3. Rentabiliteit van het totaal vermogen


winst voor belastingen + kosten van schulden

rendement TV = ----------------------------------------------------x100

totaal vermogen

winst voor belastingen + kosten van schulden+

niet kaskosten

Brutorendement TV = ---------------------------------------------------x100
Totaal vermogen

7. CASH FLOW

De cash flow is een belangrijk deel van de totale liquiditeitenstroom van een onderneming in een bepaalde periode. Het geeft weer hoeveel financiële middelen uit de werking van een onderneming werden voortgebracht tijdens een bepaalde periode.


Cash flow is het verschil tussen kasopbrengsten en kaskosten.
Kasopbrengsten zijn opbrengsten die men contant of op korte termijn ontvangt, zoals omzet, ontvangen interesten,…..
Kaskosten zijn kosten die contant of op korte termijn worden betaald, zoals de aankoop van handelsgoederen, personeelskosten, interesten op leningen.
Cash Flow na belasting = kasopbrengsten – kaskosten (incl. belastingen)
Naast deze berekeningswijze, bestaat er ook nog een tweede , snelle manier om tot de cash flow te komen.
Cash Flow na belasting = winst na belasting + niet-kaskosten
De niet-kaskosten zijn kosten die geen kasuitgave met zich meebrengen, zoals afschrijvingen, waardeverminderingen, voorzieningen,….
De cash flow geeft een beeld van de zelffinancieringsmogelijkheden van een onderneming : hoe meer middelen een onderneming kan voortbrengen, hoe beter. Cash flow is nodig om schulden af te lossen, een overschot kan gebruikt worden om investeringen zelf te financieren of om uit te keren aan de aandeelhouders.
Cash flow en winst zijn beiden maatstaven voor de rentabiliteit van een onderneming. Het gebruik van cash flow als maatstaf heeft als voordeel dat veranderingen in afschrijvingen, voorzieningen en waarde-verminderingen hierop geen invloed hebben. Dikwijls worden bijvoorbeeld deze niet-kaskosten door een onderneming gemanipuleerd om fiscale redenen, of om de winst van jaar tot jaar af te vlakken tot meer stabiele resultaten. Wanneer men de rentabiliteit beoordeelt op basis van de cash flow, wordt de invloed van deze aanpassingen buiten spel gezet.
Toch mag men niet uit het oog verliezen dat afschrijvingen en andere niet-kaskosten wel degelijk kosten zijn voor de onderneming en dus de rentabiliteit mee beïnvloeden. Daarom worden winst en cash flow best samen gebruikt : de winst (of verlies) als indicator van de rentabiliteit en de cash flow als maatstaf voor de zelffinancieringsmogelijkheden van een onderneming.


8. SOLVABILITEIT

Solvabiliteitsratio’s hebben tot doel na te gaan in welke mate een onderneming schulden heeft aangegaan en hoeverre zij in staat is de interesten en aflossingen te betalen. Solvabiliteit is de mogelijkheid van een onderneming om al haar schulden terug te betalen in geval van liquidatie.


Eigen vermogen

Solvabiliteit = ---------------------------

Totaal vermogen

Een solvabiliteit van 0,5 (dwz dat het totale vermogen uit 50% vreemd vermogen bestaat) wijst op een gezonde situaite. Maar in de praktijk is de situatie voor heel wat ondernemingen minder gunstig.


Er bestaat een relatie tussen de solvabiliteit en de financiële kosten; een onderneming met een lage solvabiliteit werkt dus met relatief veel vreemd vermogen. Dat brengt een hoge schuldenlast mee, vooral bij hoge rentevoeten.
De algemene schuldgraad (debet ratio) wordt berekend door het vreemd vermogen te delen door het totaal vermogen. Hiermee wordt aangegeven welk percentage van de totale financiering van een onderneming gebeurt met vreemde middelen.
Vreemd vermogen

Algemene schuldgraad = -----------------------------x 100

Totaal vermogen
Een alternatieve voorstellingswijze stelt het vreemd vermogen tegenover het eigen vermogen. Deze ratio duidt aan hoeveel schulden staan tegenover elke frank eigen vermogen.

Vreemd vermogen

Algemene schuldgraad = --------------------------------x100

Eigen vermogen

Hoe groter de schuldgraad is, hoe kleiner de bescherming van de schuldeisers in geval van een gedwongen liquidatie. Bij een liquidatie worden alle activa verkocht om met de opbrengsten de schuldeisers en eventueel de aandeelhouders terug te betalen.

Het moet duidelijk zijn dat bovenstaande ratio’s ruwe maatstaven zijn omdat :




  • Alle schulden op één lijn worden gesteld,m.a.w. er wordt geen rekening gehouden met de resterende looptijd van de schulden. Wanneer de schulden op korte termijn een overwicht hebben op deze lange termijn, dan is het financiële risico voor de onderneming over het algemeen groter dan in het omgekeerde geval.




  • Geen rekening gehouden wordt met het rentepercentage. Het financiële risico verschilt naargelang de rentevoet al dan niet hoog is met betrekking tot één of beide van de schuldmassa’s, op korte of op lange termijn.




  • De solvabiliteitsratio’s afgeleid zijn uit nettoboekwaarden uitgedrukt op de balans en bijgevolg geen precies beeld geven over de financiële stromen waarmee rente en aflossingen kunnen terugbetaald worden.


9. PRODUCTIVITEIT

Dit is het vermogen om een zo groot mogelijk nut te realiseren met de aanwezige bedrijfsmiddelen. Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen de economische productiviteit en de technische productiviteit.



9.1. economische productiviteit

Deze heeft betrekking op de waarde van de goederen uitgedrukt in geldwaarden . De kostprijs is de prijs die ontstaat door het verwezenlijken van het product en de verkoopprijs is de prijs die men voor dit product kan krijgen op de markt.


Kostprijs

------------- = 1 kritische punt

Verkoopprijs

kostprijs

Bedrijfscoëfficiënt =--------------------- x 100

verkoopprijs


Hoe hoger de bedrijfscoëfficiënt, hoe lager de economische productiviteit.
Hoe kan deze verhouding beïnvloed worden ?

9.2. technische productiviteit

Deze heeft betrekking op de hoeveelheid, de mate waarin het bedrijf met de beschikbare productiemiddelen afgewerkte producten realiseert.


Hoe kan dit beïnvloed worden ?
De onderneming is dus economisch productief wanneer kostprijs/verkoop kleiner is dan 1. Hoe hoger de bedrijfscoëfficiënt, hoe lager de economische productiviteit.


1. INLEIDING 1

2. BALANS 2

3. LIQUIDITEIT 3

3.1. IN RUIME ZIN 3

3.2. IN ENGE ZIN 4

4. NETTOBEDRIJFSKAPITAAL 4

5. KENGETALLEN I.V.M. ROTATIE VAN BEPAALDE BALANSPOSTEN 6

5.1. Aantal dagen klantenkrediet 6

5.2. aantal dagen leverancierskrediet 7

5.3. ROtatie van de voorraad 8

6.1. Operationele rentabiliteit 9

6.2. Rentabiliteit voor de aandeelhouders 10

6.2.1. rentabiliteit van het eigen vermogen voor belastingen 11

6.2.2. rentabiliteit van het eigen vermogen na belastingen 11

6.3. Rentabiliteit van het totaal vermogen 11

7. CASH FLOW 12

8. SOLVABILITEIT 13

9. PRODUCTIVITEIT 14

9.1. economische productiviteit 14

9.2. technische productiviteit 15



l








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina