Bijlage concept Nota van Antwoord Kabinetsstandpunt Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (nsl)



Dovnload 1.12 Mb.
Pagina9/15
Datum22.07.2016
Grootte1.12 Mb.
1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   ...   15

Voorstellen voor wijzigingen in het NSL:

De verkeersgegevens in de saneringstool worden aangepast als die tijdig en in het juiste formaat worden aangeleverd.




63 Federatie Historische Automobiel- en Motorfietsclubs, dhr. B. Pronk, Maarsbergen

Kernpunt(en) van de inspraak:

Reactie van Bevoegd Gezag:

Gezien de omvang van het NSL en de ingewikkelde inhoud is het NSL nauwelijks zonder professionele ondersteuning in detail te bestuderen. Het blinkt niet uit in toegankelijkheid, terwijl iedereen ermee te maken kan krijgen.


Ik realiseer me dat het complete pakket aan documenten waaruit het NSL bestaat, omvangrijk van aard is en niet makkelijker en snel te doorgronden. Om die reden is geïnvesteerd in een inspraakwijzer, een leesbare samenvatting en in een aantal informatieavonden. Het omvangrijke pakket aan documenten moet vanzelfsprekend ook gezien worden als uiting van mijn intentie om transparant inzicht te geven in alle beschikbare en gebruikte informatie.

Een gedegen onderbouwing van nut en noodzaak van het NSL ontbreekt. Het is de vraag of het ingewikkelde, arbeidsintensieve en daarmee ook kostbare instrumentarium van het NSL in verhouding staat tot het te verwachten resultaat, verdere verbetering van de luchtkwaliteit. Er wordt immers (gelukkig) op het gebied van luchtkwaliteit al enorme vooruitgang geboekt. De effecten van het NSL moeten beter in kaart worden gebracht.

Nut en noodzaak zijn uitgebreid en grondig onderbouwd met tal van berekeningen en metingen. Het is juist dat de luchtkwaliteit de afgelopen jaren al belangrijk schoner is geworden. De verbeteringen zijn echter niet toereikend om tijdig aan de Europese grenswaarden te voldoen. Die grenswaarden zijn gemotiveerd vanuit het gezondheidsbelang. Op deze gezondheidsbelangen wordt in het definitieve NSL uitgebreider ingegaan.

Het beeld dat fijn stof en NOx vooral door het wegverkeer worden veroorzaakt is onjuist. Ook oldtimers dragen niet of nauwelijks bij aan de overschrijding van emissienormen. Dit komt door het zeer beperkte en selectieve gebruik dat van deze voertuigen wordt gemaakt.


In het NSL is aangegeven dat een veelheid aan bronnen bijdraagt aan de achtergrondconcentratie op een bepaalde plaats. In de buurt van specifieke bronnen zoals industrie of (weg)verkeer ligt er echter nog een extra concentratiepiek bovenop deze achtergrondconcentratie, waardoor ter plekke de grenswaarden worden overschreden. Deze extra concentratiepiek bestaat veelal uit uitlaatgassen van voertuigen en dit zijn in het algemeen ook de meest schadelijke stoffen voor de gezondheid. Er is dus alle reden om lokale maatregelen te treffen om deze concentratiepieken te reduceren.

Het aantal oldtimers in ons land is inderdaad beperkt. De uitstoot van oude auto’s per gereden kilometer is echter aanmerkelijk hoger dan die van moderne auto’s. Overigens worden oldtimers in toenemende mate gebruikt worden voor woon-werkverkeer.



Er moet een duidelijk kader voor milieuzones komen, met als standaardelementen:

- criteria voor geografische omvang;

- criteria voor soort voertuigen;

- criteria voor nul- en periodieke meting;

- op basis van tijdelijkheid;

- een milieubalans (weging van eventuele negatieve milieueffecten);

- geen milieuzones voor particulier verkeer, inclusief oldtimers;

- geen beperkingen op doorgaande wegen en ringwegen;

- voor zover particulier verkeer niet wordt uitgesloten, geen beperkingen op tijdstippen dat er geen openbaar lijnvervoer is en op weekend- en feestdagen.


Het instellen van een milieuzone is een gemeentelijke bevoegdheid. Een gemeente stelt een milieuzone in door middel van een verkeersbesluit. Dit verkeersbesluit moet goed gemotiveerd worden, waarbij o.a. aandacht moet worden gegeven aan de (milieu)effecten. Tegen dit besluit is bezwaar en beroep mogelijk en het kan worden aangevochten bij de bestuursrechter.
Om te zorgen voor een uniform kader voor milieuzones en een zorgvuldig besluitvormingsproces heeft Amsterdam het initiatief genomen om met betrokken partijen afspraken te maken over milieuzones voor personenverkeer. Voor het vrachtverkeer zijn, geïnitieerd vanuit VROM, landelijk uniforme afspraken vastgelegd in een convenant tussen gemeenten, vervoerders en het rijk. In dit convenant zijn criteria opgenomen over de ligging van de milieuzone, de voertuigsoort en effectevaluatie. Het convenant heeft een tijdelijk karakter. Voor bestelauto’s streef ik naar eenzelfde soort convenant.
Op dit moment overweegt alleen de gemeente Amsterdam om ook een milieuzone voor personenauto’s in te stellen. Afgelopen voorjaar heeft de Tweede Kamer zich hierover uitgesproken en een aantal voorwaarden verbonden aan een dergelijke milieuzone. Een daarvan is dat er een uniform kader moet komen.
Locatie, tijdstip van geldigheid van de milieuzone betreft zoals gezegd uiteindelijk een gemeentelijke bevoegdheid. Deze bevoegdheid strekt zich alleen uit tot die wegen waarover de gemeente het beheer voert. Snelwegen e.d. vallen hier niet onder.


Voorstellen voor wijzigingen in het NSL:

In het definitieve NSL zal uitgebreider ingegaan worden op de effecten van luchtverontreinigende stoffen op de gezondheid en de relatie met de maatregelen.




64 SGLA, P. de Lange, Amersfoort

Kernpunt(en) van de inspraak:

Reactie van Bevoegd Gezag:

De in het NSL opgenomen ruimtelijke projecten zullen de luchtkwaliteit in Amersfoort in betekenende mate verslechteren. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de stort van zes miljoen ton bagger waarvan 900.000 ton zwaar vervuild slib op de locatie Smink in Vathorst, de uitbreiding met 3000 woningen in Vathorst West, de uitbreidingen langs de Hogeweg en de verdere ontwikkeling van bedrijfsterreinen naast en tussen Amersfoort en Hoevelaken. De compenserende maatregelen uit het NSL zijn niet voldoende om deze verslechtering tegen te gaan. Het NSL zou met inachtneming van deze zienswijze gewijzigd vastgesteld moeten worden.


Uit uw inspraakreactie blijkt nadrukkelijk de zorg die de SGLA heeft voor het woon- en leefklimaat in Amersfoort en directe omgeving. Die zorg waardeer en deel ik en ik hoop dat u uw betrokkenheid behoudt. Hoewel u het dilemma van de omgevingskwaliteit (en in dit geval met name de luchtkwaliteit) en de wens om te ontwikkelen benoemt als tegengestelde belangen, deel ik uw conclusie dat die twee niet samen gaan niet.

Het is waar dat in Amersfoort een aantal projecten op stapel staat die de luchtkwaliteit beïnvloeden. Echter, juist met behulp van NSL wordt het mogelijk om zowel de luchtkwaliteit te verbeteren, als de verdergaande ontwikkeling van de stad Amersfoort vorm te geven. Het NSL als programma bevat een zodanig groot aantal maatregelen dat de luchtkwaliteit in Nederland (en dus ook in Amersfoort en omgeving) verder verbetert en binnen de zgn. derogatietermijnen zal gaan voldoen aan de Europese regelgeving. De Europese en landelijke bronmaatregelen in het NSL zorgen ervoor dat de grootschalige achtergrondconcentraties aan luchtverontreinigende stoffen sterk dalen. Op een enkele locatie kan het voorkomen dat er sprake is van cumulatie van effecten. Aanvullende maatregelen zijn op die locaties echter alleen nodig als er sprake is van langdurige blootstelling (conform de nieuwe Regeling beoordeling luchtkwaliteit).

Zonder het NSL, en de wettelijke uitvoeringsplicht die daaraan gekoppeld is, zou het Nederland niet lukken om dat doel te bereiken.

Het komt nu natuurlijk wel aan op de uitvoering van al die maatregelen. Belangrijk daarbij is dan ook dat de voortgang van het NSL zorgvuldig wordt gevolgd. Jaarlijks zal ik daarom in monitoringsrapportages nagaan of de nu voorspelde verbetering van de luchtkwaliteit ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Mocht op basis van de monitoring blijken dat het bereiken van de doelstellingen in gevaar komt dan zal ik niet aarzelen om door het treffen van extra maatregelen mijn doel alsnog te bereiken.


Hoewel Amersfoort een stad is met een groot aantal ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit in betekenende mate beïnvloeden, slagen we er met het maatregelenpakket uit het NSL in om op termijn overal in Amersfoort aan de normen te gaan voldoen. Ruimtelijke ontwikkeling en de luchtkwaliteit zijn als gevolg van het NSL daardoor geen tegengestelde belangen meer maar gaan juist heel goed samen.




65 Boekel de Nerée NV (namens McMahon, Redevco), mw. A.R. Klijn, Amsterdam

Kernpunt(en) van de inspraak:

Reactie van Bevoegd Gezag:

1 Het project Factory Outlet Centre in Alphen aan den Rijn is ten onrechte niet opgenomen in de lijst met IBM-projecten Zuid-Holland van het NSL. Gezien de steun van zowel de gemeente als de provincie is het zeer waarschijnlijk dat het project doorgang zal vinden. Het project "The Dutch Oval" in Alphen aan den Rijn, dat wel in de lijst met IBM-projecten Zuid-Holland is opgenomen, zal geen doorgang vinden.


De locatie van het "nieuwe IBM-project” is gelijk aan het huidige IBM-project 1468. Het verschil tussen het opgegeven IBM-project en het nieuwe project is het bezoekersaantal van de locatie. Het bezoekersaantal is vijf maal groter dan van het huidige IBM-project.

Het toevoegen van nieuwe IBM-projecten of het drastisch wijzigen daarvan, in dit geval met een factor vijf in bezoekersaantal, acht ik naar aanleiding van de inspraak niet wenselijk. Nieuwe IBM-projecten toevoegen aan het NSL betekent - zeker als die projecten zich bevinden in (de buurt van) huidige overschrijdingsgebieden - dat moet worden nagegaan óf en welke extra maatregelen nodig zijn om te zorgen dat het op tijd halen van de grenswaarden niet in gevaar komt. Daarom is in de Wet milieubeheer in artikel 5.12, twaalfde lid, onder b, de mogelijkheid opgenomen om aan de hand van een melding extra voorgenomen besluiten aan het programma toe te voegen. Voorwaarde daarbij is dat de melding - ondersteund met berekeningen - duidelijk maakt dat er met het nieuwe IBM-project per saldo een vergelijkbaar of positiever effect op de luchtkwaliteit ontstaat. Als extra maatregelen nodig zijn dient de melding die te benoemen alsmede aan te geven op welke termijn die maatregelen zullen worden getroffen. Een melding kan worden gedaan zodra het NSL in 2009 definitief is geworden. De melding behoeft de instemming van de minister van VROM, die daarover binnen zes weken dient te beslissen.






66 J.A.M. van Oers, Amsterdam

Kernpunt(en) van de inspraak:

Reactie van Bevoegd Gezag:

In Velddriel worden op dit moment grenswaarden overschreden en deze overschrijdingen zullen (in theorie) pas medio 2015 zijn teruggebracht.


De A2 wordt de komende jaren op diverse plaatsen tussen Utrecht en Den Bosch verbreed. Deze projecten zijn als IBM (‘in betekenende mate’) en NIBM (niet-IBM) projecten opgenomen in de bijlage van het NSL.

Deze projecten en de consequenties voor de verkeersafwikkeling en daarmee ook de verkeersbijdrage aan de luchtkwaliteit zijn voor de jaren 2011, 2015 en 2020 inzichtelijk gemaakt met de Saneringstool.

Uit de berekeningen met de Saneringstool volgt dat het generieke beleid wat de bestuurlijke partners binnen het NSL met elkaar zijn overeengekomen, onvoldoende is om tijdig de gestelde grenswaarden te halen voor PM10 in 2011 en NO2 in 2015.

Daarom zijn, zoals aangegeven in bijlage 10 van het NSL, op de A2 een aantal lokale maatregelen getroffen om deze zogenaamde ‘hardnekkige’ knelpunten op te lossen. Deze maatregelen omvatten onder andere de voorgenomen plaatsing van schermen langs de weg en de inzet van Dynamisch Verkeersmanagement (DVM) om het verkeer beter te laten doorstromen.

Door de inzet van generiek (bron)beleid en lokale maatregelen worden de gestelde grenswaarden tijdig gehaald. De overschrijdingen van de grenswaarde NO2 zullen uiterlijk 1 januari 2015 opgelost moeten zijn.


Tot het moment dat daadwerkelijk voldaan is aan de grenswaarden kunnen geen ruimtelijke projecten worden opgepakt. Het is vooralsnog onduidelijk in hoeverre de verbreding van de A2 met als gevolg een mogelijk nieuw knelpunt bij de Maasbrug in het NSL is meegenomen. Andere ruimtelijke projecten dan de verbreding van de A2 kunnen pas in procedure worden gebracht indien absoluut vaststaat dat er geen grenswaarden meer worden overschreden.


Het NSL biedt een programma-aanpak, waarmee wordt onderbouwd dat overal in Nederland tijdig wordt voldaan aan de gestelde grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Hierin zijn al ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructurele projecten opgenomen en waar noodzakelijk maatregelen getroffen. Als een project is opgenomen in het NSL wordt met het NSL aangetoond dat wordt voldaan aan de gestelde luchtkwaliteitseisen.

In de bijlagen 8 en 9 van het NSL zijn de projecten opgenomen waarvoor de rijksoverheid tot 2015 een besluit wil nemen tot aanleg en zich daarbij wil baseren op het NSL om aan de gestelde eisen voor de luchtkwaliteit te voldoen. De consequenties van deze extra capaciteit op de verkeersafwikkeling zijn voor het gehele hoofdwegennet en de belangrijkste wegen op het onderliggend wegennet doorgerekend en als input gebruikt voor de berekening van de luchtkwaliteit. Deze resultaten zijn opgenomen in de Saneringstool.

Eventuele andere ruimtelijke projecten die ‘in betekenende mate’ van invloed zijn op de luchtkwaliteit, zijn net als het project verbreding A2 opgenomen in het NSL, om gebruik te maken van de goede onderbouwing die hier gegeven wordt. Met een goede onderbouwing in het NSL is het mogelijk deze ruimtelijke projecten in procedure te brengen.


De bomenhaag langs de A2 die in een eerdere fase als mitigerende omstandigheid is aangevoerd is inmiddels verwijderd en zal niet snel in de voormalige omvang terugkeren. Een nieuwe bomenhaag kan daarom niet als maatregel worden meegenomen in de saneringstool.

Bij de berekeningen binnen de Saneringstool (het rekenhart van het NSL) wordt bestaande vegetatie niet als afscherming dan wel als maatregel opgevoerd.

Na vaststelling van het NSL wordt een 3% stijging van het jaargemiddelde als criterium gebruikt voor de realisatie van nieuwe ruimtelijke projecten. Dit is in strijd met de wet en de Europese regels.


Het NSL geeft op programmaniveau voor heel Nederland een goede onderbouwing dat (na derogatie verlening) tijdig voldaan wordt aan de gestelde grenswaarden voor de luchtkwaliteit, welke op Europees niveau zijn overeengekomen.

Ten aanzien van nieuwe ruimtelijke projecten die niet in betekenende mate de luchtkwaliteit verslechteren, dat betekent dat zij na voltooiing niet meer dan 3% bijdragen aan de luchtverontreiniging, kan pas besluitvorming plaatsvinden als het NSL is vastgesteld. Met het NSL zal middels het compenserende pakket aan maatregelen tijdig aan de luchtkwaliteitsnormen worden voldaan.






67 Stichting Belangen Rotondeflat, dhr. P. Jaspers, Gouda

Kernpunt(en) van de inspraak:

Reactie van Bevoegd Gezag:

Het NSL gaat uit van tegenstrijdige doelstellingen, goede luchtkwaliteit en het realiseren van meer ruimtelijke projecten. Met het naar wegen zoeken om (eigen vastgestelde) normen "legaal" (via derogatie) te kunnen overschrijden beweegt de overheid zich op een hellend vlak en verliest iedere geloofwaardigheid jegens haar burgers. Bovendien staat dit innovatieve oplossingen in de weg om zo alsnog aan de normen te kunnen voldoen. De doelstellingen van het NSL zijn én niet wenselijk én niet haalbaar.

Het is waar dat nieuwe ontwikkelingen extra verkeersdruk genereren. Tegelijk beschikken we met dit NSL over een pakket maatregelen dat ervoor gaat zorgen dat we in Nederland uiterlijk op 11 juni 2011 voor PM10 en 1 januari 2015 voor NO2 de grenswaarden gaan halen. Deze normen komen uit de Europese richtlijn. Ook de mogelijkheid van extra tijd om die normen te halen is in die richtlijn zelf vastgelegd.

Het NSL bevat een robuust pakket aan maatregelen die zowel door het rijk als door de partners in de NSL regio zullen worden getroffen om te zorgen dat we in Nederland de grenswaarden gaan halen. Het gaat om een resultaatsverplichting. Ik beschouw dat als een belangrijke stap op weg naar een betere gezondheid.


Ook wordt er door mijn departement en het ministerie van Verkeer en Waterstaat wel degelijk veel aandacht besteed aan onderzoek naar innovatieve oplossingen binnen het Innovatieprogramma Luchtkwaliteit (IPL). Meer informatie hierover kunt u vinden op de website van dit programma: http://www.ipluchtkwaliteit.nl

Kansrijke maatregelen worden nader uitgewerkt en kunnen dan, waar doelmatig, toegepast gaan worden.



Het Spoorzoneproject in Gouda is aangemerkt als IBM-project. De maatregelen die in het "Actieprogramma Luchtkwaliteit voor de regio Midden-Holland van 27 februari 2008, V8" worden voorgesteld om de luchtverontreiniging terug te brengen zijn nietszeggend en er is op een aantal punten van een aantoonbaar onjuiste veronderstelling uitgegaan. Ten onrechte wordt er bijvoorbeeld van uitgegaan dat de Mijstunnel wordt gerealiseerd. Het genoemde actieprogramma schiet ernstig tekort en maakt deel uit van het NSL. Dit zegt iets over de waarde NSL.


In het NSL wordt rekening gehouden met nieuwe ontwikkelingen nadat bestuurlijke besluitvorming heeft plaatsgevonden over een concreet uitvoeringsplan.
De verkeersgegevens die zijn gebruikt voor de saneringstool, en daarmee de basis vormen van het NSL, geven de best mogelijke stand van zaken wat betreft ontwikkelingen in Gouda. De Mijstunnel gaat inderdaad op korte termijn niet door, en is dan ook niet opgenomen in de verkeersgegevens voor de saneringstool. De tunnel is echter nog niet helemaal van de baan. Hierover moet nog besloten worden. In het Mobiliteitsplan van de gemeente Gouda wordt de periode van 2011- 2020 aangegeven. Als daartoe aanleiding is, zullen in een later stadium de verkeersmodellen hierop aangepast worden.
Wat betreft andere ontwikkelingen in het gebied: de plannen rond het Groene Hart Ziekenhuis zijn opgenomen in de verkeersmodellen die zijn gebruikt voor de saneringstool. De recente plannen van Multi Vastgoed zijn nog niet opgenomen in de verkeersmodellen. Als de plannen concreet zijn zullen deze kunnen worden aangemeld voor opname in het NSL. De plannen zullen dan worden meegenomen bij de monitoring van het NSL in de komende jaren.

Uiteindelijk moet op tijd aan de normen voor NO2 en PM10 worden voldaan, dus als nieuwe ontwikkelingen daar aanleiding toe geven zullen extra maatregelen genomen moeten worden om aan de normen te voldoen.


Er is ook specifiek geld gereserveerd voor het nemen van locatiespecifieke maatregelen in de aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit, waaronder de Spoorstraat. Zo zal in 2009 een onderzoek naar de invoering van een milieuzone in het centrum van Gouda worden uitgevoerd. Afhankelijk van de resultaten zal de gemeente besluiten welke maatregelen genomen worden. Het door u genoemde Plesmanplein zal hoogstwaarschijnlijk worden vervangen door een "normale" 4-taks aansluiting. De vervanging van de verkeerslichten met daarbij een meer compacte vormgeving, zullen ervoor zorgen dat de afwikkeling zal verbeteren en de wachttijden korter zullen zijn.
Concluderend zal de gemeente er tijdens de looptijd van het NSL voor zorgen dat nieuwe ontwikkelingen worden opgenomen in de gebruikte verkeersmodellen. Voor de maatregelen die zijn opgenomen in het NSL geldt een uitvoeringsplicht voor de desbetreffende overheidsinstantie. Bij het opstellen van het NSL is een aanname gedaan voor het effect van de verschillende maatregelen. Jaarlijks zal via een monitor in beeld worden gebracht of de geraamde effecten ook gerealiseerd worden. Indien dat niet het geval is zullen aanvullende maatregelen moeten worden ingezet.



68 Mw. ir M. van Dooren-Flipsen, Erp

Kernpunt(en) van de inspraak:

Reactie van Bevoegd Gezag:

Nog geen 60 meter van de woning van inspreker is een pluimveebedrijf gevestigd dat wordt uitgebreid naar 99.000 leghennen. Het bedrijf ligt op zo'n 250 meter van de bebouwde kom. De norm voor fijn stof wordt overschreden en de stankoverlast neemt toe. Inspreker heeft over deze situatie enkele vragen:

Wat is de emissiefactor voor verrijkte kooien?



De emissiefactoren voor fijn stof zijn gepubliceerd op de website van het ministerie van VROM (www.vrom.nl) onder de rubriek “luchtkwaliteit” en de subrubriek “meten en berekenen”. Voor verrijkte kooien bedraagt de emissie van fijn stof 5 gram per legkip per jaar.
De huidige emissiefactoren fijn stof voor de pluimveehouderij zullen in maart 2009 echter worden vervangen door nauwkeuriger emissiefactoren. Deze emissiefactoren zullen worden gehanteerd bij de totstandkoming van de definitieve versie van het NSL (medio 2009).

Wat is het aantal stuks dieren bij verrijkte kooien, dat in betekenende mate van invloed is op de PM10-concentratie? Bepaald voor verschillende afstanden.

Op basis van de huidige emissiefactor is sprake van het “in betekenende mate bijdragen” aan de achtergrondconcentratie van fijn stof indien meer dan 29.780 legkippen (bij de 1% variant) en 89.300 legkippen (bij de 3% variant) in verrijkte kooien worden gehouden. Dit geldt als op een afstand van 70 meter vanaf de stallen getoetst wordt aan de grenswaarde van 40 µg per m3. De verbeterde emissiefactoren die in maart 2009 zullen worden vastgesteld, kunnen echter tot andere uitkomsten leiden.

Waarom verleent de gemeente een milieuvergunning terwijl de PM10-norm wordt overschreden?

Uit de vergunninggegevens zoals bekend bij de provincie Noord-Brabant, blijkt dat bij de laatste wijziging van de milieuvergunning in 2007 de emissie van fijn stof ten opzichte van de voorgaande vergunning is afgenomen van 1282 kg tot 499 kg fijn stof. In een dergelijke situatie dient het bevoegd gezag (B&W) de vergunning in beginsel te verlenen.

Waarom worden omwonenden niet beschermd tegen fijn stof en stank?

Bij de verlening van milieuvergunningen is voorzien in een uitgebreide rechtsbescherming. Belanghebbenden zoals omwonenden kunnen in het kader van de milieuvergunningprocedure hun zienswijzen inbrengen (met betrekking tot het ontwerpbesluit) en vervolgens nog in beroep gaan tegen het besluit de vergunning te verlenen. Voorts bestaat voor belanghebbenden nog de mogelijkheid het bevoegd gezag te vragen om de vergunning in het belang van de bescherming van het milieu te wijzigen of, ingeval van ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu, de vergunning (gedeeltelijk) in te trekken.

Waarom wordt in deze situatie geen gecombineerde luchtwasser toegepast?

Op basis van de door U vermelde gegevens, is het niet geheel uit te sluiten dat het betreffende pluimveebedrijf in 2010 de grenswaarden voor fijn stof zal overschrijden of dat alsnog een overschrijdingssituatie zal ontstaan als gevolg van omschakeling van batterijhuisvesting naar een ander huisvestingssysteem. Medio 2009 zal daarover duidelijkheid bestaan.
De maatregelen in het NSL zijn erop gericht alle overschrijdingssituaties vóór medio 2011 ongedaan te maken. Voor de intensieve veehouderij houdt dat in dat bedrijven die een overschrijding veroorzaken in eerste instantie via subsidies zullen worden gestimuleerd vrijwillig de noodzakelijke maatregelen te nemen en in tweede instantie zullen worden verplicht die maatregelen te nemen die als “beste beschikbare techniek” kunnen worden aangemerkt (zie paragraaf 6.3.2 van het ontwerp NSL).
Zoals hiervoor reeds is aangegeven is het NSL erop gericht om alle overschrijdingen van de grenswaarden uiterlijk medio 2011 ongedaan te maken.
Het toepassen van een gecombineerde luchtwasser kan momenteel niet worden voorgeschreven. Voor de pluimveehouderij is deze techniek nog in ontwikkeling. Zodra deze techniek voor gebruik in de pluimveehouderij geschikt is, zal de toepassing ervan worden gestimuleerd via een subsidieregeling. Daarnaast zullen in 2009 ook andere, goedkopere, technieken beschikbaar komen die een substantiële bijdrage kunnen leveren aan de oplossing van het fijn stof probleem in de pluimveehouderij.

Moet in het kader van NSL een dergelijk pluimveebedrijf niet verplaatst worden naar een LOG gebied?

Bij het oplossen van bestaande overschrijdingen wordt indien mogelijk wel een koppeling gelegd met de uitvoering van de reconstructieplannen. Bij de verplaatsing van bedrijven naar landbouwontwikkelingsgebieden wordt in het kader van de reconstructie prioriteit gegeven aan intensieve veehouderijen die zijn gelegen in extensiveringsgebieden. De betreffende pluimveehouderij is echter gelegen in een verwevingsgebied. In een verwevingsgebied is ontwikkeling van de intensieve veehouderij toegestaan voor zover dat verenigbaar is met de overige functies - zoals wonen - in dat gebied.

Wanneer wordt de intensieve pluimveehouderij concreet aangepakt?

Zoals hiervoor is aangegeven, is het NSL erop gericht vóór medio 2011 alle overschrijdingssituaties in de pluimveehouderij op te lossen. Het NSL bevat daartoe concrete maatregelen (zie paragraaf 6.3.2 in het NSL). Voorzover Uw reactie betrekking heeft op het onderwerp stankhinder, wordt verwezen naar het bevoegd gezag in het kader van de milieuvergunning (in dit geval B&W van de gemeente Veghel). Het NSL heeft niet tot doel eventuele stankhinder vanuit veehouderijbedrijven terug te dringen. Hetgeen hiervoor is vermeld over de rechtsbescherming van belanghebbenden bij overschrijding van de normen voor luchtkwaliteit, is overigens ook van toepassing op het aspect stankhinder. Tot slot merk ik op dat maatregelen die zijn gericht op beperking van de emissie van fijn stof ook een positief effect kunnen hebben op de emissie van stank (bijvoorbeeld gecombineerde luchtwassers).




69 Buurtplatform Wittevrouwenveld Actief, mw. M.C.E. Kromjong-Haesen, Maastricht

Kernpunt(en) van de inspraak:

Reactie van Bevoegd Gezag:

De metingen van laatste jaren tonen een stagnatie in de daling van de concentraties. De berekeningen veronderstellen een verdere daling. Dit wordt niet onderbouwd.

Uw observatie is correct. Bij de vaststelling van het kabinetsstandpunt was dit overigens reeds bekend (zie blz. 38/39 van het NSL). Daar is ook vastgesteld dat er volgens het RIVM nog geen reden is om de berekende trend in de prognoses ter discussie te stellen. De reeks meetgegevens is nog te kort om er een robuuste trend in te benoemen. Dat neemt niet weg dat de signalen serieus genomen moeten worden. Dit zal in ieder geval in het monitoringstraject zijn beslag krijgen. Zodra het verantwoord is om de prognoses bij te stellen op basis van meetresultaten zal dat dus gebeuren. De saneringstool wordt doorontwikkeld als “monitoringstool”. Het is dus voorstelbaar dat de doorrekening voor het jaar 2011 dan een tegenvallende ontwikkeling toont die moet worden opgevangen middels extra maatregelen. Dit is de gebruikelijke gang van zaken waarbij modelberekeningen worden aangepast (gekalibreerd) aan meetgegevens. De modelaannames volgen in zekere zin op enige afstand achter de gemeten werkelijkheid. Maar zoals gezegd, in de genoemde metingen is nog geen nieuwe trend te benoemen.

Het NSL kent teveel gegoochel met cijfers. Boterzachte effecten van maatregelen moeten het doorgaan van projecten mogelijk maken.
Er wordt voorgesorteerd op de derogatie die nog niet is verleend.

Het NSL is onderbouwd door de saneringstool die gebaseerd is op metingen en berekeningen en de daarbij behorende wetenschappelijke eisen die voldoen aan de gestelde wet- en regelgeving (zoals de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007), dezelfde waar ook individuele projecten en bijbehorende luchtonderzoeken. Een monitoringsstelsel volgt of de maatregelen het voorspelde effect teweeg brengt. Indien nodig zullen aanvullende maatregelen worden getroffen.
Met het NSL wordt niet voorgesorteerd op de derogatie; het NSL wordt pas vastgesteld nadat de derogatie is verkregen. Tot die tijd blijft alleen de bestaande wettelijke systematiek (projectsaldering en de ‘niet in betekende mate’ van 1%) van toepassing.

Het is niet de opzet van het aangevraagde uitstel om extra de tijd te nemen om de overschrijdingen te saneren. Integendeel; Nederland voldoet niet aan de norm voor fijn stof en alleen met de inzet van het omvangrijke pakket aan maatregelen slagen we erin om de grenswaarden alsnog spoedig te bereiken. Daarbij geldt hoe eerder, hoe beter.



De berekeningen zijn gebaseerd op te optimistische prognoses. In plaats van zo’n 140.000 (NSL) zijn eerder zo’n 800.000 mensen blootgesteld aan te hoge concentraties.

Een schatting van het aantal mensen dat momenteel nog wordt blootgesteld aan te hoge concentraties is niet eenvoudig. Eerdere schattingen zijn onvolledig (140.000) of gebaseerd op zeer grove aannames. Vooralsnog ga ik uit van de meest recente en vrij gedetailleerde analyses van het CBS en PBL, waaruit is gebleken dat in 2006 ca. 420.000 personen aan te hoge concentraties werden blootgesteld (zie ook paragraaf 4.3 van het NSL). Overigens is voor mij elk van de genoemde aantallen teveel en meer dan voldoende aanleiding voor de maatregelen zoals in het NSL beschreven.

Het grootste manco is het ontbreken van garanties dat de maatregelen worden uitgevoerd. Het rijk geeft ook geen steun aan bijvoorbeeld de milieuzones personenvervoer.

De wet kent een uitvoeringsplicht voor de maatregelen die zijn opgenomen in het NSL. De uitvoering wordt gemonitord. Bij het niet uitvoeren van voorgenomen maatregelen kan door de Minister van VROM als laatste middel gebruik worden gemaakt van de aanwijzingsbevoegdheid.
Wat betreft de opmerking over de milieuzone personenvervoer en andere maatregelen het volgende: milieuzones voor vracht- en bestelauto’s worden sterk gestimuleerd. Het kabinet vindt het verstandig het instrument milieuzonering voor personenauto’s terughoudend te hanteren.

Met specifieke geografische kenmerken in Limburg wordt geen rekening gehouden. Maastricht ligt in een dal en heeft daardoor hogere achtergrondconcentraties. Directe metingen zouden de voorkeur moeten hebben.

In de praktijk is het moeilijk haalbaar om op veel locaties in ons land daadwerkelijk te meten. Bovendien zal de gemeten concentratie afhankelijk zijn van de lokale omstandigheden, met andere woorden: een kilometer verderop kan de concentratie al weer anders zijn. Daarom is er in Nederland voor gekozen concentraties vast te stellen op basis van metingen uit het landelijke meetnet luchtkwaliteit in combinatie met modelberekeningen, waarbij gebruik wordt gemaakt van alle beschikbare kennis over emissies. Dit geeft de mogelijkheid concentraties vast te stellen ook daar waar niet is gemeten. Dit gebeurt door bij de meer grootschalige achtergrondconcentratie de concentratiebijdrage van lokale bronnen op te tellen. Bij het samenstellen van de zogenaamde achtergrondconcentratiekaarten (GCN-kaarten) wordt rekening gehouden met emissies naar de lucht van alle bronnen in Nederland. Gezien de grote invloed van emissies in het buitenland op de concentraties van NO2 en fijn stof, worden in aanvulling daarop ook de buitenlandse emissies in de verspreidingsmodellen meegenomen. Voor Zuid-Limburg betekent dit dat de belangrijke invloed van buitenlandse bronnen in de lokale achtergrondconcentratie is verwerkt. De berekeningen van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in de agglomeratie van Heerlen/Kerkrade laten zien dat de buitenlandse bijdrage aan concentraties relatief hoog is. De bijdrage vanuit het buitenland aan de NO2-concentraties is daar ruim 2 keer zo groot als gemiddeld over Nederland; voor PM10 is de buitenlandse bijdrage 15% hoger dan gemiddeld voor Nederland (situatie 2007).
Het feit dat Maastricht in een dal ligt, kan van belang zijn voor berekening van de lokale luchtkwaliteit. In de Standaard Rekenmethode 1 (zoals het CAR-model) wordt voor wat betreft de meteorologische invoergegevens gebruik gemaakt van de meetgegevens verkregen op Maastricht-Aken Airport. Echter, om zo goed mogelijk rekening te houden met de lokale geografische omstandigheden wordt op basis van ‘expert judgement’ een correctie uitgevoerd op deze meteo-gegevens.

Burgers zijn slecht geïnformeerd over de inspraakmogelijkheden. Het verdrag van Aarhus wordt daarmee niet gerespecteerd. Op de inspraakavonden zijn vooral ambtenaren aanwezig i.p.v. belanghebbende burgers.

De inspraak is breed en tijdig aangekondigd in landelijke en regionale kranten, per brief aan alle betrokken lokale bestuurders, landelijke en gemeentelijke websites en uiteraard de staatscourant en op een wijze die gebruikelijk is bij dit soort landelijke inspraakprocedures. De matige opkomst is wel geconstateerd, maar het wel of niet aanwezig zijn is een keuze die burgers zelf maken.

Veel milieuvergunningen voor industriële installaties voldoen niet aan de Europese IPPC-richtlijn. Het principe van Best Beschikbare Technieken wordt veelal niet toegepast. Dit leidt tot te hoge emissies van PM10, N02 en NOx.

Het is een misverstand dat een groot aantal industriële bedrijven niet aan de IPPC richtlijn voldoen. Negentig procent van de bedrijven voldoet nu al aan deze richtlijn. Dat een klein deel van de bedrijven (nog) niet voldoet heeft nauwelijks consequenties voor de totale emissies omdat de belangrijke bedrijven wel aan de eisen voldoen. In het kader van het “Actieplan fijn stof en industrie” worden de richtlijnen voor stofemissies door industriële bedrijven (NeR) verder aangescherpt. Best Beschikbare technieken (BBT) vormt daarbij het uitgangspunt. Bestaande uitzonderingsregels in de NeR komen te vervallen.

In de plannen wordt toegewerkt naar het halen van de normen, terwijl ook onder deze normen de gezondheid van mensen schade oploopt. Dicht bij drukke wegen mogen gevoelige bestemmingen gebouwd worden terwijl bekend is dat dit blijvende ernstige gezondheidsschade kan veroorzaken. Een gemiste kans.

De totstandkoming van het NSL neemt niet weg, dat ik in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen, vooruitlopend op het halen van de normen door middel van het NSL, en mede op aandringen van de Tweede Kamer, juist wel extra aandacht geef aan het bouwen langs drukke wegen. Het Besluit houdt in dat binnen zones langs snelwegen en provinciale wegen gebouwen voor gevoelige groepen (zoals scholen, bejaardentehuizen en verzorgingstehuizen) alleen mogen worden gebouwd als de grenswaarden niet worden overschreden.

Uiteraard wil ik graag stimuleren dat gemeenten bij hun besluiten zo veel mogelijk rekening houden met de gezondheid van mensen, ook indien er geen sprake is van overschrijdings­situaties. De landelijke GGD-richtlijn en de plaatselijke GGD’s kunnen daarbij een belangrijke rol vervullen. Uiteindelijk blijven wel de grenswaarden maatgevend voor het, voor wat betreft luchtkwaliteit, wel of niet door kunnen gaan van ruimtelijke projecten.



Na uitvoering van het NSL blijven er hardnekkige knelpunten bestaan. Dat is onacceptabel.

Na uitvoering van het NSL zullen er geen overschrijdingen meer resteren. De maatregelen die in het NSL opgenomen zijn, in combinatie met de monitoring, moeten dit zekerstellen.

De luchtkwaliteit bij de Maastrichtse wijk Wittevrouwenveld en bij de Geusselt is slecht. De sterke verkeersemissie op de A2 en A2/N2 is hiervan de belangrijkste oorzaak. De luchtkwaliteitsnormen worden overschreden. Van belang is eerst de luchtkwaliteit te laten voldoen aan de normen voordat de infrastructuur wordt uitgebreid en er nieuwbouw wordt uitgevoerd. Verbetering van luchtkwaliteit kan door ondermeer verkeerstechnische maatregelen worden genomen. Het N5L dient op dit onderdeel te worden aangepast. De IBM-projecten Rijkswaterstaat A2-Passage Maastricht en Gemeenteprojecten zoals Geusselt 2=3 mogen pas worden uitgevoerd als de luchtkwaliteitsnormen van fijn stof (PM10) en stikstofdioxide zijn gehaald.

De berekeningen met de saneringstool laten zien dat de (inter-)nationale maatregelen, alsmede de lokale maatregelen langs de snelwegen, er toe leiden dat er in 2010 (voor PM10) en 2015 (voor NO2) geen overschrijdingen voorzien zijn, ondanks de realisatie van een aantal grotere bouwprojecten. Daar bovenop wordt er in Limburg nog een pakket aanvullende lokale maatregelen ingezet zoals beschreven in het NSL. Dit zal leiden tot een verdere verlaging van de concentraties. Ik juich deze lokale maatregelen toe vanuit het gezondheids­perspectief en ik zie dus geen reden om het NSL in deze aan te passen.




70 VNPI, dhr. J.C.D. Boot, Den Haag

Kernpunt(en) van de inspraak:

Reactie van Bevoegd Gezag:

Het Actieplan Fijn Stof baseert zich op achterhaalde emissieverwachtingen. Dit resulteert wellicht in een onnodig strenge eis. Verder wordt onvoldoende rekening gehouden met zekere maatregelen die de komende jaren door de olie-industrie gerealiseerd worden.


Voor het verbeteren van de luchtkwaliteit moeten alle sectoren, zoals verkeer, landbouw en industrie een aanzienlijke inspanning leveren. De vraag is daarbij altijd welke sector draagt welk deel bij. Hierover heeft het vorige kabinet een besluit genomen (september 2005). Dit besluit heeft zich vertaald in het NSL. Voor de industrie betekent dit, dat er ten opzichte van 2005 in 2010 een emissiereductie van 1 kiloton fijn stof moet worden gerealiseerd. Deze taakstelling loopt in 2020 op tot een reductie van 2 kiloton ten opzichte van de industriële fijn stof emissies van 2005.

Om dit hanteerbaar te maken zijn deze reductiedoelstellingen vertaald in industriële emissieplafonds fijn stof voor respectievelijk 2010, 2015 en 2020. Hiervoor is het Actieplan fijn stof & industrie opgesteld.

Ter voorbereiding van het Actieplan fijn stof is er een gezamenlijk onderzoek uitgevoerd door TNO. Uit dit onderzoek is onder andere naar voren gekomen, dat ook de industriële emissies aan fijn stof substantieel bijdragen aan de lokale luchtkwaliteit. Deze emissie zorgt mede voor de verhoogde achtergrondconcentratie, die in slechte dagen zich als “de deken” op het leefniveau openbaart.

Ik ben me er van bewust, dat uw leden al meerdere maatregelen hebben genomen of nog zullen nemen. Met het overgaan van olie- op gasstook is in het Actieplan fijn stof & industrie al rekening gehouden. De effecten van de productmaatregelen werden verdisconteerd bij de bijdrage van de sector verkeer aan het NSL.



Het uitgangspunt om fijn stof terug te dringen door toepassing van de best bestaande technieken wordt in het NSL vertaald in een algemene norm van 5 mg/Nm3. De best beschikbare technieken worden echter in IPPC-kader vastgesteld voor elk type installatie. Het eenzijdig door Nederland opleggen van bindende normen is onacceptabel.
De ketenbenadering en de BREF Raffinaderijen dient erkend te worden als het juiste referentiedocument voor de milieuvergunning. In het NSL wordt wel erg makkelijk naar een norm van 5 mg/Nm3 voor de hele industrie toegeschreven.

De voorgestane aanpak is geheel in lijn met de IPPC en Wm. Immers, hierin wordt gesteld dat er ten minste BBT moet worden toegepast. De emissiewaarde van 5 mg/Nm3 is gebaseerd op de bestaande BAT-referentiedocumenten (BREF’s) en toepassingen in de praktijk. Deze waarde is richtinggevend ten aanzien van het toepassen van de BBT.

Voordat zwaardere emissie-eisen worden opgelegd dan in IPPC-kader is afgesproken moet eerst aangetoond worden dat dit noodzakelijk is om bij te dragen aan de verbetering van de lokale luchtkwaliteit. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met de zekere maatregelen die de productketen (olie-industrie) treft. Er wordt in het Actieplan Fijn stof een integrale benadering voorgeschreven ten opzichte van andere milieukwaliteiten, maar de relatie met de lokale luchtkwaliteit ontbreekt.


Zoals ik bij onderdeel 1 van deze vraag heb aangegeven is het belangrijk dat ook de industrie haar aandeel blijft leveren in het halen van de emissieplafonds voor fijn stof. Door het toepassen van BBT is er nog veel emissiereductie te realiseren. Daartoe dient het Actieplan Fijn stof & Industrie dat in de komende jaren zal worden uitgerold. Dit zal in nauw overleg met het bedrijfsleven en de vergunningverleners plaatsvinden. Ik heb vooralsnog gekozen voor maatwerk via de individuele vergunningverlening.

Mocht de voortgang in de reductie op grond van de individuele vergunningverlening de komende jaren onvoldoende blijken te zijn, dan overweeg ik deze waarde alsnog als wettelijke emissie-eis vast te leggen.



De snelheid en volgorde van de in te voeren maatregelen zal daarbij mede worden bepaald door de kosteneffectiviteit van de maatregelen en de snelheid, waarmee de taakstelling 2010, 2015 en 2020 wordt gerealiseerd.

Ten onrechte wordt een doelstelling gesteld voor fijn stof van 10 kiloton in 2020 die wordt vertaald in maatregelen voor totaal stof van 5 mg/Nm3. Het aandeel fijn stof in totaal stof is echter nog onbekend. Dit is nog in onderzoek. De gegevens van TNO voor fijn stof uitstoot door raffinaderijen zijn niet correct, want gebaseerd op totaal stof inschattingen.

De doelstelling van 10 kiloton in 2020 vloeit voort uit het in 2005 genomen kabinetsbesluit. Ter voorbereiding op het Actieplan fijn stof heeft TNO onderzoek gedaan naar de industriële emissies van fijn stof. De bijdrage van deze emissies aan de lokale luchtkwaliteit is substantieel. Bij de uitvoering van het Actieplan zal de relatie tussen totaal stof en fijn stof verder in beeld worden gebracht.




71 Dhr. J.C. van Hoogeveen, Alphen a/d Rijn

Kernpunt(en) van de inspraak:

Reactie van Bevoegd Gezag:

De leefbaarheid in Gouwsluis (Steekpolder) zal binnenkort door de plannen van de gemeenten Alphen aan den Rijn en de Provincie Zuid-Holland ernstig aangetast worden. In het kleine gebied zullen een containerterminal, twee grote bedrijventerreinen, een verlegde N207, zes windmolens en misschien een outletcentrum de plaats van het groen innemen. Door lucht,-zicht-, licht- en lawaaivervuiling wordt het leefgebied ongezond. Roep alstublieft de genoemde overheden tot de orde.


Ik heb begrip voor uw zorgen over de leefbaarheid in de Steekpolder. Het NSL is er op gericht om de ruimtelijke ontwikkelingen die u noemt mogelijk te maken binnen de Europese normen voor de luchtkwaliteit. In de systematiek van het NSL worden extra verkeersstromen, die de bouwopgaven met zich mee zullen brengen, doorgerekend en wordt getoetst aan deze normen. De ruimtelijke ontwikkelingen die u noemt zijn ofwel inmiddels gerealiseerd, of zijn in het NSL opgenomen onder de IBM-nummers 1423, 1434 en 1468. Als u het gevoel heeft dat de luchtkwaliteit, of de andere vormen van milieubelasting die u noemt, onvoldoende worden meegenomen in de besluitvorming, dan kunt u dit in de bezwaar- en beroepprocedure voor de betreffende projecten kenbaar maken.




72 M. Weeber, Zwaagdijk-West

Kernpunt(en) van de inspraak:

Reactie van Bevoegd Gezag:

In het NSL worden ideeën die mogelijk voor verbetering van de luchtkwaliteit zorgen gekoppeld aan projecten die vrijwel zeker voor kwaliteitsverslechtering zorgen. Omwonenden van projecten waardoor de luchtkwaliteit zal verslechteren moeten bij voorbaat accepteren dat hun universele recht op schone lucht en een goede gezondheid wordt opgeofferd aan de economische belangen van anderen, zonder recht op rechtsbescherming of effectieve mitigerende maatregelen.

Het NSL is er op gericht om te garanderen dat de luchtkwaliteit op alle locaties tijdig onder de grenswaarden voor fijn stof en stikstofdioxide worden gebracht, ook op die locaties waar projecten worden uitgevoerd die een luchtkwaliteitsverslechtering tot gevolg zouden kunnen hebben. De kracht van het NSL is de doorrekening van zowel de debets (de bouwprojecten) als de credits (de maatregelen) van de balans binnen één brede programma-aanpak. Het NSL laat zien en onderbouwd. Ook op plekken waar projecten plaatsen de omwonenden gegarandeerd zijn van schone lucht op basis van Europese en nationale regelgeving.

Er is bezwaar tegen de inrichtingsplannen van de Westfrisiaweg. De inrichting gaat uit van 100 km/h bij vier woonwijken en geen geluid/fijn stofafscherming bij de toeristische spoortram in Zwaagdijk West en de ongelijkvloerse aanleg.



In het kader van de inrichtings-MER is modelonderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de wettelijke normen niet worden overschreden. Hierdoor hoeven op basis van de onderzoeksresultaten geen maatregelen te worden getroffen als gevolg van toename van fijn stof.

Ten aanzien van geluid zullen die maatregelen worden getroffen die noodzakelijk zijn om aan de wettelijke normen te voldoen.



Het MER Advies van 80 km/h is niet serieus onderzocht. De minister wordt gevraagd achter het MER advies van80 km/h te gaan staan.

In de in voorbereiding zijnde inrichtings-MER zullen ook de resultaten qua lucht en geluid van de 80 km/h variant worden beschreven.

Voorgesteld wordt de Westfrisiaweg op maaiveld te houden, de uitvalswegen met viaducten eroverheen of eronderdoor. De A7 ter hoogte van de Westfrisiaweg even omhoog. Dit scheelt veel geluids- en luchtvervuiling en gezichtsvervuiling.

Wanneer de A7 hoog wordt aangelegd zal dit naar alle waarschijnlijkheid meer geluidshinder opleveren omdat de intensiteiten op de A7 hoger zijn dan op de N302. Hiernaast betreft het een zeer kostbare wijziging. Problemen die ontstaan als de volgende wegen hoog over de lage Westfrisiaweg heen worden geleid zijn:

Bij de Wogmergouw: De ontsluiting van de woning in het noordwestelijke kwadrant is onmogelijk. De kruispunten met de Zwaagdijk (noord en zuid) en de Keern komen half hoog te liggen of moeten worden verplaatst.



Bij de Oostergouw: De ontsluiting van het brandstofverkooppunt is niet mogelijk. Dit zal dus moeten worden gesloopt. De ontsluiting van het bedrijf aan de westzijde is ook zeer moeilijk inpasbaar.

Er zijn grote zorgen om het geluidslek van de spoorlijn. Daar wordt geen voldoende oplossing voor gezocht door de projectgroep N23. De open verbinding van de overgang op de rails en met het zware vrachtverkeer zijn de huizen die daar op 100 meter staan onvoldoende beschermd.

Alhoewel het NSL zich richt op luchtkwaliteit wil ik uw zorgen met betrekking tot de geluidsbelasting graag wegnemen. In het akoestisch onderzoek voor de inrichtings-MER is als uitgangspunt gehanteerd dat de geluidbelasting in de toekomstige situatie niet zal toenemen. Hiertoe zullen in de uitvoering specifieke maatregelen worden getroffen. Dit geldt ook voor de woningen die liggen achter de opening van de spoorweg.

Fietsverkeer wordt nu, in de plannen, omgeleid langs een grote rotonde met drie fietsovergangen zonder voorrang voor fietsers. Inspreker wil ook graag een fietstunneltje vanaf de Zwaagdijk naar de Risdam. De projectgroep N23 overweegt dit niet serieus.

Op dit moment wordt lokaal een fietspadenplan opgesteld waarin uw suggestie wordt meegenomen.

De leden van de klankbordgroep van de spoorbuurtgroep voelen zich niet gehoord en serieus genomen.

De ingebrachte suggesties van de klankbordgroep zijn op hun merites beoordeeld. Op basis hiervan zullen sommige wel en andere niet worden meegenomen in de definitieve ruimtelijke besluitvorming in het kader van de Wet ruimtelijke ordening.




73 L. Wagenaar, Leiden

Kernpunt(en) van de inspraak:

Reactie van Bevoegd Gezag:

Het uitgangspunt dat de normen tijdig gehaald worden is niet onderbouwd en niet aannemelijk gemaakt.


De berekeningen die ten behoeve van het NSL zijn uitgevoerd, zijn uitvoerig onderbouwd en gedocumenteerd. De aannames die daarbij zijn gehanteerd zijn tot stand gekomen op basis van de best beschikbare kennis en voorschriften. Met de monitoring zal meer kennis beschikbaar komen die zonodig weer zal worden verwekt in de modelaannames.

Het is niet aanvaardbaar dat Nederland derogatie krijgt omdat Nederland dan nog langer met overschrijdingen en dus gezondheidsschade blijft zitten.


Ook zonder derogatie zou ons land met overschrijdingen blijven kampen. Met het NSL waarmee derogatie wordt aangevraagd, moet worden aangetoond dat met de genoemde maatregelen de grenswaarden wel worden bereikt. In die zin biedt de derogatie een belangrijke prikkel om maatregelen te treffen en de gezondheidsschade zo spoedig mogelijk te verminderen. Daarbij wordt ernaar gestreefd de grenswaarden zo spoedig mogelijk te bereiken.

De zeezoutaftrek moet verboden worden vanwege de blijvende gezondheidsschade bij kinderen.


De huidige wet- en regelgeving, de Wet milieubeheer en de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007, kennen reeds een basis voor de aftrek van zeezout. De nieuwe Europese richtlijn (die op dit moment in de Wet milieubeheer wordt geïmplementeerd, regelt dit nog explicieter dan zijn voorganger). Op deze manier wordt de grenswaarde overal in Europa even streng, aangezien er in bijvoorbeeld Oostenrijk vrijwel geen zeezout wordt aangetroffen.

Ook als normen bereikt worden blijven er gezondheidsproblemen bestaan. Het ultrafijne stof is veel gevaarlijker en wordt meer uitgestoten door moderne euro 4 auto’s dan oudere.


Concentraties net onder de norm kunnen inderdaad ook gezondheidsschade veroorzaken. Wat niet wegneemt dat concentraties beneden de vastgestelde norm minder schade veroorzaken dan concentraties daarboven. Het is ook correct dat de PM10 norm geen onderscheid maakt naar fijn stof en nog fijner stof. De schadelijkheid neemt toe naarmate het stof fijner is. Binnen de Europese gemeenschap zijn daarom wel afspraken gemaakt om ook voor het fijnere stof (PM2,5) tot streef- en grenswaarden te komen. In het definitieve NSL zal hierover aanvullende informatie worden opgenomen. Deze normen voor PM2,5 worden ook opgenomen in de nationale milieuwetgeving zodat daar in de toekomst rekening mee gehouden zal moeten worden. Dit alles neemt niet weg dat het vanuit het gezondheids­perspectief wel wijs is om als eerste stap eerst de PM10 grenswaarden te bereiken.

Ook na uitvoering van het NSL resteren er nog onbewoonbare straten.


Als gezegd worden met het NSL de concentraties niet tot nul teruggebracht, maar wordt overal aan de Europees afgesproken grenswaarden voldaan. Bij het bereiken van deze grenswaarden wordt een onmisbare stap in de goede richting gezet. Straten waar aan de afgesproken grenswaarden wordt voldaan zijn zeker niet als ”onleefbaar” of “onbewoonbaar” te betitelen.

De werkelijkheid zal straks meer tegenvallers tonen dan waarmee de modellen rekening houden.


Het valt inderdaad niet uit te sluiten dat de werkelijkheid de komende jaren tegenvallers zal laten zien. Om die op te vangen zullen er aanvullende maatregelen beschikbaar moeten zijn en daar wordt op dit moment dan ook aan gewerkt. Het valt overigens ook niet uit te sluiten dat zich de komende jaren meevallers zullen voordoen. Als eerder aangegeven is de monitoring van het NSL daarom van groot belang.

Ook als we normen wel halen, dan nog is geen sprake van een gezond leefklimaat. Er zou een grens van 10 microgram gehanteerd moeten worden.


Voor het NSL wordt aangesloten bij de binnen de Europese Unie afgesproken grenswaarden.

Als u zich realiseert dat in ons land alleen het opwaaiend bodemstof al zo’n ruim 9 microgram/m3 bijdraagt (zie tabel 4.5, p. 43), zult u begrijpen dat het in onze samenleving op dit moment technisch en maatschappelijk niet mogelijk is om een norm van 10 microgram per m3 te bereiken.

Voor een verdere verlaging van de concentraties zijn bovenal Europese brongerichte maatregelen noodzakelijk. De Nederlandse inzet is er dan ook op gericht om de Europese beleidsinzet terzake ambitieus te houden, zeker als er in de toekomst gesproken wordt over mogelijke aanscherping van de normen.


Ook als in NL vooruitgang wordt geboekt dan blijft veel vervuiling uit het buitenland komen.

Het bereiken van de grenswaarden is niet alleen een Nederlandse beleidsopgave. Alle lidstaten moeten de Europese afspraken naleven. Ook de andere EU lidstaten zijn gehouden aan het treffen van maatregelen. Op basis van de Europese richtlijn inzake nationale emissieplafonds moeten alle EU lidstaten uiterlijk in 2010 voor een aantal luchtverontreinigende stoffen de emissies terugbrengen tot een bepaald plafond. Als ze daar niet tijdig in slagen zal de rekening daarvoor vanzelfsprekend niet eenzijdig in Nederland worden neergelegd.

Veel technisch uitvoerbare maatregelen ontbreken.


Een aantal van de door u genoemde voorbeelden van effectieve maatregelen worden wel ingezet voor het bereiken van een schonere lucht. Elke regio maakt daarin eigen keuzen die zijn toegelicht in het regionale plannen. De gekozen maatregelen zijn opgenomen in het NSL.

Na uitvoering van het NSL blijven er nog steeds overschrijdingen bestaan op o.a. de Hoge Rijndijk en de Morsweg in Leiden.

De in het NSL opgenomen projecten zullen de lucht verder verslechteren.

Het NSL moet ervoor zorgen dat we overal RUIM onder norm uitkomen.


Na uitvoering van het NSL zijn er nergens meer overschrijdingen van de normen.

Alle maatregelen in het NSL compenseren de negatieve effecten van bouwprojecten ruimschoots.


Ik stimuleer de ontwikkeling van aanvullende maatregelen om ook bij tegenvallers tijdig aan de norm te kunnen voldoen. Ook blijft de Nederlandse inzet gericht op Europese brongerichte maatregelen ambitieus.



1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   ...   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina