Bijdrage voor jin september 2007



Dovnload 61.58 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte61.58 Kb.
Bijdrage voor JIN september 2007

Rechtbank ’s-Gravenhage

24 mei 2007, rekestnummer 06.1170

LJN BA6044

(mr. Wien, mr. De Valk, mr. Van Dorp)

Noot Janssen


Verzoek tot voorlopig getuigenverhoor. Onvoldoende belang. Goede procesorde.
De rechtbank stelt voorop dat zij het verzoek en de verweren zal toetsen aan de maatstaven zoals neergelegd in de beschikking van de Hoge Raad van 11 februari 2005, NJ 2005, 442.
H
et verzochte grootscheepse en uitputtende voorlopig getuigenverhoor vormt ingeval van toewijzing een forse tot enorme belasting voor de om te beginnen betrokken 33 getuigen, wederpartijen, advocaten en rechtbank. De rechtbank verwijst kortheidshalve ook naar de conclusie van A-G Wesseling-van Gent en naar de noot van Asser bij voornoemde standaardbeschikking van de Hoge Raad. Beiden schrijven over terughoudend rechterlijk beleid op het gebied van verzochte voorlopig getuigenverhoren als de onderhavige. Ook heeft de rechtbank daarbij acht geslagen op het Eindrapport 2006 van de Commissie Fundamentele Herbezinning Nederlands burgerlijk procesrecht van Asser, Groen en Vranken, blz. 69 t/m 71.
(Rv art. 186)
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt in dit geval echter het verweer van KPN, dat naar de kern genomen inhoudt dat verzoekers vooralsnog geen of onvoldoende rechtens te respecteren belang (art. 3:303 BW) hebben bij het toestaan van de verzochte voorlopig getuigenverhoren. Dit omdat hun rechtspositie als minderheidsaandeelhouders in het licht van de Poot/ABP jurisprudentie (Hoge Raad, NJ 1995 nr. 288) gelet op de inhoud van het verzoekschrift en de pleitnota van verzoekers aan de rechtbank vooralsnog dermate zwak voorkomt, dat de voorgenomen vordering tot schadevergoeding tegen derden vooralsnog niet of nauwelijks kans van slagen lijkt te hebben. Daartoe is het volgende redengevend.

Uit het standaardarrest Poot/ABP volgt dat "in het normale type van gevallen" aandeelhouders ingeval van een door een derde jegens de vennootschap gepleegde onrechtmatige daad in beginsel geen eigen vordering tot schadevergoeding tegen die derde geldend kunnen maken indien die schade - zoals hier bij het door het plotselinge faillissement gedupeerde beleggend publiek in aandelen KPNQwest het geval is - bestaat uit waardevermindering of waardeloos worden van die aandelen. Een dergelijke actie tegen de derde is in beginsel voorbehouden aan de vennootschap zelf of na faillissement aan haar curatoren. De Hoge Raad maakt geen uitzondering in het geval van beursgenoteerde naamloze vennootschappen, zoals het failliete KPNQwest. Slechts indien de eisende partij stelt welke specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens hem als aandeelhouder in privé door de derde is geschonden, staat voor de gedupeerde aandeelhouder in dit soort gevallen een eigen schadevergoedingsactie tegen de derde open. Volgens de Hoge Raad kan de eisende partij in zo'n geval niet volstaan met het enkel (in algemene bewoordingen) stellen van onzorgvuldig handelen van die derde.

1. [verzoeker sub 1],


wonende te Amsterdam,
2. de stichting STICHTING VEB-ACTIE KPNQWEST,
gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,
verzoekers,
advocaat: mr. A. Haan (Utrecht),
procureur: mr. W. Heemskerk,

t e g e n:

1. de naamloze vennootschap KPNQWEST N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende (per datum faillissement) te Hoofddorp,
deze gefailleerde vennootschap niet verschenen,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KPN TELECOM B.V., thans genaamd KPN B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te 's-Gravenhage,
advocaat: mr. A.R.J. Croiset van Uchelen (Amsterdam),
procureur: mr. H.J.A. Knijff,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid QWEST B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,
advocaat: mr. M. Das (Amsterdam),
procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,
verweersters.
( …; Red.)
2. Het verzoek:

2.1 [Verzoeker sub 1] en de Stichting voeren het volgende aan. De Stichting heeft onder meer als doel het verkrijgen van informatie over het beleid en de gang van zaken bij KPNQwest en het verkrijgen van financiële compensatie voor het nadeel dat beleggers in effecten van het beursfonds KPNQwest hebben geleden. De deelnemers in de Stichting hebben hun vorderingen tot vergoeding van schade onherroepelijk overgedragen aan de Stichting. [Verzoeker sub 1] is één van de gedupeerde aandeelhouders van KPNQwest.

2.2 Beleggers in KPNQwest hebben als gevolg van de enorme waardedaling die zich heeft voorgedaan in de aandelen in KPNQwest schade geleden. Met het volslagen onverwachte faillissement van KPNQwest op 31 mei 2002 is een beurswaarde van ruim 3 miljard euro verdampt. Deze schade is het gevolg van de onrechtmatige handelwijze van KPNQwest, haar bestuurder, commissarissen en feitelijk leidinggevenden en van de twee grootaandeelhouders, te weten KPN en Qwest.
Het onrechtmatig handelen van KPNQwest betreft onder meer:
a) het verstrekken van onjuiste en misleidende informatie aan beleggers;
b) het opwekken van de schijn van kredietwaardigheid;
c) het aangaan van transacties die ten doel hadden de financiële ontwikkeling van KPNQwest gunstiger voor te stellen;
d) het plegen van een acquisitie die slechts in het belang was van (één van) de grootaandeelhouders.

2.3 De twee grootaandeelhouders hebben een dominante invloed gehad op (het bestuur van) de vennootschap. Op hen rustte een bijzondere zorgplicht jegens de crediteuren en de overige aandeelhouders van KPNQwest. Zij hebben deze zorgplicht geschonden waardoor zij onrechtmatig jegens [verzoeker sub 1] en de Stichting hebben gehandeld. Voor een eventueel op te starten civiele procedure is het noodzakelijk om helderheid te krijgen over de feitelijke gang van zaken en details rond de ondergang van KPNQwest en de rol van haar bestuurders, feitelijk leidinggevenden en commissarissen, alsmede de rol van KPN, Qwest en hun bestuurders, feitelijk leidinggevenden en commissarissen.

2.4 [Verzoeker sub 1] en de Stichting zetten in het bijzonder vraagtekens bij de volgende activiteiten en transacties van KPNQwest.
a) Voor de overname van bepaalde activiteiten van GTS (Global Tele-Systems Group) heeft KPNQwest in totaal 645 miljoen euro betaald. Deze overname bood slechts een zeer gelimiteerde toegevoegde waarde. Verder had KPNQwest bij de presentatie van haar jaarcijfers 2000 te kennen gegeven dat nieuwe acquisities niet meer aan de orde zouden zijn. Voorts werd bij de aankondiging van de GTS-transactie bekend gemaakt dat KPN 20 miljoen aandelen aan Qwest en diens grootaandeelhouder Anschutz verkocht. Later bleek dat Anschutz ook belangen had in GTS. De zeggenschapsverhouding tussen KPN en Qwest is door deze aandelentransactie zodanig gewijzigd dat Qwest en Anschutz een doorslaggevende stem verkregen bij de aankoop van de GTS-activiteiten. Bij deze transactie is alleen oog geweest voor de belangen van KPN en van Qwest en is in strijd gehandeld met de zorgplicht die KPN en Qwest dienden te betrachten jegens de crediteuren en de overige aandeelhouders.
b) De door KPNQwest gehanteerde methode van verwerking van zogenaamde swap- en IRU transacties is in strijd met de regels voor verslaggeving. Betalingen werden direkt als omzet geboekt, zelfs als het meerjarencontracten betrof. De kosten verbonden aan de transacties werden echter, anders dan de omzet, over de looptijd van de contracten uitgesmeerd. Deze handelwijze had geen ander doel dan het oppoetsen van de omzetcijfers van KPNQwest.
c) KPN en Qwest hebben zich als grootaandeelhouders niet gehouden aan de door hen aan KPNQwest afgegeven omzetgaranties. Zij verschaffen geen duidelijkheid over de aard, omvang en condities van die garanties. Hierover dient meer duidelijkheid te worden verkregen.
d) Door KPNQwest zijn in 2002 met een syndicaat van banken leningen aangegaan, waarvan de grootaandeelhouders wisten dan wel konden weten dat de daaruit voortvloeiende verplichtingen niet konden worden nagekomen. Ook over de gang van zaken rondom het aangaan van die leningen dient duidelijkheid te worden verkregen.
e) Op de dag van de aanvraag van de surséance van betaling is de Raad van Commissarissen van KPNQwest afgetreden, zonder in zijn opvolging te voorzien of voor andersoortige vervanging te zorgen. Gevolg hiervan is dat de banken de kredietfaciliteiten hebben bevroren. Over de gang van zaken rondom het aftreden dient meer duidelijkheid te komen.

2.5 [Verzoeker sub 1] en de Stichting willen met het verzochte voorlopig getuigenverhoor met name bewijzen verzamelen voor hun stellingen dat de Raad van Bestuur, respectievelijk KPN en Qwest:


- inzicht in en zeggenschap hadden over het beleid van KPNQwest;
- wetenschap hadden van benadeling van schuldeisers en overige aandeelhouders van KPNQwest;
- hun zorgplicht jegens crediteuren en overige aandeelhouders van KPNQwest hebben geschonden;
- als aandeelhouders van KPNQwest (in ieder geval) in het kader van de GTS-transactie in strijd hebben gehandeld met de als aandeelhouders in acht te nemen zorgplicht jegens KPNQwest, de overige aandeelhouders en de crediteuren van KPNQwest, althans dat zij in dat kader onrechtmatig hebben gehandeld en dat zij deswege jegens deze partijen, waaronder [verzoeker sub 1] en de Stichting aansprakelijk zijn;
- ook als werkgever van de commissarissen aansprakelijk zijn voor de activiteiten van deze commissarissen bij de GTS-transactie;
- op de hoogte waren van en/of betrokken zijn geweest bij de zogenaamde IRU en swaptransacties en dat zij deswege eveneens onrechtmatig hebben gehandeld;
- ook overigens onrechtmatig hebben gehandeld doordat zij hun (garantie)verplichtingen jegens KPNQwest niet zijn nagekomen;
- wisten dan wel konden weten dat KPNQwest verplichtingen aanging, waaronder ten opzichte van een syndicaat van banken, welke zij niet dan wel niet binnen redelijke termijn zou kunnen nakomen en dat zij evenmin verhaal bood voor de tengevolge van die wanprestatie door de wederpartij te lijden schade;
- hun verschillende belangen op een ongeoorloofde wijze hebben verstrengeld, althans laten verstrengelen.

2.6 Ten aanzien van de Raad van Commissarissen willen [verzoeker sub 1] en de Stichting bewijzen verzamelen voor hun stellingen dat de commissarissen:


- geen dan wel onvoldoende oog hebben gehad voor de belangen van KPNQwest, onder andere in het kader van de GTS-transactie;
- ook overigens geen dan wel een onvoldoende zelfstandige positie ten opzichte van de grootaandeelhouders hebben ingenomen;
- geweten hebben van de onrechtmatige IRU- en swaptransacties;
- wisten dan wel konden weten dat KPNQwest verplichtingen aanging, waaronder ten opzichte van het syndicaat van banken, welke zij niet dan wel niet binnen redelijke termijn zou kunnen nakomen en dat KPNQwest evenmin verhaal bood voor de tengevolge van die wanprestatie door de wederpartijen te lijden schade;
- er niet dan wel onvoldoende op hebben toegezien dat de grootaandeelhouders hun verplichtingen en toezeggingen jegens KPNQwest nakwamen;
- hun taken kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld door op 23 mei 2002 voltallig op te stappen en daarboven niet te voorzien in opvolging of andersoortige vervanging;
- ook overigens hun taken kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld en dat aannemelijk is dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement.

2.7 [Verzoeker sub 1] en de Stichting willen over al het vorenstaande om te beginnen 32 getuigen doen horen, waaraan ter zitting als 33e getuige nog werd toegevoegd de voormalig bestuursvoorzitter van KPN NV Ad Scheepbouwer naar aanleiding van de zogenoemde "Scheepbouwer-fax" van 26 september 2001.

3. De verweren:

3.1 Qwest voert als verweer vooral aan dat [verzoeker sub 1] en de Stichting misbruik maken van hun recht een voorlopig getuigenverhoor te verzoeken, omdat ook de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam is verzocht een enquête-onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van KPNQwest te bevelen. Dat verzoek is gebaseerd op nagenoeg dezelfde omstandigheden als thans in het verzoekschrift worden aangevoerd. De Ondernemingskamer heeft inmiddels bij beschikking van 28 december 2006 een enquête-onderzoek bevolen. Al de door [verzoeker sub 1] en de Stichting aangevoerde thema's komen aan de orde in deze uitvoerige beschikking van de Ondernemingskamer. Daarnaast wijst Qwest erop dat de vereiste financiële middelen voor het bevolen enquête-onderzoek nog niet ter beschikking zijn gesteld, zodat er gerede twijfel bestaat of [verzoeker sub 1] en de Stichting wel in staat en bereid zijn om een voorlopig getuigenverhoor te financieren.

3.2 Met betrekking tot de door [verzoeker sub 1] en de Stichting ter discussie gestelde activiteiten en transacties wordt door Qwest het volgende opgemerkt.
a) De Ondernemingskamer heeft in haar beschikking beslist dat het aangaan van de GTS-transactie geen gegronde redenen oplevert voor twijfel aan een juist beleid van KPNQwest.
b) Met betrekking tot de zogenaamde IRU en swaptransacties en de gestelde inadequate verslaggeving daarover heeft de Ondernemingskamer al een onderzoek gelast.
c) De Ondernemingskamer heeft vastgesteld dat er geen reden is te betwijfelen dat KPN en Qwest hebben voldaan aan hun omzetgaranties.
d) De banken die betrokken zijn bij de in 2002 aangegane leningen hebben daarover inmiddels zelf een procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank te Amsterdam tegen onder andere KPN en Qwest. Duidelijkheid over de gang van zaken rondom het aangaan van die leningen zal kunnen worden verkregen uit die aanhangige procedure.
e) Ook met betrekking tot het aftreden van de commissarissen heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen.

3.3 Mocht het verzoek toch worden toegewezen dan vindt Qwest dat de eisen van proceseconomie meebrengen dat (per bewijsthema) eerst een beperkt aantal getuigen dient te worden gehoord.

3.4 KPN voert bij pleitnota ter zitting - in aanvulling op het verweer van Qwest - onder meer het volgende aan. Indien al zou kunnen worden geoordeeld dat bij de door [verzoeker sub 1] en de Stichting genoemde activiteiten en transacties onrechtmatig is gehandeld, dan komt dit voor rekening van de beleidsbepalers binnen KPNQwest en zeker niet voor rekening van grootaandeelhouder KPN. Door bijna vijf jaar na het faillissement van KPNQwest een voorlopig getuigenverhoor te verzoeken, zonder bij de curatoren een vordering ter verificatie te hebben aangemeld, maken [verzoeker sub 1] en de Stichting misbruik van hun recht een dergelijk verhoor te vragen.

3.5 Indien het gestelde onrechtmatig handelen wel zou hebben plaatsgevonden, en dit handelen aan de grootaandeelhouders zou kunnen worden verweten, is het slechts aan de curatoren van KPNQwest en niet aan de gedupeerde kleinaandeelhouders om een schadevergoedingsactie tegen KPN in te stellen. KPN verwijst naar het arrest Poot/ABP (NJ 1995 nr. 288), waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat indien aan een vennootschap door een derde vermogensschade is toegebracht, in beginsel alleen die vennootschap het recht heeft om van die derde vergoeding van de aan haar toegebrachte schade te vorderen en niet ook de aandeelhouders. De curatoren zijn hier ook toe overgegaan. Zij zijn in de Verenigde Staten tegen de moedermaatschappij van Qwest en tegen een aantal voormalig functionarissen van KPNQwest procedures gestart. Op KPN en op Qwest zou alleen een vordering kunnen bestaan indien hen een zelfstandig verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot misleiding van beleggers waardoor bij aankoop van effecten schade is geleden. Daarover is echter niets relevants gesteld, aldus KPN.


4. De beoordeling:

4.1 Gelet op de aard en omvang van deze zaak en de achterliggende grote financiële belangen heeft de rechtbank besloten deze zaak in meervoudige kamer te beslissen. De rechtbank stelt voorop dat zij het verzoek en de verweren zal toetsen aan de meest recente maatstaven zoals neergelegd in de beschikking van de Hoge Raad van 11 februari 2005, NJ 2005 nr. 442.

4.2 Zoals ter zitting besproken, vormt het verzochte grootscheepse en uitputtende voorlopig getuigenverhoor ingeval van toewijzing een forse tot enorme belasting voor de om te beginnen betrokken 33 getuigen, wederpartijen, advocaten en rechtbank. De rechtbank verwijst kortheidshalve ook naar de conclusie van A-G Wesseling-van Gent en naar de noot van Asser bij voornoemde standaardbeschikking van de Hoge Raad. Beiden schrijven over recent terughoudend rechterlijk beleid op het gebied van verzochte voorlopig getuigenverhoren als de onderhavige. Ook heeft de rechtbank daarbij acht geslagen op het Eindrapport 2006 van de Commissie Fundamentele Herbezinning Nederlands burgerlijk procesrecht van de professoren Asser, Groen en Vranken, blzz. 69 t/m 71.

4.3 Anderzijds ziet en begrijpt de rechtbank de wens en het feitelijk belang van het door verzoekers vertegenwoordigde deel van het gedupeerde beleggend publiek om nu langs deze weg zo mogelijk duidelijkheid, informatie en "eindelijk eens de waarheid op tafel" te krijgen. Dit temeer omdat blijkens de stukken kort gezegd de initiator VEB kennelijk al vijf jaar geen relevante informatie kan verkrijgen van curatoren en van de beide grootaandeelhouders over eventuele bestuurdersaansprakelijkheid en/of aansprakelijkheid van grootaandeelhouders en/of van overige relevante beleidsbepalers. Ook is de door de Ondernemingskamer toegestane enquête veel beperkter van omvang dan het verzochte voorlopig getuigenverhoor, terwijl aan zo'n enquête bovendien forse kosten zijn verbonden. Dat verzoekers feiten en omstandigheden wensen te achterhalen om hun kansen in de voorgenomen bodemprocedure tot schadevergoeding tegen de relevante beleidsbepalers van KPNQwest vooraf beter in te kunnen schatten en om die voorgenomen vorderingen nader te kunnen onderbouwen, is een belang dat van oudsher en in beginsel bij uitstek kan worden gediend door het houden van een voorlopig getuigenverhoor.

4.4 De rechtbank verwerpt het vooral door Qwest gevoerde verweer dat verzoekers nu geen belang hebben bij of misbruik maken van het verzochte omvangrijke voorlopig getuigenverhoor, zulks omdat volgens Qwest de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam aan kort gezegd de VEB al een onderzoek (enquête) heeft toegestaan naar het beleid en de gang van zaken binnen KPNQwest. Daartoe is het volgende redengevend.

4.5 Qwest en ook KPN zien hierbij naar het oordeel van de rechtbank niet alleen over het hoofd dat de door de Ondernemingskamer toegestane enquête voor wat betreft de toegelaten periode en onderwerpen van beperkter omvang is dan het verzochte voorlopig getuigenverhoor, maar ook dat praktisch bezien niet meer te verwachten is dat die enquête nog doorgang zal vinden nu niemand de door de Ondernemingskamer begrote kosten van € 500.000,- lijkt te willen of te kunnen voorschieten. Bovendien miskennen verweersters dat de eventuele resultaten van een enquête ex art. 2:345 BW slechts een beperkte bewijsrechtelijke betekenis hebben voor de door verzoekers voorgenomen bodemprocedure op de voet van art. 6:162 BW jo. 2:9 BW (vergelijk Hoge Raad, NJ 2003 nr. 538 en NJ 2006 nr. 443).

4.6 Naar het oordeel van de rechtbank slaagt in dit geval echter het verweer van KPN, dat naar de kern genomen inhoudt dat verzoekers vooralsnog geen of onvoldoende rechtens te respecteren belang (art. 3:303 BW) hebben bij het toestaan van de verzochte voorlopig getuigenverhoren. Dit omdat hun rechtspositie als minderheidsaandeelhouders in het licht van de Poot/ABP jurisprudentie (Hoge Raad, NJ 1995 nr. 288) gelet op de inhoud van het verzoekschrift en de pleitnota van verzoekers aan de rechtbank vooralsnog dermate zwak voorkomt, dat de voorgenomen vordering tot schadevergoeding tegen derden vooralsnog niet of nauwelijks kans van slagen lijkt te hebben. Daartoe is het volgende redengevend.

4.7 Uit het standaardarrest Poot/ABP volgt dat "in het normale type van gevallen" aandeelhouders ingeval van een door een derde jegens de vennootschap gepleegde onrechtmatige daad in beginsel geen eigen vordering tot schadevergoeding tegen die derde geldend kunnen maken indien die schade - zoals hier bij het door het plotselinge faillissement gedupeerde beleggend publiek in aandelen KPNQwest het geval is - bestaat uit waardevermindering of waardeloos worden van die aandelen. Een dergelijke actie tegen de derde is in beginsel voorbehouden aan de vennootschap zelf of na faillissement aan haar curatoren. De Hoge Raad maakt geen uitzondering in het geval van beursgenoteerde naamloze vennootschappen, zoals het failliete KPNQwest. Slechts indien de eisende partij stelt welke specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens hem als aandeelhouder in privé door de derde is geschonden, staat voor de gedupeerde aandeelhouder in dit soort gevallen een eigen schadevergoedingsactie tegen de derde open. Volgens de Hoge Raad kan de eisende partij in zo'n geval niet volstaan met het enkel (in algemene bewoordingen) stellen van onzorgvuldig handelen van die derde.

4.8 A-G Hartkamp en annotator Maeijer (zie ook Asser-Maeijer 2000, nr. 180a) noemen bij het arrest Poot/ABP als mogelijk voorbeeld van een uitzondering op bovenstaande, voor de aandeelhouders harde regel het geval, dat de derde het vooropgezette doel had of beoogde niet zozeer de vennootschap maar vooral de aandeelhouder(s) in privé te treffen, dus waarbij de vennootschap als het ware gebruikt wordt om de aandeelhouder(s) "achter de schermen" te treffen. Volgens Hartkamp moeten strenge eisen worden gesteld aan het slagen van een actie uit onrechtmatige daad van een aandeelhouder in privé wegens waardevermindering van diens aandelen.

4.9 Dit is volgens Hartkamp te rechtvaardigen doordat een aandeelhouder geen gewone crediteur is van een vennootschap maar slechts een zogenaamde post-concurrente crediteur met een bijzondere positie van eigen aard jegens de vennootschap. Terzijde: blijkbaar daarom hebben de verzoekers ook geen (op voorhand kansloze) vordering ter verificatie ingediend bij de curatoren in het faillissement van KPNQwest, en vinden of zien de verzoekers ook geen rechtsingang bij de faillissements-RC van de rechtbank Haarlem tot het houden van faillissementsverhoren naar eventuele aansprakelijkheid van bestuurders, beleidsbepalers en grootaandeelhouders van KPNQwest.

4.10 De Hoge Raad heeft naar het oordeel van de rechtbank recent (RvdW 2007 nr. 203, Tuin Beheer) een nadere invulling gegeven aan het arrest Poot/ABP. De rechtbank maakt uit dat recente arrest op dat de voor aandeelhouders strenge en ongunstige Poot/ABP-regel ook van toepassing is in gevallen waarin een bestuurder van een vennootschap is tekortgeschoten in zijn verplichtingen jegens de vennootschap. De enkele omstandigheid dat een voorzienbaar gevolg was dat door de onrechtmatige handelwijze van die bestuurder de aandeelhouder werd benadeeld, brengt volgens de Hoge Raad niet mee dat die bestuurder de vereiste specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens die aandeelhouder heeft geschonden. Dit laatste geldt zelfs indien de bestuurder van de vennootschap onnodig en desbewust voor eigen gewin het faillissement van de vennootschap heeft veroorzaakt, aldus (geparafraseerd) de Hoge Raad. Slechts indien bijkomende omstandigheden zijn gesteld, zoals het opzet om die aandeelhouder aldus te benadelen, kan naar de rechtbank begrijpt volgens de Hoge Raad tevens de vereiste specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens die aandeelhouder(s) zijn geschonden.

4.11 Het voorgaande vormt het beoordelingskader voor deze door verzoekers en verweerders aan de rechtbank ter beslissing voorgelegde rekestzaak, te volgen door een bodemprocedure waarin de gedupeerde minderheidsaandeelhouders van de gefailleerde vennootschap KPNQwest (het beleggend publiek) een eigen actie tot schadevergoeding tegen derden (kort gezegd alle mogelijke relevante beleidsbepalers van KPNQwest, de grootaandeelhouders KPN en Qwest en hun beide moeders KPN NV en Qwest Inc) wensen in te stellen.

4.12 Tegen de achtergrond van deze jurisprudentie moet de rechtbank bij lezing en herlezing van het omvangrijke verzoekschrift met producties constateren, dat verzoekers welbeschouwd in zeer vele opzichten, maar telkens slechts in algemene bewoordingen stellen of veronderstellen dat er door de beleidsbepalers en de grootaandeelhouders onrechtmatig is gehandeld jegens de crediteuren en de overige (klein)aandeelhouders van de in mei 2002 onverwachts gefailleerde beursvennootschap KPNQwest. Ook indien daarbij in aanmerking wordt genomen dat het hier "nog slechts" gaat om een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, stellen verzoekers naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet - zoals wel vereist is wil de voorgenomen bodemprocedure een kans van slagen hebben - welke specifieke zorgvuldigheidsnorm door de desbetreffende beleidsbepalers en grootaandeelhouders jegens hen als beleggend aandeelhouderspubliek zou (kunnen) zijn geschonden. Ook de door verzoekers nog genoemde misleiding van het beleggend publiek is naar het oordeel van de rechtbank in een bijzonder geval als dit onvoldoende concreet gesteld, hoewel verzoekers op dat punt inmiddels toch over voldoende relevant openbaar schriftelijk bewijsmateriaal moeten kunnen beschikken waarover wegens door hen te stellen concrete omstandigheden getuigen nog nader zouden moeten worden gehoord. Het enige tot dusver in de jurisprudentie en literatuur genoemde voorbeeld van de vereiste uitzondering van schending van een specifieke zorgvuldigheidsnorm - kort gezegd het boos opzet van de te dagvaarden derden om specifiek juist de aandeelhouder(s) van de vennootschap te treffen en te benadelen - is in dit geval van de beleidsbepalers van KPNQwest niet gesteld en ook nauwelijks voorstelbaar.

4.13 Het enkele, te betreuren feit dat de vele aandelen van het beleggend publiek in KPNQwest waardeloos zijn geworden en dat de "maatschappelijke schade" wellicht groot is, vormt in het licht van voormelde jurisprudentie van de Hoge Raad eveneens onvoldoende belang om het verzochte voorlopig getuigenverhoor toe te laten. Dit waardeloos worden van aandelen is in beginsel ook een aan beleggen in aandelen inherent risico dat voor rekening van minderheidsaandeelhouders moet blijven, tenzij jegens hen specifieke zorgvuldigheidsnormen zijn geschonden of concreet te stellen misleiding van het beleggend publiek heeft plaatsgevonden. Aan die in een bijzonder geval als dit bijzondere stelplicht hebben verzoekers naar het oordeel van de rechtbank in dit verzoekschrift en ter zitting bij pleitnota niet voldaan.

4.14 Onder die omstandigheden weegt zwaar en geeft de doorslag het belang van de voorgestelde 33 getuigen, de wederpartijen en de rechtbank om niet te worden belast met het in dit verzoekschrift verzochte omvangrijke en uitputtende, maar vooralsnog voor de voorgenomen vordering van verzoekers weinig zinvolle voorlopig getuigenverhoor naar in feite alle details van de opkomst en ondergang van KPNQwest van 1999 tot en met mei 2002 en de mogelijk onrechtmatige rol van haar beleidsbepalers daarbij. In zoverre heeft dit verzoekschrift - nu niet met enige mate van concreetheid is gesteld welke concrete misleiding van het beleggend publiek vermoedelijk heeft plaatsgevonden of welke specifieke zorgvuldigheidsnorm door de beleidsbepalers en grootaandeelhouders zou kunnen zijn geschonden ter beperking van de rechtens relevante thema's van het voorlopig getuigenverhoor - het karakter van een nagenoeg onbeperkte, voor nagenoeg alle betrokkenen zeer belastende, en voor een voorlopig getuigenverhoor naar huidige maatstaven als ontoelaatbaar te beschouwen "visexpeditie".

4.15 De rechtbank komt alles afwegende tot de slotsom dat zij dit verzoek in dit verzoekschrift in de bijzondere omstandigheden van dit specifieke geval behoort af te wijzen.

(….; Red.)


Noot
1. Inleiding
Het gaat hier om een verzoek van gedeputeerde aandeelhouders van KPNQWEST en de STICHTING VEB-ACTIE KPNQWEST om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen om helderheid te krijgen over de feitelijke gang van zaken en details rond de ondergang van KPNQwest en de rol van haar bestuurders, feitelijk leidinggevenden en commissarissen alsmede de rol van KPNQwest en haar bestuurders, feitelijk leidinggevenden en commissarissen.
Verzoekers hebben naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet gesteld welke specifieke zorgvuldigheidsnorm door de beleidsbepalers en grootaandeelhouders van KPNQwest jegens hen als beleggend aandeelhouderspubliek zou kunnen zijn geschonden en welke concrete misleiding van het beleggend publiek vermoedelijk heeft plaatsgevonden. Onder die omstandigheden weegt zwaar en geeft de doorslag het belang van de voorgestelde 33 getuigen, de wederpartijen en de rechtbank om niet te worden belast met het in het verzoekschrift verzochte omvangrijke en uitputtende maar vooralsnog volgens de rechtbank voor de voorgenomen vordering van verzoekers weinig zinvolle voorlopige getuigenverhoor naar in feite alle details van de opkomst en ondergang van KPNQwest van 1999 tot en met mei 2000 en de mogelijk onrechtmatige rol van haar beleidsbepalers daarbij. De rechtbank wijst het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor dan ook af.
De rechtbank zet in r.o. 4.1 – 4.2 uiteen aan de hand van welke maatstaven dient te worden beoordeeld of een verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor al dan niet kan worden toegestaan. De rechtbank noemt in dat verband de beschikking van de HR d.d. 11 februari 2005, NJ 2005, 442. In het hiernavolgende zal ik de desbetreffende maatstaven nader uitwerken en toelichten.
Artikel 186 lid 1 Rv. bepaalt dat in de gevallen waarin bij de wet bewijs door getuigen is toegelaten op verzoek van een belanghebbende onverwijld een voorlopig getuigenverhoor kan worden bevolen voordat een zaak aanhangig is. Ingevolge lid 2 van artikel 186 Rv. kan de rechter op verzoek van een partij tijdens een reeds aanhangig geding een voorlopig getuigenverhoor bevelen.
In het geval het verzoek op zichzelf voldoende concreet en terzake dienend is en feiten bevat die zich lenen voor een getuigenverhoor, is het uitgangspunt dat het verzoek dient te worden toegewezen. In deze noot komt aan de orde welke afwijzingsgronden de rechter dan nog kan gebruiken.
2. Het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor
2.1. Inleiding
In zowel lid 1 als lid 2 van artikel 186 Rv. staat vermeld dat de rechter een voorlopig getuigenverhoor kan bevelen. Dit betekent echter niet dat de rechter een discretionaire bevoegdheid heeft terzake van een verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor. Behoudens de hierna nog te bespreken uitzonderingen heeft de verzoeker recht op een getuigenverhoor1.
In de zaak Frog/Floriade zet de Hoge Raad uiteen2, in welke gevallen een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, als het overigens aan de eisen voor toewijzing daarvan voldoet, kan worden afgewezen. Dit is het geval indien (1) van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt, waarvan onder meer sprake kan zijn wanneer de verzoeker wegens de onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot toepassing van die bevoegdheid kan worden toegelaten3, of (2) indien het verzoek strijdig is met een goede procesorde dan wel (3) het moet afstuiten op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar4. Voorts geeft de Hoge Raad uitdrukkelijk aan dat er in algemene zin geen aanleiding is het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor onttrokken te achten aan de in artikel 3:303 BW neergelegde regel dat zonder belang niemand een rechtsvordering toekomt.
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt5 dat een (aan de wettelijke vereisten voldoend) verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ook kan worden afgewezen wegens een te zwakke materiële rechtspositie van de verzoeker. Zoals Groot terecht opmerkt6, kan derhalve iemand belang hebben bij het houden van een voorlopig getuigenverhoor, maar een te zwak materieel recht hebben om het houden van een voorlopig getuigenverhoor te rechtvaardigen. Dit is een grond die in de praktijk meer zou kunnen worden uitgewerkt en gebruikt met name als een voorlopig getuigenverhoor wordt verzocht in het geval nog geen procedure aanhangig is. In dit verband kan worden genoemd het geval dat verzoeker een te zwak of te vaag materieel recht heeft en het voorlopig getuigenverhoor wordt gebruikt als een fishing expedition7
2.2. De door de Hoge Raad genoemde afwijzingsgronden nader bezien
Ten aanzien van de door de Hoge Raad in zijn voormelde uitspraak8 genoemde gevallen waarin de verzoeker een voorlopig getuigenverhoor zou moeten worden onthouden, kan meer in het bijzonder het volgende worden opgemerkt.
(i) Onvoldoende belang
Artikel 3:303 BW bepaalt dat zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toekomt. Het belang moet voldoende zijn om de rechtsvordering te rechtvaardigen9. De rechter dient terughoudend te zijn met het afwijzen van een vordering op de grond dat er niet voldoende belang bestaat10. Een emotioneel belang kan, hoe zwaarwegend ook, niet worden aangemerkt als een voldoende belang11. In het algemeen mag voldoende belang voor de verzoeker worden verondersteld. Slechts bij uitzondering moet hij bewijzen voldoende belang te hebben12.
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt13 dat artikel 3:303 BW niet als een toepassing van artikel 3:13 lid 2 BW14 kan worden gezien. Stolker vestigt er de aandacht op15 dat beide artikelen niet samenvallen, reeds omdat het hier niet alleen gaat om de afweging van de belangen van de betrokken partijen tegen elkaar, maar ook om de eisen van een behoorlijke procesvoering en het belang van de rechtspleging waarop de rechter ambtshalve heeft te letten16. De vraag of de verzoeker een voldoende belang had, komt aan de orde in de reeds genoemde uitspraak van de Hoge Raad inzake Frog/Floriade17.
Frog had een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ingediend op een moment dat tussen haar en Floriade reeds een rechtbankprocedure aanhangig was. De rechtbank Haarlem wees het verzoek af wegens strijd met de goede procesorde. In hoger beroep wees het hof Amsterdam het verzoek af wegens onvoldoende belang van Frog. Daartoe heeft het hof overwogen dat in het hoofdgeding pleidooi zou volgen zes dagen na de beschikking van het hof inzake het verzoek en dat bij toewijzing daarvan in het voorlopig getuigenverhoor te horen getuigen daarom redelijkerwijs niet zouden kunnen worden gehoord voordat in het hoofdgeding het (tussen)vonnis zou zijn uitgesproken.
Door aldus te overwegen en daarop te laten volgen dat het hof ervan uitging, evenals partijen vervolgens in hun uitlatingen tegenover het hof, dat een eventueel tussenvonnis duidelijkheid zou scheppen ten aanzien van de te bewijzen stellingen en de bewijslast daaromtrent, heeft het hof volgens de Hoge Raad op begrijpelijke wijze gemotiveerd waarom het van oordeel was dat Frog bij toewijzing van haar verzoek onvoldoende belang had: uit hetgeen het hof heeft overwogen, volgt dat naar de verwachting van zowel het hof als van partijen het verloop van het hoofdgeding zodanig was dat toewijzing van het verzoek in dat stadium overbodig was.
Hieruit kan worden geconcludeerd dat de mogelijkheid van het houden van een voorlopig getuigenverhoor tijdens een aanhangig geding beperkt kan zijn18. Indien in een geval als de Hoge Raad had te beoordelen verzoeker meent een voldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW te hebben bij toewijzing van een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor, moet dat worden aangetoond. De verzoeker kan op een later moment in het hoofdgeding (hoger beroep) wel weer voldoende belang bij een voorlopig getuigenverhoor hebben, bijvoorbeeld als direct een eindvonnis wordt gewezen, waarbij de vordering van eiser wordt afgewezen omdat hij onvoldoende zou hebben gesteld19. Om voldoende te kunnen stellen, heeft eiser zekerheid nodig omtrent voor het geschil relevante feiten en omstandigheden, waardoor hij voldoende belang heeft bij een voorlopig getuigenverhoor20.
(ii) Misbruik van bevoegdheid
In dit verband is van belang artikel 3:13 BW. Ingevolge lid 1 van dat artikel kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt, deze niet inroepen voorzover hij haar misbruikt. Uit lid 2 van de onderhavige bepaling blijkt dat een bevoegdheid onder meer kan worden misbruikt door haar (1) uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of (2) met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of (3) ingeval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Op grond van de schakelbepaling van artikel 3:15 BW is artikel 3:13 BW ook van belang in het burgerlijk procesrecht, derhalve ook bij de vraag of een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor voor toewijzing in aanmerking komt21.
Van de bevoegdheid om een voorlopig getuigenverhoor te verzoeken wordt misbruik gemaakt in de hiernavolgende gevallen22:

  • Indien de verzoeker wegens onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot toepassing van die bevoegdheid kan worden toegelaten;

  • Indien op voorhand vast staat dat de te bewijzen feiten of rechten niet tot de beslissing van de zaak kunnen leiden;

  • Indien niet duidelijk is op welk feitelijk gebeuren het verhoor betrekking zal hebben;

  • Indien een voorlopig getuigenverhoor wordt verzocht met het oog op een andere, dan een civielrechtelijke procedure, en in het verlengde daarvan,

  • Indien het voorlopig getuigenverhoor betrekking heeft op feiten die uitsluitend van belang kunnen zijn in een bestuursrechtelijke procedure.

Het meest voorkomende geval van misbruik van recht om een voorlopig getuigenverhoor te verzoeken heeft betrekking op strijd met het evenredigheidscriterium23. Alleen als de belangenafweging resulteert in het oordeel dat geen weldenkend mens in redelijkheid tot de uitoefening van de bevoegdheid om een voorlopig getuigenverhoor te verzoeken had kunnen komen, kan misbruik op grond van het evenredigheidscriterium worden aangenomen.


(iii) Goede procesorde
Over het verschil tussen de goede procesorde en misbruik wordt wel heengelopen met het argument dat beide gronden in concrete gevallen niet tot andere uitkomsten leiden24.

Groot merkt terecht op25 dat de goede procesorde en misbruik twee verschillende rechtsbegrippen zijn met ieder hun eigen inhoud26. In verband met het verschil tussen de goede procesorde en misbruik van (proces)recht is mijns inziens juist de stelling van Groot dat voor het aannemen van misbruik van recht een zwaardere stelplicht geldt dan bij het aannemen van strijdigheid met de goede procesorde, alsmede dat de toets van misbruik van recht een meer marginale toets is dan die van de goede procesorde.


Als voorbeeld van een geval waarin afwijzing op grond van de goede procesorde wel mogelijk is maar op grond van misbruik van recht niet, kan een zaak worden genoemd waarin het ging om een voorlopige deskundigenbericht27. Het gevraagde voorlopig deskundigenbericht had betrekking op een geschil waarover tussen partijen reeds een procedure aanhangig was en een vraagstelling betrof die niet wezenlijk afweek van de vragen die reeds eerder aanleiding hadden gegeven tot het uitbrengen van drie expertiserapporten op basis van vier medische onderzoeken waaraan door verweerster haar medewerking was verleend. Onder die omstandigheden was het volgens de Hoge Raad geenszins onbegrijpelijk dat het hof had geoordeeld dat een goede procesorde in de weg stond aan toewijzing van het verzoek. In een dergelijk geval kan waarschijnlijk niet gezegd worden dat er sprake is van een onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen zodat in redelijkheid niet om een voorlopig deskundigenbericht kan worden verzocht. Daarbij komt, zoals hiervoor reeds opgemerkt, dat de toetsing in deze marginaal is en derhalve niet spoedig kan worden geconcludeerd dat er sprake is van misbruik op grond van het evenredigheidscriterium.
(iv) Ander zwaarwichtig bezwaar
Uit het arrest van de Hoge Raad inzake Frog/Floriade blijkt28 dat strijd met de goede procesorde een zwaarwichtig bezwaar kan zijn op grond waarvan een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor kan worden afgewezen. Er zijn derhalve ook andere zwaarwichtige bezwaren denkbaar. Zo oordeelde het hof volgens de Hoge Raad terecht29 dat het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht in verband met zwaarwichtige bezwaren diende te worden afgewezen, aangezien er reeds drie expertiserapporten op basis van vier medische onderzoeken waren uitgebracht waaraan verweerster haar medewerking had verleend, de in overleg tussen partijen tot stand gekomen vraagstelling bij die onderzoeken niet wezenlijk afweek van de in het kader van het verzoek tot het houden van een voorlopig deskundigenbericht voorgestelde vragen en daarenboven nieuwe onderzoeken in het aan de orde zijnde stadium van de procedure voor verweerster te belastend zouden zijn.
Een belang kan alleen zwaarwichtig zijn als andere belangen beduidend minder gewicht in de schaal leggen. Een verzoek tot een voorlopig deskundigenbericht kan derhalve niet worden afgewezen op de enkele grond dat het belang van de verzoeker minder zwaar weegt dan het belang van de wederpartij. Zowel bij de gronden “misbruik” (evenredigheidscriterium) als “zwaarwichtige bezwaren” is sprake van een belangenafweging. In die gevallen waarin geen misbruik van bevoegdheid door de verzoeker kan worden aangenomen, is denkbaar, gelet op hetgeen hiervoor sub (iii) is opgemerkt, dat het verzoek worden afgewezen op grond van een zwaarwichtig bezwaar30.
3. Conclusie
Het is goed de criteria voor afwijzing van een gevraagd voorlopig getuigenverhoor uit elkaar te houden. Het zijn verschillende rechtsbegrippen met ieder een eigen inhoud31. Degene die verweer wenst te voeren tegen een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor doet er derhalve goed aan na te gaan of in het voorliggende geval meerdere door de Hoge Raad geformuleerde criteria van toepassing zijn en vervolgens goed gemotiveerd naar voren te brengen waarom dit het geval is.
De weinig terughoudende wijze waarop de Hoge Raad formuleert in welke gevallen een verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor voor afwijzing in aanmerking komt, lijkt tegemoet te komen aan de voornamelijk vanuit de rechterlijke macht gehoorde klacht dat de huidige wettelijke regeling de rechter onvoldoende aanknopingspunten biedt om het gebruik van het voorlopig getuigenverhoor te beperken: “Er lijken voldoende redenen te zijn om de toegang tot het voorlopig getuigenverhoor te beperken onder meer om te voorkomen dat partijen het voorlopig getuigenverhoor gebruiken als fishing expedition en dat partijen het voorlopig getuigenverhoor gebruiken als financieel meest laagdrempelige rechtsgang” 32
Niet uit het oog moet worden verloren, dat na de hiervoor besproken jurisprudentie van de Hoge Raad onverkort het uitgangspunt blijft dat een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor voldoende concreet en terzake dienend is en feiten bevat die zich lenen voor een getuigenverhoor, dient te worden toegewezen. Deze vaststelling lijkt mij relevant voor de door de rechter te beoordelen vraag of het voorliggende verzoek voor toewijzing in aanmerking komt. In dat licht bezien mag verlangd worden dat de rechter zijn beslissing op het verzoek, als hij dit niet honoreert, deugdelijk motiveert.
M.A.J.G. Janssen

1 HR 19 februari 1993, NJ 1994, 345.

2 HR 11 februari 2005, JBPr 2005/21, m.nt. E.F. Groot.

3 HR 6 februari 1987, NJ 1988, 1.

4 Vgl. HR 13 september 2002, NJ 2004, 18.

5 HR 29 maart 1985, NJ 1986, 242.

6 Zie haar noot sub 9 onder HR 11 februari 2005, JBPr 2005/21.

7 Groot, noot sub 9 onder HR 11 februari 2005, JBPr 2005/21 Zie Hof Amsterdam, 27 januari 2005, NJF 2005/176.

8 HR 11 februari 2005, JBPr 2005/21.

9 MvA II, PG Boek 3 BW, pag. 916.

10 HR 17 september 1993, NJ 1994, 118.

11 HR 9 oktober 1998, NJ 1998, 853.

12 Tekst & Commentaar Vermogensrecht (2007), aantekening 1 op artikel 3:303 BW en TM, PG Boek 3 BW, pag. 915.

13 HR 9 oktober 1998, NJ 1998, 853.

14 Misbruik van recht.

15 Tekst & Commentaar Vermogensrecht, a.w., aantekening 2 op artikel 3:303 BW.

16 Zie ook MvA II, PG Boek 3 BW, pag. 916 en o.a. HR 30 maart 1951, NJ 1952, 29 en HR 27 februari 1998, NJ 1998, 764.

17 Zie noot 2.

18 Groot, noot sub 6 onder HR 11 februari 2005, JBPr 2005/21.

19 Groot, a.w, noot sub 8.

20 Vgl. HR 6 februari 1998, NJ 1999, 478.

21 Tekst & Commentaar Vermogensrecht, a.w., aantekening 1 op artikel 3:15 BW.

22 Zie de noot van A.J.J.G. Schijns, sub 2 onder HR 11 februari 2005, JIN 2005/159.

23 Groot, noot sub 4 onder HR 19 december 2002, JBPr 2004/30.

24 Zie o.a. D.M. Thierry, noot onder HR 12 september 2003, JBPr 2003/72.

25 Noot sub 7 onder HR 19 december 2003, JBPr 2004/30.

26 Zie over het verschil tussen de goede procesorde en misbruik de heldere noot van Groot, sub 5, onder HR 13 september 2002, JBPr 2003/20.

27 HR 19 december 2003, JBPr 2004/30.

28 Zie noot 2.

29 HR 19 december 2003, JBPr 2004/30.

30 Groot, noot sub 5-6 onder HR 19 december 2003, JBPr 2004/30.

31 Groot, noot sub 7 onder HR 19 december 2003, JBPr 2004/30.

32 A.J.J.G. Schijns, noot sub 4 onder HR 11 februari 2005, JIN 2005/159. Zie in dit verband het op www.rechtspraak.nl gepubliceerde rapport van de Commissie Verbetervoorstellen Civiel van 22 juni 2004, pag. 9, alsmede het Haagse Baliebulletin van mei 2004, pag. 9-10, waarin het beleid van de rechtbank Den Haag uiteen wordt gezet, welk beleid erop neer komt dat bij toewijzing van een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor het getuigenverhoor pas op een termijn van tenminste 6 maanden wordt geappointeerd, tenzij aannemelijk kan worden gemaakt dat daardoor een bewijsmiddel verloren zou kunnen gaan.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina