Bijlage concept Nota van Antwoord Kabinetsstandpunt Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (nsl)



Dovnload 1.12 Mb.
Pagina10/15
Datum22.07.2016
Grootte1.12 Mb.
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15

Voorstellen voor wijzigingen in het NSL:

In het definitieve NSL zal uitgebreider ingegaan worden op de effecten van luchtverontreinigende stoffen op de gezondheid en de relatie met de maatregelen.




74 Gemeente Alphen a/d Rijn, A. van Klaveren, Alphen a/d Rijn

Kernpunt(en) van de inspraak:

Reactie van Bevoegd Gezag:

1 Het project Factory Outlet Centre te Alphen aan den Rijn moet worden opgenomen in de lijst van IBM-projecten Zuid-Holland van het NSL. Zowel de Gemeente Alphen aan den Rijn als Gedeputeerde Staten van de Provincie Zuid- Holland staan positief tegenover dit project. Het project Dutch Oval met IBM-nummer 1468 komt te vervallen.


De locatie van het nieuwe IBM-project is gelijk aan het huidige IBM-project 1468. Het verschil tussen het opgegeven IBM-project en het nieuwe project is het bezoekersaantal van de locatie. Het bezoekersaantal is vijf maal groter dan van het huidige IBM-project.

Het toevoegen van nieuwe IBM-projecten of het drastisch wijzigen daarvan, in dit geval met een factor vijf in bezoekersaantal, acht ik naar aanleiding van de inspraak niet wenselijk. Nieuwe IBM-projecten toevoegen aan het NSL betekent - zeker als die projecten zich bevinden in (de buurt van) huidige overschrijdingsgebieden - dat moet worden nagegaan óf en welke extra maatregelen nodig zijn om te zorgen dat het op tijd halen van de grenswaarden niet in gevaar komt. Daarom is in de Wet milieubeheer in artikel 5.12, twaalfde lid, onder b, de mogelijkheid opgenomen om aan de hand van een melding extra voorgenomen besluiten aan het programma toe te voegen. Voorwaarde daarbij is dat de melding - ondersteund met berekeningen - duidelijk maakt dat er met het nieuwe IBM-project per saldo een vergelijkbaar of positiever effect op de luchtkwaliteit ontstaat. Als extra maatregelen nodig zijn dient de melding die te benoemen alsmede aan te geven op welke termijn die maatregelen zullen worden getroffen. Een melding kan worden gedaan zodra het NSL in 2009 definitief is geworden. De melding behoeft de instemming van de minister van VROM, die daarover binnen zes weken dient te beslissen.






75 Dhr. C. Smitskamp, Delft

Kernpunt(en) van de inspraak:

Reactie van Bevoegd Gezag:

Inspreker is ingeklemd tussen de A4 en de A13. Nu is het 24-uurs gemiddelde aan fijn stof concentratie op de A13 hoger dan 40 µg/m3. Met de aanleg van de A4 wordt het er alleen maar slechter op. De maatregelen die in het NSL genoemd worden, zijn nooit in staat deze verslechtering te compenseren. Echter, een verbetering dan wel compensatie zal alleen bereikt worden als kabinet afziet van de aanleg van de A4- Delft/Schiedam.


Gelet op de locatie waar u woont, is de bijdrage van de snelweg A4 en A13 zeer beperkt. Het is met name de achtergrondconcentratie en het geheel van activiteiten in een stedelijke omgeving waar u direct aan wordt blootgesteld.

Het klopt dat op dit moment langs de A13 op diverse locaties op 10 meter van de wegrand sprake is van een overschrijding van de grenswaarden voor PM10 en NO2.

Met het NSL wordt echter een zorgvuldige en goede onderbouwing gegeven dat we overal in Nederland (na derogatie verlening) tijdig zullen voldoen aan de gestelde grenswaarde voor PM10 en NO2. Dit komt enerzijds doordat voertuigen schoner worden en daarmee de totale bijdrage langs snelwegen afneemt, anderzijds draagt ook de forse inzet aan generiek beleid hier aan bij. Tot slot worden ter hoogte van zogenoemde hardnekkige knelpunten lokaal extra maatregelen langs snelwegen getroffen, welke opgenomen zijn in bijlage 10 van het NSL.

Wat dan opvalt is dat er geen aanvullende lokale maatregelen getroffen hoeven te worden langs de A13. De doorstroming op de A13 verbetert namelijk sterk door de realisatie van de A4-Delft/Schiedam en het project A13-A16-A20, beiden als IBM-project genoemd onder bijlage 8. Het doorgaand verkeer verdeelt zich ook beter over de snelwegen, waardoor de negatieve bijdrage aan de luchtkwaliteit vermindert.

Kortom, het NSL toont aan dat ook met de aanleg van de A4-Delft/Schiedam (conform de beschreven uitvoeringsvariant in bijlage 8), overal in Nederland, dus ook op uw locatie thuis, tijdig wordt voldaan aan de gestelde grenswaarden voor de luchtkwaliteit.





76 Hagedoorn Stichting, dhr. J. Hagedoorn, Rijswijk

Kernpunt(en) van de inspraak:

Reactie van Bevoegd Gezag:

Op zeer drukke straten in het oude centrum van Rijswijk (de Haagweg, Geestbrugweg/Herenstraat) is intensief spitsverkeer op werkdagen Door drie soorten autoverkeer bij vier series verkeerslichten is er congestie. Meetpunten bij de gevaarlijke voetgangersoversteekplaatsen zijn voor fijn stof en stikstofdioxide ontoereikend voor de beoordeling van overschrijdingen in de woonwijk Leeuwendaal. Ook de wijk Cromvliet ligt in de heersende windrichting (zuidwest). Meetpunten op 75 of 100 meter afstand van de kruising worden aanbevolen. Wachtende voetgangers staan ook blootgesteld aan de concentraties. De bewoners van Oranjelaan en Prinsesselaan ondervinden overmatig hinder van de slechte luchtkwaliteit, dat kost hen levensdagen. De gemeente Rijswijk moet een drietal dubbele roltrappen aanbrengen in de voetgangerstunnel en het aantal rijbanen verbreden en de twee ventwegen afsluiten voor autoverkeer, dat vermindert de congestie.

Ik heb begrip voor uw zorgen over de luchtkwaliteit in delen van Rijswijk. Het NSL is er op gericht om ook in uw gemeente aan de Europese luchtkwaliteitsnormen te voldoen, met het oog op bescherming van de volksgezondheid. Uiteindelijk dient overal aan de grenswaarden te worden voldaan. Dit is het uitgangspunt van het NSL.
De gemeente Rijswijk zal meer openbaar groen opnemen langs de Haagweg. Daarnaast werkt de gemeente aan een plan voor herinrichting van de Haagweg. Daarin worden, waar mogelijk, maatregelen meegenomen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Zo wordt er onderzoek gedaan naar invoering van een milieuzone. Ook wordt er verkeerstechnisch onderzoek verricht, samenhangend met de inpassing van breder trammaterieel. Afhankelijk van de uitkomsten wordt het profiel van de Haagweg aangepast, mogelijk van 2 maal 2 naar 2 maal 1 rijbanen, met positieve effecten op de luchtkwaliteit.

De gemeente Rijswijk heeft een meetplan voor de luchtkwaliteit aan de Haagweg. Begin 2009 wordt een beslissing genomen over de locatie van de meetpunten.






77 Dhr. H.F.J. Brinkhuizen, Groningen




Kernpunt(en) van de inspraak:

Reactie van Bevoegd Gezag:

Balansventilatie leidt tot gezondheidsklachten


Met uw rijk geïllustreerde betoog wijst u op het mogelijke verband tussen de zogeheten balansventilatie in uw woning en de gezondheid.
De maatregelen in het NSL zijn gericht op het verbeteren van de luchtkwaliteit in de buitenlucht. Voor klachten en adviezen over de luchtkwaliteit in de woning kunt u zich richten tot uw verhuurder.




78 Ver Werkgroep Natuurbehoud en Milieubeheer, dhr. W. Beekmans, Eindhoven

Kernpunt(en) van de inspraak:

Reactie van Bevoegd Gezag:

Het NSL zou moeten streven naar minimale waarden voor alle luchtverontreinigende componenten (naast NOx en PM10 ook PM2,5 en ozon), dus verdergaan dan de bestaande grenswaarden.



Ik ben met u eens dat het vanuit oogpunt van gezondheid van groot belang is dat de concentraties van PM10 en NO2 zo laag mogelijk zijn.
Bij de totstandkoming van de grenswaarden heeft naast het gezondheidsaspect, op basis van input van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), ook de praktische haalbaarheid een rol gespeeld.
Het NSL heeft als doel om in ieder geval zo spoedig mogelijk aan de grenswaarden te voldoen, waarbij de grenswaarde als bovengrens beschouwd kan worden, aangezien de concentraties op vele plekken ver onder de grenswaarde zullen uitkomen. Bij het bereiken van de nu afgesproken grenswaarden wordt een onmisbare stap in de goede richting gezet.
Juist vanwege het inzichten in de schadelijkheid van de kleinere fractie van fijn stof is er in de richtlijn een grenswaarde voor PM2,5 opgenomen. In het NSL wordt via maatregelen aandacht besteed aan het terugdringen van schadelijke roetdeeltjes, afkomstig van verbrandingsprocessen zoals verkeer.
Ik wil u ook graag wijzen op de evaluatie van de PM2,5 norm in 2013, waarbij de meest recente wetenschappelijke informatie van de WHO een belangrijke rol zal spelen.
Overigens zijn er naast Europese grenswaarden voor PM2,5, streefwaarden voor ozon. Veel maatregelen uit het NSL leiden ook tot een reductie van de emissie van PM2,5, aangezien dit een onderdeel is van de PM­10-fractie.

Voor ozon gelden Europese streefwaarden voor 2010 en lange-termijndoelen voor 2020. Aan de meeste daarvan wordt door Nederland nu al voldaan.



In paragraaf 2.4, laatste bullit, staat een fout: het aantal overschrijdingen zou volgens inspreker niet tot nul reduceerbaar zijn, omdat inversies zullen blijven optreden


De tekst in het NSL bedoelt dat de norm niet meer overschreden zal worden. De norm is: maximaal 35 dagen een daggemiddelde concentratie PM10 die hoger is dan 50 µg/m3. Er zullen inderdaad nog steeds dagen zijn dat er gemiddelde concentraties boven 50 µg/m3 worden gemeten, onder meer door inversie, maar niet meer dan 35 keer per jaar. Daarmee wordt aan de norm voldaan en zijn er geen overschrijdingen meer.

NSL besteedt te weinig aandacht aan de maatschappelijke kosten van de opgelopen gezondheidsschade door chronische blootstelling. De Smogregeling moet aangepast worden zodat het publiek bij lichte en zeker bij matige smog tijdig wordt gewaarschuwd en mensen hun gedrag kunnen aanpassen en eventueel preventief activiteiten verboden kunnen worden (Paasvuren, vuurwerk rond Oud &Nieuw; Nieuw).
NSL moet uitgebreid worden met

een hoofdstuk over de relatie tussen luchtkwaliteit en gezondheid/milieu, toevoeging van beleid om POPs, zware metalen, PAKs, dioxines en bestrijdingsmiddelen terug te dringen

een subhoofdstuk over het beleid m.b.t. fotochemische luchtverontreiniging en ozon

een hoofdstuk over positieve en negatieve correlaties tussen luchtkwaliteit en duurzaamheidsbeleid

een hoofdstuk over de correlaties luchtkwaliteit / energiebeleid


Naar aanleiding van uw reactie en die van enkele andere insprekers ben ik tot de conclusie gekomen dat in het NSL inderdaad een beter overzicht dient te worden opgenomen van de gezondheidseffecten die door blootstelling aan luchtverontreiniging ontstaan. In het definitieve NSL zal dit dan ook toegevoegd worden.
Overigens is het NSL opgezet om te voldoen aan de grenswaarden voor PM10 en NO2. Het is dus een uitvoeringsprogramma en geen beleidsvormend programma. De maatregelen die in het NSL worden voorzien kunnen ook een positief effect hebben op de emissies en concentratieniveaus van andere stoffen, aangezien deze soms gekoppeld zijn aan fijn stof of ook via verbrandingsprocessen in de atmosfeer komen. Dit is echter geen doel van het NSL zelf. Voor de door u genoemde stoffen zijn doelstellingen in Europees verband vastgesteld waarvoor apart beleid ontwikkeld is.
Op dit moment zijn in de Smogregeling al drempelniveaus opgenomen waarboven het publiek geïnformeerd dient te worden.

Het al dan niet verbieden van activiteiten is een maatregel die door gemeenten overwogen kan worden indien dit voor de lokale situatie wenselijk zou zijn.


In het kader van het onderzoeksprogramma Luchtkwaliteit-Klimaat (BOLK) wordt onder leiding van het Planbureau voor de Leefomgeving onderzoek gedaan naar de interacties tussen energie- en duurzaamheidsbeleid en luchtkwaliteit. De hieruit verkregen inzichten worden door mij meegenomen bij het vormgeven van het klimaat- en luchtkwaliteitsbeleid, maar maken vooralsnog geen onderdeel uit van het NSL.

Gemeenten en provincies zouden bij elk project een gezondheidseffectscreening moeten uitvoeren (dit is door gemeente Breda al als maatregel opgevoerd)


Ik ben het met u eens dat een gezondheidseffectscreening (GES) gemeenten en provincies inderdaad kan helpen bij het beoordelen van de effecten die een voorgenomen project kan hebben op de gezondheid. Het instrument heeft echter ook zijn beperkingen. Vanwege de grote verschillen in gezondheidskundige effecten van geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid is het niet mogelijk om de gezondheidsrisico’s van verschillende activiteiten in absolute zin met elkaar te vergelijken. Het is dankzij de scoringssystematiek van een GES wel mogelijk om relatieve vergelijkingen te maken. Dit kan overheden helpen bij het maken van een keuze.
Ter ondersteuning van gemeenten en de GGD-en heeft mijn ministerie samen met het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de GGD-Nederland de handreiking Gezondheidseffectscreening ontwikkeld. Uiteindelijk is het de gemeenteraad die zorg dient te dragen voor gezondheidsaspecten in bestuurlijke beslissingen. Een GES kan de raad daarbij ondersteunen. Omdat een GES bedoeld is als een hulpmiddel kan ik het gebruik ervan niet voorschrijven. Het is aan gemeenten en provincies om te bepalen op welke grond men voor een bepaald project kiest, waarbij uiteraard wel de verplichting geldt dat aan de grenswaarden moet worden voldaan.

Houtkachels en open haarden dienen verboden te worden

De bijdrage van huishoudens (waarbij het stoken van houtkachels en open haarden is inbegrepen) aan de totale luchtverontreiniging is beperkt gelet op de lokale effecten van houtgestookte kachels (de rook verdunt snel) en vanwege de beperkte bijdrage van deze rook aan de totale hoeveelheid fijn stof in de lucht, heb ik eerder besloten om niet tot nationale wet- en regelgeving over te gaan voor de aanpak van deze problematiek.
Wel bestaat voor gemeenten desgewenst de mogelijkheid om, bijvoorbeeld op grond van een verordening, regulerend op te treden. Ik zal in het NSL een passage opnemen die gemeenten er op wijst dat "gemeenten alert moeten zijn op overlast van fijn stof als gevolg van huishoudens uitstoot en daar zonodig middels lokale verordeningen regulerend in kunnen optreden".

Tweetaktmotoren moeten vervangen worden door viertaktmotoren

In het kader van de verdere vergroening van het belastingstelsel wordt bestudeerd hoe de vervuiling door tweetaktmotoren fiscaal aangepakt kan worden. Ik denk echter dat daarvan geen wonderen mogen worden verwacht op de totale milieueffecten van brommers. Het probleem van de verhoogde uitstoot van fijn stof lijkt zich het sterkst voor te doen bij oudere tweetakt brom- en snorfietsen, nog versterkt door het opvoeren. De thans nieuw verkochte brom- en snorfietsen fietsen zijn al veel schoner, en in toenemend aandeel viertakt in plaats van tweetakt.

Dat neemt niet weg dat ik voorstander ben van een aanscherping van de Europese uitlaatgasnormen voor de brom- en snorfietsen, omdat dat altijd een positief effect op de gezondheid zal hebben. Ik zal er dan ook bij de Europese Commissie op aandringen om met een voorstel ter zake te komen. Aangezien de EU een interne markt kent voor producten als bromfietsen met geharmoniseerde technische eisen is het niet mogelijk om afwijkende nationale eisen te hanteren. Gezien de tijd die gewoonlijk met zo’n voorstel gemoeid is, voorzie ik niet dat dit nog op tijd beschikbaar zal zijn om als maatregel in het NSL opgenomen te worden.




Voorstellen voor wijzigingen in het NSL:

In het definitieve NSL zal uitgebreider ingegaan worden op de effecten van luchtverontreinigende stoffen op de gezondheid en de relatie met de maatregelen.


In het definitieve NSL zal een paragraaf worden toegevoegd waarin wordt vermeld dat gemeenten alert moeten zijn op overlast van fijn stof ten gevolge van de emissie van huishoudens en daar zonodig, middels lokale verordeningen, regulerend in kunnen optreden.


79 Bewonersvereniging Havenkwartier, dhr. A.M. Hulleman, Den Haag

Kernpunt(en) van de inspraak:

Reactie van Bevoegd Gezag:

De gegevens van de gemeente Den Haag inzake project 1443 (Scheveningen Haven) zijn niet correct. De gegevens zijn achterhaald en komen niet overeen met de ambities die zijn opgenomen in het plan ‘De ambitie wereldstad aan zee’. De luchtkwaliteit en de leefbaarheid in Scheveningen Haven dreigt door de ambitieuze ontwikkelingsplannen van de gemeente onder druk te staan.


Sinds het aanleveren van de gegevens voor het NSL heeft de planontwikkeling niet stilgestaan. Inderdaad laten de jongste plannen voor Scheveningen haven wat extra elementen zien. Deze beperkte uitbreidingen zijn echter gepland voor ná 2015, dus na de looptijd van het NSL. Ze moeten normaal aan de Wet luchtkwaliteit en de grenswaarden voldoen.

De gemeente Den Haag heeft haar NSL-berekeningen van het verkeer tot 2015 verantwoord in ‘Bijlage 5 Onderbouwing verkeersmodel’ bij het collegebesluit over de Haagse bijdrage aan het NSL en houdt daar aan vast, maar zal in het kader van de NSL-monitoring de verkeersprognoses jaarlijks op hun geldigheid controleren.

De incidentele verkeersdrukte op sommige hoogtijdagen in Scheveningen zijn niet bepalend voor het (op jaarbasis) halen van de grenswaarden.


De maatregelen in het Actieplan luchtkwaliteit van Den Haag ontberen draagvlak en realisme (walstroom), dan wel zijn niet genoemd (dynamisch verkeersmanagement)


De gemeente Den Haag hecht aan het zo snel mogelijk realiseren van walstroom. Zij heeft hiertoe in november 2008 een projectleider aangetrokken. Deze zal zich inzetten om de doelgroep te enthousiastmeren. Ook heeft de gemeente hiervoor in het Actieplan reeds budget gereserveerd.

Dynamisch verkeersmanagement (DVM) is opgenomen in het Actieplan luchtkwaliteit, De gemeente heeft de uitvoering voortvarend ter hand genomen, en werkt daarbij ook samen met het stadsgewest Haaglanden. Belangrijk doel daarbij is om op drukke dagen het verkeer naar Scheveningen optimaal te spreiden met nieuwe route informatiepanelen aan het eind van de Utrechtsebaan en een dynamische busstrook op de Van Alkemadelaan. Zie hiervoor de ‘projecten verkeersmanagement’ op het aan DVM gewijde deel van de website van de gemeente Den Haag.



Kan duidelijk worden gemaakt of de plannen rond de Scheveningse Haven vallen onder het overgangsrecht (Blk 2005)?


Projecten die gestart zijn vóórdat de nieuwe 'Wet Luchtkwaliteit' in werking trad (15 november 2007), vallen onder een speciaal overgangsrecht. Zie hiervoor artikel V van de Wijzigingswet Wet milieubeheer. Uitgangspunt is dat deze projecten op grond van het oude recht, het Besluit Luchtkwaliteit 2005, worden afgerond. Bepalend hierbij is de datum van vaststelling van het (ontwerp)besluit. Het geldende bestemmingsplan dateert van voor de op de huidige grenswaarden gebaseerde luchtkwaliteitswet- en regelgeving. Zoals u zelf al opmerkt is een nieuw ontwerp-bestemmingsplan voor Scheveningen-Haven nog niet ter visie gelegd, en dus ook nog niet vastgesteld. Het overgangsrecht en dus ook het Besluit luchtkwaliteit 2005 zal niet op zo’n plan van toepassing zijn.




80 Blerickse Belangenvereniging A73/A74, H.A. Wissingu, Venlo

Kernpunt(en) van de inspraak:

Reactie van Bevoegd Gezag:

De voorgenomen Rijksweg A74 zal veel meer luchtverontreiniging veroorzaken doordat het Europese Verkeer zal toenemen. Dit betreft met name verkeer uit het Oostblok dat niet aan de Nederlandse en Europese normen voldoet. Alleen een tunnel zou helpen, maar is niet mogelijk vanwege de Zuiderbrug over de Maas. Een alternatief is mogelijk via de Oostkust van Venlo waar meer weinig gehinderde bewoners zijn en geen brugverbinding nodig is.


U geeft terecht aan dat met de komst van de Rijksweg A74 een deel van het bovenregionale vrachtverkeer een andere route zal verkiezen. Eén van de doelen die ik nastreef met de realisatie van de A74, is het terugdringen van bovenregionale verkeersbewegingen door Venlo naar Duitsland en vice versa. Dit verkeer kan nu niet goed doorstromen en draagt nu bij aan een slechte leefomgeving en onveilige situaties. De berekeningen met de Saneringstool geven aan dat dit effect ook bereikt wordt.

Naast het aantal (vracht)voertuigen dat gebruik maakt van een weg, wordt ook nadrukkelijk gekeken naar de gemiddelde uitstoot per type voertuig. Dit leidt tot een emissiefactor per type voertuig, welke tezamen met het aantal voertuigen en de mate van doorstroming de verkeersbijdrage terplekke bepaalt.

De Saneringstool geeft als rekenhart van het NSL een goede onderbouwing van de consequenties van projecten die in het NSL opgenomen zijn. Dit effect wordt beschreven voor de voorkeursvariant of de meest waarschijnlijke inpassing. Alleen bij keuze van de betreffende uitvoeringsvariant kan het luchtkwaliteitseffect van een project met het NSL onderbouwd worden. Bij afwijkingen op het NSL moet een project zelf nadere onderbouwing opstellen, die aantoont dat tijdig voldaan wordt aan de gestelde grenswaarden.

De afweging tussen alternatieven vindt plaats in de MER-fase. Mocht u het niet eens zijn met deze afweging, of aangeven dat niet alle reële alternatieven zijn meegenomen, dan kunt u dit tijdens de inspraak op het ontwerpbesluit kenbaar maken. Ik waardeer desalniettemin uw suggesties.






81 VNO-NCW, dhr. C. Oudshoorn, Den Haag

Kernpunt(en) van de inspraak:

Reactie van Bevoegd Gezag:

VNO-NCW ondersteunt de NSL aanpak.

Europees bronbeleid verdient de voorkeur boven nationale en regionale maatregelen. Met name invoering van Euro 6/VI, evenals de verbetering van de brandstofkwaliteit en maatregelen bij de scheepvaart.

Door de uitspraak van het Europese hof kan Nederland mogelijk toch tot verplichte invoering van emissienormen overgaan.


Ik ben blij met uw steun voor de NSL-aanpak.

Ik onderschrijf het belang van een Europese brongerichte aanpak en zet mij hiervoor ook nadrukkelijk in. Hoe actiever en eerder er in EU-verband maatregelen worden genomen, hoe eerder en effectiever ook in ons land de grenswaarden worden bereikt. Nationaal onderzoek ik de mogelijkheden om in het verlengde van het lopend stimulerings­beleid voor verkeersmaatregelen luchtkwaliteit (roetfilters, Euro 5/EEV. VERS-regeling voor de binnenvaart) nieuwe ontwikkelingen nationaal te stimuleren.

Ook zijn in IMO-verband afspraken gemaakt over het terugdringen van NOx- en SO2-emissies van de zeescheepvaart. Deze eisen zullen echter grotendeels ná de NSL-periode effect hebben.
Voor zwavelhoudende diesel wordt een aanpak via fiscale vergroening of kwaliteitseisen bezien. Op Europees niveau is al besloten tot verlaging van het zwavelgehalte van de brandstof die door de binnenvaart wordt gebruikt, per 1 januari 2011.

Ten aanzien van de mogelijkheid tot het eerder invoeren van Europese eisen ziet Nederland uit naar een herziene uitspraak van de Europese Commissie over het Nederlandse voorstel tot roetfilterverplichting voor diesel­personenauto's en kleine bestelwagens.



Zwaartepunt van lokale maatregelen moet bij verkeer en vervoer liggen.


Uit de door de gemeenten en provincies ingediende maatregellijsten blijkt dat lokaal inderdaad het accent wordt gelegd bij verkeersgerichte maatregelen.

Meer inzicht dient verkregen te worden in de relatie tussen stofsoort en gezondheidsschade.


Meer inzicht in de relatie tussen maatregelen en de gezondheidseffecten is inderdaad wenselijk. Dit om te verzekeren dat we de meest kosteneffectieve maat­regelen inzetten om de gezondheidsrisico’s te verminderen. Internationaal wordt veel onderzoek gedaan naar de vraag welke eigenschappen van deeltjes kritisch zijn in het veroorzaken van gezondheidseffecten. Nederlands onderzoek draagt daar aan bij. Helaas moet geconstateerd worden dat antwoorden op dit terrein niet eenvoudig te verkrijgen zijn en dat ik op dit moment geen andere keuze heb dan – gezien de gezondheidsrisico’s waar het om gaat - veiligheidshalve alle stofemissies te reduceren, ongeacht samenstelling.
Wel constateer ik dat de kleinere fractie van fijn stof zeer waarschijnlijk schadelijker is dan de grovere fractie. In de nieuwe Europese richtlijn is gelet hierop dan ook een grenswaarde voor PM2,5 opgenomen. In het NSL wordt via maatregelen aandacht besteed aan het terugdringen van schadelijke roetdeeltjes, afkomstig van verbrandingsprocessen zoals verkeer.

Meten en rekenen aan projecten zou drastisch vereenvoudigd moeten worden (zie voorstellen commissie-Verheijen)

Ik heb de adviezen van de commissie-Verheijen overgenomen en werk aan de implementatie daarvan. Meer informatie hierover vindt u in mijn reactie aan de Tweede Kamer bij de aanbieding van het advies van de commissie. Voor de opzet en de inhoud van het NSL heeft dit advies geen consequenties omdat de commissie constateerde dat met het NSL al wordt ingespeeld op een aanzienlijk deel van de problematiek.

Met het actieplan fijn stof wordt zwaar ingezet op het terugdringen van het fijn stof in de industrie. De industrie heeft haar uitstoot reeds vergaand teruggebracht. VNO-NCW is tegen een 'one size fits all' beleid t.a.v. de industrie door een generieke eis van 5 mg/m3 voor te schrijven.


Voor het verbeteren van de luchtkwaliteit moeten alle sectoren, zoals verkeer, landbouw en industrie een inspanning leveren. De vraag is daarbij altijd welke sector draagt welk deel bij. Hierover heeft het vorige kabinet een besluit genomen (september 2005) dat zich heeft vertaald in het NSL. Voor de industrie betekent dit dat er ten opzichte van 2005 in 2010 een emissiereductie van 1 kiloton fijn stof moet worden gerealiseerd. Deze taakstelling loopt in 2020 op tot een reductie van 2 kiloton ten opzichte van de industriële fijn stof emissies van 2005. Deze reductiedoelstellingen zijn vertaald in industriële emissieplafonds fijn stof voor respectievelijk 2010, 2015 en 2020. Hiervoor is het Actieplan fijn stof & industrie opgesteld. Ter voorbereiding hiervan is er onderzoek uitgevoerd door TNO. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen, dat ook de industriële emissies aan fijn stof substantieel bijdragen aan de lokale luchtkwaliteit. Deze emissie zorgt mede voor de verhoogde achtergrondconcentratie, die in slechte dagen zich als “een deken” op het leefniveau openbaart. Door het strikt toepassen van BBT zijn er nog veel emissiereducties te realiseren. De emissiewaarde van 5 mg/Nm3 is hierbij richtinggevend en gebaseerd op de bestaande BAT-referentiedocumenten (BREF’s) en toepassingen in de praktijk. Het implementeren van deze strikte waarde kan niet van de een op de andere dag. Ik heb daarom vooralsnog gekozen voor maatwerk via de individuele vergunningverlening. Het Actieplan Fijn stof & industrie zal in de komende jaren worden uitgerold. Dit zal in nauw overleg met het bedrijfsleven en de vergunningverleners plaatsvinden. De snelheid en volgorde van de in te voeren maatregelen zal daarbij mede worden bepaald door de kosteneffectiviteit van de maatregelen en de snelheid, waarmee de taakstelling 2010, 2015 en 2020 wordt gerealiseerd. De voorgestane aanpak is geheel in lijn met de IPPC en Wm. Immers hierin wordt gesteld dat er ten minste BBT moet worden toegepast. Mocht de voortgang in de reductie op grond van de individuele vergunningverlening de komende jaren onvoldoende blijken te zijn, dan overweeg ik deze waarde alsnog als wettelijke emissie-eis vast te leggen.

De tabellen in paragraaf 4.3 zijn nog niet aangepast aan de laatste GCN kaarten, waardoor de bijdrage van de industrie te hoog wordt voorgesteld. Een reden temeer om af te zien van de generieke reductie eis van 5mg/m3.

Hoofdstuk 4 van het NSL-rapport is bedoeld om te schetsen hoe de emissies en de luchtkwaliteit zich zouden ontwikkelen zonder aanvullende maatregelen. Het verwachte effect van de maatregelen uit het NSL wordt nader toegelicht in hoofdstuk 6. Paragraaf 4.3 geeft een analyse voor wat betreft het aantal mensen dat wordt blootgesteld aan concentraties boven de grenswaarden. Het is juist dat in dit geval niet is gecorrigeerd voor de zeezoutbijdrage (door ontbreken van de juiste gegevens). Voor goed begrip: als in het NSL concentraties worden getoetst aan normoverschrijding, dan is stelselmatig zeezoutcorrectie toegepast.

De nieuwe GCN-kaarten komen in het voorjaar van 2009 beschikbaar. Het NSL wordt daarop nog aangepast.



Er moet een landelijk kader komen voor milieuzones, inclusief een regeling om oude bedrijfsvoertuigen te vervangen.

De lokale initiatieven voor milieuzones voor vracht- en bestelauto’s, worden vanuit mijn departement centraal gecoördineerd teneinde een wildgroei aan vormen en eisen te voorkomen. Voor vrachtauto’s zijn landelijk uniforme afspraken vastgelegd in een convenant tussen gemeenten, vervoerders en het rijk. Voor bestelauto’s streef ik naar eenzelfde convenant. In verband met dit laatste convenant ben ik in gesprek met de autobranche over het instellen van een sloopregeling.

De berekeningen tonen aan dat de IBM-projecten nauwelijks invloed hebben op overschrijding van de grenswaarden.


De realisatie van de IBM-projecten leidt inderdaad nauwelijks tot een toename van het aantal overschrijdingskilometers. Dit neemt niet weg, zoals in het NSL is aangegeven, dat de realisatie wel tot hogere lokale concentraties kan leiden (dus tot een hogere overschrijding), hetgeen vanuit gezondheidsperspectief ongewenst is. Er blijft daarmee een goede ratio voor het treffen van maatregelen.

Bij de kaderrichtlijn Water dreigt een vergelijkbare overbodige koppeling als bij de richtlijn luchtkwaliteit.

De overbodige koppeling tussen individuele projecten en grenswaarden geeft aanleiding tot een fundamentele discussie en een herziening van de wet Milieubeheer op dit cruciale punt.



Uw pleidooi voor een fundamentele heroverweging van de zogenaamde directe koppeling acht ik met betrekking tot de luchtkwaliteit ongewenst. Directe koppeling is in de nieuwe wet luchtkwaliteit (titel 5.2 van de Wet milieubeheer) losgelaten. Er is gekozen voor een flexibeler koppeling door introductie van de begrippen ‘niet in betekenende mate’ en een programmatische aanpak middels het NSL. Algehele ontkoppeling is juridisch niet mogelijk zolang er sprake is van (dreigende) normoverschrijding.

Als gevolg van de nieuwe aanpak zullen veel projecten, vanwege de programma-systematiek, niet meer direct aan de grenswaarden worden getoetst.



Ik wil wel bezien in hoever deze aanpak ook bruikbaar is voor andere milieuthema’s. De VROM-raad werkt aan een advies hierover.




82 NVMM, dhr. H.W.A. Jans, ‘s-Hertogenbosch

Kernpunt(en) van de inspraak:

Reactie van Bevoegd Gezag:

De Nederlandse Vereniging voor Medische Milieukunde, de NVMM, is positief over het feit dat de NSL in het leven is geroepen om ondermeer het "een goede luchtkwaliteit is van belang voor de gezondheid" te dienen.

Bedankt voor uw steun.

In de Saneringstool worden zeer optimistische toekomstprognose gemaakt. Ze zijn onder meer gebaseerd op voorgenomen Nederlands en Europees beleid en er wordt vanuit gegaan dat alle Europese landen tijdig aan de NEC emissie-eisen zullen voldoen hetgeen twijfelachtig is. Gevaar is dat gemeenten hierdoor niet meer gemotiveerd zijn om maatregelen te nemen, omdat volgens de tool er in toekomst nauwelijks knelpunten zijn. Dit terwijl metingen in Nederland en andere Europese landen laten zien dat fijn stof en stikstofdioxide op verkeersbelaste locaties sinds het jaar 2000 niet meer gedaald zijn. De onzekerheidsmarges van modeluitkomsten van lokale luchtkwaliteit op straatniveau zijn groot. De onzekerheid betekent dat bij een berekende NO2-concentratie tussen ongeveer 37 en 44 μg/m3 en PM10-concentratie tussen ongeveer 29 en 35μg/m3 geen betrouwbare uitspraak gedaan kan worden over het wel of niet overschrijden van de grenswaarden. Onder deze waarden is het waarschijnlijk dat de grenswaarden niet worden overschreden en erboven wel. Het Milieu en Natuurplanbureau wijst er uitdrukkelijk op dat de onzekerheden niet uit het oog moeten worden verloren zeker niet wanneer ze gebruikt worden bij 1) planvorming; 2) de beoordeling of is voldaan aan grenswaarden; 3) voor het treffen van maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. De NVMM is bezorgd over het hanteren van de saneringstool als rekeninstrument en pleit voor het hanteren van een realistisch model om de toekomstige luchtkwaliteit te berekenen. Daarbij moet meer recht worden gedaan aan de onzekerheden in de modellen dan nu het geval is.

De saneringstool is in overeenstemming met de standaardrekenmethoden uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (Rbl). Dit betekent dat met de saneringstool concentraties worden berekend conform de wettelijke bepalingen, die ook gelden bij individuele projecttoetsing. De Rbl beoogt de werkelijkheid met modelmatige berekeningen zo goed mogelijk te beschrijven. De standaardrekenmethoden zijn tot stand gekomen (en worden onderhouden) op basis van de kennis van een brede groep deskundigen van verschillende instituten.

Ik deel uw zorg met betrekking tot een al te grote focus op het exacte getal van de grenswaarde. Vanuit gezondheidsoptiek gezien is net boven of onder de grenswaarde niet relevant. Juridisch gezien echter wel. Ik probeer nadrukkelijk te communiceren naar verantwoordelijke overheden dat het reduceren van de concentraties wenselijk is, ook in geval de norm net niet meer wordt overschreden.

Voor het RIVM is nog onvoldoende zeker dat er geen sprake meer is van een dalende trend in de achtergrondconcentraties, ook al wordt onderkend dat de metingen van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) daar de laatste jaren op lijken te wijzen. RIVM en PBL stellen de trend daarom (nog) niet bij.


Het halen van de nomen betekent niet dat er geen gezondheidseffecten meer te verwachten zijn. Voor fijn stof is namelijk geen grenswaarde te stellen waar beneden geen gezondheidseffecten meer optreden. De advieswaarde van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) ligt met 20 μg/m3 tweemaal zo laag als de uit oogpunt van haalbaarheid gekozen norm van 40 μg/m3.


Ik ben met u eens dat het vanuit oogpunt van gezondheid van groot belang is dat de concentraties van PM10 en NO2 zo laag mogelijk zijn.

Bij de totstandkoming van de grenswaarden heeft naast het gezondheidsaspect, op basis van input van de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO), ook de praktische haalbaarheid een rol gespeeld.


Het NSL heeft als doel om in ieder geval zo spoedig mogelijk aan de grenswaarden te voldoen, waarbij de grenswaarde als bovengrens beschouwd kan worden, aangezien de concentraties op vele plekken ver onder de grenswaarde zullen uitkomen. Bij het bereiken van de nu afgesproken grenswaarden wordt een onmisbare stap in de goede richting gezet.
Juist vanwege het inzichten in de schadelijkheid van de kleinere fractie van fijn stof is er in de nieuwe Europese richtlijn een grenswaarde voor PM2,5 opgenomen. In het NSL wordt via maatregelen aandacht besteed aan het terugdringen van schadelijke roetdeeltjes, afkomstig van verbrandingsprocessen zoals verkeer.
Wat betreft de door de WHO voorgestelde norm van 20 microgram/m3 voor PM10 wil ik u erop wijzen dat ook de praktische haalbaarheid een belangrijke rol speelt bij de totstandkoming van grenswaarden. U moet zich realiseren dat de bijdrage van niet-antropogene bronnen (dus niet de emissies die ontstaan als gevolg van menselijk handelen) aan de achtergrondconcentratie zo’n 10 tot 15 microgram/m3 bijdraagt (Tabel 4.5, p. 43). Daar komt nog eens bij de dat de bijdrage uit het buitenland aan de achtergrondconcentratie rond de 8 microgram/m3 bedraagt. In onze samenleving is het dus op dit moment technisch en maatschappelijk niet mogelijk om een norm van 20 microgram per m3 te bereiken.
Voor een verdere verlaging van de concentraties zijn bovenal Europese brongerichte maatregelen noodzakelijk en de Nederlandse inzet is er dan ook op gericht om de Europese beleidsinzet terzake ambitieus te houden.

Uit diverse epidemiologische onderzoeken blijkt dat afstand tot de weg een betere voorspeller is dan de componenten op zich, omdat dit een maat is voor het hele mengsel van verkeersgerelateerde luchtverontreiniging. Vooral het wonen en naar school gaan op minder dan 100 meter van de rand van de snelweg en direct langs drukke wegen is nadelig voor de gezondheid. De roetdeeltjes hebben hier waarschijnlijk een belangrijke bijdrage in. Met de nieuwe Wet luchtkwaliteit en de op handen zijnde AMvB gevoelige bestemmingen wordt hiermee onvoldoende rekening gehouden. Er wordt alleen gekeken naar normoverschrijdingen en niet alle gevoelige bestemmingen, zoals woningen, worden meegenomen. Ook gevoelige bestemmingen langs drukke binnenstedelijke wegen krijgen hierin geen aandacht.


Mede op basis van een uitgebreide discussie in de Tweede Kamer over dit onderwerp is bepaald dat er binnen een afstand van 300 meter van een snelweg geen gevoelige bestemmingen mogen worden gerealiseerd als daar de grenswaarde op dit moment nog wordt overschreden. Voor provinciale wegen is dit een afstand van 50 meter.

De AMvB gevoelige bestemmingen vormt een aanvulling op het beginsel van een goede ruimtelijke ordening zoals verankerd in de Wet ruimtelijke ordening. De AMvB heeft niet tot doel om op voorhand elk risico af te dekken, maar om de meest nijpende situaties via een dwingende regeling te voorkomen.

U stelt terecht dat gezondheidsschade ook kan optreden als er geen sprake is van normoverschrijding. Daarom wordt bestuursorganen aangeraden terughoudend te zijn met het besluiten tot, en realiseren van gevoelige bestemmingen binnen de genoemde zones langs wegen, ook daar waar de normen niet worden overschreden.





83 Haags Milieucentrum, dhr. L. van der Linde, Den Haag

Kernpunt(en) van de inspraak:

Reactie van Bevoegd Gezag:

1 in het NSL worden maatregelen die mogelijk voor verbetering van de luchtkwaliteit gekoppeld aan projecten die vrijwel zeker voor een kwaliteitsverslechtering zorgen. De link tussen die twee is verre van solide en biedt onvoldoende garantie voor verbetering. De IBM-projecten in Den Haag zullen tot een aanzienlijke verkeerstoename in de stad leiden. Onduidelijk is in hoeverre zij bij elkaar opgeteld tot nieuwe of een verergering van bestaande knelpunten leiden, o.a. op de Neerknalde, Lekstraat en Vaillantlaan. Onduidelijk is in hoeverre de voorgestelde maatregelen de verslechtering als gevolg van deze projecten kunnen compenseren. Welke garantie hebben bewoners van Den Haag dat op tijd aan alle normen voor de luchtkwaliteit voldaan wordt? En welke rechtsbescherming hebben bewoners wanneer zou blijken dat niet op tijd aan de normen voldaan wordt? De compenserende maatregelen in het NSL zijn niet voldoende om de verslechtering tegen te gaan. Een kritische beoordeling van de voorgestelde IBM-projecten voor Den Haag en aanvullende compenserende maatregelen zijn zeer gewenst.


De verkeerseffecten en de planning van de Haagse IBM-projecten – en trouwens alle andere bekende ontwikkelingen – zijn zo goed mogelijk verwerkt in de Haagse verkeersgegevens. De gemeente Den Haag heeft dit verantwoord in ‘Bijlage 5 Onderbouwing verkeersmodel’ bij het collegebesluit over de Haagse bijdrage aan het NSL. Tabel 4 van deze bijlage laat zien welke toenames in woningen en bedrijfsvloeroppervlak zijn toegekend aan IBM-projecten op het gebied van wonen en werkgelegenheid. Deze gegevens zijn als verkeersgenererende factoren ingevoerd in de verkeersberekeningen. De IBM-projecten op het gebied van infrastructuur zijn ingevoerd in de vorm van capaciteitskenmerken van het wegennet. Alle door u genoemde IBM-projecten zijn verwerkt in de berekeningen.

Pas achteraf is 100% zeker welke projecten en maatregelen zijn doorgegaan en welke effecten zij hebben gehad. Onzekerheid is eigen aan elke vorm van voorspellen en programmeren. De werkwijze bij het opstellen en het bewaken van het NSL is er echter op gericht deze onzekerheid zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te verkleinen. Voortgang en effecten zullen bovendien jaarlijks systematisch gemonitord worden, en bij wezenlijke afwijkingen volgen aanpassingen. In dat geval geldt als richtsnoer de overkoepelende resultaatverplichting die alle betrokken overheden uitdrukkelijk op zich hebben genomen, namelijk dat de normen tijdig gehaald moeten worden.


U wijst erop dat de gemeente Den Haag nog enkele resterende knelpunten dreigt over te houden.

Inderdaad bleek bij de berekeningen voorafgaand aan het vaststellen van de regionale samenwerkingsprogramma’s op grond van de toen beschikbare gegevens en rekenmodellen, dat er in Den Haag - en op een aantal andere plaatsen in het land - nog knelpunten overblijven die aanvullende maatregelen behoeven. Het gemeentebestuur van Den Haag heeft zich bij het vaststellen van haar bijdrage aan het NSL (de Haagse IBM-projecten en de maatregelen vastgesteld in het Haagse Actieplan Luchtkwaliteit) uitdrukkelijk verplicht zodanige maatregelen te zullen treffen dat de dreigende overschrijdingen tijdig worden gecompenseerd. Nog vóór vaststelling van het NSL bepaalt het gemeentebestuur welke aanvullende maatregelen genomen zullen worden. Een vergelijkbaar traject geldt overigens voor resterende knelpunten elders in het land.


Samenvattend geldt op zowel landelijke schaal als ook voor Den Haag het volgende. Alle bekende projecten, ontwikkelingen en maatregelen zijn zo goed als nu mogelijk is verwerkt. Alle betrokken overheden dragen de resultaatsverplichting om tijdig aan de normen te voldoen. En er is bovendien een monitoringstraject die de voortgang van projecten en maatregelen en de ontwikkeling van de luchtkwaliteit bewaakt, met de mogelijkheid voor het zonodig doen van aanpassingen als de normen toch niet gehaald dreigen te worden. Daarmee is zo goed als redelijkerwijs mogelijk gegarandeerd dat normoverschrijdingen tijdig zijn opgelost. De Europese Unie ziet hier op toe en ook burgers kunnen de betreffende overheid aanspreken als in hun ogen de luchtkwaliteit niet tijdig aan de normen voldoet.




84 Stichting Milieufederatie Limburg, Ir. J.H. Heijnen, Roermond

Kernpunt(en) van de inspraak:

Reactie van Bevoegd Gezag:

Het NSL is een te optimistische rekenexercitie. In de saneringstool wordt gerekend met maatregelen op europees, nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau, waarvan niet eens zeker is dat ze daadwerkelijk worden uitgevoerd. Ook wordt te weinig rekening gehouden met het feit dat van sommige maatregelen het effect op de luchtkwaliteit niet zeker is.


Het klopt dat de effecten van maatregelen niet exact zijn te voorspellen. Er is gerekend met de best beschikbare kennis op dit terrein. Het kan echter zijn dat de komende jaren uit de monitoring blijkt dat effecten tegen vallen. In dat geval zullen extra maatregelen moeten worden ingezet (en bovenal ontwikkeld moeten worden) om tegenvallers op te vangen.

Het NSL voorziet in een wettelijke uitvoeringsplicht van de in het plan opgenomen maatregelen door elk van de NSL-partners. Als een maatregel onverhoopt niet door kan gaan, is de betreffende bestuurslaag verplicht om een andersoortige maatregel te treffen met een gelijkwaardig effect. De monitoring zal hier op toezien.



De gezondheidsbescherming, waar het uiteindelijk om draait wordt verzwakt. Het NSL is met name gericht op het oplossen van knelpunten oftewel normoverschrijdingen, terwijl het probleem voor de gezondheid dan nog niet is opgelost. Ook bij concentraties beneden de vastgestelde normen treedt gezondheidsschade op.

Bij de totstandkoming van de grenswaarden heeft naast het gezondheidsaspect, op basis van input van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), ook de praktische haalbaarheid een rol gespeeld.
Het NSL heeft als doel om in ieder geval zo spoedig mogelijk aan de grenswaarden te voldoen, waarbij de grenswaarde als bovengrens beschouwd kan worden, aangezien de concentraties op vele plekken ver onder de grenswaarde zullen uitkomen. Bij het bereiken van de nu afgesproken grenswaarden wordt een onmisbare stap in de goede richting gezet.
Voor een verdere verlaging van de concentraties zijn bovenal Europese brongerichte maatregelen noodzakelijk en de Nederlandse inzet is er dan ook op gericht om de Europese beleidsinzet terzake ambitieus te houden.
Bij de vaststelling van het NSL zal ik uitgebreider ingaan op de gezondheidsaspecten van het NSL.

De rapportage van de commissie Verheijen toont aan dat de inherente onzekerheden bij de bepaling van de luchtkwaliteit om voorzorg en reserve maatregelen vragen. Deze ontbreken in het NSL.


De commissie adviseert inderdaad dat het vanwege de inherente onzekerheden bij de bepaling van de luchtkwaliteit verstandig is om aanvullende maatregelen achter de hand te houden om tegenvallers op te kunnen vangen. Om die reden staat in het NSL dat gemeenten de ruimte hebben om maatregelen te nemen die tot verdere verlaging van de grenswaarden leiden. De verstrekte rijksmiddelen kunnen daarvoor worden aangewend binnen de in het NSL gekozen indicatieve bandbreedte van onzekerheid rond de grenswaarden (tot 38 microgram/m3 PM10 en 31,5 microgram/m3 NO2).

Op dit moment zijn alleen de maatregelen opgenomen in het NSL die “uitvoeringsgereed” zijn en waarvoor middelen zijn vrijgemaakt. Daarnaast blijft het kabinet, het advies van de commissie indachtig, werken aan het uitvoerings­gereed krijgen van aanvullende maatregelen.



De Stichting Milieufederatie Limburg is verheugd met de ambities van het Limburgs Samenwerkingsprogramma (LSL). De provincie en gemeenten in Limburg plaatsen kantekeningen bij de berekeningen met de Saneringstool. De stichting is het met de provincie en de gemeente eens dat het beter is het zekere voor het onzekere te nemen en bij twijfel te beslissen dat moet worden doorgegaan met het nemen van maatregelen De stimulerende en coördinerende rol van de Provincie Limburg in het Platform Lucht Limburg wordt gewaardeerd en dit heeft een positieve uitwerking op het verbeteren van de luchtkwaliteit in Limburg.

Zoals u aangeeft hebben de partijen verenigd in het Platform Luchtkwaliteit Limburg naast het Limburgs Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit een programma “Schone lucht – we doen het samen” vastgesteld waarin ambities zijn vastgelegd: eind 2010 dienen de grenswaarden ten minste bij alle woningen en vergelijkbare bestemmingen te zijn gehaald. De Limburgse partijen zullen daartoe een aantal maatregelen uitvoeren. Deze aanpak past volledig binnen de systematiek van het NSL: zo snel mogelijk voldoen aan de grenswaarden tenzij dit om moverende redenen niet mogelijk is; dan kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheid tot derogatie.

De opmerking op blz. 14 van het LSL dat negatieve effecten die IBM-projecten hebben op de luchtkwaliteit in ruime mate gecompenseerd worden door de generiek en locatiespecifieke maatregelen van het LSL en het NSL worden in twijfel getrokken. De uitvoering en het effect van de gemeentelijke maatregelen zijn dusdanig onzeker dat deze geen garantie geven voor compensatie van de negatieve effecten van de IBM-projecten.


De betreffende passage heeft betrekking op de systematiek van het verdisconteren van de effecten van IBM-projecten in het algemeen. Uit de rekenexcercities met de Saneringstool blijkt dat na uitvoering van alleen de Rijksmaatregelen in de Limburgse situatie geen overschrijdingen van grenswaarden meer optreden op het onderliggend wegennet. Lokale gemeentelijke maatregelen zijn dan niet noodzakelijk om de effecten van de IBM-projecten te compenseren: de Rijksmaatregelen zijn daarbij afdoende.

Bij de IBM-projecten op blz. 26 van het LSL missen een aantal projecten zijnde: 1) het totale Greenportgebied bij Venlo inclusief bedrijventerrein TPN en de Floriade, Greenportlane en Traffic Port en 2) verbreding van de N280-weg, verbreding van de A2 tussen Maasbracht en Kerensheide en de Buitenring Parkstad. In het LSL wordt niet onderbouwd waarom deze projecten niet in "betekende mate" zorgen voor verslechtering van de luchtkwaliteit.

Een aantal projecten die kunnen worden aangemerkt als IBM (de bijdrage van deze projecten is meer dan 3%) leidt naar verwachting niet tot overschrijding van grenswaarden omdat de achtergrondconcentratie in het betreffende gebied voldoende ver beneden de grenswaarde ligt. Deze projecten kunnen dus op grond van een gangbaar luchtkwaliteitsonderzoek doorgang vinden, op grond van artikel 5.16 eerste lid, onder a, van de Wm, en opname in het NSL is niet noodzakelijk.

Op blz. 21 in het LSL wordt onder tabel 5.1 gesteld dat als gevolg van generiek (inter)nationale maatregelen het wagenpark in de toekomst schoner wordt. Dat is echter de vraag. Uit een rapport van de GGD Amsterdam (2008) blijkt dat de afname van de concentraties fijn stof de laatste jaren stagneert. Ook de European Environment Agency (EEA) geeft in een analyse van de meetgegevens van de EU landen in de periode 1990-2004 aan dat sinds 1997 geen verbeteringen meer optreden in de gemeten concentraties fijn stof. De EEA geeft als mogelijke verklaring de toename van het aantal voertuigkilometers, de toenemende populariteit van diesel ten opzichte van benzine en het toenemende gewicht van voertuigen waardoor het verbruik en de uitstoot toenemen.


Uw observatie is correct. Bij de vaststelling van het kabinetsstandpunt was dit overigens reeds bekend (zie blz. 38/39). Daar is ook vastgesteld dat er volgens het RIVM nog geen reden is om de berekende trend in de prognoses ter discussie te stellen. De reeks meetgegevens is nog te kort om er een robuuste trend in te benoemen. Dat neemt niet weg dat de signalen serieus genomen moeten worden. Dit zal in ieder geval in het monitoringstraject een plek krijgen. Zodra het verantwoord is om de prognoses bij te stellen op basis van meetresultaten zal dat dus gebeuren. De saneringstool wordt doorontwikkeld als “monitoringstool”. Het is dus voorstelbaar dat de doorrekening voor het jaar 2011 dan een tegenvallende ontwikkeling toont die moet worden opgevangen door middel van extra maatregelen. Dit is de gebruikelijke gang van zaken waarbij modelberekeningen worden aangepast (gekalibreerd) aan meetgegevens. De modelaannames ijlen in zekere zin na achter de gemeten werkelijkheid. Maar als gezegd… in de genoemde metingen is nog geen nieuwe trend te benoemen.

De intensieve veehouderij (m.n. pluimveebedrijven) is een belangrijke bron van fijn stof. Het beleid en de maatregelen moeten gericht zijn op het verlagen van de achtergrondconcentraties en niet alleen op het oplossen van de knelpuntlocaties. Bij de uitvoering wordt aandacht gevraagd voor het cumulatieve effect van intensieve veehouderijen in zogenaamde Landbouw Ontwikkelings Gebieden op fijn stof concentraties.

Het beleid is ook nu al gericht op het verlagen van de achtergrondconcentraties via het stimuleren, onder andere via subsidies, van het gebruik van gecombineerde luchtwassers. Momenteel zijn deze echter alleen nog maar beschikbaar voor de varkenshouderij. In de pluimveehouderij zal ook het nemen van andere maatregelen die de emissie van fijn stof beperken, worden gestimuleerd, o.a. in 2009 via de fiscale instrumenten VAMIL/MIA.

In 2011 zullen knelpuntbedrijven hun overschrijding van de grenswaarden ongedaan moeten hebben gemaakt. Bezien wordt nog in hoeverre ook andere bedrijven dan knelpuntbedrijven verplicht zullen worden tot het nemen van maatregelen die de emissie van fijn stof beperken en daarmee de achtergrondconcentratie verlagen.

Het toetsingskader voor de landbouw wordt begin 2009 uitgewerkt. Daarbij zal ook worden bezien of en zo ja hoe rekening zal worden gehouden met cumulatieve effecten op de concentratie van fijn stof door intensieve veehouderijen in Landbouw Ontwikkelings Gebieden.




1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina