Bijlagen Regionaal Groenprogramma 2010-2020 ontwerp 22 januari 2010



Dovnload 154.84 Kb.
Datum23.07.2016
Grootte154.84 Kb.











ontwerp 22 januari 2010

In Holland Rijnland werken samen:

Hillegom, Kaag en Braassem, Katwijk

Leiden, Leiderdorp, Lisse,

Noordwijk, Noordwijkerhout,

Oegstgeest, Teylingen,

Voorschoten en Zoeterwoude








Inhoudsopgave Bijlagen Regionaal Groenprogramma



Bijlage 1: Toelichting Landschappen Holland Rijnland 1

Bijlage 2: Vigerend beleid en beleid in ontwikkeling 4

Bijlage 3: Informatie over financieringsmogelijkheden en subsidies 7

Bijlage 4: Instrumentenpalet 10

Bijlage 5: Projectblad 12

Bijlage 6: Procedure voor uitvoeringsovereenkomsten 14





Bijlage 1: Toelichting Landschappen Holland Rijnland


De groene ruimte in Holland Rijnland heeft verschillende functies: landbouw, natuur, water, recreatie en toerisme, landschap en cultuur(historie). Er worden vijf verschillende landschappen in de regio onderscheiden, allen met hun eigen ontstaansgeschiedenis, karakteristieken en gebruik (zie kaart 1):


  1. De Kustzone;

  2. De Bollenstreek met een landgoederenzone;

  3. De Veenweide en Plassen en Droogmakerijen;

  4. Aaneengesloten stedelijke agglomeratie; en

  5. Duin Horst Weide (waaronder een deel van het Land van Wijk en Wouden).


Kustzone

De kustzone van Holland Rijnland strekt zich uit over de gehele lengte van de regio. De duinen vormen een natuurlijk landschap. De duinen maken deel uit van de EHS, zijn deels aangewezen als TOP-gebied verdrogingsbestrijding en Natura 2000-gebied en maken onderdeel uit van een Zwakke Schakel in de kustverdediging. In dit gebied staan bescherming, behoud en versterken van de natuurlijke kwaliteit voorop. Belangrijkste dragers van het landschap zijn verdediging van de Nederlandse kust en waterwinning. Recreatiedruk in het duinengebied is hoog maar beperkt zich tot aangelegde paden. Op grenzende stranden is sprake van intensieve recreatie. De verdediging van de kust, de waterwinning en de natuur bepalen de inrichting van dit landschap.

Bodem: Zand;

Ontstaan: Ongeveer 1000 jaar geleden is de huidige kustlijn ontstaan;

Ruimtelijke typering: Heuvelachtig met veel ruimtelijke variatie, zandduinen bedekt met helmgras en duindoorn, vochtige tot natte duinvalleien, strand, zee;

Functie: Natuur (EHS, Natura 2000 en TOP), waterzuivering, kustverdediging, dagrecreatie, cultuurhistorie (Atlantikwall);

Recreatie: Strand: massarecreatie strandgangers, zeilen en surfen;

Duinen: fietsen, wandelen, paardrijden, skeeleren, mountainbiken, verblijfsrecreatie;

Natuurlijke structuur: Zandgebied met typische duinsoorten: zandhagedis, nachtegaal, vos, ree.

Bollenstreek met landgoederenzone

De bollenstreek is een cultuurlandschap. De bollen- en bloementeelt en de gerelateerde bedrijvigheid zijn de dragers van dit gebied. In dit gebied staan agrarische herstructurering en schaalvergroting en verbetering landschappelijke kwaliteit door tegengaan van verrommeling (zoals vanuit het Offensief van Teylingen wordt betracht) voorop. Het rijk heeft dit gebied aangewezen als Greenport. De provincie heeft de duin- en bollenstreek aangewezen als provinciaal landschap. Daarnaast wordt een belangrijk element in dit landschap ingenomen door landgoederen zoals Kasteel Keukenhof, ’t Huys Dever, en Landgoed Nieuw Leeuwenhorst. Toerisme en dagrecreatie zijn goed ontwikkeld, maar kunnen een nog sterkere positie innemen. De noordelijkse punt is begrensd als RODS en vormt een overloop van de RODS in de aangrenzende Haarlemmermeer.

Bodem: Zand gemengd met klei en veen;

Ontstaan: Eind 19 eeuw is de binnenduinrandzone voor een groot deel afgegraven en geschikt gemaakt voor de bollenteelt;

Ruimtelijke typering: De oude wegen liggen iets verhoogd in het landschap en hier en daar zijn nog de kenmerkende hagen te zien. ’s Winters is het land voor een groot deel kaal en bedekt met een laag stro, vanaf eind maart tot begin september wisselen de bol- en bloemgewassen elkaar af;

Functie: Bollen- en bloemteelt, bollentoerisme, verblijfsrecreatie (met name in de binnenduinrand);

Recreatie: Wandelen, fietsen, dag- en verblijfsrecreatie, het toeristische gezicht van Nederland (Space expo, Keukenhof), varen;

Natuurlijke structuur: Bollengebied met akkerbouwsoorten: gele kwikstaart, veldleeuwerik en patrijs.


Veenweide en Plassen en Droogmakerijen

De Veenweide en Plassen en de Droogmakerijen strekken zich uit van Warmond in het westen tot Roelofarendsveen in het oosten en Zoeterwoude in het zuiden en maken onderdeel uit van het Groene Hart.

Het veenweidegebied is een cultuurlandschap gekarakteriseerd door een dicht sloten patroon en een beperkte ontwatering. Belangrijkste drager van dit landschap is de melkveehouderij. Voor de winning van turf werd veen uit de veenpolders weggegraven. Wat overbleef waren de polders met veenplassen, met de overgebleven bebouwing langs de randen, de bovenlanden. De plassen werden later weer leeggepompt en ingepolderd. Zo ontstonden tussen 1600 en 1840 diverse droogmakerijen. Rond een droogmakerij ligt een dijk en een ringvaart. De droogmakerij ligt veel lager dan de veenpolders. Kenmerkend voor de droogmakerij is de rechthoekige en rationele verkaveling, en het rechthoekige wegen- en slotenpatroon. Afhankelijk van de bodem is het gebied in gebruik voor veeteelt en in mindere mate voor akkerbouw. Karakteristiek voor de droogmakerijen zijn het zeer open landschap, de rationele aanleg en de aanwezigheid van bovenlanden. Het gebied vormt samen met de kust en het plassengebied de contramal van het stedelijk gebied. Het plassengebied is een natuurlandschap. Waterberging en –buffering, en recreatie zijn hier belangrijk. De recreatiedruk op dit gebied is zeer hoog en voornamelijk aan het water gerelateerd. Een deel van het plassengebied is EHS, het hele gebied is belangrijk voor de (veen)weidevogels. Het landschap is deels benoemd als nationaal landschap (onderdeel van het Groene Hart) waarmee het (inter)nationaal belang als uniek cultuurlandschap wordt onderstreept. Revitalisatie van de landbouw, stimuleren van diversificatie van agrarisch inkomen en initiatieven voor plattelandsontwikkeling staan hier voorop. Daarnaast is de toegankelijkheid voor de stedelijke recreant, vooral in het gebied direct grenzend aan het stedelijk gebied, belangrijk. Uitgangspunt daarbij is extensieve recreatie en het behoud van de karakteristieke verkavelingstructuren, boerenhoeves en het openhouden van de zichtlijnen. Eventuele nieuwe kwantitatieve wateropgaven zouden bij voorkeur in het plassengebied gesitueerd moeten worden, om daarmee het plassengebied en de recreatie te versterken. Daarnaast kan natuurlijker beheer van dit gebied (vooral oever) de ecologische kwaliteiten verder versterken en daarmee de belevingswaarde voor de recreant doen verhogen.
Bodem: Veen, zeeklei/rivierklei en plassen (klei en veen);

Ontstaan: Veen ontginningen en afgravingen in de middeleeuwen. Vroegmiddeleeuwse blokverkaveling (Boterhuis), laatmiddeleeuwse strokenverkaveling. Kleine woonkernen met historische lintbebouwing en molens langs hoofdwatergangen. Rivier en getijdenkreken, veenwateringen, plassen als natuurlijke noodoverloop (Kaag, Braassem) en door de zandwinning (’t Joppe, Valkenburgse meer, Klinkenberger plas, Oosterduinse meer). Droogmakerijen tussen 1600 en 1900, verkavelingspatroon van voor de landbouwmechanisatie, molenslag;

Ruimtelijke typering: Open gebied met kleinschalige bebouwing, water, molens;

Functie: Melkveehouderij, beperkt akkerbouw in droogmakerijen, natuur, water, verbreding agrarisch inkomen (dagrecreatie, streekproducten, zorg, groenblauwe diensten), (water)recreatie, waterberging en –buffering, zandwinning;

Recreatie: Wandelen, fietsen, varen, zeilen, zwemmen, vissen, duiken, skeeleren, rust;

Natuurlijke structuur: Grasland met weidevogels (grutto, tureluur), veengebied met veel sloten, plassen en moerasstroken. Groot open water met (natuurlijke) oevers (snoek, fuut, aalscholver).


Aaneengesloten stedelijke agglomeratie

De aaneengesloten stedelijk agglomeratie ligt aan de zuidkant van Holland Rijnland en bestaat uit de gemeenten Leiderdorp. Leiden, Voorschoten, Oegstgeest en Katwijk. De rivier de Oude Rijn verbindt deze gemeenten met elkaar. Het is een stedelijk landschap, waarbij wonen, werken en verblijven de belangrijkste functies zijn. Versterking en ontwikkeling van het vestigingsklimaat zijn hier belangrijk. Het is van wezenlijk belang het stedelijk landschap als zodanig te benoemen om daarmee de relatie met de omliggende landschappen te bevestigen. Om dit landschap vitaal te houden is het van belang dat de relatie met en de toegang tot de omliggende gebieden in stand blijft en versterkt. De positie van groen en blauw komt daarmee vooral tot uitdrukking in de vorm van groene en blauwe verbindingen en bereikbaarheid van de omliggende gebieden, zowel voor zogenaamde rondjes om de stad, als voor toegang tot het achterland.

Bodem: Delta rivierklei en zeeklei; oude strandwallen (zand);

Ontstaan: Woongebieden en handelscentra ontstonden op relatief droog gebied en langs waterwegen, dus op rivieroevers (Oude Rijn) of op de zandgronden (geestgronden) van de strandwallen;

Ruimtelijke typering: Bebouwd gebied: hoogbouw, laagbouw, tuinstad, historische dorps- en stadskernen en monumenten

Functie: Wonen, werken, zorgen, stadrecreatie, cultuurhistorie

Recreatie: Toerisme en dagrecreatie, cultuurzoekers, terrasjes, funshoppen, varen, wandelen, fietsen.

Natuurlijke structuur: Versteend gebied, dus typisch stadse soorten: gierzwaluw, vleermuizen, ingesloten landgoederen, stadsparken, stadsbomen.


Duin Horst Weide (waaronder een deel van het Land van Wijk en Wouden)

Het gebied Duin Horst Weide wordt gevormd door het buitengebied tussen Den Haag, Leiden en Zoetermeer en ligt in Regio Holland Rijnland en Stadsgewest Haaglanden. Binnen het pact van Duivenvoorde werken de gemeenten Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar samen om hun gezamenlijk buitengebied te ontwikkelen. Momenteel is er een ontwikkeling gaande om het hele groene gebied tussen Leiden, Den Haag en Zoetermeer te ontwikkelen. Het plangebied ligt derhalve in twee regio’s: Holland Rijnland en Haaglanden. Het gebied Duin Horst Weide vormt een groene enclave temidden van een snel verstedelijkende omgeving. Het rijk onderkent het belang van dit gebied door het aan te duiden als rijksbufferzone. De provincie onderstreept de betekenis van dit gebied als verbindende ecologische schakel tussen duin en toekomstig Bentwoud en vandaar via de polder richting de Veluwe. De provincie zet daarom zwaar in op de ontwikkeling van een ecologische verbinding haaks op de kust. In het gebied is sprake van een unieke gradiëntsituatie: haaks op de kust is sprake van een zeldzaam gave landschappelijke en ecologische opeenvolging van landschapstypen. Een groot deel van het gebied is Beschermd gezicht.

Bodem: Strandwallen en strandvlaktes: zand, veenweide en droogmakerijen (zie daar);

Ontstaan: Woongebieden en landgoederen zijn ontstaan op de strandwallen en langs het water;

Ruimtelijke typering: Zee, vooroever, strand, jonge duinen, duinzoon, strandwallen en strandvlakten-polder, veenweide;

Functie: Recreatie, natuur, wonen, landbouw, landgoederen;

Recreatie: Beperkte verblijfsrecreatie, dagrecreatie (Meijendel), wandelen en fietsen, waterrecreatie (Valkenburgse meer en Vlietlanden), paardrijden, bezoek landgoederen (o.a. kasteel Duivenvoorde en de Horsten).

Natuurlijke structuur: door zeldzaam gave landschappelijke en ecologische opvolging van landschapstypen is het gebied zowel van betekenis voor soorten die aan het bos verbonden zijn als soorten die aan het open landschap zijn verbonden (oranjetipje, rosse woelmuis, hermelijn, rugstreeppad, boomklever, weidevogels als de tureluur, patrijs, grutto en kluut, vleermuizen).



Bijlage 2: Vigerend beleid en beleid in ontwikkeling



1. Europees beleid

  • EG Vogelrichtlijn, 1979

  • EG Habitatrichtlijn, 1990

  • Kaderrichtlijn water, 2006

  • Natura 2000, 2008


2. Rijksbeleid

  • Nota ruimte, 2004

  • Nota vitaal platteland, 2004

  • Natuurbeschermingswet, 1998

  • Flora- en faunawet, 2002

  • Nationaal bestuursakkoord water, 2003

  • Agenda Vitaal Platteland, meerjarenprogramma 2007-2013 (MJP), 2005

  • Nationaal landschap Het Groene Hart

  • Bufferzonebeleid

  • Randstad 2040, 2008


3. Provinciaal beleid

  • EVZ in Zuid-Holland, 1998

  • Provinciaal Milieubeleidsplan

  • Provinciaal Waterplan

  • Streekplan Zuid-Holland West, 1997

  • Nota regels voor ruimte

  • Agenda recreatie en toerisme

  • Handelingskader Grond provincie Zuid-Holland, periode 2007-2013, 2007

  • Cultureel Erfgoed (cultuurhistorische waardenkaart), 2005

  • Nota natuurbeleid

  • Nota uitvoering verdrogingsbeleid Zuid-Holland, 2008

  • Doen wat werkt, Contourennota Levend Landschap, 2007

  • Natuurgebiedsplan Bollenstreek – Ade – Rijnstreek Noord, uitvoering subsidie natuurbeheer, 2003

  • Natuurgebiedsplan Duivenvoorde – Leidschendam, uitvoering subsidie natuurbeheer, 2001

  • herijking EHS, 2009/2010

  • Provinciaal Meerjaren Programma Landelijk Gebied (pMJP), 2007-2013, Samen investeren in een leefbaar, aantrekkelijk en duurzaam platteland, 2007

  • Nota economische perspectieven

  • RODS

  • Zuidvleugel Zichtbaar Groener, 2005

  • Subsidiestelsel voor natuur en landschapsbeheer (SNL), 2010

  • Natuurbeheerplan Zuid-Holland, 2009



4. Holland Rijnland

  • RSV, Holland Rijnland, 2008

  • Regionale structuurvisie, streefbeeld Groen & Blauw, 2006

  • Landschapsbeleidsplan Leidse Regio en Warmond, 2002

  • Landschapsbeleidsplan Duin- en Bollenstreek, 1997


5. Milieudienst West-Holland

  • Regionaal Beleidskader Duurzame Stedenbouw, 2005/herziene versie 2009

  • Gezamenlijke visie biodiversiteit in en om Leiden, voor en door burgers, 2009


6. Gemeentelijke plannen
Hillegom

- Structuurvisie Hillegom, 2008

- Stedelijk waterplan Hillegom, 2008

- Groenbeleidsplan, Hillegom, 2008

- Toeristische visie Hillegom, Hillegom meer dan bollen, 2008

- Ruimtelijk perspectief 2030 van Hillegom-Lisse-Noordwijkerhout, 2008



- Concept Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport, 2009
Kaag en Braassem

  • Landschapsontwikkelingsplan Rijnstreek, 2009


Katwijk

  • BSV (Brede Structuur Visie)

  • Groenbeleidsplan 2009-2019

  • Integraal Structuur Plan Nieuw Valkenburg (ISP), Stuurgroep Locatie Valkenburg, 2008


Leiden

  • Structuurvisie Leiden 2030, gemeente Leiden, 2009

  • Oostflank, As Leiden Katwijk, BVR, 2008

  • Bestemmingsplan Oostvlietpolder, gemeente Leiden, 2008

  • GroenActiePlan (GAP), gemeente Leiden, 2008

  • Leven in de stad. Betekenis en toepassing van natuur in de stedelijke omgeving, KNNV uitgeverij, J. Van Zoest en M. Melchers, Utrecht, 2006

  • Gedragscode Ruimtelijke Ontwikkelingen in Leiden, gemeente Leiden, 2005

  • Ecologisch Beleidsplan Leiden (EBL), gemeente Leiden, 1998

  • Bomenverordening, gemeente Leiden, 1996


Leiderdorp

  • Groenstructuurplan Leiderdorp, 2000

  • Gemeentelijke Ecologische Hoofdstructuur, 2008

  • Gebiedsvisie (2008) en inrichtingsplan (2009) Boterhuispolder

  • Gebiedsvisie (2008) en inrichtingsplan (2009) Polder Achthoven

  • Toekomstvisie 2015, september 2001

  • Inrichtingsplan Munnikenpolder, september 2002


Lisse

  • Groenatlas Lisse 2008-2017, 2007


Noordwijk

  • Natuurbeleidsplan Natuurlijk Noordwijk, februari 2006

  • Ruimtelijke Structuurvisie Noordwijk 2030, planning vaststelling juni 2009

  • Noordwijk Zeewaardig - Integrale Ruimtelijke Visie voor de kern van Noordwijk aan Zee, planning vaststelling derde kwartaal 2009

  • Nieuw Oost - Integrale Ruimtelijke Visie voor het oostelijk deel van Noordwijk, planning vaststelling derde kwartaal 2009

  • Groenbeleidsplan, planning vaststelling tweede kwartaal 2009

  • Structuurvisie Middengebied Noordwijk, juni 2005


Noordwijkerhout

  • Groenstructuurvisie Noordwijkerhout, oktober 2006

  • Ruimtelijk Perspectief 2030 van Hillegom-Lisse-Noordwijkerhout, februari 2008

  • Concept Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport, februari 2009


Noordwijkerhout

  • Gemeentelijke groenvisie


Oegstgeest

  • Groenbeleidsplan, 2002


Teylingen

  • Toekomstvisie Teylingen, 2008

  • Ontwikkelingsperspectief recreatie en toerisme Teylingen (2007) en uitvoeringsprogramma (2008)


Voorschoten

  • concept groenstructuurplan Voorschoten, planning vaststelling zomer, 2009

  • Bestemmingsplan buitengebied, 2007

  • Structuurvisie Voorschoten, 2005

  • Structuurvisie Duivenvoorde corridor, 2005

  • Visiedocument Duin, Horst, Weide, 2005


Zoeterwoude

  • Structuurvisie Buitengebied, 2009

  • Bestemmingsplan Landelijk gebied, ter inzage 2009

  • Beeldkwaliteitplan Zoeterwoude, 2001

  • Groenbeheerplan Zoeterwoude, 1997


Bijlage 3: Informatie over financieringsmogelijkheden en subsidies

Binnen Holland Rijnland liggen verschillende rijks- en provinciale opgaven op het gebied van natuur en landschap. Informatie over de kwantitatieve en kwalitatieve opgave (km/ha/randvoorwaarden) en de daaraan gekoppelde financiële middelen en subsidies zijn te herleiden uit het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW, 2003), de Bestuursovereenkomst ILG (2006) tussen LNV en de provincie Zuid-Holland, de Overeenkomst Zuidvleugel Zichtbaar Groener (2005), het Provinciaal Meerjarenprogramma Landelijk Gebied (2006), de Subsidieregeling Landelijk Gebied (2009), het Natuurbeheerplan Zuid-Holland (2009), de Nota Randstad 2040 (2008) en diverse andere beleidsstukken.



1. Rijk





  • Ecologische Hoofdstructuur (EHS)

Het Rijk heeft op Europees niveau afspraken gemaakt over het handhaven, uitbreiden en robuust verbinden van natuurgebieden. De provincie heeft de gebieden met nieuwe natuur en particulier natuurbeheer begrensd. Financiering loopt via ILG: deelprogramma natuur en het subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer (vanaf 2010).

  • TOP-verdrogingsbestrijding

Voor de verbetering van de milieukwaliteit in delen van EHS en Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Financiering loopt via ILG: deelprogramma natuur.

  • Rijksbufferzone

Duin Horst Weide beslaat de Rijksbufferzone Den Haag-Leiden-Zoetermeer. Het beleid is gericht op openhouden en tegengaan stedelijke functies, geen financiering.

  • Nationaal Landschap

Het Groene Hart is een van de Nationale Landschappen. Uitvoeringsprogramma Groene Hart via ILG: deelprogramma Vitaal Platteland.

  • Water

Kaderrichtlijn Water en Nationaal Bestuursakkoord Water zijn leidend voor de wateropgave van het Hoogheemraadschap (kwaliteit en kwantiteit). De wateropgave binnen Holland Rijnland is kleinschalig. Het gaat om (enkele) polders waar te weinig oppervlakte water is, in de orde van grootte van 1-2 ha.

  • Randstad 2040

Duin Horst Weide wordt genoemd als groenblauwe topkwaliteit nabij de stad. Doel is intensiveren van recreatief gebruik. Hiervoor is vooralsnog geen financiering, behalve bestaande afspraken in de Overeenkomst Zuidvleugel Zichtbaar Groener, ILG: deelprogramma recreatie.

  • Belvedère

Behoud door ontwikkeling van cultuurhistorische elementen en landschappen. Subsidieregeling loopt af in 2009, vervolg niet bekend.

  • Fonds Economische Structuurversterking (FES)

In Nederland gaat ruim 40% van de aardgasbaten naar het FES. Dit fonds financiert investeringsprojecten om de economische structuur (o.a. Greenports) te versterken. Naast de al bestaande gebieden infrastructuur en kennis en innovatie (o.a. Bioscience), kan het geld ook gebruikt worden voor projecten in duurzame energie, waterbeheer en ruimtelijke investeringen. De vakministeries beschikken over de medefinanciering met FES-gelden.

2. Provincie

Met de invoering van de Wet Inrichting Landelijk Gebied (WILG) en het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) in 2007 hebben de provincies een grotere taak en verantwoordelijkheid gekregen voor de inrichting van het landelijke gebied. Hiervoor heeft de provincie Zuid-Holland het provinciaal Meerjarenprogramma Landelijk Gebied 2007-2013 (pMJP) opgesteld. Hierin zijn de rijks en provinciale opgaven in Zuid-Holland opgedeeld in vijf deelprogramma’s. De provincie heeft ook de verantwoordelijkheid voor de besteding van het rijksgeld en het halen van de rijksdoelen binnen dit ILG. Voor de uitvoering van het pMJP heeft de provincie de beschikking over de uitvoeringscapaciteit van Dienst Landelijk Gebied, voert zelf projecten uit of verleend subsidie aan projecten, die bijdragen aan de deelprogramma’s. Hiervoor is de Subsidieregeling Landelijk Gebied opgesteld en geratificeerd door LNV. De subsidies uit het Europese PlattelandsOntwikkelings-Programma (POP2) zijn hierin ook verwerkt.




  • Deelprogramma Recreatie

  • Recreatie om de Stad: inrichting recreatiegebieden uit ZZG overeenkomst

  • (Landelijke) Routenetwerken: oplossen knelpunten voor fietsen, wandelen en recreatievaren

  • Ontsluiting landelijk gebied: wandelen over boerenland. Dit is in feite een beheersubsidie, die via LAW aangevraagd moet worden. Eventuele inrichtingsmaatregelen voor boerenlandpaden moeten van deze beheersubsidie bekostigd worden of moeten gemeenten/waterschappen of sponsors financieren.

  • Deelprogramma Natuur

  • Begrensde nieuwe natuur, vastgesteld in de natuurgebiedsplannen Bollenstreek-Ade-Rijnstreek Noord (2003) en Duivenvoorde-Leidschendam (2001), beleidsarm overgenomen in het Natuurbeheerplan Zuid-Holland (NBP 2009). Omvormingbeheer, in NBP 2009 valt dit onder kwaliteitsimpuls van bestaande natuur. Verwerven en inrichten, in NBP 2009 heet dit “om te vormen tot natuur”.

  • Verdroogd natuurgebied zoals vermeld in de door het Rijk goedgekeurde TOP-lijst. Te herstellen verdrogingsgevoelige natuur binnen en nabij Holland Rijnland betreft de Kennemerduinen, Meijendel en Duivenvoordse en Veenzijdse Polder. Maatregelen in en rondom deze gebieden, die voor vernatting binnen de gebieden zorgen (dus ook peilverhoging of open water maken in de duinrand) vallen hieronder.

  • Ecologische VerbindingsZones (EVZ): dit betreft ecologische verbindingen van 30-50 m breed, zoals de provincie deze heeft vastgesteld in 1998. De uitvoering hiervan heeft de provincie uitgesteld tot na 2013. Het beheertype natuurvriendelijke oever is in het NBP 2009 niet opengesteld in Zuid-Holland.

  • Programma Beheer: subsidieregelingen Agrarisch en particulier Natuurbeheer (SAN en SN) zijn vanaf 2010 vervangen door het subsidiestelsel voor Natuur- en Landschapsbeheer (SNL) voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer en door Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap. Particulier beheer zal vanaf 2011 onder SNL vallen. Het soort natuurbeheer en landschapsbeheer is landelijk vastgesteld in beheertypen. In het Natuurbeheerplan 2009 heeft de provincie hieraan een aantal eigen (typische Zuidhollandse) beheertypen toegevoegd en geeft per deelgebied aan welke beheertypen subsidiabel zijn. Er is geen robuuste ecologische verbinding binnen Holland Rijnland. De bestaande natuurgebieden zijn de duinen, in en rond de plassen en de landgoederenzone.

  • Deelprogramma Vitaal Platteland en POP2

Hieronder vallen alle POP-maatregelen, die de provincie Zuid-Holland heeft opengesteld. Onder POP verdubbelt de EU elke geïnvesteerde Nederlandse euro. Particulieren, stichtingen en verenigingen, die activiteiten ontwikkelen en subsidie aanvragen onder POP-maatregelen, moeten altijd ook zelf investeren (tot 65%), tenzij zij een overheidstaak uitvoeren. In de prioritaire gebieden betaalt de provincie mee. In Holland Rijnland betreft dit Wijk en Wouden/Westelijk Plassengebied. In de overige gebieden moet de Nederlandse euro van gemeente en regio of hoogheemraadschap of rijk komen. De provincie geeft de beschikkingen POP af, daarin ondersteunt Dienst Landelijk Gebied. Het Betaalorgaan handelt de financiën af. De provincie heeft de volgende maatregelen opengesteld:

    • Structuurversterking grondgebonden landbouw (maatregel 125)

    • Diversificatie naar niet-agrarische activiteiten (maatregel 311)

    • Steun voor de oprichting en ontwikkeling van micro-ondernemingen (maatregel 312)

    • Bevordering van toeristische activiteiten (maatregel 313)

    • Basisvoorzieningen voor de economie en plattelandsbevolking (maatregel 322)

    • Dorpsvernieuwing en ontwikkeling (maatregel 322)

    • Instandhouding en opwaardering van het landelijk erfgoed (maatregel 323)

    • LEADER-aanpak (maatregelen 411/412/413/421/431))

        • Plaatselijke groep Leidse Ommelanden

        • Lokaal initiatief en stimuleren samenwerking

  • Deelprogramma Water

Koppelen wateropgave met recreatie- en natuuropgave. Wateropgave zelf is van HH van Rijnland.

3. Hoogheemraadschap





  • Wateropgave in Holland Rijnland

Kwantitatief: kleinschalig op polderniveau. Deze opgave is met het lokaal verbreden van sloten en vaarten op te vangen. Hieraan kan aangesloten worden met een natuurdoelstelling (ecologische oevers). Kwalitatief: o.a. afkoppelen rioleringen en puntlozingen.

  • Subsidie aanleg voor natuurvriendelijke oevers

Natuurvriendelijke oevers zijn oevers waarbij naast de waterkerende functie nadrukkelijk rekening gehouden wordt met natuur en landschap. Wanneer een terreinbeheerder of grondeigenaar voldoet aan de eisen gesteld in de algemene regel 5 Natuurvriendelijke oever kan hij bij Hoogheemraadschap van Rijnland subsidie aanvragen voor de aanleg van een natuurvriendelijke oever.

  1. Europese Unie

Naast POP2 en LEADER, die door de nationale Betaalorgaan constructie, vrij toegankelijk gemaakt zijn voor de aanvrager, bestaan er nog een aantal Europese fondsen voor financiering van groene en natuurprojecten (o.a. Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), Interreg, Life+).

De aanvraagprocedures zijn altijd omslachtig en langdurig. Dit maakt dat het alleen rendabel is om hieraan mee te doen als het om grote projecten en grote sommen geld gaat. Ook stellen fondsen vaak eisen aan de samenwerkingspartners.

Bijlage 4: Instrumentenpalet



Beschikbare instrumenten

Hieronder is een overzicht van de beschikbare instrumenten opgenomen, die ingezet kunnen worden om de inrichting van het landelijk gebied te faciliteren.


instrumenten Korte typering

Ruimtelijke ordening

  • Herziening bestemmingsplan

Maatregelen worden in bestemmingsplan overgenomen. Aanleg o.b.v. bestemmingsplan

  • Nieuwe WRO




Grondverwerving

  • Boerderijverplaatsingsregeling.

Via het provinciale instrument boerderijverplaatsing worden agrariërs in de gelegenheid gesteld elders hun bedrijf voort te zetten. Dit kan de verwerving bespoedigen, omdat het voor de agrariër financieel aantrekkelijker gemaakt wordt zijn huidige bedrijf te verkopen. Gemeenten kunnen de provincie verzoeken dit in te zetten.

  • Vrijwillige kavelruil: via kavelruilen zijn reeds verworven gronden naar de juiste locatie te ruilen.

Bij dit ruilproces kan tegelijk agrarische structuurversterking plaatsvinden. Kavelruilen kunnen worden ondersteund door instrumenten als een (provinciale) regeling kavelruil (o.a. vergoeding voor notaris- en kadasterkosten en kavelaanvaardingswerken), een (provinciale) boerderijverplaatsingsregeling en een ruilgrondbank.

  • Volledige schadeloosstelling/onteigening:

Via het gemeentelijk bestemmingsplan kan een onteigeningstraject worden ingezet. Getracht kan

worden om via aankoop op basis van volledige schadeloosstelling (onteigeningswaarde) te verwerven en hiermee de onteigeningsprocedure te voorkomen. Door volledige schadeloosstelling is de agrariër in staat om op een andere locatie zijn bedrijf voort te zetten.



  • WILG:

De Wet Inrichting Landelijk Gebied is de opvolger van de landinrichtingswet en biedt diverse wettelijke mogelijkheden en procedures (zoals planmatige kavelruil, kortingprocedure) om gronden beschikbaar te krijgen voor het tijdig realiseren van ILG-doelen. De provincie kan besluiten tot het

toepassen van de WILG in een daartoe aangewezen gebied. Gemeenten kunnen de provincie hierom verzoeken.



  • WVG:

Met het vestigen van een voorkeursrecht gemeenten, heeft de overheid recht van eerste koop indien in het gebied waar het voorkeursrecht is gevestigd gronden te koop worden aangeboden. Gemeenten moeten deze gebieden vooraf nauwkeurig begrenzen.

  • Ruilgrondbank:

De ruilgrondbank bestaat uit een hoeveelheid (overheids)grond die is in te zetten in een ruilproces

(met andere grondeigenaren). Met het ruilproces kunnen doelen als EHS en landbouwstructuur-versterking worden gerealiseerd. Gronden die na de ruiling in de ruilgrondbank blijven, kunnen gebruikt worden voor nieuwe kavelruilen. De ruilgrondbank is in principe kostenneutraal omdat de (overheids)grond uit de ruilgrondbank uiteindelijk weer verkocht kan worden. De grote van het benodigde fonds voor de ruilgrondbank is afhankelijk van de hoeveelheid te verwerven grond.



  • Beheergrondbank:

Via deze grondbank is het mogelijk dat de overheid gronden koopt om deze vervolgens onder landschapsvoorwaarden in langjarige pacht uit te geven aan agrariërs. Deze grondbank is in nationaal landschap Laag Holland ingezet t.b.v. het beheer van het veenweidelandschap. De beheergrondbank kan, in combinatie met de ruilgrondbank, ook een bijdrage leveren aan de realisatie van de doelen EHS, RodS en landbouw. De grond voor de beheergrondbank blijft in overheidseigendom en vergt een permanente investering.

Beheer

  • (provinciaal) Subsidiestelsel Natuur en Landschapsbeheer (SNL)

Vergoeding aan particulieren, boeren en natuur- en landschapsorganisaties voor beheer van natuur en landschapselementen en/of in stand houden van natuurterreinen (vervangt vanaf 2010 SAN en SN)

Financiering

  • Rood- voor Groen

Een constructie waarbij een deel van de winst van nieuwe bebouwing wordt aangewend voor aanleg

of beheer van het landschap (kan bv. via een landschapsfonds)



  • Publiek Private Samenwerking (PPS)

Binnen een project worden publieke en private doelen en middelen gebundeld. Voor beiden moet

er een meerwaarde in zitten.



  • Landschapsfonds

Bundeling van private middelen (van bedrijven, burgers) en publieke middelen (van gemeenten,

provincies, waterschappen). Verworven middelen worden ingezet voor aanleg óf beheer van natuur,

landschap of recreatie, daar waar rijksmiddelen niet bestaan of niet toereikend zijn. Het landschapsfonds

heeft een bestuur dat bestaat uit verschillende partijen, zoals agrariërs, natuurbeschermers,

(recreatie) bedrijven en gemeenten.


  • Sponsoring/ adoptie

Een gift van een bedrijf voor een project, bijvoorbeeld de sponsoring van een wandelpad. Het kan ook gaan om een gift voor natuur en landschap in het algemeen.

Bijlage 5: Projectblad


SMART invullen: specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden.





  1. naam project (onderdeel gebiedsprogramma / cluster)







  1. gegevens aanvrager

naam clustervertegenwoordiger, portefeuille, adresgegevens

naam uitvoerende organisatie, contactpersoon, adresgegevens







  1. locatie

kaart en ligging





  1. oppervlakte

ha, km en/of aantal elementen (bv. aantal bomen of picknicktafels)





  1. toelichting

korte omschrijving van het project





  1. regionaal belang (meerdere antwoorden mogelijk)

  • Het versterken van de grote landschappen en het realiseren van verbindingszones daartussen voor natuur, water en/of recreatie, door …………………………………………………………….…………………….

  • Het behouden van de openheid van het landelijk gebied, inclusief de zichtlijnen en heldere stadsranzones, door ………………………………………………………………………….…………………………………….

  • Het versterken van de samenhang en herkenbaarheid van cultuurhistorische elementen, door ………………………………………………………………………….……………………………………………………………………………….

  • Het verbeteren van de bereikbaarheid, toegankelijkheid en aantrekkelijkheid van (delen van) het landelijk gebied voor recreatief medegebruik met aandacht voor de stad-land relatie, door………………………………………………………………………………………………………………………………………………..…

Overige doelen:



  • Samenhang met andere groene projecten: ……………………………………………………………………………………

  • Aandacht voor streekeigen beplanting: …………………………………………………………………………………………..

  • Bijdrage aan de wateropgave, door………………………………………………………………………………………………….

  • Toepassen meervoudig ruimtegebruik, door……………………………………………………………………………………







  1. beleidskader

Beleidskader van project, bijvoorbeeld Landschapsbeleidsplan, gemeentelijke groenvisie, Provinciale plannen, ZZG, Programma van Afspraken Holland Rijnland.





  1. projectorganisatie

Wie is bestuurlijk verantwoordelijk? Wie is de opdrachtgever? Wie is de uitvoerder? Is er een projectorganisatie en/of projectleider? Welke partijen zijn betrokken?





  1. grondverwerving

Van wie is de grond? Is verwerving noodzakelijk of kan inrichting ook plaatsvinden gecombineerd met een zakelijke overeenkomst? Hoeveel ha moet er van particulieren of andere overheden verworven worden? Is onteigening nodig?








  1. financiën

Globale kostenraming: € ….

€ … verwerving totaal en €…verwervingskosten per hectare

€ … inrichting

Investeringsvoorstel verwerving

Investeringsvoorstel inrichtingskosten

… % gemeente

… % Holland Rijnland ihkv RIF

… % rijk/Provincie (bv. ILG, ZZG, EHS)

… % overige (bv. particulieren, Hoogheemraadschap, grondexploitatie, Greenport, organisaties of bedrijven)

… % niet gedekt







  1. inrichtingsplan

Is er een vastgesteld inrichtingsplan. Zo nee, is het gepland (startdatum opstellen en geplande datum vaststelling door wie)?





  1. planologische verankering

Is wijziging nodig van bestemmingsplan, gemeentelijke structuurvisie, streekplan, provinciale structuurvisie e.d. Zo ja, startdatum wijziging en geplande datum vaststelling.





  1. doorlooptijd project

De doorlooptijd van het project: startdatum voorbereidingsfase (voorontwerp, definitief ontwerp en kostenraming), besteksfase, uitvoeringsfase, oplevering, overdracht in beheer, administratieve afronding.





  1. relevante wet- en regelgeving

Zijn er vergunningen nodig voor de realisatie van dit project (bv. sloop, aanleg, keur, peil, flora en fauna)? Zo ja, startdatum aanvraag en geplande verlening.





  1. eigendom, beheer en onderhoud

Zijn er afspraken vastgelegd over beheer en onderhoud, incl. eigendom en financiering?





  1. afbreukrisico

Is het project afhankelijk van een ander project of andere partijen? Is er bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak voor het project?

Bijlage 6: Procedure voor uitvoeringsovereenkomsten

Het Regionaal Groenprogramma is gericht op de uitvoering van strategische groenprojecten van regionaal belang. De rol van Holland Rijnland hierin is het stimuleren en coördineren van de uitvoering van dit programma en het efficiënt en effectief beheren van de middelen die hiervoor beschikbaar zijn gesteld in het Regionaal Investeringsfonds. Om dit te realiseren is gekozen voor deze uitvoeringsstrategie met uitvoeringsovereenkomsten.

Het Dagelijks Bestuur (DB) sluit namens het Algemeen Bestuur op basis van de doelstellingen van het Regionaal Groenprogramma uitvoeringsovereenkomsten met clustervertegenwoordigers voor de uitvoering van (deel-) gebiedsprogramma’s. Clusters van gemeenten zijn verantwoordelijk voor het opstellen en uitvoeren van de gebiedsprogramma’s en bijbehorende projecten. Een uitvoeringsovereenkomst heeft een looptijd van 4 jaar. Indien nodig stelt het DB ca elke 2 jaar in samenwerking met het Ambtelijk Overleg groen de volgende uitvoeringsovereenkomst op. De overeenkomsten overlappen elkaar hierdoor dakpansgewijs in de tijd, zodat de uitvoering ongehinderd door kan gaan. De omvang van de overeenkomst moet dusdanig zijn, dat de (deel-) programma’s inderdaad in het vierde jaar gerealiseerd zijn. Het cluster van gemeenten moet hierbij rekening houden met haar uitvoeringscapaciteit en de doorlooptijd van vergunning- en subsidieaanvragen. De overeenkomst bevat een terugblik naar de voorgaande uitvoeringsovereenkomst(en) en een vooruitblik naar de volgende.
Stappenplan van gebiedsprogramma naar uitvoeringsovereenkomst en realisatie


  1. clusters van gemeenten stellen gebiedsprogramma’s op;

  2. gemeenteraden stellen gebiedsprogramma vast en mandateren een clustervertegenwoordiger;

  3. clustervertegenwoordiger dient verzoek om cofinanciering in bij het DB van Holland Rijnland;

  4. Holland Rijnland toetst verzoek om cofinanciering;

  5. DB stelt uitvoeringsovereenkomst vast;

  6. DB en clustervertegenwoordigers ondertekenen uitvoeringsovereenkomst;

  7. clusters voeren projecten/programma’s uit;

  8. clustervertegenwoordiger levert voortgangsinformatie en opleveringsverklaring aan;

  9. Holland Rijnland stelt financiële en juridische randvoorwaarden.

Hieronder wordt de procedure nader beschreven.




  1. clusters van gemeenten stellen gebiedsprogramma’s op

De gemeenten in een cluster zijn verantwoordelijk voor het opstellen van een gebiedsprogramma en het toetsen van de projecten, die zij hierin willen opnemen, aan de doelstellingen van het Groenprogramma. In de indicatieve projectenlijst van dit programma is voorlopig de volgende gebiedsindeling gehanteerd: Duin Horst Weide, Veenweide en Plassen, Duin- en Bollenstreek en Stedelijke Agglomeratie. In het Groenprogramma is nadrukkelijk ook ruimte voor clustering van gemeenten rond een thema of een route. Hiervoor kunnen gemeenten in overleg met de regio ook een cluster vormen dat niet aansluit op de huidige geografisch bepaalde clusters. Het gebiedsprogramma bestaat in ieder geval uit doelstellingen, projecten en projectbladen.


  • vertaling doelstellingen Regionaal Groenprogramma op gebiedsniveau

In een gebiedsprogramma worden de doelstellingen van het Regionaal Groenprogramma vertaald naar een specifiek gebied, waar mogelijk op het niveau van inrichtingselementen.


  • benoemen projecten waarmee doelstellingen worden gerealiseerd

Een gebiedsprogramma bestaat uit meerdere projecten, die samen de integrale ontwikkeling van een gebied (bijvoorbeeld één polder) bereiken, of samen de gehele regio dekken ten bate van één of meer doelen (bijvoorbeeld een netwerk of verbinding). De clusters vragen alleen cofinanciering aan voor projecten die voldoen aan de kaders van het Regionaal Groenprogramma. Bij langdurige gebiedsprogramma’s kan het cluster werken met deelprogramma’s die in verschillende uitvoeringsovereenkomsten komen.

Het cluster geeft in het gebiedsprogramma aan welke doelstellingen zij realiseren met de projecten en welke lacunes zij hierbij signaleren. Wanneer een bepaalde doelstelling niet gerealiseerd kan worden, geeft het cluster aan of het nodig is hiervoor in de toekomst een project te ontwikkelen.




  • volledig ingevulde projectbladen (zie bijlage 5)

Als onderdeel van het gebiedsprogramma vult het cluster voor de projecten, waarvoor zij cofinanciering aanvraagt, de projectbladen volledig in. Hierdoor bevat het gebiedsprogramma per project een realistische kostenraming en een specifieke toekenning van verantwoordelijkheden (bv. projectuitvoerder). Op projectniveau stemt de gemeente de inhoudelijke plannen af met buurgemeenten, Hoogheemraadschap, particulieren en maatschappelijke organisaties. Voor de financiering van de gebiedsprogramma’s zoekt het cluster van gemeenten actief (en aantoonbaar) naar cofinanciers en subsidiebronnen. Holland Rijnland kan hierbij ondersteunen. De (beoogde) bijdrageverdeling vanuit partners en subsidies wordt onderdeel van de uitvoeringsovereenkomst.


  1. gemeenteraden stellen gebiedsprogramma vast en mandateren een clustervertegenwoordiger

De gebiedsprogramma’s worden vastgesteld in de diverse gemeenteraden in verband met de financiële consequenties voor de eigen gemeente, draagvlak en het toezeggen van formatie. Wanneer alle gemeenteraden een gebiedsprogramma hebben vastgesteld, op één na, kan nog steeds een verzoek om cofinanciering worden gedaan bij de regio op basis van het gebiedsprogramma. Cofinanciering kan dan alleen worden aangevraagd en toegekend voor projecten van gemeenten, waarvan de raad het gebiedsprogramma wel heeft vastgesteld.

Een cluster van gemeenten wijst een clustervertegenwoordiger aan. De overige gemeenten mandateren deze clustervertegenwoordiger om namens hen de uitvoeringsovereenkomsten te tekenen. Deze vaandeldrager is programma-eigenaar en dus verantwoordelijk voor het opstellen, uitvoeren en monitoren van het gebiedsprogramma. De gemeenten in het cluster kiezen een bestuurder uit hun midden of de directeur van een gemeentelijke ontwikkelingsmaatschappij als clustervertegenwoordiger en mandateren deze om ze te vertegenwoordigen.




  1. clustervertegenwoordiger dient verzoek om cofinanciering in bij DB Holland Rijnland

De clustervertegenwoordiger dient bij het DB van Holland Rijnland een verzoek in voor cofinanciering van een of enkele uitvoeringsgerede projecten. Onderdeel van dit verzoek is een door de raden vastgesteld gebiedsprogramma met bijbehorende projectbladen. Andere natuurlijke of rechtspersonen kunnen geen programma’s aanmelden bij de regio.


  1. Holland Rijnland toetst verzoek om cofinanciering

Holland Rijnland beoordeelt in samenwerking met het Ambtelijk Overleg Groen het verzoek om cofinanciering aan de doelstellingen en criteria van dit Regionaal Groenprogramma voor opname in een uitvoeringsovereenkomst. Getoetst wordt of het verzoek voldoet aan de kaders van het Regionaal Groenprogramma, zoals of:

  • het project van strategisch regionaal belang is en dus een aanzienlijke bijdrage levert aan het realiseren van de doelstellingen van het Regionaal Groenprogramma;

  • het project uitvoeringsgereed is. Een project is uitvoeringsgereed als alle gegevens van het projectblad bekend zijn en op alle volgende vragen het antwoord ‘ja’, ‘niet van toepassing’, of ‘toezegging/overeenkomst op papier’ is:

  • is er bestuurlijk draagvlak?

  • is de financiering geregeld en zijn beoogde subsidies/medefinanciering bekend?

  • is de grond in eigendom of is verwerving binnen een jaar mogelijk?

  • is het eigendom, beheer en onderhoud na uitvoering geregeld?

  • is de planologie geregeld?

  • zijn de vergunningen verleend of is medewerking aan vergunningverlening toegezegd?




  1. DB stelt uitvoeringsovereenkomst vast

Een uitvoeringsovereenkomst in het Groenprogramma heeft de status van Projectovereenkomst conform artikel 1 i van de Beheersverordening RIF. Nadat getoetst is of (delen van) een verzoek om cofinanciering voldoen aan de criteria van het Regionaal Groenprogramma wordt een uitvoeringsovereenkomst opgesteld. Het DB stelt deze uitvoeringsovereenkomst vast conform artikel 8 lid 5 van de Beheersoverordening RIF.

Voor de inhoud van de uitvoeringsovereenkomst wordt aangesloten op artikel 9 lid 2 van de Beheersverordening RIF. In dit artikel is voor de infrastructuurprojecten (ex artikel 2 lid 1 a tot en met c) aangegeven dat deze overeenkomst de verstrekking van de financiële bijdrage regelt, waaronder begrepen de wijze van berekening van de bijdrage, de maximaal te verstrekken bijdrage, de bevoorschotting, uitbetaling, verrekening en verantwoordingsverplichtingen. De overeenkomst legt de verplichting op tot uitvoering van (enkele) projecten uit het gebiedsprogramma en beschrijft zo nauwkeurig mogelijk de activiteiten, die in dat verband moeten worden uitgevoerd, de termijnen waarbinnen de activiteiten moeten zijn verricht en dat de gevolgen van overschrijding van die termijnen te allen tijde voor rekening van de clustervertegenwoordiger komen.





  1. DB en clustervertegenwoordigers ondertekenen uitvoeringsovereenkomst

Het DB sluit op basis van de gebiedsprogramma’s een uitvoeringsovereenkomst met alle clustervertegenwoordigers, die een verzoek om cofinanciering hebben ingediend. De uitvoeringsovereenkomsten hebben een looptijd van 4 jaar. Aan het eind van deze periode moeten de projecten conform de afspraken zijn gerealiseerd.


  1. clusters voeren projecten/programma’s uit

Het cluster van gemeenten is verantwoordelijk voor de uitvoering van het gebiedsprogramma en bijbehorende projecten. Het cluster kan de daadwerkelijke uitvoering bij een individuele gemeente of gemeentelijke ontwikkelingsmaatschappij neerleggen. Deze kan voor de uitvoering indien gewenst opdracht verlenen aan of samenwerken met derden, zoals hoogheemraadschappen, particulieren (met name agrariërs) en/of verenigingen en stichtingen met doelstellingen, die aansluiten op de doelstellingen van dit Groenprogramma. Overeenkomsten van gemeenten met derden over uitvoering moeten voldoen aan de Europese richtlijnen over staatsteun.


  1. clustervertegenwoordiger levert voortgangsinformatie en opleveringsverklaring aan

De clustervertegenwoordiger informeert Holland Rijnland jaarlijks over de voortgang van het project. Informatie aan andere subsidieverstrekkers (zoals voortgangsrapportage, opleveringsverklaring en accountantsverklaring) wordt ook aan Holland Rijnland verstrekt.
De uitvoeringsovereenkomst heeft een looptijd van 4 jaar, waarna de clustervertegenwoordiger aan het DB aantoont dat de projecten conform afspraak zijn gerealiseerd. Wanneer een project niet conform de afspraken is gerealiseerd, wordt het geld teruggestort aan de regio.


  1. Holland Rijnland stelt financiële en juridische randvoorwaarden

Op basis van de uitvoeringsovereenkomst reserveert het Dagelijks Bestuur de regionale bijdrage voor 4 jaar. Met deze regionale bijdragetoezegging gaat Holland Rijnland de juridische verplichting van de bijdrage aan. De risico’s voor meerwerk boven 10% van de bestekskosten liggen bij het cluster van gemeenten.


  • voorschot

Bij de besteding van de RIF-gelden sluit Holland Rijnland aan bij de voorwaarden van andere subsidie-verstrekkende instanties. De belangrijkste hiervan is de Europese subsidie van het ‘Plattelands Ontwikkelingsprogramma 2’ die via de Subsidieregeling Landelijk Gebied van de provincie Zuid-Holland wordt verleend. Wanneer POP2 subsidie wordt verleend, lopen alle bijdragen via de kas van het Betaalorgaan POP2, ook de bijdrage van Holland Rijnland. Holland Rijnland kan dus niet rechtstreeks een voorschot verlenen. De Provincie Zuid-Holland werkt met een voorschot van maximaal 80% van het te subsidiëren bedrag.

Wanneer een groenproject wordt uitgevoerd zonder POP2 subsidie, worden in de uitvoeringsovereenkomst nadere afspraken gemaakt over eventuele bevoorschotting.




  • definitie inrichtingskosten

Als richtlijn gaan wij uit van een maximale medefinanciering vanuit Holland Rijnland van 25% van de inrichtingskosten. Als grondverwerving in de Subsidieregeling Landelijk Gebied van de provincie Zuid-Holland subsidiabel is gesteld, financiert Holland Rijnland hieraan mee. De subsidiabele grondverwervingskosten mogen maximaal 10% van de totale projectkosten bedragen. Hierdoor bereikt de regio een uiteindelijke investering van tenminste € 80 miljoen in het landelijk gebied van Holland Rijnland. De eigen bijdrage in de vorm van voorbereiding, menskracht en/of middelen garandeert het draagvlak voor het programma. Onder inrichtingskosten vallen alle uitvoeringskosten, die worden gemaakt na vaststelling van het Definitief Ontwerp in gemeenteraad/gemeenteraden, zoals de volgende zaken:

  • bestek opstellen (indien uitbesteed);

  • leges en bijkomende kosten voor vergunnings- en/of ontheffingsaanvragen;

  • ingenieursdiensten (indien uitbesteed);

  • inhuur archeologische, ecologische en milieutechnische begeleiding tijdens het werk;

  • uitvoering van de maatregelen, inclusief aan- en afvoer materieel en materiaal, tijdelijke voorzieningen nodig voor de uitvoering en aanschaf materiaal (aannemerskosten);

  • meer- en bijwerk tot een maximum van 10% van de bestekskosten;

  • eventueel de kosten van kavelruil en grondverwerving tot een maximum van 10 % van de totale projectkosten;

  • eventueel de kosten van een accountantsverklaring.

Overige grondverwerving, onderzoek en schetsontwerp en opstellen Voorlopig en Definitief Ontwerp, kosten eigen gemeente personeel en activiteiten voor promotie en pr vallen dus in principe niet onder de inrichtingskosten.

Samenwerkingsorgaan Holland Rijnland

Schuttersveld 9, 2316 XG Leiden

Postbus 558, 2300 AN Leiden

Tel. 071 – 523 90 90

Fax. 071 – 523 90 99

info@hollandrijnland.net



www.hollandrijnland.net










De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina