Bijlage bij Kunst op Zondag



Dovnload 12.79 Kb.
Datum28.08.2016
Grootte12.79 Kb.
Bijlage bij Kunst op Zondag | Terugkunst, zondag 27 januari 2012.

Vooruit in de kunst

(verschenen in het tijdschrift kunstwordtterugkunst, nr. 4, auteur: Florette Dijkstra)


Kunst is er altijd. Het is een onophoudelijke stroom aan gedachten, beelden, verhalen en visioenen die niet te kanaliseren is. Hij voert ons mee en gaat maar door, ook als we er zelf niet meer zijn. Al lijkt er op sommige momenten in het leven niets om op terug te vallen, je weet dat die stroom er is en dat je er op elk moment in kunt gaan om je te laten meevoeren.

Verbeelding is er altijd. De verbeelding van de ene kunstenaar staat niet los van die van de andere, bestaat niet geïsoleerd in een geest of lichaam. Je kunt de verbeelding van een andere kunstenaar altijd opvangen en herkennen. Mark Manders zei laatst in een voordracht: ik ben dankbaar dat ik de taal van de kunst mag spreken.

Het bestaansrecht van kunstacademies is de plaats die ze zijn om de taal te leren spreken, de verbeelding te delen en de stroom van de kunst te leren kennen. De academie is daarmee een ijkpunt voor de kunstenaar. Als jonge kunstenaar kom je er tot het besef dat de verbeelding onbegrensd is en dat er een taal is om dat nauwgezet in uit te drukken. Je leert er de beginselen van. In de academie ligt een oorsprong van kunst.

Van het woord ‘academie’ is ‘academisch’ afgeleid en dat woord is het tegendeel van stroming en verbeelding. Het staat voor alles wat kunst niet is. Voor wat de buitenwacht verlangt van kunst: haar bedwingen en dienstbaar maken. Het academisme van onze samenleving is sterk en genadeloos. Daardoor komt er voor de kunstacademies een grote taak bij: het naar buiten toe de taal van het academisme zo goed mogelijk spreken, waardoor binnenin de kunst zijn stroom kan vervolgen, onbeperkt kan opduiken, zodat degene die daar is op elk moment gegrepen kan worden.

Gegrepen worden is de stroom leren kennen, vanaf de bron tot het einde, het einde waar het begin ligt voor elke kunstenaar die aan het werk gaat. De bron zou te vinden zijn op de eerste pagina van elk kunstgeschiedenisboek. Sinds de jaren twintig van de vorige eeuw beginnen kunstgeschiedenissen met de grot: de duistere ondergrondse wereld waar de eerste mensen kunst zouden hebben gemaakt. Het is een periode die als geïsoleerd wordt voorgesteld. Daarna brak een lange, barbaarse tijd van ‘niet-kunst’ aan, totdat… Steeds weer die grot. Nachtelijke onderwereld, zwart gat. En juist daar zou de kunst zijn ontstaan.

In sommige kunstgeschiedenissen wordt beweerd dat, met het maken van de grottekeningen, de homo sapiens ontstond. Buiten was hij nog dier, maar in de grot, met het pigment en houtskool in zijn hand, werd hij mens. Eigenlijk kun je zeggen: werd zijn klauw een hand. Dan kun je ook zeggen: de ontwikkeling van de hand gaat aan het mens-zijn vooraf. En daaraan vooraf gingen dan weer het pigment en het houtskool.

Vernieuwing is, denk ik, wat aan je ontwikkeling vooraf gaat. Je moet steeds terug naar het begin om vooruit te kunnen. Ik denk dat kunst dit teweegbrengt: het doen verschijnen van een mens. Het is een kracht waardoor je gegrepen wordt, de schok van het zien, de flits in het donker. Een vernieuwing van 35.000 jaar geleden is niet 34.000 jaar geleden gestopt, maar gaat nog altijd door.
Als je de kunst kunt zien als iets wat er altijd is en als je kunt zeggen dat er een ‘taal van de kunst’ is die je kunt leren spreken, dan lijkt kunst iets niet-menselijks te zijn, iets wat eigenlijk buiten onze invloedssfeer om gaat. Om die onmenselijke oorsprong te zoeken kun je je ook wegdraaien van het begin en de andere kant op kijken. Dan is daar… een nieuw zwart gat, het grote onbekende, een totale onwetendheid over elke seconde die volgt. Dat is schitterend en angstaanjagend als niets anders. Als een grot misschien. Maar je kunt de verte ook beleven als een kracht, een vernieuwing die op ons komt toesnellen, waarin de verhalen zich verder ontwikkelen, versmelten, uiteen vallen, ver voorbij ons individuele leven.

De filosoof en schrijver Patricia De Martelaere heeft veel geschreven over de onmenselijkheid van kunst en over de relatie tussen kunst en de dood. De dood, zei ze, is de enige en onvermijdelijke waarheid van het leven is. Van alles wat de mens doet, komt de kunst nog het dichtst bij die waarheid. Want alleen kunst is in staat ons de onverwoestbare zekerheid te geven dat we bestaan én dat ons bestaan betekenis heeft.

Patricia De Martelaere overleed drie jaar geleden, ze werd tweeënvijftig jaar. Het lijkt wel of ze sindsdien uit de geschiedenis is weggevaagd, nooit heeft bestaan. Haar werk is niet meer verkrijgbaar. Het is onbegrijpelijk.

Ze schreef over kunst, over de taal van de kunst, de betekenis ervan. Tot voor kort, zei ze, geloofden we dat de wetenschap volkomen objectief was. Wetenschap zou vrij zijn van vooroordelen en alleen op zoek gaan naar de naakte, onpersoonlijke feiten. Kunst en literatuur zouden daar lijnrecht tegenover staan. Maar inmiddels weten we dat waarneming niet meer objectief is en zoiets als dode stof niet zo dood als men altijd dacht. Alles is subjectief geworden.

Hoe objectief kan kunst dan zijn? Schopenhauer definieerde kunst al als ‘de meest volkomen objectiviteit’ omdat kunst belangeloos is: ‘Schön ist das was uns nicht angeht’. Patricia De Martelaere denkt dat er nóg een mogelijkheid is waarop de ‘volkomen objectiviteit’ van de kunst kan berusten, en dat is in de relatie tussen kunst en de dood.

De dood is het moment van de waarheid en de diepe eenheid van alles. Maar voor ons betekent hij vooral het gruwelijke einde van de individualiteit, waardoor we er niet naar kunnen verlangen. De dood is een toestand waarin we louter ding onder de dingen zijn. Grotere objectiviteit bestaat niet.

Bij het zien van kunst worden we losgerukt uit onze individualiteit door een ‘ding’ dat ons naar zich toetrekt. We hebben het gevoel er haast letterlijk in op te gaan. Onze menselijke vermogens worden de een na de ander uitgeschakeld, onder invloed van het werk. Dat gebeurt meestal onverwacht, als we worden overvallen, zoals in de grot, als het licht de wanden tot leven brengt, de tekening erop verschijnt. Dan treft ons een diepe eenheid: we worden een beetje die tekening.

Het is een eenheid die van binnenuit wordt ervaren. Degene die de eenheid betreedt en zijn subjectiviteit laat verdwijnen in het object dat hem omringt is een ziener, zegt Patricia De Martelaere. Hij wacht tot iets hem aanspreekt in een taal die niet de zijne is. Het is de taal van de kunst: een van krachten en niet van woorden, een taal die tot klinken brengt wat buiten het menselijke ligt.

Patricia De Martelaere zei ook: het is een grote kunst om te leven, want als je niet ten volle leeft, ben je al gestorven. Centraal in de kunst staat volgens haar wat centraal staat in de hele werkelijkheid: niet emotie of betekenis, maar kracht, en wel een onmenselijke kracht. Tegelijk is het een kracht die ons aanspreekt in onze menselijkheid. Daarom moet kunst proberen ons aan te spreken in een taal die niet de onze is, een taal die als het ware de taal van de wereld is.

Kunst als ‘onmenselijkheid’ is volgens Patricia De Martelaere misschien de hoogst haalbare vorm van engagement: niet een tegenover de mens, maar tegenover de wereld. Een kunstenaar wordt in die visie iemand die niet meer spreekt in eigen naam en die het persoonlijke voortdurend overstijgt. In die zin, zegt ze, is hij niet eens iets of iemand; hij is als een katalysator, een medium, een goede geleider. Eigenlijk moet hij vooral niets doen, dat wil zeggen: zich concentreren, en zelfs dat niet: hij moet vooral weten toe te laten dat in hem een concentratie plaatsvindt, een verdichting waarvan het kunstwerk de condensatie wordt. Geen enkele inspanning leidt daartoe en toch is geen enkele inspanning overbodig.



Kunst is daarmee een onmenselijke kracht die kunstwerken voortbrengt. De kunstwerken doen op hun beurt kunstenaars ontstaan. Kunstenaars zijn er om het verhaal van de kunst verder te vertellen, opdat het niet vergeten wordt. Jonge kunstenaars werken aan het eind van dat verhaal. Zij nemen het vervolg in handen, dragen het verhaal over aan de toekomst. Dat kan alleen als er een bron is waar ze hun oor te luisteren kunnen leggen. De bron moet beschikbaar zijn. Het werk van Patricia De Martelaere moet opnieuw worden uitgegeven.
Florette Dijkstra, 2013







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina