Bijlage bij sanco/11802/2010 Rev. 3 Bijlage inleiding aard, vergaring en voorstelling van de voor te leggen gegevens



Dovnload 0.62 Mb.
Pagina1/13
Datum25.08.2016
Grootte0.62 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   13

D021893/02

BIJLAGE bij SANCO/11802/2010 Rev. 3

"BIJLAGE

INLEIDING

Aard, vergaring en voorstelling van de voor te leggen gegevens

1. De voor te leggen gegevens moeten aan de volgende eisen voldoen:

1.1. De gegevens moeten volstaan om de te voorziene risico's die de werkzame stof, onmiddellijk dan wel na verloop van tijd voor mens, met inbegrip van kwetsbare groepen, dier of milieu kan opleveren, te evalueren, en ten minste de gegevens en de resultaten van de in deze bijlage vermelde studies omvatten.

1.2. Gegevens over mogelijk schadelijke gevolgen van de werkzame stof, zijn metabolieten en onzuiverheden voor de gezondheid van mens of dier of voor het grondwater moeten worden vermeld.

1.3. Gegevens over mogelijk onaanvaardbare gevolgen van de werkzame stof, zijn metabolieten en onzuiverheden voor het milieu, planten en plantaardige producten moeten worden vermeld.

1.4. Alle relevante gegevens uit de openbare aan collegiale toetsing onderworpen wetenschappelijke literatuur over de werkzame stof, metabolieten en afbraak- of reactieproducten en gewasbeschermingsmiddelen die de werkzame stof bevatten en over de neveneffecten voor de menselijke gezondheid, het milieu en organismen van niet-doelsoorten moeten worden vermeld. Er moet een samenvatting van deze gegevens worden voorgelegd.

1.5. Er moet een volledig en objectief verslag en een volledige beschrijving van de verrichte studies worden overgelegd. Zulke gegevens zijn niet vereist wanneer aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:


    1. het is gezien de aard van het middel of de voorgestelde toepassingen niet nodig of het is uit wetenschappelijk oogpunt niet noodzakelijk om de gegevens te verstrekken,

    2. het is technisch niet mogelijk om de gegevens te verstrekken.

In zulk geval moet er een verantwoording gegeven worden.

1.6. Het gelijktijdige gebruik van de werkzame stof als biocide of in de diergeneeskunde moet worden gerapporteerd.

Als degene die een aanvraag indient voor de werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel dezelfde is als degene die verantwoordelijk is voor de aanmelding van de werkzame stof als biocide of als diergeneesmiddel, moet een samenvatting van alle voor de toelating van het biocide of diergeneesmiddel overgelegde relevante gegevens worden overgelegd. Deze samenvatting moet toxicologische referentiewaarden en MRL-voorstellen omvatten, waarbij rekening moet worden gehouden met eventuele cumulatieve blootstelling die voortvloeit uit verschillende toepassingen van dezelfde stof, op basis van door de Europese bevoegde autoriteiten aanvaarde wetenschappelijke methoden; eveneens moet een samenvatting van de residuen en toxicologische gegevens en informatie over het gebruik van het middel worden bijgevoegd.

Als degene die een aanvraag indient voor de werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel niet dezelfde is als degene die verantwoordelijk is voor de aanmelding van de werkzame stof als biocide of als diergeneesmiddel, moet een samenvatting van alle beschikbare gegevens worden overgelegd.

1.7. Voor zover relevant worden de gegevens verkregen aan de hand van testmethoden die zijn opgenomen in de in punt 6 bedoelde lijst. Indien er geen geschikte internationaal of nationaal erkende testrichtsnoeren bestaan, moet er gebruikgemaakt worden van door de Europese bevoegde autoriteit erkende testrichtsnoeren. Indien van de norm wordt afgeweken, moet dit worden beschreven en gemotiveerd.

1.8. Er moet een volledige omschrijving van de gebruikte testmethoden worden gegeven.

1.9. De gegevens moeten een lijst met eindpunten voor de werkzame stof omvatten.

1.10. Voor zover relevant worden de gegevens verkregen in overeenstemming met Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad1.



1.11. De informatie over de werkzame stof moet, samen met de informatie over een of meer gewasbeschermingsmiddelen die de werkzame stof bevatten en, in voorkomend geval, met de informatie over beschermstoffen, synergistische middelen en andere componenten van het gewasbeschermingsmiddel, volstaan om:

  1. een beoordeling mogelijk te maken van de risico's voor de mens die verbonden zijn aan de hantering en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen die de werkzame stof bevatten;

  2. een beoordeling mogelijk te maken van de risico's voor de gezondheid van mens en dier als gevolg van residuen van de werkzame stof en de relevante metabolieten, onzuiverheden, afbraak- en reactieproducten in water, lucht, levensmiddelen en diervoeders;

  3. de verspreiding, de lotgevallen en het gedrag van de werkzame stof en de toxicologisch of ecologisch significante metabolieten en afbraak- en reactieproducten in het milieu, alsmede het tijdsverloop daarvan, te voorspellen;

  4. een beoordeling mogelijk te maken van de effecten op niet-doelsoorten (zowel flora als fauna) die naar verwachting blootgesteld zullen worden aan de werkzame stof of aan de relevante toxicologisch of ecologisch significante metabolieten, afbraak- of reactieproducten ervan en de effecten op hun gedrag. De effecten kunnen het gevolg zijn van eenmalige, langdurige of herhaalde blootstelling en kunnen rechtstreeks of onrechtstreeks en omkeerbaar of onomkeerbaar zijn;

  5. de effecten op de biodiversiteit en het ecosysteem te evalueren;

  6. na te gaan welke niet-doelsoorten en -populaties risico lopen bij potentiële blootstelling;

  7. een evaluatie mogelijk te maken van de risico's op de korte en de lange termijn voor niet-doelsoorten, -populaties, -gemeenschappen en -processen;

  8. de werkzame stof in een bepaalde gevarenklasse in te delen in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 1272/2008.

  9. de pictogrammen, signaalwoorden en relevante gevarenaanduidingen en veiligheidsaanbevelingen op het etiket te specificeren ter bescherming van de mens, niet-doelsoorten en het milieu;

  10. waar relevant een aanvaardbare dagelijkse inname (ADI) voor de mens vast te stellen;

  11. aanvaardbare niveaus van blootstelling van de toediener (AOEL) vast te stellen;

  12. waar relevant een acute referentiedosis (ARfD) voor de mens vast te stellen;

  13. maatregelen voor eerste hulp en adequate diagnostische en therapeutische maatregelen bij vergiftiging van de mens vast te stellen;

  14. waar relevant, de isomeersamenstelling en de mogelijke metabole omzetting van de isomeren vast te stellen;

  15. residudefinities vast te stellen die geschikt zijn voor risicobeoordelingen;

  16. residudefinities te kunnen vaststellen die geschikt zijn voor toezichts- en handhavingsdoeleinden;

  17. een risicobeoordeling mogelijk te maken van de blootstelling van consumenten, met inbegrip van een beoordeling van de cumulatieve risico's van blootstelling aan meer dan een werkzame stof, waar relevant;

  18. een schatting mogelijk te maken van de blootstelling van toedieners, werknemers, bewoners of omstanders, met inbegrip van de cumulatieve blootstelling aan meer dan een werkzame stof, waar relevant;

  19. maximumresidugehalten en concentratie-/verdunningsfactoren te kunnen vaststellen in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 396/20052;

  20. een evaluatie mogelijk te maken van aard en omvang van de risico's voor mens en dier (soorten die gewoonlijk door de mens worden gevoed en gehouden of die voedsel produceren), alsmede van de gevaren voor andere gewervelde dieren van niet-doelsoorten;

  21. te bepalen welke maatregelen nodig zijn om de verontreiniging van het milieu en de effecten op niet-doelsoorten zoveel mogelijk te beperken;

  22. te bepalen of de werkzame stof al dan niet als persistente organische verontreinigende stof (POP), persistente, bioaccumulerende en toxische stof (PBT) of zeer persistente en zeer bioaccumulerende stof (vPvB) aangemerkt moet worden overeenkomstig de criteria die zijn vastgelegd in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009;

  23. te bepalen of de werkzame stof al dan niet in aanmerking komt om te worden vervangen in overeenstemming met de criteria die zijn vastgelegd in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009;

  24. te bepalen of de werkzame stof al dan niet moet worden aangemerkt als een werkzame stof waaraan weinig risico is verbonden in overeenstemming met de criteria die zijn vastgelegd in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009;

  25. te beslissen of de werkzame stof al dan niet moet worden goedgekeurd;

  26. te bepalen welke beperkingen en voorwaarden moeten worden gesteld aan goedkeuringen.

1.12. Waar relevant worden proeven opgezet en gegevens geanalyseerd met gebruikmaking van adequate statistische methoden.

1.13. In blootstellingsberekeningen moet verwezen worden naar door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid ("de EFSA") aanvaarde wetenschappelijke methoden, voor zover beschikbaar. Het gebruik van eventuele aanvullende methoden moet gemotiveerd worden.

1.14. Voor elke sectie van de gegevensvereisten moet een samenvatting van alle gegevens, informatie en evaluaties worden voorgelegd. Deze samenvatting moet een gedetailleerde en kritische beoordeling omvatten in overeenstemming met de bepalingen van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1107/2009.

2. De vereisten die in deze verordening zijn vastgesteld, bepalen welke gegevens minimaal voorgelegd moeten worden. In specifieke omstandigheden kunnen er aanvullende eisen nodig zijn op nationaal niveau ten aanzien van specifieke scenario's of gebruikspatronen naast die welke in aanmerking zijn genomen voor toelating. Bij het opzetten van proeven en de goedkeuring ervan door de bevoegde autoriteiten moet voldoende aandacht worden geschonken aan de milieu-, klimaat- en agronomische omstandigheden.

3. Goede laboratoriumpraktijken (GLP)

3.1. De proeven en analyses moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de beginselen die zijn vastgelegd in Richtlijn 2004/10/EG van het Europees Parlement en de Raad3, wanneer wordt getest om gegevens te verkrijgen over de eigenschappen of de veiligheid voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu.

3.2. In afwijking van punt 3.1 geldt het volgende:

3.2.1. Voor werkzame stoffen bestaande uit micro-organismen of virussen, mogen de proeven en analyses die worden uitgevoerd om gegevens te verkrijgen over de eigenschappen en de veiligheid met betrekking tot andere aspecten dan de gezondheid van de mens, worden uitgevoerd door officiële of officieel erkende testinrichtingen of -organisaties die ten minste aan de in de punten 3.2 en 3.3 van de inleiding van de bijlage bij Verordening (EU) nr. YYY [Office of publications please insert number of "Verordening van de Commissie tot vaststelling van de gegevensvereisten voor gewasbeschermingsmiddelen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen"]4 vastgestelde eisen voldoen.

3.2.2. Voor proeven en analyses voor het verkrijgen van de krachtens de punten 6.3 en 6.5.2 van deel A vereiste gegevens over minder belangrijke gewassen:


  • mag de veldfase zijn uitgevoerd door officiële of officieel erkende testinrichtingen of -organisaties die ten minste aan de in de punten 3.2 en 3.3 van de inleiding van de bijlage bij Verordening (EU) nr. YYY [Office of publications please insert number of "Verordening van de Commissie tot vaststelling van de gegevensvereisten voor gewasbeschermingsmiddelen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen"] vastgestelde eisen voldoen;

  • moet de analysefase, voor zover die niet wordt uitgevoerd in overeenstemming met de GLP-eisen, worden uitgevoerd door laboratoria die voor de desbetreffende methode geaccrediteerd zijn, in overeenstemming met de Europese norm EN ISO/IEC 17025 "Algemene eisen voor de competentie van beproevings- en kalibratielaboratoria".

3.2.3. Onderzoek dat vóór de inwerkingtreding van deze verordening is uitgevoerd, mag, ook al voldoen het niet volledig aan de GLP-eisen of de bestaande testmethoden, in de beoordeling worden opgenomen wanneer het door de bevoegde autoriteit als wetenschappelijk geldig wordt aanvaard, zodat dierproeven niet herhaald hoeven te worden, met name voor onderzoek naar de carcinogeniteit en reprotoxiciteit. Deze afwijking geldt voor alle gewervelde dieren.

4. Testmateriaal

4.1. Er moet een gedetailleerde beschrijving (specificatie) van het gebruikte materiaal worden gegeven. In proeven met de werkzame stof moet worden gewerkt met materiaal met dezelfde specificaties als de stof die zal worden gebruikt bij de industriële productie van de toe te laten gewasbeschermingsmiddelen, behalve wanneer radioactief gemerkt materiaal of de gezuiverde werkzame stof wordt gebruikt.

4.2. Onderzoek dat wordt uitgevoerd met gebruikmaking van een in een laboratorium of bij productie in een proefopstelling geproduceerde werkzame stof, moet worden herhaald met gebruikmaking van de werkzame stof zoals die wordt geproduceerd, tenzij de aanvrager kan aantonen dat het gebruikte testmateriaal in essentie identiek is, met het oog op de toxicologische, ecotoxicologische, milieu- en residutoetsing en -beoordeling. In geval van twijfel moeten er opschalingsonderzoeken worden overgelegd, op basis waarvan beoordeeld kan worden of herhaling van het onderzoek noodzakelijk is.

4.3. Wanneer onderzoek wordt uitgevoerd met gebruikmaking van een werkzame stof van een andere zuiverheid of die andere onzuiverheden of niveaus van onzuiverheden bevat dan de technische specificatie, of van een werkzame stof die een mengsel is van componenten, moet het belang van die verschillen worden vermeld op basis van gegevens of een wetenschappelijk onderzoek. In geval van twijfel moet passend onderzoek worden overgelegd met gebruikmaking van de werkzame stof zoals die wordt geproduceerd voor de handel, als basis voor een beslissing.

4.4. In geval van onderzoek waarbij de toediening zich uitstrekt over een bepaalde periode (bijvoorbeeld onderzoek bij herhaalde toediening), wordt bij deze toediening gebruikgemaakt van één en dezelfde batch van de werkzame stof, indien voldoende stabiel. Als in een studie verschillende doseringen van een stof worden gebruikt, moet informatie worden verstrekt over de relatie tussen de dosis en de schadelijke effecten.

4.5. Wanneer proeven moeten worden uitgevoerd met gebruikmaking van gezuiverde werkzame stof (≥ 980 g/kg) met een aangegeven specificatie, moet de zuiverheid van dergelijk proefmateriaal zo hoog zijn als met de best beschikbare technologie kan worden verkregen en worden gerapporteerd. Gevallen waarin de zuiverheid minder dan 980 g/kg bedraagt, moeten worden verantwoord. Uit deze verantwoording moet duidelijk blijken dat al het technisch redelijkerwijs mogelijke is gedaan om zuivere werkzame stof te produceren.

4.6. Wanneer radioactief gemerkt testmateriaal wordt gebruikt, worden de radioactieve merken zodanig aangebracht (op één punt of zo nodig op verschillende punten) dat de metabole en omzettingsroutes beter kunnen worden opgehelderd, en de verspreiding van de werkzame stof, alsmede de metabolieten, de reactie- en de afbraakproducten daarvan beter kan worden onderzocht.

5. Proeven op gewervelde dieren

5.1. Er worden enkel proeven op gewervelde dieren uitgevoerd als er geen andere gevalideerde methoden beschikbaar zijn. Enkele van de alternatieve methoden die overwogen moeten worden, zijn in-vitromethoden en in-silicomethoden. Ook worden methoden voor proeven in vivo die rekening houden met de beginselen van vermindering en verfijning van het gebruik van dieren aangemoedigd om het aantal dieren dat gebruikt wordt bij proeven tot een minimum te beperken.

5.2. Bij het opzetten van de testmethoden moet rekening worden gehouden met de beginselen van vervanging, vermindering en verfijning van het gebruik van dieren, met name wanneer er passende gevalideerde methoden ter vervanging, vermindering of verfijning van dierproeven beschikbaar komen.

5.3. Proeven waarbij de werkzame stof of het gewasbeschermingsmiddel met opzet toegediend wordt aan mensen en niet-menselijke primaten mogen niet worden uitgevoerd voor de toepassing van deze verordening.

5.4. Om ethische redenen moet de opzet van het onderzoek grondig worden overwogen en rekening worden gehouden met de mogelijkheid om het gebruik van dieren voor proeven te verminderen, te verfijnen of te vervangen. Zo kan aanvullend onderzoek vermeden worden door een of meerdere aanvullende dosisgroepen op te nemen of door vaker bloedmonsters te nemen tijdens een onderzoek.

6. Met het oog op informatieverstrekking en harmonisatie worden de lijst met testmethoden en de richtsnoeren voor de tenuitvoerlegging van deze verordening gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie. De lijst wordt regelmatig bijgewerkt.



DEEL A

Chemische stoffen

INHOUD

DEEL 1. IDENTITEIT VAN DE WERKZAME STOF

1.1. Aanvrager

1.2. Producenten

1.3. ISO-naam of voorgestelde ISO-naam en synoniemen

1.4. Chemische naam (IUPAC- en CA-nomenclatuur)

1.5. Door de producent bij de ontwikkeling gebruikte codeaanduidingen

1.6. CAS-, EG- en CIPAC-nummer

1.7. Molecuul- en structuurformule en molaire massa

1.8. Fabricagemethode (synthesetraject) van de werkzame stof

1.9. Specificatie van de zuiverheid van de werkzame stof in g/kg

1.10. Identiteit van en gehalte aan additieven (zoals stabilisatoren) en onzuiverheden

1.10.1. Additieven

1.10.2. Significante onzuiverheden

1.10.3. Relevante onzuiverheden

1.11. Analytisch profiel van batches

DEEL 2. FYSISCHE EN CHEMISCHE EIGENSCHAPPEN VAN DE WERKZAME STOF

2.1. Smeltpunt en kookpunt

2.2. Dampspanning, vluchtigheid

2.3. Voorkomen (fysische toestand, kleur)

2.4. Spectra (UV/VIS, IR, NMR, MS), molaire extinctie bij relevante golflengten, optische zuiverheid

2.5. Oplosbaarheid in water

2.6. Oplosbaarheid in organische oplosmiddelen

2.7. Verdelingscoëfficiënt n-octanol/water

2.8. Dissociatie in water

2.9. Ontvlambaarheid en zelfverhitting

2.10. Vlampunt

2.11. Explosiegevaar

2.12. Oppervlaktespanning

2.13. Oxiderende eigenschappen

2.14. Overige onderzoek

DEEL 3. VERDERE GEGEVENS OVER DE WERKZAME STOF

3.1. Toepassing van de werkzame stof

3.2. Functie

3.3. Effecten op schadelijke organismen

3.4. Beoogd toepassingsgebied

3.5. Te bestrijden schadelijke organismen of te beschermen of te behandelen gewassen of producten

3.6. Werkingsmechanisme

3.7. Informatie over de (mogelijke) ontwikkeling van resistentie en passende beheersstrategieën

3.8. Methoden en voorzorgsmaatregelen bij hantering, opslag, vervoer en brand

3.9. Procedures voor vernietiging of decontaminatie

3.10. Noodmaatregelen bij ongevallen

DEEL 4. ANALYSEMETHODEN

Inleiding

4.1. Methoden voor het verkrijgen van pregoedkeuringsgegevens

4.1.1. Methoden voor de analyse van de werkzame stof zoals die wordt geproduceerd

4.1.2. Methoden voor risicobeoordeling

4.2. Methoden die voor de controle en het toezicht na de goedkeuring toegepast worden



DEEL 5. TOXICOLOGISCH ONDERZOEK EN ONDERZOEK NAAR HET METABOLISME

Inleiding

5.1. Onderzoek naar absorptie, distributie, metabolisme en excretie bij zoogdieren

5.1.1. Absorptie, distributie, metabolisme en excretie na blootstelling via de orale route

5.1.2. Absorptie, distributie, metabolisme en excretie na blootstelling via andere routes

5.2. Acute toxiciteit

5.2.1. Mond

5.2.2. Huid

5.2.3. Inhalatie

5.2.4. Huidirritatie

5.2.5. Oogirritatie

5.2.6. Sensibilisering van de huid

5.2.7. Fototoxiciteit

5.3. Toxiciteit na kortdurende blootstelling

5.3.1. Studie over 28 dagen bij orale toediening

5.3.2. Studie over 90 dagen bij orale toediening

5.3.3. Overige toedieningsroutes

5.4. Genotoxiciteitsproeven

5.4.1. Onderzoek in vitro

5.4.2. Onderzoek in vivo bij somatische cellen

5.4.3. Onderzoek in vivo bij kiemcellen

5.5. Toxiciteit bij langdurige blootstelling en carcinogeniteit

5.6. Voortplantingstoxiciteit

5.6.1. Generatie-onderzoek

5.6.2. Onderzoek naar ontwikkelingstoxiciteit

5.7. Onderzoek naar neurotoxiciteit

5.7.1. Onderzoek naar neurotoxiciteit bij knaagdieren

5.7.2. Onderzoek naar vertraagd intredende polyneuropathie

5.8. Overig toxicologisch onderzoek

5.8.1. Onderzoek naar toxiciteit van metabolieten

5.8.2. Aanvullend onderzoek naar de werkzame stof

5.8.3. Hormoonontregelende eigenschappen

5.9. Medische gegevens

5.9.1. Medisch toezicht op het personeel van productiebedrijven en monitoringonderzoek

5.9.2. Gegevens verzameld bij mensen

5.9.3. Rechtstreekse waarnemingen

5.9.4. Epidemiologisch onderzoek

5.9.5. Diagnose van vergiftiging (bepaling van de werkzame stof, metabolieten), specifieke vergiftigingsverschijnselen, klinisch onderzoek

5.9.6. Voorgestelde behandeling: maatregelen voor eerste hulp, antidota, medische behandeling

5.9.7. Te verwachten effecten van vergiftiging



DEEL 6. RESIDUEN IN OF OP BEHANDELDE PRODUCTEN, LEVENSMIDDELEN EN DIERVOEDERS

6.1. Stabiliteit van residuen bij opslag

6.2. Metabolisme, verdeling en uitdrukkingsvorm van residuen

6.2.1. Planten

6.2.2. Pluimvee

6.2.3. Melkproducerende herkauwers

6.2.4. Varkens

6.2.5. Vissen

6.3. Proeven om de omvang van residuen te bepalen bij planten

6.4. Onderzoek naar vervoedering

6.4.1. Pluimvee

6.4.2. Herkauwers

6.4.3. Varkens

6.4.4. Vissen

6.5. Effecten van verwerking

6.5.1. Aard van het residu

6.5.2. Verdeling van het residu over de oneetbare schil en het vruchtvlees

6.5.3. Omvang van residuen in verwerkte producten

6.6. Residuen in wisselgewassen

6.6.1. Metabolisme in wisselgewassen

6.6.2. Omvang van residuen in wisselgewassen

6.7. Voorgestelde residudefinities en maximumresidugehalten

6.7.1. Voorgestelde residudefinities

6.7.2. Voorgestelde maximumresidugehalten (MRL) en verantwoording voor de aanvaardbaarheid van deze gehalten.

6.7.3. Voorgestelde maximumresidugehalten (MRL) en verantwoording voor de aanvaardbaarheid van de voorgestelde gehalten voor ingevoerde producten (invoertolerantie).

6.8. Voorgestelde veiligheidsintervallen

6.9. Schatting van de potentiële en werkelijke blootstelling via de voeding of via andere bronnen

6.10. Overige onderzoek

6.10.1. Residugehalte in pollen en bijenproducten

DEEL 7. LOTGEVALLEN EN GEDRAG IN HET MILIEU

7.1. Lotgevallen en gedrag in de bodem

7.1.1. Afbraakroute in de bodem

7.1.1.1. Aerobe afbraak

7.1.1.2. Anaerobe afbraak

7.1.1.3. Fotolyse in de bodem

7.1.2. Afbraaksnelheid in de bodem

7.1.2.1. Laboratoriumonderzoek

7.1.2.1.1. Aerobe afbraak van de werkzame stof

7.1.2.1.2. Aerobe afbraak van metabolieten, afbraak- en reactieproducten

7.1.2.1.3. Anaerobe afbraak van de werkzame stof

7.1.2.1.4. Anaerobe afbraak van metabolieten, afbraak- en reactieproducten

7.1.2.2. Veldonderzoek

7.1.2.2.1. Onderzoek naar dissipatie uit de bodem

7.1.2.2.2. Onderzoek naar accumulatie in de bodem

7.1.3. Adsorptie en desorptie in de bodem

7.1.3.1. Adsorptie en desorptie

7.1.3.1.1. Adsorptie en desorptie van de werkzame stof

7.1.3.1.2. Adsorptie en desorptie van metabolieten, afbraak- en reactieproducten

7.1.3.2. Verouderde sorptie

7.1.4. Mobiliteit in de bodem

7.1.4.1. Onderzoek naar uitspoeling uit kolommen

7.1.4.1.1. Uitspoeling uit kolommen van de werkzame stof

7.1.4.1.2. Uitspoeling uit kolommen van metabolieten, afbraak- en reactieproducten

7.1.4.2. Lysimeteronderzoek

7.1.4.3. Veldonderzoek naar uitspoeling

7.2. Gedrag en lotgevallen in water en sediment

7.2.1. Afbraakroute en -snelheid in aquatische systemen (chemische en fotochemische afbraak)

7.2.1.1. Hydrolytische afbraak

7.2.1.2. Directe fotochemische afbraak

7.2.1.3. Indirecte fotochemische afbraak

7.2.2. Biologische-afbraakroute en -snelheid in aquatische systemen

7.2.2.1. "Gemakkelijk biologisch afbreekbaar"

7.2.2.2. Aerobe mineralisatie in oppervlaktewater

7.2.2.3. Water/sedimentstudie

7.2.2.4. Bestraald water/sedimentstudie

7.2.3. Afbraak in de verzadigde zone

7.3. Lotgevallen en gedrag in lucht

7.3.1. Afbraakroute en -snelheid in lucht

7.3.2. Verspreiding via de lucht

7.3.3. Lokale en globale effecten

7.4. Definitie van het residu

7.4.1. Definitie van het residu voor risicobeoordeling

7.4.2. Definitie van het residu voor toezicht

7.5. Monitoringgegevens



  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   13


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina