Bibliofilie en publiek-private samenwerking. De veiling-Van Havre en de start van het Bestendig Dotatiefonds, 1905



Dovnload 49.75 Kb.
Datum03.10.2016
Grootte49.75 Kb.
Bibliofilie en publiek-private samenwerking.

De veiling-Van Havre en de start van het Bestendig Dotatiefonds, 1905

Pierre Delsaerdt


In de laatste dagen van november 1905 verschenen in de Franstalige Antwerpse pers alarmerende berichten. Over enkele weken, van 11 tot 15 december, zou de privébibliotheek van wijlen Gustave van Havre worden geveild in Amsterdam, bij het veilinghuis Frederik Muller & Compagnie. De kranten Le Matin en La Métropole gaven lucht aan hun teleurstelling en verontwaardiging: hoe was het mogelijk dat zo’n belangrijke, alom geroemde verzameling zeldzame werken in het buitenland verspreid zou worden? Zou dan niemand dit nationale patrimonium in het land trachten te houden? Was het niet van het grootste belang om de − hoofdzakelijk in Antwerpen gedrukte − boeken van Van Havre te bewaren waar ze thuishoorden, namelijk in Antwerpen, of ten minste in België? Le Matin maakte zich vooral ongerust over de dreiging die van de Verenigde Staten uitging: ‘L’Amérique qui achète et collectionne déjà nos tableaux anciens, se propose aussi paraît-il, de nous enlever nos livres rares et curieux.’ Het stuk eindigde assertief: ‘C’est le moment de prouver que nous avons aussi nos Carnegies en Belgique.’

Wat was er werkelijk gaande? Een verslag dat kort na de gebeurtenissen werd opgesteld door Max Rooses, de eerste conservator van het Museum Plantin-Moretus, zet de feiten op een rijtje. Ridder Gustave van Havre was dertien jaar eerder overleden, in 1892. Zijn enige zoon Albert had de bibliotheek verder verzorgd, zonder ze substantieel uit te breiden. Toen hij op zijn beurt stierf in 1904, besloten zijn erfgenamen om de boeken te verkopen. Ze wendden zich tot de ‘onderbibliothecaris’ van de Antwerpse Stadsbibliotheek, de literator Emmanuel de Bom, met de vraag of het stadsbestuur geneigd zou zijn om de bibliotheek en bloc aan te kopen. Als bodemprijs werd gedacht aan een bedrag tussen 50.000 en 60.000 frank . De Bom had het jaar voordien nog een artikel gepubliceerd over Van Havres collectie oude almanakken, en hij had Albert van Havre geholpen bij het catalogiseren van de bibliotheek. Hij legde de vraag van de erfgenamen voor aan zijn directeur, Frans Gittens, die dan weer contact opnam met zijn collega in het Museum Plantin-Moretus, Max Rooses. Rooses had Gustave van Havre zeer goed gekend en kon het belang van de boekenverzameling perfect inschatten. Zijn antwoord was genuanceerd: de collectie-Van Havre bevatte een overvloed aan interessante werken die zeker niet zouden misstaan in Antwerpse stedelijke collecties. Maar anderzijds waren er veel dubbels bij, en bovendien waren de vele boeken over heraldiek, botanica en numismatiek – onderwerpen waarvoor Van Havre een duidelijke voorliefde had – volgens Rooses niet relevant voor de Antwerpse stedelijke instellingen. Toen dit oordeel aan Van Havres erfgenamen werd meegedeeld, besloten ze de volledige bibliotheek te laten veilen. Gittens en Rooses vroegen het Antwerpse stadsbestuur dan een bijzonder budget om op de meest interessante loten te kunnen bieden ten gunste van de Stadsbibliotheek en het Museum Plantin-Moretus. Het stadsbestuur stemde in met een speciaal budget van 12.000 frank, een som die overeenkwam met het jaarlijkse budget van de Stadsbibliotheek. Toch moet Gittens begrepen hebben dat deze financiële inspanning volstrekt ontoereikend was om de loten die wérkelijk van belang waren voor Antwerpen te bemachtigen. Als voormalig liberaal gemeenteraadslid had hij blijkbaar goede contacten bij het eveneens liberale dagblad Le Matin: de krant steunde hem en publiceerde enkele artikelen waarin een beroep werd gedaan op de vrijgevigheid van haar meest welstellende lezers.



De oproep bleef niet onbeantwoord. Vijf dagen voor de aanvang van de veiling, op 6 december 1905, werd Frans Gittens gecontacteerd door de Duitse zakenman Wilhelm von Mallinckrodt. Hij zegde Gittens zijn volle steun toe in diens poging om de collectie-Van Havre in Antwerpen te houden. Von Mallinckrodt beschikte over een netwerk dat kon tellen. Hij had zich in de jaren 1890 in de havenstad gevestigd en gold er als een van de voornaamste en meest vermogende leden van de Duitse kolonie. Reeds in de negentiende eeuw had die zich in het Antwerpse verenigingsleven uiterst dynamisch en succesvol opgesteld, en ook Von Mallinckrodt was actief betrokken bij verschillende vormen van mecenaat.
Stadsbibliotheek en Museum Plantin-Moretus

Wellicht is het niet overbodig de geschiedenis van de twee betrokken Antwerpse instellingen, de Stadsbibliotheek en het Museum Plantin-Moretus, kort in herinnering te brengen. De verre oorsprong van de Stadsbibliotheek gaat terug tot het jaar 1481, toen de Antwerpse stadspensionaris Willem Pauwels 41 werken aan de stad legateerde. Ze werden ondergebracht in het stadhuis en vormden er de kern van een bescheiden administratieve bibliotheek, die vanaf 1505 ter beschikking stond van de stedelijke ambtenaren. De verdere lotgevallen van deze eerste kern van de collectie zijn in nevelen gehuld. Vermoedelijk gingen de boeken samen met een deel van het stadhuis in de vlammen op in 1576, tijdens de Spaanse Furie. Een heropleving deed zich voor in de vroege zeventiende eeuw. Op aandringen van Joannes Miraeus, bisschop van Antwerpen, stichtte het kapittel van de Onze-Lieve-Vrouwekerk in 1608 een bibliotheek voor de Antwerpse geestelijkheid. Als bibliothecaris benoemde het Aubertus Miraeus (1573–1640), een neef van de bisschop. Deze kanunnik van het Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekapittel was echter meer dan de neef ván: hij stond bekend als een echte erudiet, en later zou hij nog bibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek in Brussel worden. Amper een jaar na zijn aanstelling publiceerde hij een eerste catalogus van het boekenbezit. Onder de titel Bibliothecae Antverpianae Primordia (Antwerpen: David Martens, 1609) vermeldde die bij vele titels ook de namen van de schenkers. Enkele jaren later werden deze boeken samengevoegd met de bestuurlijke bibliotheek van het stadhuis, die inmiddels hersteld was van het débacle van 1576. De Stadsbibliotheek leidde lange tijd een weinig opzienbarend bestaan. Als een volwaardige wetenschappelijke bibliotheek ontpopte ze zich pas in de negentiende eeuw. Eerst groeide de collectie aan. Als een gevolg van de ‘export’ van de Franse Revolutie naar de Zuidelijke Nederlanden waren alle oude klooster- en abdijbibliotheken er verbeurdverklaard, ook die uit de Antwerpse regio. Hun boeken werden naar Antwerpen overgebracht, eerst in grote depots opgestapeld en dan grotendeels verkocht. Naar schatting 7000 volumes werden echter toegewezen aan de bibliotheek van de zogenaamde École centrale van het departement van de Twee Neten. Wat later werden ze overgebracht naar de aloude Stadsbibliotheek, die op dat ogenblik nog steeds in het stadhuis was ondergebracht. Kort nadien volgde een substantiële verbetering van de dienstverlening: in 1805 werd de Stadsbibliotheek opengesteld voor het brede publiek. Voortaan kon ze ook rekenen op een jaarlijks budget, en zo werd gaandeweg een professionele aanpak mogelijk. In 1883 verhuisde de bibliotheek naar haar huidige locatie, de zogenaamde Sodaliteit, een gebouw dat in 1623 gebouwd was als weelderige vergaderruimte voor de door de Antwerpse jezuïeten geleide Mariasodaliteiten. Aan het hoofd van de bibliotheek kwamen letterkundigen met een uitgesproken belangstelling voor boeken en bibliofilie. Onder hen Frans Gittens (1842−1911), directeur van 1903 tot 1911, van wiens hand verschillende toneelstukken verschenen.

Gittens’ collega Max Rooses (1839−1914) was als eerste conservator van het Museum Plantin-Moretus aangesteld in 1876. Het huis aan de Antwerpse Vrijdagmarkt waar Plantin en de Moretussen hun privéwoning én drukkersatelier hadden ondergebracht, was in datzelfde jaar gezamenlijk aangekocht door het stadsbestuur en de Belgische regering. De bedoeling was om van dit mooi bewaarde getuigenis van wonen en werken in de Scheldestad een museum te maken; het jaar nadien werd het prestigieuze pand opengesteld voor het publiek. In november 1877 zag ook de Maatschappij der Antwerpsche Bibliophilen het licht. Haar zetel was (en is nog steeds) in het museum gevestigd. De bibliofielenvereniging gaf een reeks publicaties over Antwerpen en zijn geschiedenis uit, die later gevolgd werd door het tijdschrift De Gulden Passer, zo genoemd naar het drukkersmerk van de Officina Plantiniana. De bibliotheek van het museum bouwde voort op de verzamelactiviteit van Christophe Plantin en de Moretussen. Vandaag bezit ze de meest representatieve collectie boeken die bij Plantin en zijn opvolgers van de pers kwamen, naast een fraaie verzameling boeken van andere Antwerpse en Europese drukkers-uitgevers.


Tot daar enkele woorden over de twee erfgoedinstellingen die de vruchten zouden plukken van het initiatief van Frans Gittens en Max Rooses en van enkele sympathiserende lokale kranten. Van bij de aanvang blijken ze aan een nieuwe vorm van steun te hebben gedacht, die we vandaag een publiek-private samenwerking zouden noemen. De krant Le Matin gaf het aan met een retorische vraag: ‘Ne serait-il pas temps de se déshabituer peu à peu de la tendance régnante à tout demander à la caisse commune et à l’action des pouvoirs publics?’ En toen de eerste reacties op de oproep binnenliepen, stelde haar redacteur het als volgt:
‘Nous apprenons qu’à la suite de l’appel publié dans nos colonnes (...), il vient de se former un comité d’amis des livres qui sont aussi des amis d’Anvers, et qui se proposent de suppléer par des cotisations volontaires à l’insuffisance des ressources dont dispose notre bibliothèque pour l’acquisition de ces livres, qu’il importe de ne pas laisser sortir de notre pays. Ce sera une nouveauté qui n’est pas faite pour nous déplaire de voir un service public subsidié par l’initiative privée.’
Over het verloop van de fondsenwerving werden officiële verslagen opgemaakt, zodat we de gang van zaken goed kunnen volgen. Op 8 december 1905, drie dagen dus vóór de start van de veiling-Van Havre in Amsterdam, vergaderden Gittens, Rooses en De Bom in de leeszaal van de Stadsbibliotheek met Wilhelm von Mallinckrodt en enkele andere – hoofdzakelijk Duitse – ondernemers. Von Mallinckrodt stelde eerst voor om een geldbedrag samen te brengen dat groot genoeg zou zijn om de hele bibliotheek-Van Havre rechtstreeks van de erfgenamen te kopen. De belangrijkste boeken zouden naar de stedelijke collecties gaan, terwijl de dubbels en de overbodige werken later verkocht konden worden. Diezelfde avond nog verklaarden de erfgenamen echter dat de veiling in Amsterdam niet meer kon worden tegengehouden. Wél toonden ze zich bereid om de meest relevante loten op de veiling samen te voegen. De volgende dag – twee dagen vóór de veiling – kwamen Gittens, Rooses en De Bom weer samen met hun gesprekspartners. Von Mallinckrodt en zijn collega’s engageerden zich voor een bijkomend budget van 12.000 frank, en een voorlopig ‘Dotatiefonds’ werd in het leven geroepen. Max Rooses en Emmanuel de Bom werden naar Amsterdam gestuurd om de veiling bij te wonen. Dankzij de bijkomende gift was hun budget eenvoudigweg verdubbeld.

Terwijl Rooses en De Bom naar Amsterdam sporen, kunnen we wat meer vertellen over Gustave van Havre, de man die zo’n belangrijke privébibliotheek had nagelaten.


Gustave van Havre (1817−1892)

De oude adellijke familie Van Havre kende een lange traditie van hoge bestuursfuncties in het land. Hun thuisbasis was de regio rond Antwerpen. Gustave van Havre werd in Antwerpen geboren in 1817 en was verwant met enkele van de meest vooraanstaande adellijke families van België. Zijn moeder was een Della Faille, zijn zus huwde een lid van de familie Cogels, en zelf trad hij in 1841 in het huwelijk met Hortense de Knyff. (Ze overleed echter al in 1842, amper een jaar na hun huwelijk en enkele maanden na de geboorte van hun zoon Albert.) Gustave van Havre bekleedde verschillende hoge bestuursfuncties. Hij was burgemeester van de gemeente Wijnegem, liberaal provincieraadslid en later nog senator. Maar zijn belangstelling beperkte zich niet tot de politiek. Hij was onder meer lid van de Académie d’archéologie de Belgique en lid van de Administratieve Commissie van het Museum Plantin-Moretus. Deze laatste functie moet hem bijzonder hebben aangesproken, want hij stond bekend om zijn passie voor oude boeken.

Het familiearchief van de Van Havres wordt vandaag bewaard en voor onderzoek opengesteld door de Heemkundige Kring Jan Vleminck in Wijnegem. Het geheel is bijzonder rijk en veelzijdig, en licht ons ook ruimschoots in over de bibliofiele bedrijvigheid van Gustave van Havre. Onder de vele documenten bevindt zich zijn briefwisseling met boekhandelaars, antiquaren en boekbinders en met andere bibliofielen zoals de Gentse hoogleraar Constant Philippe Serrure en de Antwerpse bibliothecaris en archivaris Frederic Verachter. Verder bevat het archief een verzameling negentiende-eeuwse ex-libris, een belangrijke partij boekveilingcatalogi uit dezelfde periode, en Van Havres indrukwekkende verzameling drukkersmerken.

Gustave van Havre was een van de stichters van de Maatschappij der Antwerpsche Bibliophilen in 1877 en hij werd er de eerste voorzitter van, een plaats die hij tot 1890 bekleedde en die meer dan een erefunctie moet zijn geweest. Hij nam actief deel aan het publicatieprogramma van de vereniging. In 1883­−1884 verscheen van zijn hand een tweedelig naslagwerk over de drukkersmerken van de Antwerpse drukkers in de vijftiende en zestiende eeuw, de Marques typographiques des imprimeurs et libraires anversois, een publicatie die gebaseerd was op zijn rijke verzameling. Hij was goed bevriend met Max Rooses, die hem bij zijn onderzoek assisteerde. In het respectvolle in memoriam dat Rooses in 1892 publiceerde in het tijdschrift De Vlaamsche school, typeerde hij Gustave van Havre als ‘een uitstekend boekenkenner; zijne bibliotheek was de rijkste aan Antwerpsche drukken, die bestaat.’ Rooses’ verslag van de veiling van 1905 was nog explicieter over zijn respect voor de overleden bibliofiel en zijn bibliotheek: ‘Gustave van Havre was een hartstochtelijk liefhebber van boeken, merkwaardig door hunne schoonheid, hunne zeldzaamheid of hun belang voor Antwerpen.’ Deze detaillering is niet zonder belang: volgens Rooses had Van Havre niet alleen fraaie en zeldzame boeken verzameld, maar ook zoveel mogelijk werken met betrekking tot Antwerpen en zijn geschiedenis. Geen wonder dat de veiling in de metropool beroering veroorzaakte.


De veiling

Als we afgaan op het repertorium van veilingcatalogi, bewaard in de Koninklijke Bibliotheek van België, werd de collectie-Van Havre eigenlijk tijdens vier veilingen verkocht. Ze vonden allemaal plaats in Amsterdam, bij Frederik Muller & Compagnie. In de negentiende eeuw had Frederik Muller zich ontwikkeld tot de meeste gerespecteerde veilinghouder van Nederland. Na zijn dood in 1881 zette het veilinghuis zijn activiteiten voort onder de naam ‘Frederik Muller & Compagnie’ en onder leiding van Anton W.M. Mensing. Daar werden in december 1906 en maart 1907 nog enkele overgebleven loten uit de nalatenschap van Van Havre verkocht, maar de voornaamste veilingen van boeken uit zijn bezit vonden plaats van 11 tot 15 december 1905 (gedrukte werken) en van 3 tot 5 april 1906 (handschriften). De catalogi van deze twee veilingen zijn erg verzorgd en gedetailleerd. De eerste, die de gedrukte boeken beschrijft, telt 190 bladzijden met titelbeschrijvingen en 32 bladzijden illustraties; er staan 1426 kavels in beschreven. De catalogus van de handschriften telt 164 pagina’s en beschrijft nog eens 1137 loten, maar slechts een beperkt aantal daarvan kwam uit de bibliotheek van Gustave van Havre.

Van deze twee catalogi bestaan verschillende geannoteerde exemplaren. De Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience bezit een exemplaar met toevoegingen in blauw en rood potlood: de behaalde prijzen en de namen van de kopers. Bij de titels die na de veiling in deze bibliotheek terechtkwamen voegde iemand later nog de signaturen in hun nieuwe onderkomen toe. Vermoedelijk is dit het exemplaar dat Emmanuel de Bom annoteerde tijdens de veiling, en dat nadien door zijn collega’s in de bibliotheek gebruikt werd. De inlichtingen in dit exemplaar kunnen worden vergeleken met het exemplaar van Max Rooses, dat in het Museum Plantin-Moretus bewaard wordt, met een dactylografische lijst van de aanwinsten en met de oorspronkelijke facturen die het Amsterdamse veilinghuis naar de Stadsbibliotheek en het Museum Plantin-Moretus stuurde. De beide facturen geven een gedetailleerd overzicht van de aanwinsten: kavelnummer, auteur, titel, plaats en jaar van publicatie en prijs in Nederlandse guldens. Volgens deze documenten slaagden Rooses en De Bom erin om 134 gedrukte werken te kopen voor de Stadsbibliotheek, en 173 voor het Museum Plantin-Moretus. Dit betekent dat iets minder dan een vierde van Van Havres geveilde boeken in de Antwerpse instellingen terechtkwam. In april 1906 volgden nog 31 handschriften voor de Stadsbibliotheek en amper 3 voor het Museum Plantin-Moretus.

Meer dan eens blijken verschillende loten te zijn samengevoegd en en bloc te zijn aangekocht door Rooses en De Bom. Dit gebeurde bijvoorbeeld met een bijzondere collectie vroege Antwerpse almanakken en met een reeks oude Antwerpse kranten. De erfgenamen van Gustave en Albert van Havre hadden dus woord gehouden.

Omdat de Antwerpse bibliotheken er niet in slaagden álle boeken te verwerven (en dit eigenlijk ook niet wensten), bevinden vroege Antwerpse drukken uit de collectie-Van Havre zich vandaag in een hele reeks institutionele en privébibliotheken. De Gentse Universiteitsbibliotheek bezit onder meer een mooie partij Latijnse, Franse en Nederlandse uitgaven van Erasmus. Een uniek exemplaar van Cornelis Kiliaans Nederlandse vertaling van de Mémoires van Philippe de Commynes, door Plantin uitgegeven in 1578, werd gesignaleerd in een privécollectie. Een geïllustreerde Decalogus van Maarten de Vos en Philips Galle (Antwerpen, na 1586) met het ex-libris van Van Havre bevindt zich nu in de abdijbibliotheek van de norbertijnen van Postel. En in 2006 kocht de Koninklijke Bibliotheek van België nog Van Havres exemplaar van de Blijde Intrede in Brussel van Willem van Oranje, alweer een uitgave van Plantin uit 1578.
De aanwinsten

In zijn verslag aan het stadsbestuur kon Max Rooses met gepaste trots melden dat hij vele belangrijke boeken en andere documenten had gekocht. De lijst was inderdaad indrukwekkend: 5 geïllustreerde Antwerpse incunabelen; 12 geïllustreerde zestiende-eeuwse boeken en 8 uit latere perioden; 4 werken over klederdrachten; een verzameling nieuwjaarsprenten van de Antwerpse gilden, van de zestiende tot de achttiende eeuw; 4 zeventiende-eeuwse ‘exemplaarboeken’ of schrijfvoorbeelden; Antwerpse veilingcatalogi uit de zeventiende en achttiende eeuw; een collectie letterproeven van Antwerpse drukkers en lettergieters; 10 volksboekjes; een partij aankondigingen van reizende geneesheren; 33 ridderromans en nog andere volksboeken; een verzameling vroege nieuwsbladen waarvan de oudste terugging tot 1529; een indrukwekkende reeks oude almanakken en prognosticaties (waarover Emmanuel de Bom in 1903 een artikel had gepubliceerd); 22 oude schoolboeken; 25 zeldzame literaire werken; 12 liedboeken met muzieknotatie; 18 loten over de geschiedenis van het Antwerpse protestantisme, waarvan er één uit niet minder dan 30 volumes bestond; 6 kavels over de geschiedenis van zeden en gewoonten; 11 boeken over botanica en geneeskunde; 40 titels over de politieke geschiedenis van Antwerpen; en nog eens 7 deelcollecties met Antwerpse drukken.

Deze opsomming maakt duidelijk dat het onmogelijk is om binnen het bestek van deze bijdrage een exhaustief overzicht van Van Havres bibliotheek te geven. Laat ons eerder met wat meer aandacht kijken naar drie bijzondere boeken die in 1905 werden aangekocht voor de Stadsbibliotheek en het Museum Plantin-Moretus. Ze zijn niet alleen inhoudelijk interessant, maar ook revelerend voor de diversiteit aan oudere provenances die ze bevatten.
Joannes Franciscus Poggio Bracciolini, De nobilitate tractatulus, Antwerpen : Gheraert Leeu, 18 maart 1489, 4°, aa6 bb−cc4, 14 niet genummerde folio’s

Lotnummer 17, thans Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet, signatuur R18.52


Deze Antwerpse incunabel draagt op het dekblad het ex-libris op roze papier met de vermelding ‘De la bibliothèque de Gustave Charles Antoine Marie van Havre’. Het boek oogt niet bepaald indrukwekkend en in het fonds van Gheraert Leeu, de Goudse drukker die zich in 1484 in Antwerpen vestigde, geldt het zeker niet als een esthetisch hoogtepunt. Opmerkelijk is wel dat het een uitgave is van een moraliserend traktaatje van de Toscaanse humanist Poggio Bracciolini (1380–1459), wat aangeeft hoe divers en modern de boekenproductie van Leeu wel was. Gustave van Havre zal zeer zeker gecharmeerd geweest zijn door het grote drukkersmerk waarmee Leeu de laatste bladzijde gevuld heeft; hij liet het vanuit dit eigenste exemplaar reproduceren in zijn Marques typographiqes.

Wie goed toekijkt zal in de rechterbenedenhoek van de eerste pagina de handtekening van Frederic Verachter ontdekken. Verachter (1797–1870) was een van de grote bibliofiele verzamelaars van Antwerpse boeken en handschriften. Van 1826 tot 1833 was hij directeur van de Antwerpse Stadsbibliotheek; nadien werd hij archivaris van de stad. Hij verzamelde prenten, munten en penningen, en bracht een indrukwekkende bibliotheek bijeen. Op latere leeftijd kreeg hij echter af te rekenen met steeds groter wordende geldzorgen, die hem er in 1863–64 toe brachten zijn boekenverzameling te verkopen. Zijn collectie Antwerpse drukken werd toen integraal aangekocht door niemand minder dan... Gustave van Havre. Dit verklaart waarom zovele boeken uit de collectie-Van Havre niet alleen diens gegraveerd ex-libris bevatten, maar ook de erg herkenbare, bescheiden maar zwierige handtekening van Frederic Verachter.


Anna Bijns, Iste est pulcher et syncerus libellus, continens in se plura loepida, & artificiosa cantica (Latijnse vertaling door Eligius Eucharius), Antwerpen: W. Vorsterman, 1529, oblong 8°, A–I8, geen paginering.

Lotnummer 874, thans Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience, signatuur C26861 [C2-546i] 


Deze postincunabel is een Latijnse vertaling van een werk van Anna Bijns (1493−1575), de Antwerpse schoolmeesteres die bekend staat als een van de voornaamste Nederlandse dichters van de zestiende eeuw. In 1528 publiceerde ze een verzameling Refereinen over het verval van de Kerk en de nefaste invloed van Luther en zijn companen. Het volgende jaar verscheen van deze balladen een Latijnse vertaling bij de Antwerpse drukker Willem Vorsterman. Slechts vier exemplaren van deze uitgave bleven bewaard. Ze bevinden zich in de British Library in Londen, in de Koninklijke Bibliotheek van België, in de Gentse Universiteitsbibliotheek en… in de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience in Antwerpen. Het eerste schutblad van dit Antwerpse exemplaar draagt Van Havres klein ex-libris op smaragdgroen papier, met zijn wapen en de vermelding ‘Bibliothèque de Gve van Havre’ en in handschrift het nummer 2319. Op de keerzijde van het vrije schutblad luidt een handgeschreven notitie als volgt: ‘Geschenk van den Weled. G. Heere Rich. Heber, 1827.’ Een velletje geruit papier dat gekleefd is op een blanco blad vóór de titelpagina draagt een handgeschreven notitie van Gustave van Havre, waarin deze bevestigt dat dit boek door de Engelse bibliomaan Richard Heber geschonken was aan de Gentse hoogleraar en literatuurhistoricus Constant Philippe Serrure. Een mooi voorbeeld van oudere, prestigieuze herkomsten die de bibliofiele honger van Gustave van Havre duidelijk gescherpt hebben. Op de Amsterdamse veiling van 1905 bereikten de Cantica van Anna Bijns de prijs van 180 Nederlandse guldens, een van de hoogste prijzen die toen geboden werden.
Aubertus Miraeus, Bibliotheca ecclesiastica sive nomenclatores vii. veteres, Antwerpen: J. Mesius, 1639, in-fol., *4 A-Z4 2A4 2B-2R4, 307 pp.

Lotnummer 1263, thans Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience, signatuur F23157 [C2-515e]


Het laatste boek in het lijstje is bij uitstek het vermelden waard omwille van zijn herkomst. De Bibliotheca ecclesiastica werd samengesteld door Aubertus Miraeus (1573−1640), die we al hebben ontmoet als de eerste bibliothecaris van de Bibliotheca Antverpiana. Deze compilatie van bibliografische gegevens over kerkelijke auteurs was het laatste werk dat tijdens zijn leven verscheen. Het exemplaar in de Antwerpse Consciencebibliotheek heeft Van Havres ex-libris op roze papier, dat ook voorkomt in de boven beschreven incunabel. Het boek is vooral opmerkelijk door zijn lederen band: voor- en achterplat zijn in goud bestempeld met een reiger en paling en het devies ‘Ontrent den oever geneer ic my’ (langs de oever houd ik me in leven). Dit devies verwijst naar de cisterciënzerabdij van Sint-Bernards in Hemiksem, op een tiental kilometers van Antwerpen, schitterend gelegen op de Schelde-oever. Een andere stempel met de letters lsbb (‘Loci Sancti Bernardi Bibliothecae’) bevestigt deze provenance, net zoals het opschrift op de titelpagina: ‘Bibliothecae Loci S. Bernardi’. En in de rechterbenedenhoek van deze titelpagina verschijnt alweer de handtekening van Frederic Verachter, die kennelijk een neus had voor boeiende pedigrees.

*

De poging van diverse Antwerpse boekenliefhebbers om met overheidsmiddelen én sponsorgelden enkele van de interessantste boeken uit het bezit van Gustave van Havre te verwerven, kon een succes worden genoemd. Ongetwijfeld heeft dit de mensen achter het initiatief gemotiveerd om de publiek-private samenwerking te bestendigen. Na de Amsterdamse veiling besloten ze om een Bestendig Dotatiefonds voor de Stadsbibliotheek en het Museum Plantin-Moretus in het leven te roepen. De middelen die dit dotatiefonds bij haar leden wist los te weken, werden sindsdien gebruikt om de collecties zeldzame boeken en documenten van de beide instellingen verder uit te breiden. Ze zijn blijvend herkenbaar aan het eigen ex-dono van het Bestendig Dotatiefonds.



De bibliotheek van Gustave van Havre illustreert mooi het fenomeen van de verschuiving van particuliere naar openbare boekenverzamelingen in België. Aan het eind van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw werd de Belgische markt voor antiquarische boeken letterlijk overspoeld. Door de kerkpolitiek van de Oostenrijkse keizer Jozef ii en (vooral) van het Franse revolutionaire regime werden geleidelijk alle kerkelijke instellingen opgeheven en hun bezittingen verbeurdverklaard. Hun vaak zeer rijke bibliotheken werden grotendeels toegewezen aan nieuwe middelbare onderwijsinstellingen naar Frans revolutionair model, de zogenaamde Écoles centrales, die in elke departementshoofdstad werden opgericht. Na het fiasco van dit onderwijssysteem in 1802 kwamen de boekencollecties terecht in enkele grote, publiek toegankelijke bibliotheken. Dit verklaart waarom er vandaag nog zoveel oude werken met een kerkelijke herkomst voorkomen in onze erfgoedbibliotheken. Maar heel wat boeken uit oude klooster- en abdijbibliotheken kwamen in diezelfde periode ook op de antiquarische boekenmarkt terecht; een groeiend aantal particulieren uit binnen- en buitenland zagen de kans schoon om voor relatief weinig geld prachtige antiquarische collecties bijeen te brengen. De Engelse bibliomaan Richard Heber was een van hen, in Antwerpen waren onder meer de stedelijke bibliothecarissen én particuliere bibliofielen Jan Baptist Lauwers en Frederic Verachter zeer actief. De bibliotheek van deze laatste (althans de deelverzameling met Antverpiensia) werd in haar geheel gekocht door Gustave van Havre, en via de Amsterdamse veiling van 1905 kwamen sommige van de interessantste items uiteindelijk − en hopelijk definitief − terecht in de Stadsbibliotheek en het Museum Plantin-Moretus.

Onderzoek naar de geschiedenis van bibliotheken is relevant om uiteenlopende redenen. Een diachrone benadering toont de toenemende omvang en complexiteit van het informatie-aanbod − én de groeiende performantie van technieken en instrumenten om aan dat grote aanbod het hoofd te bieden. Door contrastwerking met het verleden kan de uitzonderlijke kwaliteit van hedendaagse bibliotheekvoorzieningen worden aangetoond. De lotgevallen van bibliotheekcollecties maken vaak ook duidelijk hoe precair ze zijn en hoe machteloos ze staan tegenover calamiteiten en menselijke dwaasheid. Met haar specifieke belangstelling voor de ‘historische lezer’ en voor het wat, het wanneer en het hoe van het lezen bracht de moderne boekgeschiedenis nog bijkomende argumenten voor dit onderzoeksthema aan: welke boeken hadden lezers thuis op het rek staan, en waarvoor deden ze eerder een beroep op de bibliotheek van de school, de parochie, de gemeente of de vereniging waarvan ze lid waren? Dat bepaalde boeken wél en andere niet beschikbaar waren in de bibliotheken van instellingen of privépersonen, zegt veel over hun referentiekader en over de maatschappij waarvan ze deel uitmaakten.

Een bijkomende reden, die meer aandacht zou verdienen, is dat bibliotheekgeschiedenis kan helpen om de ‘representatieve kwaliteit’ te evalueren van collecties die vandaag bewaard worden in de afdelingen met bijzondere, kostbare of historische werken van onze bibliotheken. Deze afdelingen zijn te beschouwen als de laboratoria voor historisch, kunsthistorisch en literair onderzoek, en voor elke vorm van wetenschap die de historische dimensie in haar onderzoek betrekt. Zeer veel werk in de geesteswetenschappen is gebaseerd op handgeschreven en gedrukte documenten die nu in onderzoeksbibliotheken allerhande berusten maar in een ver verleden deel uitmaakten van particuliere of institutionele collecties. Nauwgezet herkomstonderzoek is dan geen vrijblijvende bibliofiele bezigheid meer, maar een essentiële voorwaarde voor een kritische benadering van het gebruikte bronnenmateriaal. De bestudering van de wijze waarop boeken van de ene collectie overgingen naar de andere; het in kaart brengen van de krachten die ze uiteindelijk in openbare verzamelingen deden belanden: dat alles kan een verhelderend licht werpen op essentiële vragen, zoals die over de verhouding tussen het aantal boeken dat ooit gedrukt werd en het aantal dat daarvan vandaag nog bewaard is. Bibliotheekgeschiedenis kan duidelijk maken waarom bibliofielen sommige boeken wél wilden bewaren en andere níet, of waarom andere verzamelaars net een zo volledig mogelijk overzicht van de typografische productie van een welbepaalde drukker of stad wensten samen te brengen.

Door dit verhaal over de bibliotheek van ridder Gustave van Havre, over oudere collecties die erin vertegenwoordigd waren en over de wijze waarop vele boeken in de Antwerpse stedelijke collecties terechtkwamen, hopen we iets verteld te hebben over de relevantie van deze laatste. Een relevantie die reeds in 1905 intuïtief werd aangevoeld door professionals én door verlichte sympathisanten in de media en de zakenwereld.


Verantwoording

Dit is een herwerkte versie van mijn artikel ‘Bibliophily and Public-Private Partnership:



the library of Gustave van Havre (1817–­1892) and its afterlife in Antwerp libraries’, in: R. Myers, M. Harris, G. Mandelbrote (ed.), Books on the Move. Tracking Copies through Collections and the Book Trade (Londen: Oak Knoll Press & British Library, 2007), p. 133–151. De krantencitaten komen uit Le Matin van 25 november en 1 en 8 december 1905 en uit La Métropole van 25 november 1905. Het archief van het Bestendig Dotatiefonds wordt bewaard in de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience te Antwerpen. Het verslag van Max Rooses over het verloop van de veiling werd later gepubliceerd in het Tijdschrift voor boek- en bibliotheekwezen , 4 (1906), p. 43–45. In hetzelfde tijdschrift, jg. 1 (1903), p. 188–195, verscheen het artikel van Emmanuel de Bom, ‘Nog Antwerpsche almanakken’, waaruit volgend citaat: ‘De eigenaar der merkwaardige verzameling is de heer Ridder A. van Havre, te Antwerpen, die mij de bewerking van den catalogus zijner belangrijke boekerij opgedragen heeft.’ Meer over De Bom in J.P. Lissens, Emmanuel de Bom stadsbibliothecaris, tentoonstellingscatalogus, Antwerpen, 2003. Over de Duitse kolonie in Antwerpen zie men G. Devos, ‘De Duitse kooplui en het Antwerpse Cultuurleven’, in J.P. Lissens (ed.), De Nottebohmzaal. Boek en mecenaat, (tentoonstellingscatalogus, Antwerpen, 1993) p. 147-154. Over Gustave van Havre vindt men vele realia in: F.-V. Goethals, Histoire généalogique de la famille Van Havre, extraite du Dictionnaire généalogique et héraldique des familles nobles de Belgique (Brussel, 1850), p. 47; A. Goovaerts, La famille Van Havre. Histoire et généalogie (Antwerpen, 1882), dl. 1, p. 144-146; J.-L. De Paepe en C. Raindorf-Gérard, Le Parlement belge 1831–1894. Données biographiques (Brussel, 1996), p. 576-577; 700 jaar familie Van Havre (tentoonstellingscatalogus, Wijnegem: Heemkundige Kring Jan Vleminck, 2004), p. 31-32; Steve Heylen e.a. Geschiedenis van de provincie Antwerpen: een politieke biografie (Antwerp, 2005), dl. 2, p. 206. Verder ook in het geciteerde in memoriam door M. Rooses, ‘Gustave van Havre’, in: De Vlaamsche school. Nieuwe reeks. Tijdschrift voor Kunsten, Letteren, Oudheidkunde en Kunstnijverheid, 5 (1892), p. 47-49. Voor exemplaren van de veilingcatalogi van Van Havres bibliotheek zie men Jeanne Blogie, Répertoire des catalogues de ventes de livres imprimés. iv: Catalogues néerlandais appartenant à la Bibliothèque royale Albert ier (Brussel, 1992), p. 148-151. Het exemplaar van E. de Bom in de Efgoedbibliotheek Hendrik Conscience, B22556; dat van M. Rooses in het Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet, V87. Over het Amsterdamse veilinghuis : M. Keyser, J.F. Heijbroek, Ingeborg Verheul (ed.), Frederik Muller (1817–1881). Leven en werken, Zutphen, 1996. Voor de referenties naar Van Havre-items in andere bibliotheken verwijs ik naar J. Machiels, Catalogus van de boeken gedrukt voor 1600 aanwezig op de Centrale Bibliotheek van de Rijksuniversiteit Gent (Gent, 1979), e221, e245, e329, e411, e419; J.-M. Duvosquel, ‘Une édition plantinienne retrouvée: la traduction néerlandaise des «Mémoires» de Philippe de Commynes par Cornelis Kiliaan (1578)’, in: F. de Nave (ed.), Liber amicorum Leon Voet, (Antwerpen 1985), p. 69-75; P. Delsaerdt, K. De Vlieger-De Wilde, G. Souvereyns, Een zee van toegelaten lust. Hoogtepunten uit abdijbibliotheken in de provincie Antwerpen (Antwerpen, 2004) p. 146. The Romantic Agony. Book & print auctions Devroe & Stubbe. Catalogue 31 (Brussel, 2006), p. 217, nr 1012. Over Van Havres ex-libris zie men B. Linnig, Nouvelle série de bibliothèques et d’ex-libris d’amateurs belges aux xviie, xviiie et xixe siècles, (Brussel, 1910), pp. 64-70. De biografie van Frederic Verachter werd geschreven door W. Couvreur, ‘Frederik Verachter, Antwerps stadsbibliotekaris en -archivaris (1797–1870)’, in: Antwerpen. Tijdschrift van de stad Antwerpen, 19 (April 1973), p. 44–60. Meer over de verschuiving van particuliere naar openbare boekenverzamelingen in België in het artikel van J. Pauwels, ‘The Shift from Private to Public Book Collecting and the Rise of Netherlandic Philology in Belgium (1830–1880)’, in: European Studies, Amsterdam, in druk.

Een woord van dank aan Norbert Moermans, die me zijn documentatie over Gustave van Havre ter beschikking stelde, en aan Carlo en Kristof Evers, die me op het spoor brachten van het rijke familie-archief in Wijnegem. In 2008 schreef Renée Cambré een eindverhandeling over De veiling-Gustave van Havre en het mecenaat ten gunste van de Stadsbibliotheek en het Museum Plantin-Moretus te Antwerpen, 1905; onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Universiteit Antwerpen, 2008; als bijlage is onder meer een lijst opgenomen met de aankopen voor de Stadsbibliotheek en het Museum Plantin-Moretus, met opgave van de huidige signaturen van Van Havres boeken in deze collecties.


Colofon

Deze plaquette werd door Charles Sluyts aangeboden bij zijn afscheid als voorzitter van het Bestendig Dotatiefonds voor de Stadsbibliotheek en het Museum Plantin-Moretus, en bij de start van het Dotatiefonds voor boek en letteren, op 15 november 2008. De tekst werd geschreven door Pierre Delsaerdt (Universiteit Antwerpen, Vakgroep Informatie- en Bibliotheekwetenschap) en op 400 exemplaren gedrukt door Drukkerij De Windroos, Beernem, naar een typografisch ontwerp van Louis Van den Eede. De tekst werd gezet uit de [lettertype + corps] en gedrukt op [naam papier].







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina