Bijlage 4 beoordeling vergunningen van ippc-veehouderijen



Dovnload 45.39 Kb.
Datum16.08.2016
Grootte45.39 Kb.

Bijlage 4



BEOORDELING VERGUNNINGEN VAN IPPC-VEEHOUDERIJEN


– in relatie tot de datum 30 oktober 2007 –

1. Inleiding
Op grond van artikel 22.1a van de Wet milieubeheer dient het bevoegd gezag er voor zorg te dragen dat de vergunningen van veehouderijen waartoe een gpbv-installatie behoort (IPPC-veehouderijen), uiterlijk op 30 oktober 2007 in overeenstemming zijn met de vereisten van de IPPC-richtlijn. Op die datum dient ook de werking van de veehouderij in overeenstemming te zijn met de richtlijn.

Een essentieel vereiste van de IPPC-richtlijn is dat in de vergunning ten aanzien van belangrijke emissies grenswaarden of gelijkwaardige parameters moeten zijn opgenomen die zijn gebaseerd op de ‘beste beschikbare technieken’ (BBT)’, waarbij rekening moet worden gehouden met de technische kenmerken en geografische ligging van de ‘installatie’ en met de lokale milieuomstandigheden.

Een van de belangrijkste emissies bij veehouderijen is de ammoniakemissie uit stallen. Het bevoegd gezag zal dan ook dienen te beoordelen of de ammoniakemissie uit de stallen (huisvestingssystemen) niet groter is dan bij toepassing van BBT het geval zou zijn.

In deze notitie wordt aangegeven hoe het bevoegd gezag deze beoordeling kan uitvoeren en, indien blijkt dat de vergunning niet voldoet aan de IPPC-richtlijn, welke stappen kunnen worden ondernomen om de vergunning op dit punt in overeenstem-ming te brengen met de richtlijn.

Deze notitie gaat alleen over ammoniakemissie uit stallen. Dat betekent overigens niet dat de beoordeling of voldaan wordt aan de IPPC-richtlijn, daartoe beperkt kan blijven. Voor huisvestingssystemen kunnen ook andere milieuaspecten dan ammoniak relevant zijn, met name geur, energie- en waterverbruik. Daarnaast dient ook de opslag en behandeling van mest beoordeeld te worden alsmede de mogelijkheden van energie- en waterbesparing in het algemeen. Daarop wordt nader ingegaan in de zogenaamde “Oplegnotitie bij de BREF voor de intensieve pluimvee- en varkens-houderij” (bijlage 5).
2. Beoordeling stallen voor ammoniak per 30 oktober 2007
Als moet worden beoordeeld of een huisvestingssysteem op 30 oktober 2007 voor het aspect ammoniak voldoet aan de IPPC-richtlijn, komt dat er in de praktijk op neer dat wordt bezien of het betreffende huisvestingssysteem is aan te merken als BBT. Dat zal het geval zijn als een huisvestingssysteem voldoet aan de maximale emissie-waarde die voor de betreffende diercategorie is vastgesteld in het Besluit ammoniak-emissie huisvesting veehouderijen (Besluit huisvesting). Maar ook als een huisvestingssysteem niet voldoet aan die maximale emissiewaarde kan het in een aantal situaties op 30 oktober 2007 als BBT worden aangemerkt.

Om vast te stellen welke huisvestingssystemen op 30 oktober als BBT kunnen worden aangemerkt, moeten de aspecten die worden genoemd in artikel 5a.1 van het “Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer” (Ivb) in aanmerking worden genomen. Bovendien dient rekening te worden gehouden met de documenten die in de “Regeling aanwijzing BBT-documenten” zijn aangewezen.

In het Ivb worden als relevante aspecten ondermeer genoemd de datum dat een huisvestingssysteem in gebruik is of wordt genomen en de tijd die nodig is om over te schakelen op een betere techniek, waarbij in beide gevallen rekening moet worden gehouden met de voorzienbare kosten en baten. Daarbij is overigens niet de specifieke bedrijfssituatie bepalend, maar datgene wat in de veehouderijsector gangbaar is. Van de in genoemde regeling aangewezen documenten is vooral het op 7 juli 2003 door de Europese Commissie vastgestelde “BBT-referentiedocument voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij” (BREF) van belang. Daarnaast is ook het – nog niet in werking getreden – Besluit huisvesting relevant, met name vanwege de argumentatie in de nota van toelichting ten aanzien van de (bijzondere) overgangstermijnen voor bestaande huisvestingssystemen.

Aan de hand van bovengenoemde aspecten en documenten wordt ten aanzien van BBT (voor ammoniak) de volgende beleidslijn voorgesteld. Daarbij is uit praktische overwegingen aangesloten bij de datum waarbij vergunning is verleend voor het betrokken huisvestingssysteem. De beleidslijn geldt alleen voor de diercategorieën waarvoor in bijlage I van de IPPC-richtlijn drempelwaarden zijn vastgesteld (varkens en pluimvee).



Beleidslijn BBT voor ammoniak





  1. Een traditioneel huisvestingssysteem waarvoor vergunning is verleend vóór

1 januari 1997, kan over het algemeen op 30 oktober 2007 niet meer als BBT worden aangemerkt.

Bij het vaststellen van deze datum is uitgegaan van een afschrijvingstermijn van ongeveer 10 jaar, waarbij rekening is gehouden met een realisatietermijn van 1 jaar. Deze termijn is in de veehouderijsector gebruikelijk voor de afschrijving van de inrichting van stallen. Ook het Besluit huisvesting hanteert een afschrijvingstermijn van 10 jaar voor bestaande huisvestingssystemen (zie blz. 19 van de nota van toelichting, Stcrt. 2005, 675).




  1. Een traditioneel huisvestingssysteem dat is vergund ná 1 januari 1997 maar vóór 19 juli 2003, kan nog tot tenminste 1 januari 2010 als BBT worden aangemerkt.

Op 19 juli 2003 is in het Publicatieblad van de Europese Unie (PbEU 2003, C 170) bekend gemaakt dat de Europese Commissie op 7 juli 2003 de tekst van de BREF voor de intensieve veehouderij had vastgesteld. Tot op dat moment was niet duidelijk wat voor de intensieve veehouderij als BBT moest worden aangemerkt. Daarom is het redelijk systemen die voor die datum zijn vergund en niet aan de BREF voldoen, nog enige tijd als BBT aan te merken. Daarbij is in aanmerking genomen dat de kosten van aanpassing van bestaande stallen relatief hoog zijn en dat de in de sector gebruikelijke afschrijvingstermijn op 30 oktober 2007 nog niet zal zijn verstreken. Een langere termijn dan 1 januari 2010 is alleen mogelijk als het Besluit huisvesting daarvoor ruimte biedt.


  1. Een huisvestingssysteem dat voldoet aan de BREF maar niet aan het Besluit huisvesting, waarvoor vergunning is verleend ná 19 juli 2003 en dat uiterlijk op

1 januari 2007 is gerealiseerd, kan nog tot tenminste tot 1 januari 2010 als BBT worden aangemerkt.

Het betreft huisvestingssystemen die in de BREF worden genoemd of die daaraan gelijkwaardig zijn, maar die niet voldoen aan de maximale emissiewaarde die voor de betreffende diercategorie in het Besluit huisvesting is vastgesteld. Een langere termijn dan 1 januari 2010 is alleen mogelijk als het Besluit huisvesting daar ruimte voor biedt.

De datum 1 januari 2007 is ontleend aan de Wav. Op grond van artikel 3, lid 3 (tweede volzin) van de Wav dienen huisvestingssystemen die zijn of worden gerealiseerd na 1 januari 2007 te voldoen aan BBT en zullen in het verlengde daarvan op grond van het gewijzigde Besluit huisvesting (toekomstig art. 2, lid 2) op dezelfde datum moeten voldoen aan de maximale emissiewaarden van het besluit (uitgezonderd de nageschakelde technieken bij kippenbedrijven). Hierbij is in aanmerking genomen, dat het ontwerpbesluit al in 2001 in de Staatscourant is gepubliceerd (Stcrt. 2001, 99) en dat de Minister van VROM al bij brief van 26 maart 2002 (kenmerk BWL/2002 027 327) heeft geadviseerd deze emissienormen bij de vergunningverlening op grond van het toenmalige artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer (alara) toe te passen. Inmiddels zijn ook de maximale emissiewaarden van het Besluit huisvesting op 28 december 2005 bekend en ‘definitief’ geworden (Stb. 2005, 675).


  1. Een huisvestingssysteem dat op 30 oktober 2007 voldoet aan het Besluit huisvesting, wordt als BBT aangemerkt.

Bedoeld wordt dat op 30 oktober 2007 reeds wordt voldaan aan de maximale emissie-waarde van het Besluit huisvesting zoals die voor de betreffende diercategorie met ingang van 1 januari 2010 zal gaan gelden.

Hieronder vallen ook de Groen-Labelstalsystemen en ‘proefstallen’ die vergund zijn vóór 8 mei 2002 en die niet voldoen aan de betreffende maximale emissiewaarde van bijlage 1 van het Besluit huisvesting. Op grond van artikel 2, lid 1 en lid 2, wordt de emissiefactor van het betreffende huisvestingssysteem dan gelijkgesteld met de maximale emissiewaarde.

Overigens gaan de maximale emissiewaarden van het Besluit huisvesting voor bepaalde (onderdelen van) diercategorieën pas op een later moment gelden dan 1 januari 2010. Huisvestingssystemen van de diercategorieën legkippen (niet-batterijhuisvesting), ouderdieren van vleeskuikens en vleeskuikens waarvoor vergunning is verleend na 1 januari 1997, hoeven pas op 1 januari 2012 aan het besluit te voldoen. Voor deze diercategorieën kan traditionele huisvesting daarom nog tot 2010 respectievelijk 2012 worden aangemerkt als BBT (zie hiervoor onder b en c en hierna onder het kopje “Nuanceringen”).

In dit kader mogelijk minder relevant, maar voor de volledigheid wordt opgemerkt dat kleine bedrijven en kleine neventakken zoals bedoeld in artikel 4, lid 2, van het Besluit huisvesting, pas op 1 januari 2013 aan de maximale emissiewaarden van het besluit hoeven te voldoen.




  1. Als op basis van het voorgaande een huisvestingssysteem niet als BBT kan worden aangemerkt, is het nog mogelijk dat alle huisvestingssystemen gezamenlijk met toepassing van’ interne saldering’ op 30 oktober 2007 wel aan het vereiste van BBT voldoen.

Als een bepaald huisvestingssysteem niet aan BBT voldoet, kan dat worden gecompenseerd door een ander huisvestingssysteem binnen de veehouderij waarin verdergaande technieken dan BBT worden toegepast. De totale emissie van de veehouderij mag bij ‘interne saldering’ niet groter zijn dan wanneer alle huisvestingssystemen afzonderlijk zouden voldoen aan BBT. Voor ‘interne saldering’ wordt verwezen naar bijlage 3, de “Toelichting op de systematiek van interne saldering”. Een huisvestingssysteem dat wordt gerealiseerd ná 1 januari 2007 moet overigens altijd voldoen aan BBT, óók bij het toepassen van ‘interne saldering’.
Nuanceringen
In bovenvermelde beleidslijn is ervan uitgegaan dat voor de betreffende diercategorie in de BREF bepaalde emissiearme huisvestingssystemen als BBT zijn aangemerkt en dat voor de betreffende diercategorie in het Besluit huisvesting ook een maximale emissiewaarde is vastgesteld. Dat is echter niet altijd het geval. Daarom dient ten aanzien van diercategorieën die niet in de BREF voorkomen (of waarvoor bepaalde traditionele systemen als BBT zijn aangemerkt) en/of waarvoor in het Besluit huisvesting geen maximale emissiewaarden zijn vastgesteld, een afwijkende beleidslijn te worden gehanteerd:

  • Traditionele huisvestingssystemen van diercategorieën (of delen daarvan) waarvoor in de BREF geen BBT en in het Besluit huisvesting geen maximale emissiewaarden zijn vastgesteld, zoals bij opfokhennen in niet-batterijhuisvesting, kalkoenen en eenden, zijn op 30 oktober 2007 BBT ongeacht de datum van vergunningverlening.

  • Traditionele huisvestingssystemen van de diercategorie ouderdieren van vleeskuikens waarvoor in de BREF geen BBT maar in het Besluit huisvesting wel een maximale emissiewaarde is vastgesteld, zijn BBT tot 1 januari 2010 en indien de vergunning is verleend ná 1 januari 1997, tot 1 januari 2012.

  • Traditionele huisvestingssystemen van de diercategorieën vleeskuikens en legkippen (niet-batterijhuisvesting) waarvoor in de BREF traditionele systemen ook als BBT worden aangemerkt, maar in het Besluit huisvesting wel maximale emissiewaarden zijn vastgesteld, zijn eveneens BBT tot 1 januari 2010 en, indien de vergunning is verleend ná 1 januari 1997, tot 1 januari 2012.

De lijn die in de laatste 2 situaties wordt gehanteerd, komt overeen met de bijzondere overgangstermijnen van bijlage 2 van het Besluit huisvesting.
Daarnaast kan ook op grond van bijzondere omstandigheden gemotiveerd van de beleidslijn en de daarin genoemde data worden afgeweken. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen indien de realisatiedatum van een vóór 1 januari 1997 vergund huisvestings-systeem na 1998 ligt. Omdat de in de sector gebruikelijke afschrijvingstermijn dan nog niet is verstreken, kan het bevoegd gezag overwegen om het huisvestingssysteem op 30 oktober 2007 nog als BBT aan te merken (maar niet langer dan 1 januari 2010).
Hiervoor zijn alleen argumenten gegeven die ertoe leiden dat sommige (vooral traditionele) huisvestingssystemen ook nog na 30 oktober 2007 enige tijd als BBT kunnen worden aangemerkt. Opgemerkt moet worden dat ondermeer de plaatselijke milieusituatie in beginsel ook aanleiding kan zijn om (gemotiveerd) aan te tonen dat dergelijke huisvestingssystemen op 30 oktober 2007 niet meer als BBT mogen worden beschouwd.

Wijziging Besluit huisvesting
Op dit moment is in het Besluit huisvesting nog bepaald dat huisvestingssystemen van IPPC-veehouderijen op 30 oktober 2007 aan de maximale emissiewaarden van het besluit moeten voldoen, met uitzonderingen voor legkippen in niet-batterijhuisvesting (1 januari 2012 als het huisvestingssysteem is vergund na 1 januari 1997), vlees-kuikens en ouderdieren van vleeskuikens (1 januari 2010 en 1 januari 2012 als het huisvestingssysteem is vergund na 1 januari 1997) en kleine bedrijven en kleine neventakken (1 januari 2013).

Om een BBT-beoordeling zoals hiervoor beschreven mogelijk te maken, wordt het Besluit huisvesting momenteel gewijzigd, waarbij onder andere de datum 30 oktober 2007 in het besluit wordt geschrapt en de mogelijkheid van interne saldering wordt opgenomen. Om strijdigheid van vergunningen met het Besluit huisvesting te voorkomen, zal het besluit bovendien pas nadat de wijziging is vastgesteld, tegelijk met die wijziging, in werking treden.


3. Uitvoering stappenplan Handreiking IPPC
InfoMil heeft reeds in 2005 een “Handreiking IPPC” opgesteld met daarin een stappenplan om te komen tot actualisering van bestaande vergunningen (zie de website van InfoMil: www.infomil.nl). Het betreffende stappenplan is bij deze notitie gevoegd.

In deze notitie gaat het om het beoordelen van bestaande huisvestingssystemen en het zonodig actualiseren van bestaande vergunningen. In het stappenplan betreft het dan de stappen 1 tot en met 9 en 11 tot en met 13. Hoewel er van wordt uitgegaan dat het bevoegd gezag de eerste stappen al zal hebben doorlopen, worden deze voor de volledigheid toch vermeld.


Stap 1

Het eerste vereiste is dat bekend is welke veehouderijen onder de werkingssfeer van de IPPC-richtlijn vallen. Aan de hand van de invulling van de landelijke database IPPC zal dat over het algemeen wel bekend zijn. Zo niet, dan dient invulling daarvan door het bevoegd gezag alsnog zo spoedig mogelijk te gebeuren.


Stap 2

Welke documenten voor het vaststellen van BBT relevant zijn, is in de vorige paragraaf aangegeven. Het betreft met name de aspecten vermeld in het Ivb, de BREF voor de intensieve veehouderij en het Besluit huisvesting.


Stap 3

Het gaat in deze notitie om een bestaande installatie.


Stap 4

Welke huisvestingssystemen als BBT (voor ammoniak) kunnen worden aangemerkt, kan worden vastgesteld aan de hand van de beleidslijn BBT in de vorige paragraaf. In de “Oplegnotitie bij de BREF voor de intensieve varkens- en pluimveehouderij” (bijlage 5) is op basis van deze beleidslijn per diercategorie uitgewerkt welke huisvestingssystemen als BBT kunnen worden beschouwd. Voor andere relevante milieuaspecten bij IPPC-veehouderijen kan eveneens de benodigde informatie in genoemde oplegnotitie worden gevonden.

Aanbevolen wordt om niet alleen te beoordelen of op 30 oktober 2007 aan de eisen van de IPPC-richtlijn wordt voldaan, maar tegelijkertijd ook te toetsen of de veehouderij op 1 januari 2010 zal voldoen aan het Besluit huisvesting (of de eventuele latere datum die in het besluit wordt genoemd). Dat is met name van belang als de vergunning op 30 oktober 2007 wel voldoet aan de IPPC-richtlijn maar op 1 januari 2010 niet zal voldoen aan de maximale emissiewaarden die dan zullen gelden op grond van het Besluit huisvesting. Daardoor wordt het mogelijk de betreffende veehouders daarover vroegtijdig te informeren, zodat ze daar bij hun toekomstige investeringen rekening mee kunnen houden en tijdig een wijziging van hun vergunning kunnen aanvragen.
Hoewel het formeel niet tot de taak van het bevoegd gezag behoort, is het toch wenselijk in dit verband ook de eisen ten aanzien van dierenwelzijn in de beoordeling te betrekken. Dit speelt vooral in de varkenshouderij. Met ingang van 1 januari 2013 moeten varkenshouderijen aan de Europese regelgeving voor dierenwelzijn voldoen (geïmplementeerd in het Varkensbesluit). De op grond daarvan verplichte ruimere huisvesting per varken betekent meer emissie per dierplaats, waardoor mogelijk niet meer aan het Besluit huisvesting wordt voldaan. Naar verwachting zal de veehouder de bestaande stal aanpassen door vergroting van de dierplaatsen (daardoor ontstaat meestal een ander huisvestingssysteem met een hogere emissiefactor) en tegelijkertijd de stal zelf vergroten om hetzelfde aantal varkens te kunnen houden. In dat geval is een wijziging van de vergunning nodig. Door de veehouders daarop te wijzen, is het voor de betreffende veehouders mogelijk om tijdig een integrale afweging te maken bij hun investeringsbeslissingen, zodat ze de aanpassing van de stal vanwege de eisen op het gebied van ammoniakemissie en die vanwege dierenwelzijnseisen desgewenst gecombineerd kunnen uitvoeren. Bovendien kan de noodzakelijke wijzigings-vergunning dan tijdig worden aangevraagd.
Stap 5

Als de veehouderij voldoet aan BBT, wordt de uitkomst van de beoordeling genoteerd in het dossier en wordt de betreffende veehouderij geïnformeerd via een afschrift daarvan. Daarbij wordt ook aangegeven of de veehouderij op 1 januari 2010 (of de eventuele latere datum) zal voldoen aan het Besluit huisvesting. Indien dat niet het geval is wordt de veehouderij geadviseerd zijn huisvestingsystemen tijdig aan te passen. Het is wenselijk de veehouder tevens te wijzen op de mogelijke consequenties van het van kracht worden van regelgeving op het gebied van dierenwelzijn (zie stap 4).


Stap 6 en stap 7

Bij veehouderijen zal het over het algemeen niet makkelijk zijn om via het stellen van voorschriften de toepassing van BBT bij huisvestingssystemen te realiseren. Dit heeft te maken met de relatief strenge jurisprudentie over “grondslagverlating”. Daarom is het verstandig deze weg pas te bewandelen als de veehouder niet bereid is om in overleg met het bevoegd gezag te komen tot actualisering van zijn vergunning (stap 8). In dat geval is het alternatief – het intrekken van de milieuvergunning (zie stap 10) – een zeer zwaar middel en is het daarom gewenst eerst na te gaan of het ambtshalve voorschrijven van al dan niet tijdelijke emissiereducerende maatregelen mogelijk is.


Stap 8

Als de vergunning op 30 oktober 2007 niet voldoet aan BBT, wordt de veehouderij daarover eveneens geïnformeerd via een afschrift van de beoordeling. Daarbij dient de betreffende veehouder bovendien te worden gevraagd om op korte termijn met het bevoegd gezag in overleg te treden om te komen tot actualisering van zijn milieuvergunning.


Stap 9

Als de veehouder op voornoemde uitnodiging ingaat, kan een vooroverleg plaatsvinden waarbij, bijvoorbeeld aan de hand van een bedrijfsplan van de veehouder, kan worden bezien op welke wijze op 30 oktober 2007 of zo spoedig mogelijk daarna kan worden voldaan aan BBT. In beginsel kan na 30 oktober 2007 geen overgangstermijn meer worden gegeven, omdat de veehouderij niet voldoet aan de Europese eisen. Met het oog op de uitvoerbaarheid kan toch een overgangstermijn nodig zijn om de wijziging of nieuwbouw te realiseren (zie verder paragraaf 4).


Stap 10

Het geheel of gedeeltelijk intrekken van een vergunning is een zwaar middel dat zoveel mogelijk moet worden voorkomen (zie stappen 6 en 7).


Stap 11 (en 11LB) en stap 12

Het is gewenst om in samenspraak met de betrokken veehouder in het vooroverleg tot een aanvraag te komen die voldoende informatie bevat en tot een milieuvergunning kan leiden die IPPC-proof is en voldoet aan de Wet ammoniak en veehouderij en het Besluit huisvesting.

Als de veehouder tegelijk met de wijziging om te voldoen aan BBT ook zijn veestapel wil uitbreiden, zal bezien moeten worden of vanwege de lokale milieusituatie strengere eisen moeten worden gesteld dan BBT. Daartoe kan het bevoegd gezag gebruik maken van de “Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij” (bijlage 2).

Stap 13

Zie de volgende paragraaf.



4. Aanpassen vergunningen van IPPC-veehouderijen
Prioriteitsstelling
Het streven dient er op te zijn gericht dat op 30 oktober 2007 de vergunningen van IPPC-veehouderijen in overeenstemming zijn met de vereisten van die richtlijn. Als het bevoegd gezag echter noodgedwongen, bijvoorbeeld wegens capaciteitsgebrek, prioriteiten moet stellen bij het beoordelen van veehouderijen en het actualiseren van de vergunningen, is het wenselijk prioriteit te geven aan varkenshouderijen. Huisvestingssystemen van veehouderijen waar alleen kippen worden gehouden, zullen namelijk over het algemeen nog tot 1 januari 2010 kunnen worden aangemerkt als BBT. In dit verband is van belang dat de huisvestingssystemen binnen een veehouderij de belangrijkste veroorzakers van milieuverontreiniging zijn en dat bovendien ten aanzien van de overige milieu-aspecten in de meeste gevallen aan BBT zal worden voldaan.

Werkwijze bij aanpassen vergunningen

Het betreft hier veehouderijen waarvan bij de beoordeling van de huisvestings-systemen is vastgesteld dat één of meer van deze systemen op 30 oktober 2007 niet als BBT kan worden aangemerkt en dat dit bovendien niet via de toepassing van ‘interne saldering’ door andere huisvestingssystemen binnen de veehouderij kan worden gecompenseerd. Bovendien wordt er in dit verband van uitgegaan dat de betrokken veehouder bereid is om in overleg met het bevoegd gezag een vergunning aan te vragen.


De veehouderijen die het hier betreft, dienen op 30 oktober 2007 niet alleen voor wat betreft de milieuvergunning maar ook ten aanzien van de feitelijke werking in overeenstemming te zijn met de IPPC-richtlijn. Voor een verlenging van de overgangstermijn tot na 30 oktober 2007 is in principe geen ruimte meer. Anderzijds zal vanwege de nog te realiseren aanpassing van de bestaande huisvestingssystemen, de uitbreiding van een bestaand huisvestingssysteem of de volledige nieuwbouw daarvan, een bepaalde termijn moeten worden gegund om een en ander te realiseren. Deze dient er echter op te zijn gericht, de met de richtlijn strijdige situatie zo spoedig mogelijk op te heffen.
Er kunnen bij deze veehouderijen verschillende situaties worden onderscheiden:

  • Er vindt geen uitbreiding van de veestapel plaats. De bestaande huisvestings-systemen worden, zonder uitbreiding van de veestapel, alsnog conform BBT uitgevoerd.

  • Er vindt geen uitbreiding van de veestapel plaats. In een of meer bestaande huisvestingssystemen worden verdergaande technieken dan BBT toegepast en een of meer bestaande (traditionele) huisvestingssystemen worden niet aangepast, zodanig dat via ‘interne saldering’ op inrichtingsniveau aan het vereiste van BBT wordt voldaan.

  • Er vindt uitbreiding van de veestapel plaats. Daartoe wordt een bestaand huisvestingssysteem uitgebreid of wordt een nieuw huisvestingssysteem (stal) gebouwd en daarin wordt een verdergaande technieken dan BBT toegepast, zodanig dat aanpassing van de overige bestaande (traditionele) huisvestingssystemen niet nodig is omdat via ‘interne saldering’ op inrichtingsniveau aan het vereiste van BBT wordt voldaan.

Omdat het hier om relatief grote veehouderijen gaat – ze vallen immers onder de IPPC-richtlijn - wordt verwacht dat de derde situatie, uitbreiding met toepassing van ‘interne saldering’ zich in de praktijk het meest zal voordoen. Vanwege de kosten van uitbreiding of nieuwbouw en met het oog op de continuïteit van de bedrijfsvoering zal de veehouder in die situatie bij voorkeur voor een gefaseerde aanpak kiezen. Bij de vergunningverlening kan hierbij worden aangesloten.

Met name het toepassen van ‘interne saldering’ (situatie 2 en 3) en het IPPC-proof maken via een gefaseerde aanpak (situatie 3) stelt speciale eisen aan het proces van vergunningverlening en aan de inhoud van de vergunning zelf. Dit mede vanwege het feit dat in de onderhavige gevallen een met de richtlijn strijdige situatie dreigt te ontstaan waaraan zo spoedig mogelijk een einde dient te komen. Een adequate en handhaafbare vergunning kan in dat verband een belangrijke rol spelen. Daarbij kunnen de volgende punten als richtsnoer dienen.


1. Stel vast welke (gefaseerde) aanpak tot het gewenste resultaat leidt.

In dit verband is het vooroverleg met de betrokken veehouder van groot belang. In dit stadium moet worden bezien op welke wijze de vergunning en de werking van de veehouderij in overeenstemming met de vereisten van de IPPC-richtlijn kan worden gebracht. Daarbij kan een door de veehouder opgesteld bedrijfsplan (bedrijfsontwikkelingsplan of investeringsplan) een nuttige functie vervullen. Aan de hand daarvan kunnen verschillende alternatieven in beschouwing worden genomen en kan een keuze worden gemaakt die niet alleen effectief is als het gaat om het voldoen aan de IPPC-richtlijn, maar ook doelmatig is in het licht van de voorgenomen ontwikkeling van het bedrijf.


Hoewel het in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de veehouder is, is het ook voor het bevoegde gezag van belang dat het vooroverleg uitmondt in een aanvraag die voldoende informatie bevat en tot een milieuvergunning kan leiden die IPPC-proof is en voldoet aan de Wet ammoniak en veehouderij en het Besluit huisvesting. Het is dus niet voldoende dat de vergunning IPPC-proof is. Om op 1 januari 2010 te voldoen aan de maximale emissiewaarden van het Besluit huisvesting zal bij de vaststelling van BBT met die emissienormen rekening moeten worden gehouden. Bij uitbreiding van de veestapel zal het bevoegd gezag bovendien moeten beoordelen of vanwege de plaatselijke milieusituatie strengere emissie-eisen dan BBT moeten worden voorgeschreven. Dat kan aan de hand van de “Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij” (bijlage 2). Bovendien is het verstandig zoveel mogelijk te anticiperen op het van kracht worden van de regelgeving op het gebied van dierenwelzijn (met name het Varkensbesluit).
2. Stel vast wat in het concrete geval een redelijke termijn is voor realisatie van de wijziging.

Hierbij gaat het erom dat er een redelijke termijn wordt gegeven waarbinnen de voorgenomen wijziging van de veehouderij moet zijn gerealiseerd. Het bouwen van een geheel nieuwe stal zal al snel een jaar tot anderhalf jaar kosten. Minder ingrijpende aanpassingen zoals het aanbrengen van een koeldeksysteem kunnen binnen enkele maanden worden gerealiseerd.

Bij het vaststellen van de termijn(en) zal ook rekening moeten worden gehouden met de tijd die nodig is om de milieuvergunning te verkrijgen. Ook met het verkrijgen van eventuele noodzakelijke andere vergunningen, zoals een bouwvergunning, zal rekening moeten worden gehouden. Het tijdig aanvragen van een eventueel noodzakelijke bouwvergunning is bovendien van groot belang, omdat zonder bouwvergunning de milieuvergunning niet in werking kan treden (art. 20.8 van de Wet milieubeheer)

De termijn kan in beginsel niet later dan 1 januari 2010 worden vastgesteld, omdat anders strijdigheid met het direct werkende Besluit huisvesting ontstaat.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat op grond van artikel 8.18 van de Wet milieubeheer voor het realiseren van een nieuw huisvestingssysteem weliswaar een termijn van 3 jaar geldt (voordat de vergunning voor de van rechtswege vervalt), maar dit laat onverlet dat in de vergunning een kortere termijn kan worden voorgeschreven.
3. Leg de vastgestelde (gefaseerde) aanpak vast in de vorm van duidelijke resultaats-verplichtingen.

Met het oog op het toezicht en de handhaving is het van belang dat de afgesproken aanpak helder en duidelijk is. Dat kan worden bewerkstelligd door de afspraken vast te leggen in de vorm van resultaatsverplichtingen, waaruit duidelijk blijkt welke activiteiten op welk moment zullen worden ondernomen om tot het gewenste eindresultaat te komen. Bij een gefaseerde aanpak met betrekking tot het aanpassen van de huisvesting hoort een duidelijk tijdpad waarin is vastgelegd op welk tijdstip de voorgenomen (onderdelen van de) wijzigingen gerealiseerd moeten zijn.


Vooral bij het toepassen van ‘interne saldering’ bestaat er risico op ‘misbruik’. Voorkomen moet worden dat, nadat vergunning is verleend voor een nieuwe stal om daarmee te bewerkstelligen dat de bestaande stallen door toepassing van ‘interne saldering’ niet hoeven te worden aangepast, vervolgens die nieuwe stal niet wordt gebouwd. Het langer in bedrijf houden van een bestaand huisvestingssysteem is bij ’interne saldering’ in principe alleen toegestaan als de daarvoor benodigde emissie-reductie elders in de inrichting ook daadwerkelijk is gerealiseerd, maar in deze situatie zal toch een redelijke termijn voor realisatie van de nieuwe stal moeten worden gegund. Door deze termijn niet te lang te nemen en indien mogelijk ook tussenresultaten vast te leggen, kan eventueel opportunistisch handelen worden tegengegaan.

Als bij ‘interne saldering’ ook uitbreiding van het aantal dieren plaatsvindt, is het wenselijk om expliciet vast te leggen dat de vergunde uitbreiding van het aantal dieren pas mag worden gerealiseerd na volledig gereedkomen van de aangevraagde uitbreiding of nieuwbouw van de betreffende huisvestingssystemen. Een dergelijk voorschrift is zeker van belang als naast de uitbreiding of nieuwbouw ook nog aanpassing van (een deel van) een bestaande stal moet plaatsvinden. Daarmee wordt voorkomen dat uitbreiding van de veestapel plaatsvindt zonder dat in (een deel van) de uitgebreide of nieuwe stal de aangevraagde emissiearme technieken zijn gerealiseerd (eerste geval) of dat na volledige realisatie van de staluitbreiding of nieuwbouw uitbreiding van de veestapel plaatsvindt zonder dat de bestaande stal wordt aangepast (tweede geval).



4. Neem de resultaatsverplichtingen op in de vergunning zelf.


Het opnemen van de afspraken/fasering in voorschriften van de vergunning vereenvoudigt het toezicht en de handhaving. Er is dan geen ‘doorvertaling’ nodig vanuit de aanvraag of een eventueel bij de aanvraag behorend bedrijfsplan. Het toezicht kan direct uitgevoerd worden aan de hand van de vergunningvoorschriften. Ook kunnen de vergunningsvoorschriften direct worden gehandhaafd.





Beoordeling vergunningen IPPC-veehouderijen, 30 juli 2007


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina