Bijlage: inkomenspositie ouderen



Dovnload 39.09 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte39.09 Kb.
Bijlage: inkomenspositie ouderen
Inleiding

Tijdens het AO van de themacommissie Ouderenbeleid van 21 januari 2010 is toegezegd om inzicht te verschaffen in de inkomens- en vermogenspositie van 67-plussers, tegen de achtergrond van de discussie in hoeverre generieke regelingen voor ondersteuning van ouderen nog noodzakelijk zijn. De afgelopen jaren is uit diverse onderzoeken gebleken dat de inkomenspositie van ouderen relatief is verbeterd (SCP1, SZW2, Goudswaard3), waarbij ook het aantal ouderen met een inkomen onder de armoedegrens is gedaald. Dit memo geeft op basis van CBS gegevens een overzicht van de inkomens- en vermogenspositie van ouderen. Tevens wordt inzicht verschaft in het inkomensregelingen die gelden voor ouderen.


Ouderen hebben een gunstige inkomensontwikkeling…

Het gemiddelde inkomen van ouderen is de afgelopen jaren sneller gestegen dan van 65-minners. Onderstaande tabel laat dit effect zien voor de periode 2001-2009. Het gemiddelde (gestandaardiseerd besteedbaar) inkomen van 65-69 jarigen is in deze periode zelfs met 37% toegenomen, tegenover 29% van alle 65-plussers. De rijping van pensioenfondsen speelt hierin een belangrijke rol: pas de laatste jaren gaan veel ouderen met pensioen die gedurende hun gehele werkzame leven een aanvullend pensioen hebben opgebouwd. Ook stijgt het aandeel oudere vrouwen dat lang werkt dan wel gewerkt heeft sterk. Het gestandaardiseerde gemiddelde besteedbaar inkomen ligt voor 65-plussers nog wel lager dan voor 65-minners.


Tabel 1: Gestandaardiseerd gemiddeld besteedbaar inkomen van huishoudens naar leeftijd hoofdkostwinner (in euro’s)




2001

2009

groei

65 - 69 jaar

18.300

25.100

37%

65-plussers

17.300

22.400

29%

65-minners

19.600

23.700

21%

Bron: CBS statline
met als resultaat minder armoede onder ouderen

Figuur 1 laat zien dat het aandeel lage inkomens bij ouderen in 2001 nog vergelijkbaar was met het aandeel lage inkomens in de totale bevolking, maar sindsdien veel harder gedaald is dan in de totale bevolking. In 2008 bedraagt het aandeel lage inkomens bij ouderen (3,8%) minder dan de helft van dat in de totale bevolking (8,0%). Een vergelijkbare ontwikkeling heeft zich voor gedaan bij langdurig lage inkomens.


Figuur 1: Ontwikkeling aandeel huishoudens met lage dan wel langdurig lage inkomens, totale bevolking en 65-plussers, 2001-2008

Bron: CBS statline



Vermogenspositie ouderen

Ouderen beschikken gemiddeld over veel vermogen: in 2009 is dit gemiddeld circa € 240.000 per huishouden tegenover circa € 150.000 voor huishoudens jonger dan 65 jaar. Vermogen is hierbij gedefinieerd als de waarde van het eigen huis minus de hypotheekschuld, en het overige financiële vermogen. Hoewel het gemiddelde vermogen van ouderen vrij hoog is, betekent dit niet dat alle ouderen vermogen hebben. Circa 40% van de ouderen heeft niet of nauwelijks vermogen, vermogen is ongelijker verdeeld dan inkomen. Het gemiddelde vermogen van ouderen is harder gestegen dan het gemiddelde vermogen van 65-minners, en het gemiddelde vermogen van 65-74 jarigen is harder gestegen dan het gemiddelde vermogen van ouderen.


Tabel 2: Gemiddeld vermogen naar leeftijd kostwinner (in euro’s)




2000

2009

groei

65 – 74 jaar

151.000

274.000

82%

65-plussers

148.000

238.000

61%

65-minners

98.000

146.000

50%

Bron: CBS statline
Inkomensbeleid ouderen

Het specifieke inkomensbeleid ouderen is gedeeltelijk inkomensafhankelijk. De ouderenkorting heeft een inkomensgrens van € 34.857 in 2011, personen met een hoger inkomen hebben geen recht op de ouderenkorting. Dit betekent overigens niet dat huishoudens met hoge inkomens geen ouderenkorting krijgen; omdat de ouderenkorting wordt getoetst op individueel inkomen, kan de partner van iemand met een hoog inkomen wel recht hebben op de ouderenkorting. De tegemoetkoming AOW is een bruto bedrag, waardoor het netto bedrag voor hogere inkomens – door het hogere marginale belastingtarief – lager uitpakt. Alleenstaande ouderen hebben recht op de alleenstaande ouderenkorting. Deze is inkomensonafhankelijk.


Naast de ouderenkortingen en de tegemoetkoming AOW zijn er kortingsregelingen waar alle ouderen recht op hebben; zo kunnen alle ouderen met korting gebruik maken van het openbaar vervoer (de oude roze strippenkaart). Daarnaast is het beleid zo vormgegeven dat er meer van ouderen met een midden en hoog inkomen wordt gevraagd. Enkele voorbeelden hiervan zijn:

  • Het recht op specifieke inkomensregelingen voor ouderen – zoals de ouderenkorting - neemt af voor hogere inkomens.

  • Hogere inkomens betalen meer eigen bijdrage voor de AWBZ en de Wmo waardoor ouderen bij iedere verbetering van de inkomenspositie meer eigen bijdrage gaan betalen.

  • Ouderen met een hoger inkomen hebben minder recht op toeslagen zoals de huur- en zorgtoeslag dan ouderen met een lager inkomen.

  • Met het afschaffen van de partnertoeslag AOW in 2015 – en de korting van 8% per 2011 - wordt aangesloten bij de ontwikkeling dat vrouwen in toenemende mate economisch zelfstandig zijn.


Tot slot

Bovenstaand overzicht laat zien dat ouderen de afgelopen jaren een verbetering in hun vermogens- en inkomenspositie hebben gezien. Nieuwe cohorten ouderen hebben een groter inkomen en een groter vermogen dan voorgaande cohorten ouderen. Daarnaast is de armoede onder ouderen – gemeten op basis van het aandeel lage inkomens - afgenomen. De regelingen gericht op ouderen zijn deels inkomensafhankelijk, deels inkomensonafhankelijk.



Overzicht generieke inkomensregelingen ouderen
Gegevens uit onderstaande tabel zijn afkomstig uit de brief van 8 december 2009 betreffende het stelsel van inkomensregelingen4.


Regeling

Inhoud regeling en doelgroep

Uitvoering

Hoogte bedrag*

Omvang gebruik*

Uitgaven*

Algemene ouderdomswet (AOW)

Ouderdomspensioen voor personen vanaf 65 jaar.

SVB

Bruto bedrag per maand exclusief vakantiegeld voor:

Totaal 2,76 mln uitkeringsjaren:

28,2 miljard

- Alleenstaande 70%: € 1018,06

- alleenstaanden: 1,01 mln

- Alleenstaande ouder 90%: € 1289,75

- gehuwden: 1,75 mln

- Gehuwde 50% p.p.: € 698,67

 

AOW-tegemoetkoming

Tegemoetkoming voor ouderen met AOW.

SVB

Bruto € 34,26 per maand.

2,8 miljoen

1,1 miljard

De uitbetaling loopt gelijk met uitbetaling AOW.

Ouderenkorting

Fiscale korting voor belastingplichtigen van 65 jaar of ouder, met een verzamelinkomen tot € 34.934

Belastingdienst

€ 684 per jaar

2.095.000 personen

1,32 miljard

(raming 2009)

(raming 2009)

Aanvullende alleenstaande ouderenkorting

Fiscale korting voor belastingplichtigen met een AOW-uitkering voor alleenstaanden (onafhankelijk van inkomen)

Belastingdienst

€ 418 per jaar

1.105.000 personen

0,45 miljard

(raming 2009)

(raming 2009)

* De uitkeringsbedragen zijn per 1 januari 2010 en de aantallen en uitgaven zijn conform de raming 2010 in de begroting 2010, tenzij anders aangegeven


1 CBS/SCP (2006). Armoedebericht 2006, Centraal Bureau voor de Statistiek, Voorburg/Heerlen.

2 Ministerie van SZW, De toekomstige inkomenspositie van ouderen, Werkdocument, 2006

3 K.P. Goudswaard, R.M.W.J. Beetsma, Th. E. Nijman en P. Schnabel, Een sterke tweede pijler; naar een toekomstbestendig stelsel van aanvullende pensioenen, Rapport van de Commissie Toekomstbestendigheid aanvullende pensioenregelingen, Den Haag, 2010

4 Kamerstukken II 2009/10, 24 515, nr. 172.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina