Bewonersparticipatie op het platteland. Leren van elkaar



Dovnload 37.33 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte37.33 Kb.

Bewonersparticipatie op het platteland. Leren van elkaar:


ervaringen met DORP inZICHT / Dorpswaardering in Vlaanderen en Nederland
Op 17 oktober ontving Bennie Jolink, de zanger van de Achterhoekse popgroep Normaal, de Groeneveldprijs vanwege zijn inzet voor het Nederlandse platteland. Voorafgaand aan de prijsuitreiking verzorgde Jolink de Groeneveldlezing. In zijn lezing sprak hij over de Achterhoekse noaberplicht, een vorm van burenzorg die door stedelingen wel eens geringschattend wordt omschreven als ‘burgerlijke sociale controle’. ‘Nou en!’ was de reactie van Jolink. Daarmee komt hij op voor de waardenoriëntaties van de bewoners van het Nederlandse platteland.

Ruim dertig jaar geleden was Normaal met Benny Jolink de eerste popgroep in Nederland die het aandurfde om rockmuziek in dialect te brengen. Volgens het juryrapport heeft Jolink door te zingen in de streektaal een belangrijke bijdrage geleverd aan het zelfbewustzijn van de plattelandsbewoners en de bevordering daarvan.


Het zelfbewustzijn van plattelandsbewoners en de bevordering daarvan is de rode draad in mijn inleiding. Daar gaat het naar mijn mening namelijk uiteindelijk om bij het beschrijven en evalueren van de ervaringen met het Vlaamse DORP inZICHT en het Nederlandse Dorpswaardering, een van oorsprong Britse methode die nu al een aantal jaren aan beide zijden van de grens wordt toegepast.
Mijn inleiding bestaat uit twee delen. In het eerste deel ga ik nader in op de sociaal-ruimtelijke ontwikkelingen die zich in Nederlandse en Vlaamse dorpen voordoen. Wat zijn in de ogen van de dorpsbewoners zelf de voor- en nadelen van het wonen op het platteland? Waar komen nieuwe vormen van onbehagen bij dorpsbewoners uit voort en hoe zouden we daarmee kunnen afrekenen? Hoe kunnen we met name het zelfbewustzijn van dorpsbewoners stimuleren? En hoe kan een perspectief op zichzelf versterkende positieve ontwikkelingen, de ‘spiraal omhoog’, worden verworven? Ik sluit dat eerste deel af met een stelling over methoden als DORP inZICHT en Dorpswaardering.

In het tweede deel wil ik kort iets vertellen over de oorsprong van DORP inZICHT en Dorpswaardering, de Britse methode Village Appraisals, de introductie in Nederland en Vlaanderen en de doelstellingen van de methoden. De doelstellingen leveren met de in het eerste deel ontwikkelde begrippen het kader op voor een evaluatie van de toepassingen in Nederland en Vlaanderen.


In een recent door het Nederlandse Sociaal en Cultureel Planbureau uitgevoerde studie (Simon cs, 2007) wordt de conclusie getrokken dat het Nederlandse platteland volgens de bewoners zelf “het beste van twee werelden” heeft.

De meeste bewoners vinden het een voorrecht om er te wonen, te midden van zoveel rust, ruimte en natuur. Bovendien zijn plattelandsbewoners over de saamhorigheid onder elkaar goed te spreken: er is in hun ogen nog sprake van gezamenlijkheid, van hechte relaties op korte afstand en men heeft nog wat voor elkaar over. En er is nog sprake van sociale controle zoals Bennie Jolink die beschreef, al verschuiven de normen en worden deze flexibeler. Kortom, men ervaart een grote mate van betrokkenheid bij de plaatselijke samenleving. Wat dat betreft is er op het platteland volgens de bewoners nog veel te vinden van de kwaliteiten die daaraan vaak worden toegeschreven: de wereld van de hechte plattelandsgemeenschap, de community.

Maar ook op het platteland is sprake van ingrijpende sociale veranderingen: een algemene verschuiving van productieve naar meer consumptieve functies, een toenemende betekenis van inwijkelingen, stadse bezoekers en stedelijke zeggenschap over de plaatselijke situatie en - bepaald niet het minst belangrijk - een veranderend leefpatroon van de ‘oorspronkelijke’ plattelandsbewoners zelf. Schaalvergroting en individualisering hebben ook het leven van bewoners die in hun geboortedorp of -streek zijn opgegroeid, en die daar vaak ook zijn geworteld, ingrijpend veranderd. Die schaalvergroting en individualisering hebben op het platteland ook de voordelen gebracht van de moderne stedelijke wereld. De vanzelfsprekendheid en beklemming van het dorp hebben veel plattelandsbewoners dan ook kunnen inruilen voor meer individuele keuzemogelijkheden binnen een ruimer regionaal kader en voor meer privacy binnen de eigen woning.

Het is duidelijk dat mobiliteit, en dan vooral individuele automobiliteit, het mogelijk maakt om het beste van die twee werelden bijeen te brengen. In dat opzicht onderscheiden plattelandsbewoners zich dan ook van stedelingen. Zij zijn in het algemeen mobieler. Dat kan je presenteren als een kwaliteit van het leven op het platteland, maar het is natuurlijk net zo goed een broodnodige voorwaarde om ruimtelijk de ‘touwtjes aan elkaar te knopen’.


Alhoewel rond het leven op het platteland soms nog een sfeer van ‘zieligheid’ hangt, is daarvoor dus weinig reden. Maar natuurlijk zien plattelandsbewoners niet alleen voordelen, maar ook enkele nadelen aan hun leefsituatie.

Hetgeen als nadeel het meest naar voren wordt geschoven is het schrale voorzieningenaanbod in kleine dorpen en de vrees dat in kleine dorpen een spiraal omlaag dreigt: afnemend voorzieningenniveau, afnemende leefbaarheid, teruglopende bevolking en verder afnemende bevolking, etc. Op het tweede nadeel, de relatie met de overheid, komt ik straks terug.


Uit onderzoek blijkt dat de keten van lokale samenhangen die de essentie van de ‘spiraal omlaag’ beschrijft - afnemend voorzieningenniveau, afnemende leefbaarheid, teruglopende bevolking en verder afnemende bevolking - in feite niet meer opgaat. De belangrijkste reden is dat door de regionalisering van het leven de onderliggende samenhangen voor het ruimtelijke schaalniveau van het dorp ongeldig zijn:

Bewoners baseren de beoordeling van hun leefsituatie steeds minder op de lokale voorzieningensituatie;

de ontwikkeling van het aantal inwoners is steeds minder een uitvloeisel van het oordeel over de leefbaarheid ter plaatse;

en tenslotte, de ontwikkeling van het aantal voorzieningen heeft steeds minder relatie met de ontwikkeling van het aantal inwoners.

Maar al verliest deze circulaire keten in toenemende mate zijn realiteitsgrond, toch blijft het een ‘machtig beeld’ dat veel bewoners, maar ook veel lokale bestuurders, van de leefsituatie in kleine dorpen schetsen.

Uit verschillende onderzoeken blijkt dat de lokale voorzieningensituatie op het Nederlandse en Vlaamse platteland door bewoners van steeds minder belang wordt geacht voor hun uiteindelijke oordeel over hun dorp. Men ontleent het uiteindelijke oordeel steeds vaker op zaken die voor de woonfunctie van het dorp van belang zijn. Hoe de samenhangen op lokaal niveau met betrekking tot de lokale leefsituatie met meer perspectief beschreven kunnen worden wil ik straks nog met u bespreken, maar allereerst maak ik mijn verhaal over de nadelen die plattelandsbewoners verbinden met het leven op het platteland af.


Een ander nadeel dat bewoners van het Nederlandse platteland, volgens genoemd onderzoek van het SCP, met betrekking tot hun leefsituatie naar voren brengen, is de relatie met de overheid. Zo vindt men nogal eens dat overheden te makkelijk beslissingen nemen, bijvoorbeeld over lokale natuurontwikkeling, zonder bewoners erbij te betrekken. Ook heeft een deel van de plattelandsbewoners, met name de ondernemers, moeite met de complexe wet- en regelgeving en de starre houding van sommige bestuurders. Deze constatering sluit aan bij de bevindingen van lokale cultureel-antropologische studies in Nederland naar de veranderende machtsverhoudingen op het Nederlandse platteland. Dat toont een belangrijke spanningsrelatie. Aan een kant is het zelfbewustzijn van plattelandsbewoners sterk toegenomen door hogere opleidingsniveaus en democratisering. Aan de andere kant is het zelfbewustzijn op het platteland vaak gefrustreerd omdat bleek dat de zeggenschap over lokale aangelegenheden weliswaar werd weggenomen bij allerlei traditionele lokale machthebbers, zoals adel en autocratische bestuurders, maar bepaald niet terecht kwam bij de bewoners of het lokaal bestuur maar veelal bij bureaucratische bestuurlijke organen op steeds grotere afstand, in Den Haag of Brussel.
Het zijn naar mijn mening precies deze ontwikkelingen, de ontwikkelingen in de sfeer van de plaatselijke voorzieningensituatie en de zeggenschap over lokale situaties, die bij bepaalde groepen bewoners op het Nederlandse en Vlaamse platteland hebben geleid tot wat Mark Elchardus ‘nieuw onbehagen’ noemt. Dat nieuwe onbehagen heeft zijn oorsprong niet in tekorten in materiële welvaart, maar in de moeite die bepaalde groepen hebben om hun eigen identiteit en levensloop te regisseren in een wereld waar aan de ene kant traditionele referentiekaders hun betekenis verliezen en aan de andere kant de diversiteit aan leefstijlen exponentieel toeneemt. Als men de veranderingen in zijn of haar dorp, zoals de sluiting van de laatste winkel, beoordeelt vanuit het perspectief van het plaatselijk voorzieningenniveau is geen andere interpretatie mogelijk dan de ‘spiraal omlaag’ en wordt het referentiekader van het autonome dorp aangetast. Als blijkt dat de zeggenschap over de ontwikkeling van je bedrijf wordt beperkt door in Brussel gemaakte afspraken over ecologische verbindingszones en je binnen de wet- en regelgeving en in contact met bestuurders en ambtenaren het gevoel hebt altijd het onderspit te moeten delven, wordt daarmee het referentiekader van de lokale democratie aangetast. Onbehagen op het platteland komt dus sterk voort uit het moeten loslaten van oude territoriale kaders en de moeite die plattelandsbewoners hebben zich te oriënteren op nieuwe territoriale kaders.
Dat proces van loslaten en oriënteren op nieuwe referentiekaders komt overeen met het ‘community lost’ en ‘community transformed’ perspectief. Enerzijds is er de vrees dat de hechte plattelandsgemeenschap verloren gaat, ‘community lost’. Anderzijds is er de hoop dat de lokale gemeenschap zich weet aan te passen aan veranderende tijden, ‘community transformed’.

Ook de emotionele binding die bewoners met hun dorp hebben verandert daardoor van karakter. Van een vanzelfsprekende dorpsbinding gebaseerd op in het dorp geboren en getogen en soms generatielang geworteld zijn, gaan we langzamerhand naar een lokaal bewustzijn van bewoners die, vaak voor een bepaalde periode in hun leven, gekozen hebben voor juist dat dorp en dat huis en die de behoefte hebben om zich als lokale samenleving van de buitenwereld te onderscheiden. Die overgang van dorpsbinding naar lokaal bewustzijn is al meer dan een eeuw gaande, en wat belangrijker is, ze is nog steeds gaande.


Deze overgang kan voor Nederlandse én Vlaamse dorpen worden beschreven als een overgang van het autonome dorp naar het woondorp en als een overgang van een oude rurale verscheidenheid naar een nieuwe rurale verscheidenheid. In het autonome dorp liggen de dagpaden en leefpaden van de bewoners, hun verplaatsingen voor dagelijkse routines en hun levensloop, binnen de grenzen van het dorp. In het woondorp verplaatsen de bewoners zich voor veel dagelijkse bezigheden naar elders en wonen zij slechts een deel hun levensloop in het dorp. In de oude verscheidenheid worden dorpen primair onderscheiden op basis van hun functionele uitrusting: de plaatselijke werkgelegenheid en de lokale voorzieningen. In de nieuwe verscheidenheid worden dorpen primair onderscheiden op basis van hun woonfunctie en een daarbij passend sociaal profiel.
Lokaal sociaal beleid op het platteland heeft dan ook met de uitdaging te maken om enerzijds voort te bouwen op de kwaliteiten van het autonome dorp en rekening te houden met de oude verscheidenheid als machtig beeld en anderzijds een toekomstperspectief te ontwikkelen dat zoveel mogelijk uitgaat van de mogelijkheden van het woondorp en dat aanhaakt bij de hefbomen die de nieuwe verscheidenheid biedt.
Dat levert overigens soms een spagaat op. In een gesprek met een groep dorpsbewoners in Zandvoorde, een van de Westhoek dorpen, was mijn ervaring dat een groot deel van de bewoners weliswaar onder de indruk was van wat het dorpsversterkingsbeleid van de provincie voor hun dorp had opgeleverd, waaronder een verfraaiing van het publiek domein, maar daarmee had men “het dorp van zijn jeugd” niet teruggekregen. Men zag al dat moois toch vooral ten goede komen aan “de man die passeert” en niet aan de bewoners zelf. Toch begrijpen ook deze bewoners dat “het dorp van zijn of haar jeugd” niet teruggehaald kan worden.

Het kan ook anders, zoals bleek in het stadje Lo in de Westhoek, waar eveneens grote investeringen werden gedaan in het publiek domein van het dorp. Het leverde niet alleen een welkome impuls op van het toerisme, maar het bevorderde het zelfbewustzijn van de bewoners zodanig dat dit de basis vormde voor zowel initiatieven van individuele bewoners hun eigen woningen te verbeteren, als gemeenschapsinitiatieven die gericht zijn op het verder uitbouwen van de kwaliteiten van het publiek domein.


Lokaal sociaal beleid doet er naar mijn mening dan ook goed aan om toekomstperspectieven zoveel mogelijk te zoeken in de sfeer van het woondorp. Als tegenpool van de eerder getoonde ‘spiraal omlaag’, passend bij het referentiekader van het autonome dorp, sluit ik dit deel van mijn inleiding dan ook af met de ‘spiraal omhoog’, passend bij het referentiekader van het woondorp.

Opvallend is dat deze circulaire keten start met een externe relatie: de regiovorming. Het succes waarmee de woonfunctie van een dorp zich ontwikkeld binnen de streek vormt de belangrijkste basis voor de ontwikkeling van het oordeel dat bewoners hebben over de leefbaarheid ter plaatse. Dat vormt weer de belangrijkste basis voor de ontwikkeling van gemeenschapsinitiatieven, hetgeen een bijdrage kan leveren aan de lokale woonfunctie. Het meest opmerkelijke kenmerk van deze circulaire keten van lokale relaties is dat de ontwikkeling van de leefbaarheid de basis vormt voor een nieuw soort ‘voorzieningen’ in woondorpen. Voorzieningen die geen voorwaarde zijn voor de lokale leefbaarheid, maar eerder als een resultaat van de lokale leefbaarheid kunnen worden beschouwd. Bovendien zijn dergelijke voorzieningen niet het resultaat van een top-down verdelingsbeleid, maar van bottom-up bewonersinitiatieven. Ze vloeien voort uit het lokaal bewustzijn van de bewoners en kunnen een belangrijke bijdrage vormen aan nieuwe vormen van lokale sociale samenhang.


Waar hebben we het bij dergelijke gemeenschapsinitiatieven over? Ik noem er een aantal die ik de laatste jaren in Nederlandse en Vlaamse dorpen ben tegengekomen: een dorpsbibliotheek georganiseerd door vrijwilligers, een dorpskrant of -website, onderling georganiseerd autovervoer van de kinderen van en naar school (die staat in een ander dorp), het samen onderhouden van kleine lokale monumenten, het samen onderhouden van een kapel, het verzorgen van de verfraaiing en daarmee de veiligheid van een fietstunnel, het onderhouden van een veerverbinding voor voetgangers en fietsers, het opzetten van een lokaal natuurproject, kunstprojecten, lokale zorgprojecten, en ... het uitvoeren van een bewonersonderzoek naar een lokale aangelegenheid. Daarmee ben ik bij het tweede deel van mijn inleiding gekomen.
Ik sluit het eerste deel af met een stelling die een uitgangspunt vormt voor het tweede deel van mijn inleiding : “Er is behoefte aan methodes waarbij bewoners van dorpen worden betrokken bij het oplossen van lokale vraagstukken betreffende de kwaliteit van de leefomgeving. Die methodes moeten aansluiten bij de toegenomen betekenis van de lokale woonfunctie en het groeiend lokaal bewustzijn onder dorpsbewoners. Een belangrijke doelstelling van dergelijke methodes is het verder versterken van het lokaal bewustzijn. Deze methodes dragen op die manier bij aan nieuwe vormen van sociale cohesie”.
Dorpswaardering of DORP inZICHT is een methode die in het Verenigd Koninkrijk onder de naam Village Appraisals door Malcolm Moseley is ontwikkeld en daar in een groot aantal dorpen is toegepast. De methode geeft de bewoners van een dorp de mogelijkheid een zelf ontworpen bewonersonderzoek uit te voeren naar de kenmerken van het dorp en de meningen van de bewoners. De kern van de methode is een bewonersonderzoek ‘van, door en voor de dorpssamenleving’ dat tot doel heeft lokale feiten en opinies vast te stellen. Het pakket bestaat uit een handleiding en een softwarepakket. De kern van het softwarepakket bestaat uit een databank van ruim 300 vragen over een groot aantal onderwerpen, in het algemeen voorgestructureerd met antwoordcategorieën, alhoewel open vragen mogelijk zijn. In het oorspronkelijke programma zijn drie modules opgenomen: de eerste module is gericht op het samenstellen van een eigen vragenlijst voor het dorp waarbij vragen kunnen worden geselecteerd, verbijzonderd, vragen kunnen worden toegevoegd en een eigen gekozen volgorde van de vragen kan worden aangebracht. Het resultaat van de module is een geprinte vragenlijst. Een tweede module is gericht op het invoeren van de verzamelde gegevens. Resultaat is een gegevensbestand dat gebruikt kan worden voor verdere analyse. De derde module biedt een breed scala aan mogelijkheden voor analyse en presentatie.
In 2000 werd door de Britse copyrighthouders, het Nederlandse LCO, het Vlaamse VIBOSO - nu Samenlevingsopbouw Vlaanderen - en de Universiteit van Amsterdam een overeenkomst gesloten waarbij het mogelijk werd deze methode te hertalen naar de Nederlandse en Vlaamse situatie. Vanwege de institutionele en taalverschillen tussen Nederland en Vlaanderen was het van meet af aan duidelijk dat een Nederlandse én een Vlaamse hertaling nodig waren. Ook werd in een vroege fase gekozen voor een verschillende wijze van beschikbaarstelling. In Nederland kwam de methode beschikbaar als Dorpswaardering via een cd-rom met handleiding. In Vlaanderen kwam de methode beschikbaar onder de naam DORP inZICHT als Internetapplicatie. Technisch en inhoudelijk bleef men vanaf de introductie gescheiden optrekken. Wel werd in beide landen besloten met een aantal pilots te beginnen: vijf dorpen in Vlaanderen, allen gelegen in het Meetjesland; vier dorpen in Nederland, twee in Zeeland, één in de Randstad, één in Noord-Nederland. De evaluatie van de pilots en de daaropvolgende aanpassingen werden gescheiden uitgevoerd.

In Vlaanderen is in de afgelopen jaren DORP inZICHT, met financiële steun van de Vlaamse overheid en de Vlaamse Landmaatschappij, ondersteund vanuit het Steunpunt Opbouwwerk Meetjesland. Daarbij is samengewerkt met Samenlevingsopbouw Vlaanderen en Samenlevingsopbouw Oost- en West-Vlaanderen. In Nederland is de methode in eerste instantie ondersteund vanuit het Landelijk Centrum Opbouwwerk, maar namen enkele provinciale centra voor maatschappelijke ontwikkeling, SCOOP in Zeeland en later STAMM in Drenthe, een bijzondere verantwoordelijkheid voor de methode. Op dit moment fungeert STAMM in Drenthe in feite als het nationale steunpunt voor Dorpswaardering. De laatste versie van de methode is door hen in combinatie met de methode Dorpsagenda uitgegeven. Het LCO is recent opgegaan in Movisie en heeft op dit moment geen ruimte voor ondersteuning van de methode.

In het algemeen is het product van de methode een rapport maar dat is niet perse het geval. Naast concrete ‘product’ doelen zijn er ‘proces’ doelen te onderscheiden. Het gaat dan om toename van het zelfbewustzijn, het vertrouwen, het oplossend vermogen, vaardigheden en sociale relaties van de bewoners.

Voor een evaluatie van de Nederlandse en Vlaamse pilots maakten wij gebruik van dit schema met maatschappelijke doelen. Naast ‘proces’- en ‘productdoelen’, maakten we een onderscheid tussen doelen tijdens de uitvoering van Dorpswaardering en doelen na de uitvoering van Dorpswaardering. Doelen tijdens de uitvoering krijgen in het algemeen meer aandacht omdat ze makkelijker te constateren zijn. Alhoewel verschillende betrokkenen, de bewoners niet in het minst, gericht zijn op productdoelen, zijn naar mijn mening procesdoelen het belangrijkste.


Hoe is het met de toepassing van deze van oorsprong Britse methode sinds de introductie in Nederland en in Vlaanderen vergaan en wat kan geleerd worden van de ervaringen die in Nederland en Vlaanderen zijn opgedaan?

Allereerst enkele feitelijke gegevens over de toepassingen. Na de vier pilots in Nederland zijn er nog 9 toepassingen van Dorpswaardering afgerond. In Vlaanderen zijn na de vijf pilots 43 pakketten aangekocht, in 19 dorpen is de toepassing van DORP inZICHT afgerond. De kaart toont de spreiding van pilots en de daarna afgeronde toepassingen. De spreiding hangt in Nederland sterk samen met de werkplek van personen die de methode kennen. In Vlaanderen lijkt vooral de ondersteuningsstructuur de achtergrond van de concentratie in de provincies Oost- en West-Vlaanderen.

Opvallend is de grote aandacht die in Nederland is besteed aan evaluaties. In 2004 is een grondige evaluatie uitgevoerd van de vier Nederlandse pilots. Op basis daarvan is een nieuwe versie van Dorpswaardering door LCO uitgebracht. Deze werd al in 2005 gevolgd door een evaluatie uitgevoerd door STAMM. De aanleiding waren een aantal technische onvolkomenheden en gebruiksonvriendelijke zaken. Op basis daarvan is zowel de handleiding als de software opnieuw aangepast. Het ontbreken van een landelijk steunpunt is een van de handicaps voor de continuïteit van de methode.

In Vlaanderen is op de site recent de vijfde versie van de internet toepassing van het programma in gebruik genomen. Het is mijn indruk dat de nieuwere versies van DORP inZICHT hun voordeel hebben gedaan met de bevindingen van de evaluaties die in Nederland hebben plaatsgevonden. Per saldo, kan men in Vlaanderen naar mijn mening tevreden zijn over de keuze voor een Internettoepassing. Ook de continuïteit in de ondersteuning die in Vlaanderen wordt geleverd en het cumulatieve karakter van de beschikbare kennis steekt gunstig af ten opzichte van de Nederlandse situatie.


Bij een evaluatie van het gebruik van Dorpswaardering en DORP inZICHT onderscheid ik drie gezichtspunten.

Allereerst kan worden onderzocht welke thema’s in de vragenlijsten aan de orde zijn gesteld. Daarbij zijn twee groepen van thema’s onderscheiden: thema’s die behoren tot het referentiekader van het autonome dorp en thema’s die behoren tot het referentiekader van het woondorp. De thema’s lokale volkshuisvesting, lokale voorzieningen en lokale werkgelegenheid zijn tot het referentiekader van het autonome dorp gerekend. De thema’s verkeersveiligheid, sociale veiligheid en kwaliteit van de woonfunctie zijn tot het referentiekader van het woondorp gerekend.

Een tweede gezichtspunt heeft betrekking op de relatie tussen burger en overheid. Een belangrijk onderscheid dat hier kan worden gemaakt is het onderscheid tussen een top-down en een bottom-up benadering. Ook hierbij is vooral naar de gebruikte vragenlijsten gekeken. Naast vragen die vooral betrekking hebben op de kwaliteit van de diensten en informatie van de overheid zijn vragen te onderscheiden die betrekking op gemeenschapsinitiatieven.

Ook kan in het kader van een evaluatie aandacht worden besteed aan de positie van professionals en welzijnsinstellingen bij het uitvoeren van de methode. De balans in de positie tussen bewoners en overheid, tussen volledig afgaan op de initiatieven van de bewoners enerzijds en zodanige sturing door professionals dat bewoners van hun problemen en initiatieven worden onteigend anderzijds, is een van de dilemma’s waar begeleiders van Village Appraisals projecten mee te maken hebben.

Een derde en laatste gezichtspunt betreft de vergelijking tussen landen. De methode Village Appraisals is als Britse good practice getransplanteerd naar twee andere nationale contexten. De betrokken nationale contexten kenmerken zich door eigensoortige ontwikkelingen in dorpen, andere oriëntaties van bewoners, een ander politiek systeem en eigen praktijken in plattelandsontwikkeling. Voor een vergelijking van de drie nationale contexten heb ik de vragenlijsten geanalyseerd die destijds in de pilots in Nederland en in Vlaanderen zijn gehouden en een aantal willekeurig gekozen Britse Village Appraisals vragenlijsten.
Wat het eerste gezichtspunt betreft, de thema’s die in de vragenlijst aan de orde worden gesteld, blijkt dat in zowel de Vlaamse als Nederlandse vragenlijsten relatief minder aandacht is besteed aan thema’s die passen in het referentiekader van het autonome dorp en juist relatief veel aandacht aan thema’s die passen in het referentiekader van het woondorp. De oriëntatie op deze thema’s was vooral groot in Nederland, in elk geval duidelijk groter dan in Vlaanderen. Dit in tegenstelling tot de Britse vragenlijsten waarin de aandacht relatief veel was gericht op vragen die passen in het referentiekader van het autonome dorp.

Het is overigens informatief om ook te kijken naar de aandacht voor de specifieke thema’s binnen die twee groepen. Zo blijkt in de Britse vragenlijsten de aandacht voor het autonome dorp als referentiekader vooral gebaseerd op het grote aantal vragen over voorzieningen. En hoewel de aandacht voor thema’s die het woondorp betreffen niet groot is, blijkt er een bijzonder grote aandacht te zijn voor het thema sociale veiligheid.

Sociale veiligheid blijkt overigens, samen met verkeersveiligheid, ook een relatief belangrijk thema in de Nederlandse vragenlijsten. Opvallend is tenslotte dat voor wat betreft de thema’s die behoren tot het referentiekader van het autonome dorp, in Vlaanderen de aandacht voor lokale voorzieningen relatief groot is en in Nederland de aandacht voor lokale huisvesting.
Indien de vragenlijsten vanuit het tweede gezichtspunt worden bekeken dan blijkt in het algemeen de belangstelling voor de relatie tussen burger en overheid niet zo groot, al bleek deze groter in de Nederlandse en Vlaamse vragenlijsten dan in de Britse vragenlijsten. Opvallend is de relatief grote aandacht in de Vlaamse vragenlijsten voor de kwaliteit van overheidsdiensten en de informatieverstrekking van de overheid.
Het derde gezichtspunt, de verschillen tussen drie nationale contexten, is, zeker voor een geograaf, een bijzonder interessant thema. In het algemeen kan hier een onderscheid worden gemaakt tussen twee soorten effecten. Allereerst zijn er aanzienlijke verschillen tussen de dorpen in de drie betrokken landen die een achtergrond kunnen vormen. Daarnaast zijn er belangrijke verschillen die de nationale context betreffen.
De gegevens worden meer betekenisvol als ze per dorp worden vastgesteld en in verband worden gebracht met kenmerken van de lokale situatie, het geschreven rapport en het vervolgtraject. Op basis van de evaluatie van de Nederlandse pilots blijkt dan dat thema’s betreffende het autonome dorp relatief veel aandacht krijgen in kleine en relatief perifeer gelegen dorpen. In de dorpen waar relatief veel aandacht werd gegeven aan bottom-up onderwerpen bleek een groter draagvlak te worden gevonden voor een follow-up. In dorpen waar veel aandacht werd besteed aan thema’s die het woondorp betreffen én aan de top-down relatie overheid-burger lijken de minste perspectieven te bestaan voor een vruchtbare follow-up. Rapporten neigen dan te ontaarden in een klachtenlijst over allerlei zaken die de woonkwaliteit betreffen richting lokale overheid. Dat is buitengewoon ongemakkelijk voor een gemeentelijke overheid, maar wel een serieus te nemen teken van een verstoorde relatie.
Een belangrijk voordeel van DORP inZICHT / Dorpswaardering is dat kwantitatieve gegevens beschikbaar komen die inzicht bieden in wat leeft in het dorp en dat die resultaten representatief zijn voor de bewoners. Dat laatste is vooral te danken aan de hoge response die wordt bereikt. Die hoge response is gebaseerd op de grote betrokkenheid die wordt gegenereerd. En dat blijft naar mijn mening het sterkste punt van de methode.

Wat mij in de gesprekken met bewonersgroepen die de methode in Nederland hebben toegepast het meest is bijgebleven is de stimulans die van de methode uitgaat op het lokaal bewustzijn. De betrokken bewonersgroepen zijn trots op het bereikte resultaat, hetgeen een positief effect heeft op hun gevoel van lokale identiteit en hun zelfbewustzijn.


Ook in Steenkerke, een dorp in de Westhoek behorend tot de fusiegemeente Veurne, werd in 2003 DORP inZICHT toegepast. De titel van het rapport luidt: “Denk niet voor het dorp, maar laat het dorp zélf denken”. Men zocht vooral naar een groter draagvlak in het dorp voor het opstellen van een ‘dorpsontwikkelingsplan’. 125 huishoudens en 299 bewoners vulden een vragenlijst in.

Ik kies hier voor Steenkerke omdat ik er diverse malen ben geweest, maar ook omdat het de woonplaats is van Willem Vermandere. Als er in Vlaanderen een Groeneveldprijs zou bestaan dan zou hij die wat mij betreft zeker verdienen. Door zijn muziek, maar ook door zijn beeldende kunst, levert hij een omvangrijke bijdrage aan het lokaal bewustzijn van de bewoners van het Vlaamse platteland. Daarom sluit ik graag af met deze Vlaamse tegenhanger van Bennie Jolink. Want het stimuleren van lokaal bewustzijn, dorpstrots, is de basis voor gemeenschapsinitiatieven, voor het vinden van de spiraal omhoog en voor nieuwe vormen van sociale samenhang.


Frans Thissen, 7 november 2007
dr F. Thissen

Afdeling Geografie, Planologie en Internationale Ontwikkelingsstudies

Universiteit van Amsterdam

Nieuwe Prinsengracht 130

1018 VZ Amsterdam

T 0032 (0)20 525 4282



E Frans@Thissen.net







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina