Beste Wmo-adviesraad leden en overige Wmo-geïnteresseerden



Dovnload 140.64 Kb.
Pagina3/4
Datum25.08.2016
Grootte140.64 Kb.
1   2   3   4

Verschillen tussen Wmo en Jeugdwet

Hoewel de Jeugdwet zoveel mogelijk probeert aan te sluiten bij de systematiek van de Wmo, zijn

er wel verschillen tussen beide wetten. De Jeugdwet kent bijvoorbeeld geen compensatieplicht

maar een jeugdhulpplicht of voorzieningenplicht. Gemeenten moeten zorgen dat er voldoende

voorzieningen zijn voor het organiseren en leveren van jeugdhulp. Die jeugdhulp is gericht

op het gezond en veilig opgroeien naar zelfstandige kinderen die een rol spelen in de maatschappij.

Hierbij moet goed aangesloten worden bij het ontwikkelingsniveau van het kind.

Gemeenten (en aanbieders) hebben minder beleidsvrijheid in de Jeugdwet dan in de Wmo.

De Jeugdwet stelt meer landelijke eisen aan gemeenten en instellingen. Zo zijn er plannen voor één uniform kwaliteitsregime, met één integraal toezicht door één landelijke inspectie voor de jeugdzorg.

Nieuwe groepen voor gemeenten

Als de behandeling voor kinderen met een verstandelijke beperking inderdaad ook overgaat

naar de gemeentelijke Jeugdwet, betekent dit dat gemeenten ook verantwoordelijk worden voor de

behandelzorg in de specialistische kindercentra. Hier krijgen kinderen met een (ernstige) verstandelijke of meervoudige beperking dagbehandeling. De nadruk ligt op het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen. Meestal zijn de doelen klein, zoals het reageren op muziek of licht. Vaak hebben de kinderen ook lichamelijke zorg nodig en aangepast meubilair. Deze kinderen stromen later veelal door naar de zwaardere verblijfszorg in gehandicaptenzorginstellingen.



Politiek aan zet

Over de precieze invulling van de Jeugdwet en de langdurige zorg zal nog veel debat plaatsvinden in

en buiten de Eerste en Tweede Kamer. De uitdaging blijft om door goede samenwerking efficiënter, meer preventief en sneller de juiste hulp en ondersteuning te bieden.

De kansen daarop worden des te groter als gemeenten hun nieuwe taken binnen het sociaal

domein (Wmo, Jeugdwet, Participatiewet, passend onderwijs) zoveel mogelijk in samenhang vormgeven. In het ideale geval maakt het dan voor de persoon in kwestie niet uit of hij als 15-jarige begeleiding (Jeugdwet) en speciaal onderwijs (passend onderwijs) of als 22-jarige woonbegeleiding (Wmo) en jobcoaching (Participatiewet) nodig heeft. In alle gevallen valt het onder de verantwoordelijkheid van de gemeente, maar zullen we het samen moeten doen. Eerst is de politiek aan zet... 

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------



www.landelijkecliëntenraad.nl 17 mei 2013:

Arbeidsgehandicapten langs de kant door uitblijven gerichte ondersteuning
Zonder gerichte ondersteuning komt een groot deel van de werkzoekenden met een beperking écht niet aan het werk. De rapportage van de Inspectie SZW ‘Werken met beperkingen, van arbeidsbeperking tot arbeidsmogelijkheid’ onderstreept deze constatering van de Landelijke Cliëntenraad (LCR). Dit onderwerp én de maximering van drie jaar jobcoach-inzet staan op de agenda van het Algemeen Overleg Arbeidsmarktbeleid op 22 mei. De LCR zet in een brief aan de Tweede Kamer zijn bezwaren en suggesties uiteen.

Achter in de rij

‘Mensen met een beperking komen in het werving- en selectiemechanisme als groep achter in de rij van werkzoekenden terecht. Gemeenten kiezen voor makkelijker te bemiddelen groepen’, zo stelt de LCR in de brief. UWV lijkt het beter te doen door de Wajonggroep meer vooraan in de rij van werkzoekenden te plaatsen. Aan de andere kant krijgen mensen met een WIA- of ZW-uitkering geen begeleiding. 



Werkgevers

De LCR: ‘Cliënten die moeten werken, zijn wel heel erg afhankelijk van de keuzes die gemeenten en UWV maken. Datzelfde geldt voor werkgevers die zelf initiatieven willen ontplooien, maar daarin weinig goede ondersteuning krijgen.’ Experimenten zoals ticket-to-worksysteem (bekend uit de VS en Zweden) zouden moeten worden onderzocht, zodat mensen meer in staat zijn om het heft in eigen hand te nemen.



Drie jaar

De LCR becommentarieert de inperking van de inzet van een jobcoach tot maximaal drie jaar. ‘Jobcoaches zijn bedoeld voor mensen die zonder die specialistische begeleiding niet zelfstandig kunnen werken. Dat kan ook langer duren en dan is het geen tijdelijke maatregel. Werknemer én werkgever worden begeleid naar zelfredzaamheid. Niet de driejaarsgrens, maar de indicatie voor de begeleidingsbehoefte moet leidend zijn om te bepalen of de Jobcoach na drie jaar nog nodig is.’



Niet inperken

Volgens de LCR hoort de mogelijkheid van een langere begeleiding dan drie jaar niet te worden ingeperkt. Van mensen met heel weinig arbeidsmogelijkheden wordt namelijk wél verwacht dat zij aan het werk gaan. Dan moet hun arbeidsparticipatie ook mogelijk worden gemaakt. De LCR signaleert dat het niet duidelijk is hoe op dit moment de driejaar-grens én de zogenaamde ‘tenzij’-bepaling uitwerkt en wil dat hier beter naar wordt gekeken.

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Nieuwsbrief Zorgvisie 17 mei 2013:



VWS verstevigt plan aanpak zorgfraude

Het onderzoek naar fraude in de zorg wordt verder uitgebreid. Niet alleen de cure, maar ook de care wordt nu onderzocht. Dat staat in een brief van minister Schippers en staatssecretaris Van Rijn die zij gisteren rond middernacht naar de Kamer hebben gestuurd.

Het onderzoek moet fraudegevallen aan het licht brengen, aantonen welke zwakke plekken er in de systemen zitten en of er onduidelijkheden zijn in de huidige wet- en regelgeving. Daarnaast willen de bewindslieden kijken of de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) meer menskracht nodig heeft voor het onderzoek. Ook de capaciteit van het Openbaar Ministerie wordt, in samenwerking met minister Ivo Opstelten (Veiligheid en Justitie), bekeken.



Bestrijding fraude zorg

‘Fraude is onverteerbaar en dient zo hard mogelijk bestreden te worden’, stellen Schippers en Van Rijn. ‘Fraude met voor zorg bestemde middelen tast behalve de betaalbaarheid van ons zorgstelsel ook de solidariteit aan. Solidariteit is een belangrijke pijler van ons stelsel, deze mag geen gevaar lopen doordat we er niet voldoende in slagen om verrijking ten koste van de premiebetaler te voorkomen.’

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Verslag van Regionale Commissie Gezondheidszorg Zuid Holland Noord:

Geachte bezoekers en geïnteresseerden,

  Hartelijk dank voor uw belangstelling voor de inspiratiebijeenkomst over 'de verschuiving van formele naar informele zorg en ondersteuning; hoe doe je dat?' die op woensdagavond 15 mei 2013 plaatsvond. Via de volgende link vindt u het impressieverslag (hierna afgedrukt. Fr.E)en de verzorgde presentaties: http://www.rcgzhn.nl/index.php?l=n&n=223

Tevens vindt u daar informatie over een voorbeeldproject van Topaz over 'mantelzorgondersteuning op basis van ervaringsdeskundigheid' bij problemen rondom geheugen en/of dementie.

  Verder wordt, evenals gisterenavond, speciale aandacht gevraagd voor het initiatief van Rob Royé (lid Wmo-adviesraad Kaag en Braassem). Onder meer SIRE is bereid om mee te werken aan het maken van een serie korte tv-programma's met praktijkcases over de diverse veranderingen op het gebied van zorg en ondersteuning. Bedoeling van die korte tv-programma's is om burgers bewust te maken van de consequenties van alle ontwikkelingen op dat terrein. Rob Royé zoekt naar verdere steun voor zijn idee en naar mensen die willen meedenken over de praktijkcases voor de programma's. Wie daar belangstelling voor heeft kan dat aan mij kenbaar maken, zodat we u er in het vervolg bij kunnen betrekken.

  Ook als u verder vragen en/of opmerkingen heeft, verneem ik het graag.

  Met vriendelijke groeten, mede namens Holland Rijnland, Care2Care, Zorgbelang en UWV,

Yvonne Vincenten Secretaris Regionale Commissie Gezondheidszorg ZHN

Fruitweg 50 2321 DH Leiden t: 071 – 5766164 f: 071 - 5769239
Drukbezette tweede inspiratiebijeenkomst over transitie van formele naar informele zorg en ondersteuning

16 mei 2013

De tweede regionale inspiratiebijeenkomst van Holland Rijnland, de Regionale Commissie Gezondheidszorg, Care2care, Zorgbelang en UWV op woensdag 15 mei in het LUMC trok weer een volle zaal. Ongeveer 150 bezoekers van een divers pluimage; zorginstellingen, cliëntenraden, ambtenaren, raadsleden en bestuurders, lieten zich inspireren door drie sprekers.

Roos van Gelderen, lid van het Dagelijks Bestuur van de regio Holland Rijnland en wethouder Jeugd en Welzijn in Leiden, heette iedereen welkom en verzorgde de aftrap voor de bijeenkomst. Vervolgens sloeg Cecil Scholten van Vilans sloeg de bezoekers om de oren met cijfers die het belang van het thema bevestigen. Ongeveer 2,6 miljoen mensen (20 procent van de volwassen bevolking) verleent mantelzorg. Ze betrok de zaal met een aantal prikkelende stellingen: “Mag een mantelzorger zijn naaste douchen? En mag hij/zij de cliënt een spuit geven? Of helpen met eten als de cliënt een slikprobleem heeft?”

De volgende spreker, John Verhoef, introduceerde zijn werk als lector Eigen Regie aan de Hogeschool Leiden. Zijn belangrijkste boodschap aan de zaal: zelfmanagement is een proces van co-creatie van de zorgbehoevende met professionals, dat leidt tot mutual empowerment. Ludwien Wansink van het bureau informele zorg van Activite gaf tot slot een toelichting op het mantelzorgconvenant dat dit jaar nog ondertekend wordt.

John Verhoef: "Doen wat nodig is, is niet mogelijk binnen de bestaande structuren."

Na afloop van de presentaties ontstond een levendige discussie met de zaal. Gevoed door de actuele nieuwsberichten over het balletje dat de VNG had opgegooid rond de gewenste 'doorzettingsmacht' voor gemeenten om burgers die een Wmo-aanvraag doen te verplichten mantelzorgondersteuning te zoeken bij familie en vrienden. “Ontstaat er straks een nieuwe ‘mantelzorgdienstplicht’ of een ‘sociale dienstplicht’?” En heeft de cliënt straks zelf nog wat te kiezen? “Ik wil helemaal niet gemantelzorgd worden door mijn buurman”, gaf een bezoekster van de bijeenkomst aan.

Roos van Gelderen gaf aan dat er toch al een paar mooie initiatieven te vinden zijn: "In Leiden ken ik al twee wijken waar bewoners het initiatief nemen om te zorgen voor de ouderen in hun wijk. Wel moeten we er goed voor zorgen dat de basisvoorzieningen sterk, krachtig en goed op orde zijn."

Frank van Rooij (directeur/bestuurder Radius Welzijn) gaf aan dat hij van mantelzorgers veel signalen krijgt dat de overheidsmaatregelen bij hen een sterk beeld oproepen dat zij nog meer aan mantelzorg moeten doen dan ze al doen. De overheid zou zich daar bewust van moeten zijn. Bestaande mantelzorgers moeten eigenlijk nadrukkelijk de geruststelling krijgen dat het niet om hen gaat, maar juist om anderen. Het steekt dat in de communicatie over de transitie de bestaande inzet van mantelzorgers lijkt te worden ontkend.

Terecht werd opgemerkt dat in de afgelopen jaren de insteek van het beleid was om zorg meer te de-medicaliseren en te de-institutionaliseren. Met het nadrukkelijker positioneren van de informele zorg en hen formele verantwoordelijkheden te geven lijken zij nu juist zelf geïnstitutionaliseerd te worden.

Aan het slot van de bijeenkomst kreeg Rob Royé (lid van de Wmo-adviesraad Kaag en Braassem) nog even de vloer om de aandacht te vestigen op een idee om voor een serie van korte tv-programma's met praktijkcases over zorgvragers en mantelzorg in relatie tot de professionele zorg en de aanstaande veranderingen te maken. Hij heeft hiervoor al diverse producenten benaderd, waaronder SIRE. Hij is nog op zoek naar verdere steun voor zijn idee, en ook naar mensen die mee willen denken over de inhoud voor het beoogde programma. Belangstellenden kunnen zich melden bij Yvonne Vincenten van het Regionaal Bureau Gezondheidszorg (y.vincenten @ rbgzhn.nl).

 ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

www.trouw.nl:

Kwetsbaar én afhankelijk zijn, dat is niet meer van deze tijd

Imrat Verhoeven, Thomas Kampen en Loes Verplanke, wetenschappers Universiteit van Amsterdam − 20/05/13, 18:01



Staatssecretaris Van Rijn (VWS) wil dat mensen het weer 'normaal' gaan vinden om voor hun familie, en zelfs voor onbekenden in hun omgeving te zorgen. Daarom bepleit hij een cultuurverandering, een revolutie zelfs, waarbij iedereen die zorg nodig heeft eerst naar familie, vrienden en kennissen kijkt, alvorens een beroep op professionele zorg te doen.

Staatssecretaris Van Rijn (VWS) wil dat mensen het weer 'normaal' gaan vinden om voor hun familie, en zelfs voor onbekenden in hun omgeving te zorgen. Daarom bepleit hij een cultuurverandering, een revolutie zelfs, waarbij iedereen die zorg nodig heeft eerst naar familie, vrienden en kennissen kijkt, alvorens een beroep op professionele zorg te doen. Het zijn grote woorden die een sluipend veranderingsproces in onze verzorgingsstaat zichtbaar maken: het beroep op affectief burgerschap door de overheid, die wil dat burgers warme gevoelens voor elkaar ontwikkelen en daardoor meer zorgzaamheid voor zichzelf en anderen aan de dag leggen.


Dit affectieve offensief is niet nieuw. Het kwam op gang met de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) in 2007 en past binnen een lange geschiedenis van kritiek op de verzorgingsstaat. Die zou te ruimhartig zijn opgezet en burgers zo afhankelijk maken dat ze calculerend gedrag vertonen, te weinig persoonlijke verantwoordelijkheid nemen en dat ze samenleven in zwakke gemeenschappen.
Binnen de gemeentelijke praktijk van de WMO is Van Rijns cultuurverandering al jaren de inzet: burgers worden gestimuleerd om eerst in hun nabije omgeving naar hulp te zoeken, en pas als dit niet mogelijk is naar professionele hulp te kijken. Het affectieve offensief van de overheid leunt binnen de WMO op twee belangrijke veronderstellingen: kwetsbare mensen willen en durven in hun sociale netwerk om hulp te vragen, en de hulp die andere mensen daarop geven is ook langdurig. Onderzoek van sociologe Ellen Grootegoed laat echter zien dat zorgbehoevenden bij voorkeur geen, of in ieder geval niet een nog groter beroep willen doen op hun familie, vrienden en buren. Zij willen hun naasten niet belasten; dat tast hun idee van 'zelfstandigheid' aan. Daarom houden ze niet zelden hun behoeften verborgen voor hun omgeving. Een eenzame oude vrouw die haar dagopvang is kwijtgeraakt zegt over hulp vragen aan haar kinderen: 'Al zou het niet goed gaan, dan zeg ik dat niet. Dat wil ik ze niet aandoen.' Tegelijkertijd komen langdurige relaties tussen zorgbehoeftigen en buurtbewoners maar moeilijk tot stand, omdat geven en nemen niet in evenwicht zijn, zo blijkt uit onderzoek van Femianne Bredewold.
Deze ontluisterende bevindingen roepen grote vraagtekens op bij het affectieve offensief van de overheid. Hoe reëel is het om te verwachten dat kwetsbare mensen hun eigen zorg kunnen organiseren of dat ze daarvoor een beroep willen doen op hun 'netwerk', áls daarvan al sprake is? Het is goed dat het affectieve offensief van de overheid nu meer aan het licht komt door de plannen van het huidige kabinet. We hebben het namelijk over een fundamentele verandering van de verzorgingsstaat die leidt tot een nieuwe visie op ons collectieve bestaan zonder dat de bevolking daarover expliciet wordt geraadpleegd.
Een belangrijke bouwsteen van de verzorgingsstaat is het autonomie-ideaal. De zorg van de staat maakte mensen minder afhankelijk van familie, vrienden, anderen in de buurt en charitas. Vooral vrouwen, die veel zorgtaken vervulden, zagen dit als een bevrijding, omdat het minder belastend was om van de overheid afhankelijk te zijn dan van familie en buren. Dit ideaal wordt in het sluipende affectieve overheidsoffensief omgekeerd. De afhankelijkheid van de staat wordt weer ingeruild voor persoonlijke afhankelijkheden tussen individuen. De staatssecretaris beweert dat hij niet terug wil naar een situatie waarin hulpbehoevenden afhankelijk zijn van liefdadigheid. Ondertussen is hij wel een belangrijke vertegenwoordiger van het affectieve offensief dat ons allen moet doen terugverlangen naar broers die ons verschonen, de buurvrouw die boodschappen voor ons haalt en de onbekende vrijwilliger die de afstandbediening opnieuw komt instellen.
Het wordt tijd dat we indringend stilstaan bij de vraag hoe ver we willen en kunnen meegaan in dit affectieve offensief, voordat deze veenbrand door nieuwe maatregelen oplaait tot een vuur dat we niet meer kunnen blussen.
Verkorte versie van de inleiding van het deze week verschenen boek 'De affectieve burger. Hoe de overheid verleidt en verplicht tot zorgzaamheid'.

Commentaar hierop op Linked in Awbs-Wmo 21 mei 2013:

Mirjam den Broeder • Terug naar charitas lijkt me zeker niet wenselijk. Wel lijkt er een soort 'taboe' te zijn ontstaan op afhankelijkheid, kwetsbaarheid en lief-dadigheid (daden uit liefde en mede-menselijkheid). We kunnen in onze maatschappij meer voor elkaar zorgen en meer oog hebben voor elkaar, en het is goed als dit 'gewoner' wordt. Anderzijds blijft er altijd een vangnet nodig voor hen die zorg behoeven en waar dit onvoldoende door de omgeving geboden kan worden, om wat voor redenen dan ook. Soms vergt zorg echt vakmanschap, en er kunnen legio redenen zijn waarom iemand bijv. niet voor een (bepaald) familielid wil/kan zorgen. Het is niet vanzelfsprekend. Ik vind het belangrijk dat iedereen die zorg behoeft, of op wie een beroep wordt gedaan, zelf een afweging en keuze kan maken. Het lijkt me afschuwelijk om door iemand verzorgd te worden die dit met tegenzin doet! Laten we daarom ieders keuzes respecteren en er voor zorgen dat 'zorgen voor elkaar' in vrijheid gebeurt, en niet onder 'dwang'.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------www.rijksoverheid.nl 21 mei 2013:



Geestelijke Gezondheidszorg meer op de juiste plek; dichtbij en niet zwaarder dan noodzakelijk. Nieuwsbericht | 17-05-2013

Minister Edith Schippers (VWS) heeft vandaag een brief naar de Tweede Kamer gestuurd waarin zij een fundamentele verandering van de organisatie van de Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ) voorstelt. Zo krijgt de huisarts in haar plannen betere ondersteuning voor mensen met psychische problematiek en wordt er ingezet op een sterke en kwalitatief goede ‘Generalistische Basis GGZ’. Binnen deze basis GGZ kunnen mensen die nu nog onnodig gebruik maken van specialistische zorg straks dichter bij huis en minder zwaar behandeld worden.

De plannen voor de basis GGZ vloeien voort uit het akkoord over de toekomst van de geestelijke gezondheidszorg dat minister Schippers in 2012 sloot met zorgaanbieders, beroepsverenigingen, zorgverzekeraars en cliënten- en familieorganisaties. Partijen hebben toen afgesproken zich gezamenlijk in te spannen om een kwalitatief hoogwaardige en betaalbare GGZ te realiseren.



Zorg dichter bij huis en niet zwaarder dan nodig

In vergelijking met de landen om ons heen worden in Nederland relatief veel mensen in de duurdere specialistische zorg behandeld. Het gaat daarbij vaak om patiënten met lichte of middelzware klachten. De trend dat patiënten door huisartsen of psychologen te snel naar specialistische zorg worden doorverwezen, wordt met de nieuwe aanpak gekeerd. Er vindt een omslag plaats van zorg in instellingen naar zorg vanuit huis en van zware naar lichtere zorg. De huisarts wordt beter ondersteund en er wordt meer ingezet  op zelfmanagement. Deze omslag vindt op een voor de patiënt verantwoorde en zorgvuldige manier plaats.



Betere ondersteuning van de huisarts

De huisarts biedt persoonlijke en laagdrempelige zorg. Om te voorkomen dat mensen te snel doorverwezen worden naar een specialist, krijgt de huisarts extra geld dat hij flexibel in kan zetten om hulp in te roepen voor de behandeling van mensen met psychische problematiek. Bijvoorbeeld voor het inhuren van een praktijkondersteuner, het aanbieden van behandelingen via internet of voor de consultatie van een psychiater. In 2013 is hiervoor al € 7 miljoen extra beschikbaar gesteld. Door de nieuwe plannen komt hier in 2014 eerst € 25 miljoen en vanaf 2015 jaarlijks € 35 miljoen bij.



Hervorming van de GGZ

Op dit moment worden vanuit het basispakket voor alle patiënten maximaal vijf consulten bij een eerstelijns psycholoog vergoed. Vanaf 2014 komt deze beperking te vervallen. Hiervoor in de plaats komen vier zorgcategorieën. Deze vier categorieën vormen samen de nieuwe ‘Generalistische Basis GGZ.’ Patiënten met zwaardere psychische problematiek waarvoor de huidige 5 consulten niet toereikend zijn kunnen hierdoor binnen de basis GGZ behandeld worden, zonder meteen te worden doorverwezen naar gespecialiseerde zorg. Dit betekent dat de gespecialiseerde zorg zich op meer complexe patiënten kan gaan richten. Ook patiënten met stabiele chronische problemen kunnen binnen de basis GGZ worden behandeld.



Een drietal commentaren hierop op Linked in Koepel Wmo-raden 22 mei 2013:

Udo Kollges • Hoe zwaar wil je het maken voor mensen die zelf niet verantwoordelijk zijn voor hun beperking? 
Sommige mensen in de GGz hebben hun problematiek in de wieg gelegd gekregen en toch doen deze mensen, hun stinkende best om toch een positie in de maatschappij te krijgen. De trend die gezet wordt je eigen kracht te gebruiken, je eigen verantwoordelijkheid, kan voor deze groep met een aangeboren problematiek tot een marteling worden. Met andere woorden maak je deze groep dus zelf verantwoordelijk voor hun aangeboren problematiek. Deze groep mensen zullen dus steeds vaker te horen krijgen, oh dat is uw probleem, en zoek het zelf maar uit en ga uw eigen kracht maar gebruiken 
Het gevaar is dat deze groepen dus veel zwaarder psychisch gaat afzakken, voordat zij de hulp gaan krijgen, die zij nodig hebben. Soms is een pleistertje plakken op de wond niet altijd voldoende, om de wond te stillen. 
Het gebruik maken van de eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid vind ik een mooi middel en daar ben ik ook voorstander van, dus nogmaals de eigen verantwoordelijkheid gebruiken, betekend dus ook, dat je ergens zelf verantwoordelijk voor bent, dus ook voor de aandoeningen die aangeboren zijn. 
Dit kan namelijk voor het individu tot een marteling gaan worden, omdat je door de eigen kracht methodiek de wond telkens weer aan het openrijten bent. Er is dus enige voorzichtigheid geboden, om deze methodiek bij GGz-cliënten aan te wenden, omdat het ook averechts kan gaan werken, omdat de psychische spanningsboog van het individu hierdoor overbelast kan raken en er dus meer gesloopt kan worden, in plaats van herstelt 
Hierbij moet je gaan denken aan mensen met een persoonlijkheids of identiteitsproblematiek, omdat de eigen identiteit vaak verstoord is en een gezonde eigen identiteit van essentieel belang is om de eigen kracht methodiek tot een succes te laten worden, ontbreek dit is er m.i. van af te raden

Toos Vaart-Kralt, van der • Het lijkt mij persoonlijk beter als er gesproken wordt van eigen kracht en zelfredzaamheid stimuleren in plaats van eigen verantwoordelijkheid. Eigen verantwoordelijkheid komt inderdaad neer op 'eigen schuld, dikke bult( niet alleen bij ggz-cliënten)'. Wij hebben dit ook geprobeerd uit de verordening te krijgen, maar is niet helemaal gelukt.

Udo Kollges • Beste Toos, 
maar naar mijn mening moet er ook een stabiele eigen identiteit aanwezig zijn om de eigen kracht methodiek tot een succes te laten worden. Is dit er namelijk niet ben je deze mensen psychisch aan het martelen.

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Nieuwsbrief Binnenlands Bestuur 21 mei 2013:



1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina