Bidt en waakt



Dovnload 51.73 Kb.
Datum14.08.2016
Grootte51.73 Kb.
Efeze 6:18-24
18 Met alle bidding en smeking, biddende te allen tijde in de Geest, en daartoe wakende met alle volharding en smeking voor al de heiligen;

19 En voor mij, opdat mij het Woord gegeven worde in de opening van mijn mond met vrijmoedigheid, om de verborgenheid van het Evange­lie bekend te maken;

20 Waarvoor ik een gezant ben in een keten, opdat ik daarin vrijmoedig moge spreken, gelijk mij betaamt te spreken.

21 En opdat ook gij moogt weten hetgeen mij aangaat, en wat ik doe, dat alles zal u Tychikus, de geliefde broeder en getrouwe dienaar in de Heere, bekend maken;

22 Die ik tot dat einde tot u gezonden heb, opdat gij onze zaken zoudt weten, en hij uw harten zou vertroosten.

23 Vrede zij de broeders, en liefde met geloof, van God de Vader, en de Heere Jezus Christus.

24 De genade zij met allen, die onze Heere Jezus Christus lief­hebben in onverderfelijkheid. Amen.

2.
17. Een oproep tot gebed, personalia en zegengroet

Ef.6:18-24
Moedig standhouden in de volle wapenrusting van God. Daarover heeft de apostel Paulus indringend geschreven in de verzen 10 en volgende van Efeze 6.
En daaraan gaat hij nu nog één ding toevoegen. Want een kind van God kan niet echt standhouden in zijn volle wapenrus­ting, als hij ook niet gedurig bidt en waakt.
Bidt en waakt
Een christenstrijder is geen vechtersba­as. Hij is vooral bidder. De 'militia Christi' staat - als het goed is - in gedurig contact met de hemelse Gene­raal. Daarom schri­jft de apos­tel: met alle bidding en sme­king, biddende te allen tijde in de Geest, en daartoe wakende met alle volharding en smeking voor al de heiligen (vs.18). 1.
Strijden is ook bidden en bidden is ook strijden. Toen Israël met Amalek streed, was Mozes op de hoogte van een heuvel om zijn handen op te heffen tot God. Het was daarin, dat het geheim van de overwinning lag.
Bidt zonder ophouden. Bidden is de 'habi­tus' (houding) van een chris­ten. Dat is niet maar een kwestie van handen vouwen.
Hij moet altijd in de Geest bidden, dat is: in de atmosfeer van de Heili­ge Geest.
Bidden in elke omstandigheid van het leven. Laten het vooral concrete gebeden zijn, waarin wij niet alleen vragen om hulp en kracht voor onszelf, maar ook voor ande­ren, in het bijzon­der voor al de heiligen, voor allen die met ons meelijden en meestrijden. Voor de kruis­drager naast u op de kerkbank, voor de zieke buurman aan de overkant, voor uw kind dat met problemen worstelt.
Voorbeden kunnen niet gemist worden in onze verborgen omgang met God. Maar ook het dankgebed mag er zijn, juist ook als de strijd zwaar is en het leven bitter. Het dankgebed is een goed wapen tegen neer­slachtig­heid.
Bidt en smeekt. En tot hetzelve wakende, schrijft de apostel. Laat het in dit alles uw oogmerk zijn om wakker te blijven. Weest altijd alert op gevaren, altijd paraat om de handen uit de mouwen te steken. Een christendom dat zoet is ingeslapen, is een futloze en waardeloze zaak. Het staat ook niet meer op de uitkijk: 'Ja, kom, Heere Jezus!'.
Ontdoet u van uw oog­klep­pen. Weest niet als de struisvogel die zijn kop in het zand steekt. Hoe zult u een verzets­strijder kunnen zijn, als u geen erg hebt in de dingen die er om u heen

3.
ge­beuren: in huis, in de kerk, op straat, in de we­reld? 'Waakt en bidt, opdat u niet in verzoeking komt',zei Jezus tegen Zijn slapende discipe­len. Slapen betekent: de duivel zijn kans geven.


Met alle bidding en smeking, te allen tijde, met alle volhar­ding (standvastigheid) en smeking, voor al de heili­gen. Let op het vier keer herhaalde woord 'alle'. Chris­telijk geloof is iets totaals. Het raakt ons helemaal van top tot teen. Van de eerste christenen lezen we: 'Deze allen waren eendrachtelijk volhardende in het bidden en sme­ken...'.
En dan spitst de apostel het tenslotte toe op zijn eigen situatie. En voor mij, opdat mij het Woord gegeven worde in de opening van mijn mond met vrijmoedigheid, om de verborgenheid van het Evangelie bekend te maken; 2. waarvoor ik een gezant ben in een keten, opdat ik daarin vrijmoedig moge spre­ken, gelijk mij betaamt te spreken (vs.19, 2­0). 3.
Paulus vraagt om voorbede voor zichzelf. Hij vraagt geen gebed om vrijlating uit zijn gevan­genschap,al zal zijn 'keten' waarmee hij vastzat aan de muur van zijn gevangeniscel hem niet gemakkelijk zijn gevallen.
Hij vraagt echter alleen om gebed met het oog op de voortgang van de Evangelieverkondiging door hem. Daarin zou hij gehin­derd kunnen worden. Hij is er zich wel degelijk van bewust, dat het Woord dat hij te spreken heeft, hem gegeven moet worden en ook, dat het de Heere is, Die zijn mond moet openen.
Heer', open Gij mijn lippen door Uw kracht,

Zo zal mijn mond Uw lof gestaag vermelden.

(Psalm 51:8 ber.)
Hoe moeilijk valt het ons soms om een goed woord van de Heere te spreken, te rechter tijd en gepast voor de situatie. Vooral als wij ons moeten verantwoorden voor hoog geplaatsten, kan het zijn, dat wij geen goede woorden kunnen vinden en/ of ons geremd gevoe­len in het uitspreken ervan.
Ook de apostel Paulus ervoer het als een geschenk van God, als hij tegenover het gevange­nisper­soneel van zijn gevangenis openhartig en onbevreesd mocht spreken over het geheimenis van het Evangelie. 'Public relation.' Hoe belangrijk is dat, in het bijzonder waar het gaat om de presentatie van de zaak van Christus in deze wereld: goede woorden vinden en die ook 'to the point' en ongeremd overdragen.

Is dat niet de zorg van ieder die dient in het Koninkrijk van God? En hebben wij daarvoor niet voortdurend elkaars gebed nodig?

4.
Gelukkig heeft onze Meester eenmaal gezegd: 'Het zal u in dezelve ure gegeven worden, wat gij spreken zult'. Daarom kan Paulus zich ook een ambassadeur in een keten noemen. Wel gebogen, niet verslagen. Hij draagt zijn ketenen - om het te zeggen met de woorden van een verklaarder - als gouden ornamenten om de pols van een rijke dame of als de keten om de hals van een hoogwaardigheidsbekleder. 4.
Personalia/ zegen
We naderen het slot van de brief aan Efeze. Er volgen nog enkele personalia. Deze zijn niet zo talrijk als in andere brieven van Paulus. Als de brief aan Efeze in eerste instantie voor gemeen­ten in Klein-Azië bedoeld is, waar de apostel niet veel perso­nen kende, is dit te verstaan.
De noodzakelij­ke dingen worden hier echter wel genoemd. Eer­stens met betrekking tot Paulus zelf: en opdat ook gij moogt weten hetgeen mij aangaat, en wat ik doe, dat alles zal u Tychikus, de geliefde broeder en getrouwe dienaar in de Heere, bekend maken (vs.21). 5.
Zit over mij maar niet in. Wees ook niet ontmoedigd. Tychikus die u de brief zal overhandigen, zal het u alles precies vertellen. Van harte aanbevolen. 6. Paulus noemt hem - met enkele erenamen - de geliefde broeder en getrouwe dienaar in de Heere. Die ik tot dat einde tot u gezonden heb, opdat gij onze zaken zoudt weten en hij uw harten zou vertroosten (vs.2­2). 7. Hij zal de lezers van de brief informeren omtrent de situatie van de apostel. Het is goed, dat we van elkaars omstandigheden op de hoogte zijn, vooral als er sprake is van vervolging en lijden om Christus' wil. Anders kunnen we ook niet gericht voor elkaar bidden (vs.19, 20). Maar vooral ook om moedig verder te kunnen gaan. Goed nieuws van het 'front'verblijdt de harten van de gelovigen.
Tenslotte, een tweevoudige (afscheids)groet.

Allereerst: vrede zij de broeders, en liefde met geloof, van God de Vader, en de Heere Jezus Christus (vs.23). 8. 'Sjaloom' - vrede is het woord dat de brief aan Efeze typeert, samen met de woorden liefde en geloof. Een drievuldigheid in ware broeder­schap, voortvloeiend uit één bron: God de Vader en bemid­deld door de Middelaar, de Heere Jezus Christus.

Dat alles gebaseerd op genade. De genade zij met allen, die onze Heere Jezus Christus liefhebben in onverderfelijk­heid. Amen (vs.24). 9. Dit laatste vers van de brief is wel­licht een door Paulus eigenhandig geschreven zegengroet (L.Floor, a.w. blz. 213). Daarin legt hij zijn lezers als het ware zelf de handen op, opdat zij zouden volstromen met de genade waarover hij zo vaak in zijn brief schreef. 10. Die genadevolle handoplegging is er ook voor allen die onze Heere Jezus Chris­tus met een onsterfelijke en zuivere liefde liefhebben. 11.

5.
De genade van God rust in rijke mate op het hart waarin onver­gankelijke en integere liefde tot de Heere Jezus Christus mag leven. Zo geve de Heere het ook ons na het luisteren naar Paulus' brief aan Efeze, opdat wij werkelijk gezegende mensen mogen zijn. Amen.


Uw koninkrijk koom' toch, o Heer'!

Ai, werp de troon de satans neer;

Regeer ons door Uw Geest en Woord;

Uw lof word' eens alom gehoord,

En d' aarde met Uw vrees vervuld,

Totdat G' Uw rijk volmaken zult.


Want Uw is 't koninkrijk, o Heer',

Uw is de kracht, Uw is al d' eer.

U Die ons helpen wilt en kunt,

Die in Uw Zoon verhoring gunt,

Die door Uw Geest ons troost en leidt,

U zij de lof in eeuwigheid.


Het gebed des Heeren (ber.)

6.
noten


1. Gr.'proseuchè (ww. -omai') = (aan)bid­ding (aanbidden); meer algemeen. Gr. 'deèsis' = gebed (uit nood), voorbede. Gr. 'en panti kairooi' = te allen en ter rech­ter tijd. Gr. 'agrupne­oo' = waken. Voor de combinatie van waakzaamheid en gebed: zie Matth.26:41; Luk.21­:36. Gr. 'pros­karterèsis' = uithou­dings-vermo­gen, stand­vas­tigheid.
2. Gr. 'parrèsia' = vrijmoedigheid = alles zeggen (ook tegen­over hoog geplaatsten). Bij de Grieken was 'parrèsia' de demo­cratische vrijheid van spreken voor Griekse bur­gers.
3. Gr. 'presbeuoo'= als gezant reizen en werken. Zie onder Ef.3:1; 4:1. Gr. 'halusis' = keten (zegt dit iets over de manier waarop Paulus gevangen zat?). Gr. 'parrèsiadomai' = vrijmoedig spre­ken. In hetzelve = in het bekend maken van het geheimenis van het Evangelie.
4. M. Barth, geciteerd door John R.W. Stott, a.w. p.287.
5. Gr. 'ta kata tina' = de dingen die (mij) aangaan. Vgl. Hand.24:22; 25:14; Fil.1:12. Gr. 'pistos diako­nos' = getrouw dienaar; een 'diakonos' is in het algemeen iemand die één of andere dienst verricht in de gemeente; dat kan ook de dienst van de evangelieverkondiging zijn. Vgl. Ef.3:7.
6. Tychikus is afkomstig uit Kolosse. Hij is ook de over­bren­ger van de brief aan Kolosse (en aan Filemon?). Vgl. Kol.4:7­v. De brief aan Efeze is vermoedelijk in 53/54 te Efeze (tij­dens Paulus' gevangenschap daar) geschreven en door Tychikus ter hand gesteld aan de gemeenten waarvoor hij was bedoeld. A.van Roon, a.w. blz. 159 neemt aan, dat Paulus de brief aan Efeze te Caesarea (57-59 n.C.) heeft ge­schreven en dat Tychikus die van daaruit in de gemeen­ten in het Phrygische land heeft bezorgd.

Zie ook Hand.2­0:4v, waar verteld wordt, dat Paulus' reisge­zelschap (met Trofi­mus en Tychikus) hem in Troas op­wachtte, vlak voor zijn afreis naar Syrië/ Jeruzalem (einde derde zendingsreis). Is Tychikus daarna ook met Paulus meegereisd naar Jeruzalem? Is hij bij hem geweest in zijn tweejarige gevangen­schap (van 57-59 n.C.) te Caesarea? Na Paulus' vrijlating uit zijn eerste gevangen­schap te Rome, is hij in elk geval bij Paulus (te Nicopolis; vgl. Tit.3:­12). Hij is ook in Pau­lus' ge­zel­schap, als deze voor de tweede keer te Rome gevangen zit; vgl. 2 Tim.4:12 (Tychi­kus wordt naar Efeze gezonden).


7. Gr. 'eis auto toeto' = juist met dat doel. Gr. 'ta peri hè- mo­on' = de dingen m.b.t. tot ons (Paulus en zijn medewerkers). Gr. 'parakaleoo' = vermanen, bemoedigen (pal naast iemand = 'para').

7.
8. Ook in de Hellenistische brief groette de schrijver de geadresseerden aan het slot. Paulus wenst echter zijn lezers het allerbeste toe in de zin van: vrede en liefde met (en) ge­loof. Zie ook Ef.1:2. De drie woorden vrede, liefde en geloof komen in de brief aan Efeze veelvuldig voor.

Vrede : Ef.1:2; 2:14v; 17; 4:3; 6:15.

Liefde: Ef.1:15; 4:2, 15v; 5:2, 25, 28, 33; en 3:17; 5:2a.

Geloof: Ef.1:15; 2:8; 3:12, 17; 4:5, 13; 6:16.
9. De dagelijkse groet is 'chaire' = heb vreugde, wees blij.

Hier echter een genadegroet in de diepe zin van de gunst van God. Het lijkt me niet nodig in de woorden 'allen die..lief­heb­ben' een 'conditie' te lezen (voor zover zij...), zoals sommige uitleggers veronderstellen.


10. Let op het woordje 'de' voor genade. In de context van deze bede is dat de genade die zoveel in Paulus' brieven ter sprake komt. Vgl. 2 Kor.13:14; Kol.4:­18; Hebr.13:­25; 1 Tim.6: ­21; 2 Tim.4:­22; Tit.3:15.
11. Gr.'aphtharsia' = onbederfelijkheid, onvergankelijkheid. Vgl. Rom.2:7; 2 Tim.1:10 o.a. Wordt hier bedoeld: onsterfe­lijk (onvergankelijk) liefhebben (vgl.1 Kor.13:8)? Zo William Hendriksen, a.w. p.285. Of bedoelt Paulus: zuiver, integer lief­hebben. Zo L.Fl­oor (a.w. blz.21­4) (vgl. Openb.2:4­v) en J.Cal­vijn, a.w. blz.1­02. Het één behoeft het ander niet uit te sluiten. Vol­gens A.van Roon, a.w. blz.1­63 moeten de woorden 'in onver­derfelijk­heid' niet verbonden worden met het liefheb­ben van Christus, maar met genade (gena­de en onver­gankelijk­heid = deelhebben aan Gods Koninkrijk).

8.
TEKSTEN


bladzijde 2

a. Ex.17:8vv

b. Luk.18:1; Rom.12:1­2; Fil.4:6; Kol.4:2; 1 Thess.­5:­17

c. Ef.2:18, 22; 3:5; 5:18; Rom.8:1­5; Gal.4­:6

d. 1 Tim.2:1; 1 Petr.5:­9

e. Mark.13:33vv; Openb.22:20b

f. N­eh.4­:9; Mark.14:38a
bladzijde 3

a. Hand.1:14; 2:42; 6:4; 12:1vv

b. Kol.4:3; 1 Thess.5:25; 2 Thess.3:1

c. Ef.3­:9

d. Hand.4:13
bladzijde 4

a. Matt­h.10:1­9b

b. Rom.16:20
9.
GESPREKSVRAGEN

1. 'Danken is een goed wapen tegen neerslachtigheid' (een uitspraak aan het begin van deze laatste Bijbel­studie):

- ziet u verband tussen Efeze 1:16 en Efeze 6:18vv?
2. Strijden tegen vijanden (Ef.6:11vv) en bidden voor de broeders (Ef.6:18vv) horen bij elkaar:

- waarom en waartoe vraagt Paulus hier de voorbede van de lezers van zijn brief?

- wat betekent in dit verband voor hem en voor u het woord 'vrijmoedigheid' (vs.19, 20)?

- welke beletselen neemt u bij uzelf waar om uw mond open te doen of passende woorden te vinden over het Evange-­ lie in omstandigheden die het leven voor u tot een ge­- vangenis maken?


3. Wie is Tychikus (vs.21)? zie ook noot 6. Welke rol speelt hij hier als verbindingsman tussen Paulus en de geadresseer­den van de brief?

- wat kunt u leren uit deze passage omtrent het nut van berichten van het 'front' aan de thuisgemeente?


4. Vindt u het nuttig in de voorbeden (in de gemeente en ook persoonlijk) concreet de namen te noemen van u bekende christenen in situaties van vervolging?
5. Vrede, liefde, geloof, genade (de vss.23, 24) zijn trefwoorden in de brief aan Efeze. Wat betekenen die woorden in de zegenwens aan het slot van de brief?
6. Terugziende op alles wat we tegenkwamen in de brief aan Efeze, zou het goed zijn nog eens na te gaan, welke lessen u voor u persoonlijk van beslissend belang acht.
Excurs over 'De machten in de brief aan Efeze'.
Niet-menselijke, kosmische machten komen ter sprake in Paulus' brieven aan de Romeinen, in 1 Korinthe en in zijn brieven aan de Kolossenzen en aan de Efeziërs,het meest in de twee laat­st­ge­noemde brie­ven.

Volgens de door ons geboden exegese in Efeze 1:21; 2:2: 3:10 en 6:12 gaat de apostel hier uit van het bestaan van engelen, net als dat in de Evangeliën het geval is (zie o.a. Matth.26: ­53; Mark.12:25; Luk.15:10; 16:22). Het zijn per­soon­lijke gees­telijke en bovenaardse machten (niet 'bloed en vlees'), die te onderscheiden zijn in goede en kwade machten/ enge­len (Rom.8 ­:3­8; Ef.1:21 en Ef.3:10­). De laat­sten zijn uitgeval­len uit hun oor­spron­ke­lijk staat als gescha­pen goede geesten en thans ac-tief in het bestrijden van God, van Christus en van Zijn ge­meente (Kol.1­:1­6).


Het is opvallend,dat in het Nieuwe Testa­ment over de werkings- sfeer van de goede engelen op aarde beduidend terug­houdender wordt gesproken dan dat het geval is in geschrif­ten van het inter­testamentaire tijd­vak. Ook is er geen reden om aan te ne- men, dat 'Paulus in zijn brieven uitgaat van het bestaan van allerlei klassen van engelen die allen van God een taak hebben gekregen in het onderhouden en regeren van de wereld' (zo: H. Joche­msen, De machten in het Nieuwe Testa­ment en de kerk vandaag, in A.v.d.­Beek e.a., a.w. blz.65).
De menig­te van boze machten staat onder commando van een overste, de satan. Hun verblijfplaats is in het hemelse (Gr. 'epourani­a'; zie hoofdstuk 16 noot 9), ver boven alle aardse mach­ten (Ef.1:­21­), ofte wel in de lucht (Gr.'aèr'; ­zie onder Ef.2:2­), dat is: in de benedenste regio­nen van de hemel. Van daaruit

oefe­nen zij op aarde hun macht (der duisternis) uit (Ef.2:2; 6:12), menend dat zij alles voor het zeggen hebben (als 'kos-m­okrato­res' = wereldbeheersers). Deze geestelijke machten gaan schuil achter en manifesteren zich in menselijke autoriteiten

en wereldrijken, in menselijke levensgebieden, structuren en ideologieën van allerlei soort. Opzet en doel van hun activi­teiten is om die autonoom te maken, te verzelfstandigen en los te rukken van de Schep­per. Hun manifestaties zijn te herkennen aan de 'stoicheia toe kosmoe': het abc, princi­pes, grond­struc­turen en systemen van een van God afgekeer­d boos be­staan (re-li­gieus, zedelijk, poli­tiek, maat­schappe­lijk). Over deze 'stoicheia' zie mijn verklaring van de Brief aan de Galaten (Kampen 1990), blz.134vv, 146 over Gal.4:3, 9; vgl. ook Kol.2 ­:8, 20. N.B.: deze apostolische tekening van de boze machten onder leiding van satan spoort geheel met wat we in de Evange-liën lezen over de duivel en de demonen die Jezus uitwierp.

11.
De apostel Paulus brengt deze boze machten ter sprake:

a) om de lezers van zijn brief te wapenen tegen geestelijke gevaren die hen bedreigen. De machten nestelen zich in aardse gestalten/ structuren en hebben het kennelijk op hen gemunt. Hun doel is tot afval te brengen.

b) om de lezers van zijn brief te sterken in het geloof, dat deze machten in principe geneutraliseerd/ overwonnen zijn door Christus, aan het kruis. Hij is hun Hoofd! (Ef.1:21; 3:10; Kol.2:­10, 15). Nu roeren die machten zich nog wel steeds. Maar ze worden straks te niet gedaan (1 Kor.15­:24). Daarom mogen gelovigen in Christus meer dan over­winnaars zijn.


Vaak is de vraag gesteld, waaraan Paulus deze gedachte van de geestelijke boosheden in de lucht heeft ontleend. Duidelijke aanwijzingen m.b.t. bestrijding van mogelijke dwaalleer zijn er niet in de brief aan Efeze.
Er zijn de volgende mogelijkheden geopperd:
a.

Paulus denkt bij deze aanduidingen aan boze (astrale) geesten die een rol speelden in het hellenistisch heidendom van Efeze en Klein-Azië en die men suc­cesvol meende te kunnen bedwingen door magi­sche manipula­tie (vgl. Hand.19:13vv). Volgens Walter Grundmann (in: Der Begriff der Kraft in der Neutestament­lichen Gedankenwelt; 1932) blijkt uit een onderzoek van de magische papy­ri, dat men in de eerste eeuw n.C. algemeen geloofde in boven­aardse demonische mac­hten. Paulus zou dan in zijn brief aan Efeze oproepen om de strijd te voeren tegen deze machten in het geloof, dat Chris­tus daarover zege­vierde en dat zij dus in feite ontze­nuwd waren; geheel anders dan in de Joods-helle­nisti­sche syncretistische wereld waar men die machten meende te kunnen bezweren door magische midde­len. Zie ook Wagenvoort: Godsdienst van het Hellenisme.


b.

M.Dibelius (in Die Geisterwelt im Glauben des Paulus; Göttin­gen: Vandenhoeck & Ruprecht, 1909) ziet als belangrijkste wortel voor Paulus' spreken over de machten: de Joodse apoca­lyptiek. Hij stelt echter wel vast, dat Paulus niet meedoet in alle mogelijke speculaties binnen het Jodendom m.b.t. ver­schillende hemelen en klassen van engelen. Opvllend is in elk geval de uitvoerige aandacht voor de demonen in een aantal pseude­pigrafen die ook Paulus bekend moeten zijn geweest. Zie verder H.L.Strack-P.Billerbeck, a.w. Bnd.IV.1, einundzwanzig­ster Exkurs 'Zur altjüdischen Dämonologie, S. 501ff (vooral S. 515ff en 521ff).


c.

O.a. H.Berkhof (in: Christus en de machten; Nijkerk 1953) meent, dat Paulus het algemeen geloof in de boze machten ontmythologi­seert. Paulus denkt hierbij niet zozeer aan per­-


12.
soonlijke wezens, zoals in de Joodse apocalyptiek. Hij zou meer het oog hebben op verziekte sociale/ politieke structuren als die van menselijke tradities, religieuze en zedelijke codes, de juris­prudentie, de staat, de politiek, de mode, de massame­dia, de wetenschap, de economie, enz. (= 'stoicheia toe kos­moe'). Het is daardoor, dat op aarde de zaak gedemoniseerd en gedehumani­seerd wordt. En het is daarte­gen, dat in het geloof, dat Christus deze machten geneu­trali­seerd heeft, door de kerk posi­tie moet worden geko­zen.


O.i. zijn de opvattingen a en b (zie boven) te combineren en kan in Paulus' brief aan Efeze zowel aan het geloof in demo-nische machten in het hellenisme als aan het geloof daarin in het late Jodendom gedacht zijn.

Wat het laatste betreft is te verwijzen naar pseudepigrafische literatuur en naar Qum­ran. Ook Qumran kende de eschato­logische oorlog (á la Dan.1­1:40-12:3) van de 'zonen van het licht' (ge-assisteerd door engelen­mach­ten) tegen de 'zonen der duis­ter­nis', geassis­teerd door Belial en zijn machten der duister­nis. A.van Roon, a.w. blz.151v schrijft, verwijzend in dit verband naar dit strijdmotief bij de gemeen­schap van Qumran: 'De con-ceptie van de eschatolo­gische strijd neemt in de lite­ratuur van het late jodendom en de gedachten­wereld van de gemeenschap van Qumran een belang­rijke plaats in.' Een werke­lijke oorlog met reële wapenen. Paulus echter spreekt van een geestelijke strijd ('niet tegen bloed en vlees'), met wapenen van geeste­lij­ke aard. Zie verder over de machten bij A.van Roon: a.w. blz.38­vv, 55v en 89v.


Overigens is de gedachte van een heilige oorlog van God en Zijn volk tegen de boze machten, schuilgaande achter de volke­renwe­reld, ook het OT niet vreemd (vgl. Deut.32:17; Job 1:6; Ps­.82; Jes.42­:2­1; Dan.7­:2-8; 10:13, 20v). Vgl. ook 1 Kor.10:­20. 'The archetype of warfare is clearly Israëlite', aldus G.D. Reid in: Dictionary of Paul and his letters, a.w. p.751.
Het zou dus ook wel eens kunnen zijn, dat Paulus - hoewel a en b niet uitgesloten behoeven te worden - vooral vanuit deze oudtestamentische achtergrond schrijft over de machten in de brief aan Efeze. Dus over een eschatologische oorlog tegen de geeste­lijke booshe­den in de lucht die zich als vanouds in de naties inne­stelen en die God en Zijn ge­meente (bestaande uit Jood en hei­den) van de aardbodem pogen weg te vagen, die Jezus Chris­tus aan het kruis hebben gebrach­t (vgl. 1 Kor.2:8), maar over wie Jezus juist door Zijn kruis heeft getri­om­feerd (vgl. Fil.2:10; Kol.1:16; 2:10, 14).
De opvatting van H.Berkhof verwerpen wij. De machten worden niet ontmythologiseerd door Paulus. Hun bestaan 'in het hemel­se' wordt uitdrukkelijk gestipuleerd. En de strijd tegen deze machten is dan ook vooral een geestelijke strijd (niet 'tegen bloed en vlees'; niet slech­ts een politieke en sociale).

13.
Dat wil echter niet zeggen, dat het actiegebied en de wer­kingssfeer van de machten op aarde niet in allerlei levensge­bieden manifest worden. Terecht zegt daarom A.van de Beek (in: Het brood dat wij bre­ken, om de eenheid van een verdeelde kerk; Zoeter­meer 1996, blz.52): 'De duivel vertoont zich... ko­rtom in de structuur van de samenle­ving en in de cultuur.'


De strijd tegen de machten in onze tijd mag er daarom ook één zijn van verzet tegen alles wat zich in Gods goede schepping voordoet aan los-van-God bewegingen, aan demoraliserende en mensvernietigende ideologieën, aan kerkvervolging en andere ver­druk­kende syste­men, aan despotisme, kortom aan religieus/ zede­lijk en ecolo­gisch milieubederf. Zie verder onder Ef.1:21; 2:2 en 3:10.
Zie verder: Andrew T. Lincoln, a.w. p.95f; John R.W. Stott, a.w. p. 264vv; William Hendrik­sen, a.w. p. 272v en D.G.Re­id in zijn arti­kel 'Principali­ties and Po­wers' in Dicti­o­nary of Paul and his letters, a.w. p.748ff en de daar genoemde literatuur, vooral ook C.E.Arnold, Ephesians: Power and Magic; The con­cept of Power in Ephesians in light of its historical setting (SNTSMS 63; Cambridge: University Press, 1989; Idem, Powers of Dar­kness: Principalities and Powers in Paul's Letters (Downers Grove, IL:InterVarsity 1992); W.­Wink, Naming the Powers (Phi­la­delphi­a: Fortress, 1984); H.Berkhof, Chri­stus en de machten (Nijkerk 1953).




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina