Bijlagen Bijlage 1: Juridisch kader



Dovnload 0.72 Mb.
Pagina1/8
Datum26.08.2016
Grootte0.72 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8

Bijlagen




Bijlage 1: Juridisch kader

Hieronder wordt per hoofdstuk, indien van toepassing, zoals opgenomen in het milieubeleidsplan het juridisch kader geschetst.


Dit juridisch kader omvat:

- de wettelijke opgelegde normen (wetten, decreten, besluiten, …)

- de normen of doelstellingen die voorkomen in beleidsplannen van hogere overheden

- de belangrijkste gemeentelijke bevoegdheden (verordeningen, politiereglementen, …)


De verplichtingen die voortvloeien uit de ondertekening van de samenwerkingsovereenkomst zijn in het plan zelf vermeld (in cursief).
Hoofdstuk 4: Milieubeleid per cluster

4.1. Vaste stoffen

4.1.1. Milieuverantwoord productgebruik

Decreet van 21.12.2001

Op basis van het decreet van 21.12.2001 geldt vanaf 1.01.2004 voor alle openbare diensten een verbod op het gebruik van bestrijdingsmiddelen op de volgende plaatsen:



  • in de openbare parken en plantsoenen

  • op minder dan 6 meter van waterlopen, vijvers, moerassen of andere oppervlaktewaters

  • op wegranden, bermen en andere terreinen van het openbare domein die deel uitmaken van de weg of er bij horen, autosnelwegen, waterwegen en spoorwegen inbegrepen

  • in natuur- en bosgebieden of kwetsbare gebieden zoals vallei- of brongebieden, zoals bedoeld in het decreet van 21.10.1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijke milieu en het bosdecreet van 13.6.1990

  • op de terreinen die al dan niet behoren tot het openbaar domein, waarvan een overheid eigenaar, vruchtgebruiker, pachter, opstalhouder of huurder is en die voor openbaar nut worden gebruikt of horen bij een gebouw dat voor openbaar nut wordt gebruikt

De openbare diensten moesten tegen 1.6.2003 een reductieprogramma opmaken voor

bestrijdingsmiddelen voor hun dienst. Dit programma moest de nodige maatregelen bevatten om uitvoering te geven aan bovenvermeld verbod. In het programma kon een afwijking worden gevraagd op het verbod.
Concreet betekent dit dat een reductieprogramma moest worden ingediend om vanaf

1.1.2004 over te stappen op een nulgebruik, tenzij in dit reductieprogramma een afwijking werd aangevraagd.


VLAREA

Overeenkomstig het besluit van de Vlaamse regering van 5.12.2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en –beheer, kunnen bepaalde afvalstoffen worden aangewend als secundaire grondstoffen. De Vlaamse regering stelt de lijst op van afvalstoffen die op wettige wijze mogen gebruikt worden als secundaire grondstoffen alsmede de voorwaarden inzake samenstelling en/of gebruik waaraan voldaan dient te worden.


4.1.2. Afvalstoffen

Afvalstoffendecreet en VLAREA

Het decreet van 2.7.1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen schept een algemeen kader voor het afvalstoffenbeleid in Vlaanderen. De nadere uitwerking van het afvalstoffendecreet is opgenomen in het VLAREA. Op 1.6.1998 trad dit Vlaams reglement inzake afvalfvoorkoming- en beheer in werking.

Om de gezondheid van mens en milieu te vrijwaren en de verspilling van grondstoffen en energie tegen te gaan worden in het decreet een aantal prioriteiten opgenomen.

In de eerste plaats dient de productie en schadelijkheid van afvalstoffen te worden voorkomen en zoveel mogelijk te worden beperkt.

In de tweede plaats moet de nuttige toepassing van afvalstoffen worden bevorderd.

Ten derde dient de verwijdering van afvalstoffen die niet kunnen worden voorkomen of nuttig toegepast te worden georganiseerd.

Het decreet bepaalt dat alle overheden van het Vlaams gewest aan de realisatie hiervan moeten bijdragen.
De gemeente draagt er, al dan niet in samenwerking met andere gemeenten, zorg voor dat de huishoudelijke afvalstoffen maximaal worden voorkomen of hergebruikt, op regelmatige tijdstippen worden opgehaald of op een andere wijze worden ingezameld, en worden verwerkt.

Onder huishoudelijke afvalstoffen worden alle afvalstoffen verstaan die ontstaan door de normale werking van een particuliere huishouding en de afvalstoffen die daarmee gelijk worden gesteld.

Straat- en veegvuil wordt aan huishoudelijke afvalstoffen gelijkgesteld.
De gemeente kan ook initiatieven nemen inzake de met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen, dit is echter geen verplichting.
Volgende huishoudelijke afvalstoffen moeten gescheiden worden aangeboden en verder afzonderlijk worden gehouden bij de ophaling of inzameling (huis-aan-huis) of op het containerpark: KGA, van huishoudelijke oorsprong, glasafval, papier- en kartonafvalstoffen, grofvuil met het oog op sortering, hergebruik of recyclage, groenafval, textielafvalstoffen, afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, afvalbanden en steenachtige fracties van bouw- en sloopafval.

Houtafvalstoffen en metaalafvalstoffen moeten ofwel gescheiden worden gehouden bij de ophaling of inzameling ofwel nadien worden uitgesorteerd.


De gemeente dient een afvalstoffenregister bij te houden. Dit register moet ten minste elke maand worden aangevuld met de meest recente gegevens. Het register moet gedurende vijf jaar worden bijgehouden.

Jaarlijks wordt de gemeente verplicht een rapport over te maken aan OVAM over de door of in haar opdracht ingezamelde afvalstoffen. Dit jaarrapport bevat jaartotalen uit het afvalstoffenregister.

De regelgeving bevat ook de bepalingen m.b.t. de aanvaardingsplichten.

De wijze waarop aan de aanvaardingsplichten wordt voldaan, wordt vastgelegd in milieubeleidsovereenkomsten of door OVAM goedgekeurde afvalbeheersplannen.

Voor een heel aantal fracties (o.a. batterijen, geneesmiddelen, afvalolie, …) geldt het zogenaamde 1-tegen-O-principe. Dit wil zeggen dat de eindverkoper, tussenhandelaar en invoerder/producent deze fracties in ontvangst moeten nemen ook als er geen nieuw product wordt aangekocht.

Er wordt uitdrukkelijk vermeld dat de gemeente volledig wordt vergoed voor de inspanningen die ze levert inzake inzameling en scheiding van de afvalstoffen als de betrokken sector een beroep doet op de infrastructuur van de gemeente.


Ook de aanwending van afvalstoffen als secundaire grondstoffen wordt hier geregeld.

Er worden voorwaarden gesteld waaraan afvalstoffen moeten voldoen, opdat ze als secundaire grondstof kunnen worden aangewend. Het uitgangspunt hierbij is dat de nuttige toepassing moet plaatsvinden zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder dat procédés of methodes worden gebruikt die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

Voor bagger- en ruimingsspecie wordt een bijzondere regeling voorzien (zie verder 4.4. Hinder).
Uitvoeringsplan Huishoudelijke Afvalstoffen 2003-2007

In het afvalstoffendecreet is bepaald dat OVAM sectorale uitvoeringsplannen moet ontwerpen.



  • Voorbeelden van dergelijke plannen zijn het uitvoeringsplan organisch-biologisch afval, het uitvoeringsplan huishoudelijke afvalstoffen 2003-2007, en het uitvoeringsplan gescheiden inzameling bedrijfsafval van KMO’s.

Ook op basis van de Europese wetgeving zijn de lidstaten verplicht een plan op te stellen inzake het beheer van afvalstoffen.
In het Uitvoeringsplan Huishoudelijke Afvalstoffen 2003-2007 worden de krijtlijnen vastgelegd voor het Vlaamse beleid inzake huishoudelijke afvalstoffen De plannen gelden voor de administratieve overheden van het Vlaamse Gewest, de provincies, de gemeenten en de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke instellingen die belast zijn met taken van openbaar nut inzake milieubeleid. De bepalingen in de plannen zijn bindend, tenzij er uitdrukkelijk werd gestipuleerd dat ze slechts indicatief zijn
In deel 4 van het Uitvoeringsplan Huishoudelijke Afvalstoffen 2003-2007 worden de taakstellingen voor preventie, selectieve inzameling en eindverwerking beschreven die in 2007 moeten worden bereikt en de acties die hiervoor door de verschillende partijen moeten worden uitgevoerd. Per luik worden de vooropgestelde strategische keuzes, doelstellingen, acties en instrumenten beschreven.
Luik 1: Preventie en hergebruik

Aan afvalvoorkoming en hergebruik wordt in het plan absolute prioriteit gegeven.


Onder afvalvoorkoming wordt verstaan: “de hoeveelheid afval van een entiteit (een gezin of een KMO/gemeente/instelling) laten dalen en dit:

- door de productie van afval door de entiteit te doen dalen

- en/of door het aanbod van afval aan de entiteit te doen dalen

- door de milieuschadelijkheid ervan te verminderen

- en tegelijk het interne hergebruik van het toch ontstane afval te maximaliseren”
Onder hergebruik wordt verstaan: “het opnieuw aanwenden van een product en/of materialen in het afvalstadium voor hetzelfde doel of soortgelijk doel als waarvoor zij oorspronkelijk bestemd waren”.
Luik 2: Selectieve inzameling

Selectieve inzameling heeft tot doel het huishoudelijk afval, in plaats van het te storten of te verbranden, opnieuw in het productieproces in te zetten, al dan niet na bewerking.


Doelstellingen

Per afvalstroom worden doelstellingen vooropgesteld die zijn uitgedrukt in percentage selectieve inzameling t.o.v. het totale afvalaanbod. Deze doelstellingen gelden per gemeente. Het percentage is ook ter indicatie in ton en in kg per inwoner per jaar weergegeven voor de totale bevolking in Vlaanderen.


Acties

In dit deel worden de acties toegelicht die tijdens de planperiode door de verschillende betrokkenen zullen moeten worden uitgevoerd om de vooropgestelde doelstellingen te bereiken.

Belangrijk voor de gemeenten is de opsomming van de fracties die minstens afzonderlijk moeten worden ingezameld (huisvuil, grofvuil, papier en karton, glas, steenachtige fracties, bouw- en sloopafval, groenafval, textielafvalstoffen, houtafval, afgedankte elektrische en elektronische apparaten en KGA van huishoudelijke oorsprong). Minstens hout- en metaalafvalstoffen moeten ofwel afzonderlijk ingezameld worden of naderhand worden uitgesorteerd.

Ook de frequentie en de wijze van inzameling van de verschillende fracties worden bepaald. De inzamelwijzen zijn verplicht voor alle gemeenten. Hier kan alleen van worden afgeweken mits goedkeuring van OVAM.

Het containerpark wordt in het Uitvoeringsplan Huishoudelijke Afvalstoffen naar voor geschoven als de hoeksteen van de selectieve inzameling. Het plan bevat dan ook enkele acties om de werking van het containerpark te optimaliseren.

Volgende fracties dienen minimaal en afzonderlijk te worden ingezameld op het containerpark: papier en karton, gekleurd glas, wit glas, plasticverpakkingen, metalen verpakkingen, drankkartons, textielafval, oude metalen, groenafval (liefst gesplitst in fijn tuinafval, snoeihout en boomstronken), houtafval, afgedankte elektrische en elektronische apparaten, steenpuin/inert afval en bouw- en sloopafval.

Volgende fracties kunnen facultatief afzonderlijk worden ingezameld: KGA, autobanden, vlak glas, EPS-afval, kringloopgoederen, kurkafval en dierlijk afval.
Alle gemeenten met meer dan 10.000 inwoners zijn verplicht een containerpark in te richten. De anderen kunnen beroep doen op het containerpark van een naburige gemeente of intergemeentelijke vereniging. Gemeenten met meer dan 30.000 inwoners moeten per begonnen schijf van 30.000 inwoners een bijkomend containerpark hebben.
Door middel van verplichte minimumopeningsuren beoogt men de bereikbaarheid van de containerparken te verhogen:

- gemeenten tot 15.000 inwoners moeten hun containerpark minstens 15 uur openen,

waarvan op zaterdag minstens 4 uur

- gemeenten vanaf 15.000 inwoners moeten hun containerpark minstens 25 uur openen, waarvan op zaterdag minstens 6 uur


Tevens wordt aanbevolen om minimum 0,5 voltijds personeelslid te voorzien per 100 bezoekers per dag. Deze personeelsleden moeten een goede opleiding krijgen en worden het beste beschouwd als afvalbemiddelaars.
Andere acties zijn o.a.:

- onderzoek naar en opzetten van een aangepast beleid rond luiers

- het optimaliseren van de inzameling van oude en vervallen geneesmiddelen via het

circuit van de apothekers

- het uitbouwen en optimaliseren van de inzameling van dierlijk afval (bv. het aanmoedigen van intergemeentelijke inrichtingen voor de inzameling van dierlijk afval)

- het optimaliseren van de inzameling van afval van thuiszorg (bv. injectienaalden)

- het opzetten van een proefproject rond composteerbare verpakkingen

- het optimaliseren van afvalscheiding in appartementsgebouwen

- het opnemen van compost en gerecycleerde producten in bestekken
Instrumenten

In dit deel worden de juridische, economische en sociaal-communicatieve instrumenten besproken die mee moeten bijdragen tot de realisatie van de doelstellingen.


Een economisch instrument dat in het bijzonder de gemeenten aanbelangt is de intergemeentelijke tarifering. Er wordt gestreefd naar een meer uniforme tarifering i.p.v. een louter gemeentelijke taksering.

Hierbij wordt voor het verhalen van de vaste kosten (ophaling, uitbating containerpark, sensibilisering, …) het principe van de inkomensgerelateerdheid nagestreefd.

Variabele kosten worden als volgt verhaald:

- vermijdbare selectieve fracties moeten getarifeerd worden, mits rekening wordt

gehouden met de kwaliteit van de selectief ingezamelde stromen en de prijszetting ten opzichte van het restafval

- voor huisvuil en grofvuil worden de volledige verwerkingskosten doorgerekend

De principes van het afvalbeleid moeten weerspiegeld worden in de tarieven: huisvuil moet opvallend duurder zijn dan selectief ingezamelde stromen.

Er wordt aanbevolen de kosten jaarlijks ter bespreking voor te leggen aan de milieuraad.


De sociale en communicatieve instrumenten omvatten o.a. het voeren van allerhande sensibiliseringscampagnes, het voeren van informatieacties naar de overheden, het uitbouwen van de voorbeeldfunctie van de overheid, …
Luik 3: Eindverwerking

In het derde luik komt de programmering van de benodigde eindverwerkingscapaciteiten aan bod, namelijk:

- voorbehandeling met het oog op eindverwerking

- verbranding als nuttige toepassing

- verwijdering: verbranden en storten
van de volgende afvalsoorten:

- restfractie van het huishoudelijk afval

- categorie-2-bedrijfsafval

- hoog- en laagcalorische fracties uit voorbehandelingsinstallaties


Doelstellingen

Tegen 2007 zou de hoeveelheid huishoudelijk afval bestemd voor eindverwerking moeten gedaald zijn tot 150 kg per inwoner per jaar op Vlaams niveau. Voor 2005 staat 165 kg op Vlaams niveau met een maximum van 200 kg per inwoner op gemeentenniveau voorop, voor 2003 was het streefcijfer 180 kg op Vlaams niveau met een maximum van 220 kg per inwoner op gemeenteniveau.


Op 30.5.1996 sloten de drie gewestregeringen een samenwerkingsakkoord betreffende de preventie en het beheer van verpakkingsafval. Dit akkoord werd voor het Vlaams gewest goedgekeurd bij decreet van 21.1.1997.

Het samenwerkingsakkoord is toepasselijk op alle verpakkingsafval.

De bedoeling is om:


  • de productie en schadelijkheid van het afval te voorkomen en te verminderen

  • het aandeel van herbruikbare verpakkingen niet te verminderen in vergelijking met vorige jaren

  • de verpakkingsverantwoordelijke geleidelijk te gaan belasten d.m.v. een terugnameplicht

  • het hergebruik te bevorderen en zonodig recyclage op te leggen

  • een informatieverplichting op te leggen en te organiseren in hoofde van de verpakkingsverantwoordelijke.


Milieuvergunningdecreet en VLAREM I en II

Hinderlijke inrichtingen worden in Vlarem I ingedeeld in drie klassen naargelang de aard en de belangrijkheid van de milieueffecten die eraan verbonden zijn.

Elke activiteit die een klasse 1 of 2 inrichting is, kan slechts legaal worden geëxploiteerd wanneer voorafgaand de noodzakelijke vergunning is bekomen van de bevoegde overheid.

De vergunning voor 1ste-klasse-inrichtingen wordt verleend door de bestendige deputatie, de vergunning voor een inrichting van 2de klasse door het schepencollege.

Een klasse 3-inrichting moet gemeld worden aan het schepencollege van de gemeente waar de exploitatie gepland is.
Bij de exploitatie van de inrichtingen moeten bepaalde milieuvoorwaarden in acht genomen worden. Deze milieuvoorwaarden worden bepaald in Vlarem II.
In Vlarem I worden de verschillende inrichtingen voor de opslag of verwijdering van afvalstoffen vermeld die vergunnings- of meldingsplichtig zijn.

Tevens wordt aangegeven welke handelingen met afvalstoffen noch vergunnings- of meldingsplichtig zijn.


In Vlarem II worden sectorale voorwaarden bepaald voor de inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen. De voorschriften m.b.t. de aanvaarding en de registratie van afvalstoffen, het werkplan, de inrichting en infrastructuur, de uitbating en de brandvoorkoming en brandbestrijding, zijn van toepassing op alle ingedeelde inrichtingen. Daarnaast worden er ook voorwaarden voorzien voor welbepaalde categorieën van inrichtingen.
Voor elke hinderlijke inrichting geldt dat de verbranding in open lucht van afvalstoffen verboden is, tenzij het gaat om plantaardige afvalstoffen afkomstig uit het onderhoud van tuinen, de ontbossing of ontginning van terreinen en de eigen bedrijfslandbouwkundige werkzaamheden.
Gemeentelijke verordeningsbevoegdheden

Het Afvalstoffendecreet en haar uitvoeringsbesluiten houden reeds een volledige en gedetailleerde reglementering in welke nog maar weinig ruimte voor een eigen wetgevende bevoegdheid overlaat aan de gemeenten.


Dit neemt niet weg dat door dit decreet belangrijke taken aan de gemeenten werden gegeven.

Inzonderheid heeft de gemeente de taak er, al dan niet in samenwerking met andere gemeenten, voor te zorgen dat de huishoudelijke afvalstoffen maximaal worden voorkomen of hergebruikt, op regelmatige tijdstippen worden opgehaald of op een andere wijze worden ingezameld, en worden verwerkt. De gemeente vaardigt hiertoe de nodige reglementen uit.


Afvalhinder

Afvalstoffendecreet

Het decreet van 2.7.1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen schept een algemeen kader voor het afvalstoffenbeleid in Vlaanderen.

In dit decreet wordt sluikstorten strafbaar gesteld: “het is verboden afvalstoffen achter te laten of te verwijderen in strijd met de voorschriften van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan.”
Bijkomende gemeentelijke verordeningsbevoegdheid

Het Afvalstoffendecreet houdt reeds een volledige en gedetailleerde reglementering in welke nog maar weinig ruimte voor een eigen wetgevende bevoegdheid overlaat aan de gemeenten.


Dit neemt niet weg dat door dit decreet belangrijke taken aan de gemeenten werden gegeven.

Inzonderheid heeft de gemeente de taak de verwijdering van huishoudelijke afvalstoffen te regelen.



4.2. Water

4.2.1. Oppervlaktewater

Wet van 26.3.1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging

en haar uitvoeringsbesluiten

De wet van 26.3.1971 regelt de bescherming van de oppervlaktewateren die tot het openbaar hydrografisch net behoren. Het deponeren van stoffen of vloeistoffen in een privé-beek, die uitmondt in openbaar oppervlaktewater, valt ook onder deze wet.


In uitvoering van deze wet zijn in Vlarem II de milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater opgenomen (zier verder).
Sinds 1.9.1991 is de lozingsvergunning, zoals voorzien in deze wet, geïncorporeerd in de milieuvergunning en wordt ze verder aangevuld door Vlarem II via kwaliteitsdoelstellingen.
De wet bevat eveneens bepalingen i.v.m. rioleringen.

Het Vlaamse Gewest kan tot op een bepaalde hoogte bijdragen in de kosten verbonden aan de aanleg en de verbetering van niet-prioritaire rioleringen. De procedure is bepaald in het B. Vl. R. van 1.2.2002. Het Vlaamse Gewest komt onder bepaalde voorwaarden ook tussen in de kosten voor de aanleg door gemeenten van kleinschalige rioolzuiveringsinstallaties.


Milieuvergunningdecreet en VLAREM I en VLAREM II

Het Milieuvergunningsdecreet en Vlarem I en II spelen in dit verband een belangrijke rol.


Sinds 1.9.1991 is het aspect watervervuiling (Wet van 26.3.1971) immers geïncorporeerd in de milieuvergunning en geldt voor nieuwe vergunningsaanvragen het stelsel van de milieuvergunning in plaats van de lozingsvergunning.
In uitvoering van de Wet van 26.3.1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren worden in Vlarem II milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater vastgesteld.

Zo moeten alle oppervlaktewateren voldoen aan de basiskwaliteitsnormen zoals ze werden bepaald in Vlarem II. Bovendien gelden er bijzondere milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewateren bestemd voor drinkwater, oppervlaktewateren met de bestemming zwemwater, oppervlaktewateren met de bestemming viswater en oppervlaktewateren bestemd voor schelpdieren. Hiertoe zijn in het B. Vl. Reg. van 8.12.1998 de oppervlaktewateren aangeduid die bestemd zijn voor de productie van drinkwater, zwemwater, vis- en schelpdierwater.


De waterlopen op het grondgebied van de gemeente moeten voldoen aan de basiskwaliteitsnormen, zoals ze werden bepaald in Vlarem II.
Voor ingedeelde inrichtingen gelden de algemene milieuvoorwaarden voor de beheersing van oppervlaktewater en de sectorale voorwaarden voor het lozen van afvalwater, zoals opgenomen in Vlarem II.

De vergunningverlenende overheid kan, mits motivering, bijzondere vergunningsvoorwaarden opleggen met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu en inzonderheid met het oog op de handhaving of het bereiken van de milieukwaliteitsnormen. Zo kan het schepencollege bij het verlenen van een vergunning klasse 2 bijzondere voorwaarden opleggen.


Ook de milieuvoorwaarden voor de niet-ingedeelde inrichtingen voor het lozen van niet verontreinigd hemelwater en van huishoudelijk afvalwater in de openbare riolering en de werking en het onderhoud van individuele voorbehandelingsinstallaties zijn bepaald in Vlarem II.
Verder worden er in Vlarem II de diverse zuiveringszones (zones A, B en C) gedefinieerd die van essentieel belang zijn voor het gemeentelijk rioleringsbeleid.

Momenteel wordt er gewerkt aan een nieuw wettelijk kader (aanpassing van Vlarem II) dat zal resulteren in nieuwe zoneringsplannen.


Bijkomende gemeentelijke verordeningsbevoegdheden

De Wet van 26.3.1971 tot bescherming van de openbare oppervlaktewateren, het

Milieuvergunningdecreet en Vlarem I en II houden een volledige reglementering in, die bijkomende gemeentelijke verordeningen uitsluit. De gemeente is slechts bevoegd om regels uit te vaardigen m.b.t. de verontreiniging van niet openbare oppervlaktewateren, die niet vallen onder de Wet van 26.3.1971.
Mogelijkheden zijn er wel m.b.t. de stedenbouwkundige vergunning. Oorzaken van oppervlaktewater van slechte kwaliteit zijn het gebrek aan riolering, het niet aangesloten zijn op de riolering, het overstorten van riolering en collectoren. Hier heeft de gemeente mogelijkheden in het kader van de stedenbouwkundige vergunningen.
De gemeenten kunnen via subsidiereglementen hemelwateropvang en/of infiltratievoorzieningen aanmoedigen.
Het Decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending werd aangepast door het decreet van 24 december 2004 tot begeleiding van de begroting: ook intergemeentelijk samenwerkingsverbanden zijn met ingang van 1 januari 2005 actief geworden op het domein van het beheer en de aanleg van rioleringen.

Om de door de intergemeentelijke actoren ingediende subsidiedossiers niet te blokkeren, waardoor de verdere uitbouw van het rioleringsnet in het gedrang zou komen, werd het besluit van 1 februari 2002 met betrekking tot de subsidiëring van de aanleg door de gemeenten van openbare rioleringen, andere dan prioritaire rioleringen, en van de bouw door de gemeenten

Van kleinschalige rioolwaterzuiveringsinstallaties gewijzigd door het Besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 2005.



  1   2   3   4   5   6   7   8


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina