Bezieling door het Oeroffer



Dovnload 49.93 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte49.93 Kb.
Bezieling door het Oeroffer
Koenraad Logghe
In alle Indo-Europese tradities treffen we een oeroffer aan, een offer dat aan de basis ligt van het universum. Zo lezen we in de Snorri-Edda het volgende over het offeren van de oerreus Ymir: “Hoge zei: «Zij (de zonen van Bor en Bestla, nl. Odhínn, Vili en Vé) namen Ymir en brachten hem in het midden van Ginnunga Gap, en ze maakten de wereld uit hem: van zijn bloed [maakten ze] de zee en de meren, van zijn vlees de aarde, van zijn beenderen de bergen; rotsen en keien maakten ze van zijn tanden en kaken en van de beenderen die gebroken werden.» - Even Hoge sprak: «Van het bloed dat rijkelijk uit zijn wonden stroomde maakten ze de oceaan; op het ogenblik dat ze de aarde samenbrachten en er een gordel uit vormden, lieten ze de oceaan er rond stromen. Voor de meeste mensen is het onmogelijk haar [de oceaan] over te steken.» - Derde voegde daaraan toe: «Ze namen ook zijn schedel en maakten daaruit het hemelgewelf en ze plaatsten het boven de aarde met vier zijden, waar ze onder elke hoek een dwerg stelden. Ze noemden hen: Oosten, Westen, Noorden en Zuiden. Dan namen ze gensters en brandende partikels uit Muspell, en ze plaatsen ze in het midden van Ginnunga Gap om de hemel boven de aarde op te lichten. Ze gaven standplaatsen aan alle sterren, sommige daarvan vast in de hemel, andere [de planeten] die tot dan toe vrijelijk aan het firmament rondzwierven, werden nu toegekende plaatsen en omlopen gegeven waarlangs ze moesten reizen. Zo wordt gezegd in oude gedichten, dat uit die tijd het vaststellen van dagen en jaren stamt, zoals het gezegd wordt in Het Vizioen van de Sibylle:
De zon wist niet

waar ze haar thuis had,

de maan wist niet,

welke macht ze bezat,

sterren wisten niet

waar hun standplaats was.
Dat was vóór dit gedaan werd.» - Dan merkte Gangleri op: «Wonderbaarlijke berichten heb ik hier vernomen. Dat was een schitterend stukje vakmanschap, en handig bedacht.»
We merken dus, dat het ganse universum uit dit oeroffer ontstaat. Merkwaardig is, zoals Bastiaanse opmerkt, dat in het Emsiger Recht (Friesland) blijkbaar een omkering van deze traditie verwoord staat: “God scop thene eresta menska, that was Adam, fon achta wendem: thet benete fon tha stene, thet flask fon there erthe, thet blod fon that wetere, tha herta fon tha winde, thene togta fon ta wolken, the suet fon tha dawe, tha lokkar fon tha gerse, tha agene fon there sunna; and tha blerem on thene helga om; and tha scope Eua fon sine ribbe, ademes liava. Of in het Nederlands: “God schiep de eerste mens, dat was Adam, uit acht bestanddelen: het gebeente uit de stenen, het vlees uit de aarde, het bloed uit de wateren, het hart uit de wind, het verstand uit de wolken, het zweet uit de dauw, het hoofdhaar uit het gras, de ogen uit de zon; en toen blies Hij hem de heilige adem in; en toen schiep Hij Eva uit zijn rib, Adam’s gezellin.
Willen we de religieus-spirituele achtergrond van dit oeroffer beter begrijpen, dan zullen we ons moeten inleven in de gedachtenwereld van onze voorouders en inschatten hoe zij de schepping beschouwden. Uit tal van woorden en gebruiken kunnen we opmaken, dat het Universum als een enorm groot gebouw werd aanzien, een gebouw dat vereenzelvigd werd met het Walhall. De Poëzie-Edda stelt het als volgt:
Vijfhonderd

en veertig poorten

weet ik, dat Walhall heeft,

Achthonderd Einherjar

gaan door iedere poort

om de strijd met de wolf te bestaan.



(Grímnismál, 24)
Deze 540 poorten en de 800 Einherjar die door elke poort schrijden, zijn religieus-metafysische beeldspraak die betrekking heeft op de kosmische cycli.1 En net zoals de schedel van Ymir, die als Hemelgewelf dient, door 4 dwergen – Nordri, Ostri, Westri en Sudri – onderstut wordt, worden de stutbalken van het dak van een huis, zoals de Vries opmerkt, dvergr (dwergen) genoemd. De bouwsymboliek blijkt dus nooit ver weg te zijn. Komt daar nog bij, dat overal waar we met bouwsymboliek te maken hebben, het oeroffer centraal staat. Zo werden de middeleeuwse kathedralen in West-Europa op dierenhuiden gebouwd. Dat gebeurde niet alleen om stabiliteitsredenen, het gebruik was tevens het gevolg van een rituele handeling. Zo bestaat er de legende van Bedum (Friese Ommelanden van Groningen). Men liet er twee ossen rondtrekken en daar waar ze bleven staan, bouwde men een kerk, nadat men de dieren ritueel geslacht had en hun huiden als fundament had gebruikt. Hetzelfde geldt voor de kerk van Bordelum. Toen men in dat gebied een kerk wilde bouwen, waren de meningen over de plaats verdeeld. Dus liet men twee ossen, aan elkaar gekoppeld, geheel los van enige menselijke invloed rondtrekken en zij zouden – onder Goddelijke invloed – de plaats aanduiden waar de kerk moest gebouwd worden.2
Telkens weer blijkt bij de bouw een offer te moeten plaatsvinden. De reden wordt in bepaalde sagen duidelijk: indien het gebouw niet door het uitstromende leven van het offer bezield wordt, dan zal het ook niet standhouden. In dat verband is er dus een regelrechte parallel met de kosmogonische mythe die de bezieling van het universum, van dat grote kosmische bouwwerk, beschrijft. En net zoals het Universum door een Oeroffer wordt bezield, zo ook dient het huis of de kerk of eender welk bouwwerk (bv. een brug) bezield te worden; en net zoals eender welk bouwwerk bezield moet worden, zo ook moet het lichaam (de menselijke tempel) door een bezieling belevendigd worden. Er is dus een ononderbroken lijn van de Oermens, over het Universum – de Macro-Kosmos – naar de Tempel, om uiteindelijk bij de kleine mens of het kleine universum – de Micro-Kosmos – aan te belanden. Vandaar dat men soms ook levende mensen ging inmetselen.3 Daarop wijst bijvoorbeeld het verhaal dat Nennius aanhaalt in zijn Historia Britonum aangaande de bouw van een burcht op last van koning Vortigern. Deze burcht blijkt nooit stand te houden en de koning voelt zich genoodzaakt de raad in te winnen van enkele druïden. Deze verklaren dat hij een ‘vaderloos’ kind moet vinden en het in de fundamenten van het bouwwerk laten inmetselen. Met een vaderloos kind wordt natuurlijk een kind bedoeld dat ontstaan is door een Goddelijke of Demonische tussenkomst. En uitgerekend Merlijn, die de vrucht is van de seksuele verbintenis van een incubus met een maagd, komt daarvoor natuurlijk in aanmerking.
Een andere boeiende sage is die uit Blexen aan de Wezer. Daar zou men op een plaats tussen Olhamm en de molen van Blexen een kerk bouwen maar telkenmale men overdag het gebouw optrok, verzonk het ’s nachts weer. Toen besloot men twee ossen te koppelen en ze ’s avonds vrij te laten rondlopen. Waar men ze de volgende ochtend zoud vinden, zou men de kerk optrekken. Men vond uiteindelijk de dieren boven op de dijk en daar begon men dus de bouwwerken. Maar ook hier wilde het werk niet vlotten. Zodra de muren een paar voet hoog gemetseld waren, stortten ze weer in. Toen voeren de inwoners van Blexen over de Wezer naar Bremerlehe, kochten daar een kind en metselden het in de fundamenten van het gebouw in. Sedertdien hield het stand en het werk kon zonder verdere hindernissen worden voortgezet. Reeds hadden ze de kerk goeddeels voltooid, toen de heilige Hyppolytus daar langs kwam en hij riep de vloek van de hemel af over de bewoners van Bremerlehe, omdat zij een onschuldig kind hadden geofferd. Bevreesd geworden voor een nieuwe verstoring van de kerkbouw, vergrepen zij zich aan de heilige en metselden ook hem, met het gezicht naar Bremerlehe gewend, in de kerkmuren in. Zij lieten hem slechts twee openingen, één aan het hoofdeinde naar de kant van Bremerlehe, de andere aan het voeteneinde kerkwaarts, zodat de heilige de godsdienstoefeningen mee konvolgen. Door de opening aan het hoofdeinde brachten twee duiven hem iedere dag voedsel. En telkens wanneer de gevangene door de muurspleet aan gene zijde van de Wezer Bremerlehe zal liggen, riep hij uit: “O weh, o weh, du sündig Leh! Wenn ik di seh, deit mi dat Hart im Liw weh!” Niet lang daarna werd Bremerlehe door brand verwoest.
Emmanuel Le Roy Ladurie, de befaamde onderzoeker van de religieuze opvattingen en van de leefwijze van de katharen, had het in z'n beroemde boek Montaillou over de gelijkenis tussen het inmetselen van relieken en het voortbestaan van de bezieling van een dode in het huis (domus) van de katharenfamilie. Mijns inziens is zijn opmerking zeer terecht: “De nagels en haren die bij het lijk van een familiehoofd in Montaillou werden weggenomen, waren op dezelfde wijze verbonden met de domus waarin ze naderhand bewaard zouden worden, als de relieken van een heilige met het heiligdom waarin ze rusten: 'daar waar een stukje van zijn stoffelijk overschot is, daar is de heilige nog steeds aanwe­zig’.” En de auteur gaat terecht verder: “De theorieën over de stoffelijke onvergankelijkheid van de koningen en de daarmee samenhangende continuïteit van het koningshuis zijn evengoed van toepassing op het lijk van een familiehoofd in Montaillou. Slechts enkele stukjes daarvan waren voldoende om het fysieke voortbestaan van het geslacht en het bewaren van het heilige vuur van de domus te verzekeren: Pons Clergue is dood, leve de Clergues!

Een restant van de bezieling van een gebouw door een oeroffer is een gebruik dat bij bouwvakkers in traditionele streken bekend gebleven is. Ik geef hier het interessante verslag van hetgeen Waling Dykstra over het Friese gebruik heeft opgetekend: “Het geven van een fooi komt, evenals bij het opzetten van de meiboom, te pas bij het leggen van de eerste steen voor een te bouwen woonhuis of ook een of ander publiek gebouw. Men bedoelt hierbij juist niet de eerste steen, die op de fundamenten wordt gelegd; men brengt altijd het muurwerk op een zekere hoogte eer de plechtigheid plaats heeft. Bij voorkeur wordt een zoontje van de bouwheer voor het werk uitgekozen [de voortzetting van de traditie gebeurt door de jongste mannelijke telg]. Heeft die geen zonen of geen zoon die nog jong genoeg is om zich voor zoiets te laten gebruiken, dan moet er een neefje komen. In sommige gevallen is er reeds een kleinzoontje, groot genoeg voor het stukje werk. Wil men alles naar de aard hebben, dan wordt de knaap een schootsvel voorgebonden [zoals dat gebruikelijk is in de ambachtstraditie van de bouwvakkersgilde]. Men geeft hem in de ene hand een steen, in de andere een troffel met wat kalk erop. De vader wijst hem hoe hij dat doen moet. Het jongetje smeert de kalk op de aangewezen plaats en legt de steen er op. De werklieden, die er bij staan, hebben wel opgemerkt, wat de bouwheer heeft gedaan, en een van hen bedankt uit aller naam zeer beleefd de kleine metselaar voor de bewezen dienst. Zodra de bouwheer zich heeft verwijderd, wordt de steen opgelicht en men vindt er een gouden muntje onder.

[...] [In andere gevallen] ging het er nog wat voornamer aan toe. De eerste steen werd dan niet zelden gelegd met een zilveren troffel, die afzonderlijk voor een dergelijke gelegenheid werd gemaakt met een familiewapen en inschrift erop gegraveerd. Twee zulke troffels vindt men in Leeuwarden in het Fries museum.” Het gebruik van de troffel met het familiewapen erop aangebracht, verwijst naar de eeuwenoude traditie die in stand gehouden wordt en van generatie op generatie wordt overgedragen. Het geluksmuntje vervangt een iets ouder gebruik, nl. het gieten van een scheutje dierlijke olie (restant van het dierenoffer) op de plaats waar de eerste steen komt te liggen.
Om dit summiere artikel verder te illustreren en toch passend af te sluiten geef ik hier de vertaling van een ballade aangehaald door de bekende godsdienstwetenschapper Mircea Eliade.
De Ballade van Meester Manole



I
Te Arges, stroomafwaarts door het schone dal komt de Zwarte Prins en onderhoudt zich met negen Metselaars, Meesters en Gezellen en Manole, de tiende, hun Grootmeester, zodat ze voor een klooster, een voordelige plaats zouden kiezen op zijn uitgestrekte landerijen.
En plotseling is er op hun weg een Herder, hen aanschouwend en op de fluit spelend, en vanals hij opduikt, zegt de Prins tot hem:
Kleine trotse Herder, die zachte melodie die je speelt en zo stroomopwaarts met je schapen trekt of het langs het water naar beneden loopt met je troep, heb je daar nergens waar je voorbij trok verlaten muren gezien die niet voleind zijn, tussen zuilen, hazelnootstruiken?
Ja, Heer, ik heb verlaten muren gezien, die niet voleind zijn: bij de aanblik ervan huilden en blaften mijn honden, alsof ze voelden dat de Dood hen achtervolgde.
De Prins hoort hem, verlaat hem terstond, en zet zijn weg verder met de negen Metselaars, Meesters en Gezellen, en Manole, de tiende, hun Grootmeester.
We zijn er, mijn Metselaars! Dus, Gezellen en Metselaarsmeesters, vat de arbeid aan! Jullie moeten onmiddellijk mijn mooi klooster, dat zijns gelijken op aarde niet vinden zal, hier oprichten en bouwen. Ik bied u mijn rijkdommen, en ook mijn adelstitel, maar als dat niet gebeurt, weet dan, dat ik jullie allen levend zal inmetselen! ...
II.
Ze werken zonder oponthoud, de grote muur verheft zich. Maar al hun geleverde arbeid vervalt ’s nachts weerom! En gedurende drie nachten stort alles met gedruis ineen!
De Prins roept hen bijeen en berispt hen. Geërgerd, woedend dreigt hij en wil hen levend inmetselen... De Metselaarsmeesters en de Gezellen beven bij het werk en werken al bevend...
Ondertussen had Manole zich neergelegd en had in zijn slaap een verschrikkelijke droom, die hij bij het ontwaken, aan de anderen vertelde.
Liefste Metselaarsmeesters en lieve Gezellen, ik had in mijn slaap een verschrikkelijke droom. Vanuit de Hemel hoorde ik

iemand, die mij toesprak: Dat wat men bouwt, vervalt des nachts, totdat wij allen samen zullen beslissen dié echtgenote of zuster in te metselen die als eerste komt, om de echtgenoot of Broeder morgen vroeg in de ochtend eten te brengen.


Aldus, als jullie doel zich richt op de voleinding van dit heilig klooster, zonder zijns gelijken op aarde, dan zullen wij zweren en ons ertoe verplichten, dat wij de eerste, die morgen komt, in de vroege ochtend, zullen offeren en inmetselen!
III.
Bij de ochtendschemer springt Manole op en beklimt de restanten van de muur, zoekt de weg af en doorboort met zijn blik de einder.
Maar ach, arme Meester, wie ziet hij verschijnen? Anne, zijn geliefde, de bloem van de wei! Zij komt dichterbij en brengt hem

te eten en te drinken...


Knielend en in tranen smeekt hij God de Heer: Giet over de wereld een stortvloed van regen uit! Verander rivieren op aarde in watervallen! Laat het water opstijgen, zodat mijn Liefste, vermoeid, niet meer verder komt.
God had medelijden en verhoorde hem en liet onmiddellijk uit de hemel het water onstuimig stromen. Maar zijn vrouw doorwaadde het water en de hevige stromen, de regen trotserend...
En Manole verzucht, zijn hart wordt verscheurd, en hij maakt al snikkend het kruis en smeekt God de Heer: Laat een wind waaien, zo’n sterke wind dat de dennen buigen, het hout het loof verliest, de bergen ineenstorten.
Maar zijn geliefde, zij trotseerde de wind, en met moeilijke schrede en uitgeput kwam ze aan.
IV.
De andere Metselaars, Meester en Gezellen, waren allen opgelucht, toen zij haar zagen, en Manole omarmt haar, en kust haar verward. Dan stijgt zij met hem, in zijn armen besloten,

de ladder op.


Wees niet bevreesd, mijn geliefde, want wij willen gekscheren, en je daar inmetselen!
En de muur groeit, en bedekt haar volledig, vooreerst tot de voeten, dan tot de kuiten.
En zijn arme geliefde, lacht nog amper: Manole, liefste Manole, de grote muur verdrukt mij, en mijn ganse lichaam kreunt!
Maar hij is stom, arbeidt en zwijgt, en de muur groeit en bedekt haar volkomen, vooreerst tot de voeten, dan tot de kuiten, later tot aan de heupen, en dan tot aan de borsten.
De arme Anne weet niet wat hij wil en smeekt: Manole, lieve Manole, oh, Meester Manole, de grote muur verdrukt me en drukt mijn borsten in. Mijn lieve kleine jammert! Maar de muur groeit, en bedekt haar volkomen, van de voeten tot de heupen, daarna tot aan de borsten, dan tot aan de kin,

tenslotte tot aan de kruin.


Hij bouwt zo goed, dat men niets meer ziet, maar hij hoort haar vanaf de muur verzuchten: Manole, lieve Manole, oh, Meester Manole, de grote muur verdrukt mij, en mijn leven ontglipt mij.
V.
Naar Arges, stroomafwaarts, in het schone dal, komt de zwarte Prins, aan die schone oever, om zijn gebeden uit te spreken in het klooster. De Prins en zijn garde, aanschouwen het begeesterd.
U, Metselaars, zegt hij, Meesters en Gezellen, zeg mij, zonder angst, de hand op het hart, of jullie Kunst met gemak ter mijner ere en ter mijner gedachtenis een nog mooier klooster bouwen kan?
De tien grote Metselaars, Meesters en Gezellen, zes tussen de balken van het hoge steile dak, antwoorden welgestemd, en met trots: Zoals ons, Metselaars, Meesters en Gezellen, vindt u geen gelijken, nergens en nooit. Weet daarom dat wij, waar ook ter wereld, een nog schoner klooster kunnen bouwen, nog meer verblindend, nog meer glanzend!
De Prins aanhoort dat met woede en beveelt de stellingbouw weg te nemen, zodat de tien goede Metselaarsmeesters aan hun lot worden overgelaten, daar tussen de balken, van het hoge, steile dak.
Maar de Meesters, zijn handig en maken zich vleugels om te vliegen, vleugels uit dakleien. De een na de ander komt naar beneden, en daar waar ze terechtkomen, graven ze hun graf.
De arme Manole echter, de Meester Manole, juist op het ogenblik, dat hij zijn vlucht wil nemen, hoort een stem uit de muren, een geliefde stem, zwak en verstikt, die weent en verzucht:
Manole, lieve Manole,

oh, Meester Manole, die grote muur verdrukt me, en drukt mijn borst in. Mijn lieve kleine jammert, en mijn leven ontglipt me!


Hij hoort ze zo nabij, dat hij verward blijft, en van op de balken van het hoge steile dak stort Manole zich naar beneden. En daar, waar zijn vlucht hem op de bodem

te pletter laat slaan, ontspringt een helder water, zoutig en bitter, want in die jammerlijke bron, lossen zijn tranen op.





Bibliografie


  1. Altgermanische Religionsgeschichte / von J. de Vries. - Berlin : Walter de Gruyter, 1970. - 2 dl.




  1. Edda : Goden- en heldenliederen uit de Germaanse Oudheid / vertaald door J. de Vries. - Deventer : Ankh-Hermes, 1980




  1. The Prose Edda - tales from Norse mythology / by S. Sturlusson. - Berkeley : University of California Press, 1954




  1. Von Zalmoxis zu Dschingis-Khan : Religion und Volkskultur in Südosteuropa / von Mircea Eliade. - Hohenheim : Maschke, 1982




  1. Uit Friesland’s Volksleven van vroeger en nu / door Waling Dykstra. - Leeuwarden : Van Seijen, 1885




  1. Friese sagen en mythen / door J.P. Wiersma. - Leeuwarden : Van Seijen, 1973






1 800 Einherjar door elk van de 540 poorten, is dus 800x540=432.000. In Indië hebben de cycli eveneens een getalwaarde die een veelvoud is van 432.000 en de vier cycli samen vormen een getalwaarde van 4.320.000. Bij de Perzen omvatten de cycli 432.000 Oerbeelden of Fravashî (strijders). Vermits tijd en ruimte in de oude traditionele denkvormen met elkaar verbonden zijn, hebben het concept van de tijdsindeling en die van de ruimte op elkaar betrekking. Dat daarvoor het beeld van een kosmische burcht gebruikt wordt, is des te sprekender. Om technische redenen kunnen we hierop niet verder ingaan.

2 Het gebruik om twee ossen de gunstigste plaats voor de bouw van een kerk te laten uitkiezen kwam tijdens de middeleeuwen veelvuldig voor in de noordelijke Nederlanden, getuige de legenden rond de bouw van de kerk van Nijland (bij Bolswaard in Friesland), Dronrijp, Edam, Hoorn (Terschelling) en Opitter. Voor de zuidelijke Nederlanden is ons Heist-op-den-Berg bekend, waar de Sint-Lambertuskerk volgens de overlevering gebouwd werd op de plaats waar twee ossen gingen liggen. Of in deze gevallen de dieren ook ritueel geslacht werden en hun huiden gebruikt voor de funderingen van de kerk is ons niet bekend. [n.v.d.r.]

Geheel terzijde nog dit: er blijkt ook een verband te bestaan tussen bovenstaand gebruik en het fenomeen van de z.g. ‘kerkelijnen’. De meeste middeleeuwse kerken blijken immers op knooppunten van ‘leylijnen’ gelegen te zijn, die a.h.w. in een onzichtbaar maar daarom niet minder reëel ‘rasterwerk’ over het landschap lopen. In de literatuur over de middeleeuwse kerkenbouw blijkt, dat er traditioneel zes manieren waren om de geschikte plaats voor de bouw van een godshuis te bepalen, een plaats die in alle gevallen op een leycentrum gelegen is: de kerken werden gebouwd op oude Romeinse nederzettingen, op plaatsen waar zich voorchristelijke heiligdommen of cultusplaatsen bevonden, in het centrum van vroegere Vikingkampen, op een plek die door een wichelroedeloper werd aangewezen, waar onverklaarbare hemelse lichtverschijnselen werden waargenomen (daarover getuigen vele Brabantse Marialegenden), en waar twee ossen na een wandeling gingen grazen of liggen herkauwen. [n.v.d.r.]



3 In dit verband moeten we wijzen op het fenomeen van de middeleeuwse kluizenaressen, zeer devote vrouwen die zich lieten opsluiten in een kerkkluis, een dichtgemetselde ruimte tussen de steunberen van een kerk, net groot genoeg voor een bed, een stoel en een tafel, doorgaans voorzien van een kleine opening naar buiten voor de ontvangst van levensnoodzakelijke goederen en een kleine opening naar binnen voor het aanhoren van de biecht, het volgen van de mis en het ontvangen van de communie. De bekendste kluizenares uit de Nederlanden was ongetwijfeld Suster Bertken (Bertha Jacobsdochter), die zich als non op 30-jarige leeftijd liet inkluizen in de Buurkerk te Utrecht, waar ze de volgende 57 jaar [!], tot haar dood in 1514, onafgebroken verbleef, biddend, schrijvend en dagelijks raad gevend aan bezoekers. Tijdens haar opsluiting groeide ze uit tot de grootste mystieke dichteres van haar en de volgende generaties. In haar mystieke beleving is Suster Bertken verwant aan Hadewych en Ruusbroec, al kan men haar ook in verband brengen met de Moderne Devotie van Thomas van de Kempen (Thomas a Kempis). Haar korte prozaverhandelingen en geestelijke liederen werden na haar dood in twee bundels uitgegeven. Het bekendst zijn het allegorische gedicht Ic was in mijn hoofkijn om cruyt gegaen en het liedeken Dye werelt hielt my in haer ghewalt. [n.v.d.r.]




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina