Binding Belangrijk?



Dovnload 0.67 Mb.
Pagina1/7
Datum20.08.2016
Grootte0.67 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7



Binding Belangrijk?


Een onderzoek naar de binding tussen studenten en Twente

en de invloed van binding op migratie








Binding Belangrijk?


Een onderzoek naar de binding tussen studenten en Twente en de invloed van binding op migratie

is Sprakel

Augustus, 2008
Master Communication Studies

Faculteit Gedragswetenschappen

Universiteit Twente
Afstudeercommissie:

Dr. J.M. Gutteling

Dr. M. Galetzka

Universiteit Twente
Onderzoek uitgevoerd in opdracht van:

Dhr. J.J.H. Meijer



Career Center Twente

Abstract
This report describes a research which has been conducted by order of Career Center Twente. Most graduates at the Saxion Hogeschool of Enschede and the University of Twente cannot be convinced to remain after their completion of their study (this phenomenon is described as brain-drain). It is unknown to what extent the students develop a relation with the region Twente and how this relation determines their intention to stay in Twente. To measure the relation between the student and the region Twente, the dimensions of the concept “sense of place” were operationalised: place attachment, place identity and place dependence.

An online survey was carried out among almost 1300 respondents. The results indicate that in the future the brain-drain will not make a switch to a brain-gain. Too many students will leave Twente after graduation to live and work somewhere else. However, this results indicate that the student does develop a relation with Twente. Students who originate from Twente have a stronger feeling of sense of place with Twente than the students who do not originate from Twente.

Sense of place is an important concept for studying the behavioral intentions of the student to stay in Twente. Place attachment is the most import predictor, followed by place dependence and place identity. The intention to stay in Twente is determined by sense of place for 40 percent.

Samenvatting
Twente heeft sinds een aantal jaren te kampen met het vertrek van hoger opgeleiden uit de regio die elders hun onderkomen vinden. Het gevolg hiervan is een tekort aan hoogopgeleid personeel op de regionale arbeidsmarkt. Er wordt op allerlei manieren geprobeerd hoogopgeleiden in Twente te houden.

Het is tot op heden onbekend in hoeverre de student een band ontwikkelt met Twente en in hoeverre deze band invloed heeft op de gedragsintentie van de student om wel of niet in Twente te blijven. Daarnaast is ook onduidelijk welke variabelen ten grondslag liggen aan deze binding. Om hier inzicht in te krijgen is er onder bijna 1300 studenten van de Universiteit Twente en Saxion Hogeschool Enschede een vragenlijst afgenomen.


De hoofdvraag van het onderzoek luidt als volgt:
In hoeverre heeft sense of place, bestaand uit place attachment, place identity en place dependence, invloed op de gedragsintentie van studenten om wel of niet in Twente te blijven?
Daarnaast zijn er enkele deelvragen geformuleerd die met de hoofdvraag samenhangen:


  • Is er werkelijk sprake van een brain-drain?

  • In hoeverre ontwikkelt de student in Twente tijdens zijn of haar studententijd een band met Twente?

  • Wat zijn belangrijke voorspellers van de binding met Twente?

  • In hoeverre kan invloed worden uitgeoefend op de mate van binding en gedragsintentie?

Het zogenaamde brain-drain probleem zal in de nabije toekomst niet veranderen in een brain-gain. Te veel studenten verlaten Twente na afronding van hun studie. De studenten kunnen in bijna drie gelijke groepen worden verdeeld. Een derde van de studenten is (enigszins) vastbesloten om na afronding van de studie Twente te verlaten. Een ander derde deel van de studenten wil daarentegen (enigszins) wel in Twente blijven. Daarnaast weet het overige derde deel van de studenten nog niet waar zij na hun studie willen wonen en werken. De studentenpopulatie die in Twente zal blijven, bestaat voor het grootste deel uit Saxion-studenten, terwijl de populatie die uit Twente vertrekt vooral uit UT-studenten bestaat.

De student heeft of ontwikkelt wel een band met Twente, maar echter geen sterke band. Studenten die van oorsprong uit Twente komen hebben een sterke band met Twente, terwijl studenten die van elders komen een matig sterke band hebben met Twente. Binding, ofwel sense of place, verklaart ruim 40 procent van de gedragsintentie van de student en is daardoor een belangrijke voorspeller voor het wel of niet wegtrekken uit Twente. Kijkend naar de dimensies van sense of place is place attachment (affectief) de grootste voorspeller van gedragsintentie, gevolgd door place dependence (conatief) en place identity (cognitief) .

Voorspellers van sense of place op volgorde van sterkte zijn: imago, oorsprong, goal commitment, participatie studiegerelateerd en partner Twente. Deze verklaren ruim 60 procent van de binding die de student met Twente heeft. De sterkste voorspeller van sense of place is het imago van Twente. Hoe positiever het beeld van de student over Twente, hoe meer de student binding ontwikkelt. De op een na sterkste voorspeller is de oorsprong van de student. Studenten afkomstig uit Twente hebben een sterkere band met Twente dan studenten die niet afkomstig zijn uit Twente. Het doel waarmee studenten in Twente komen studeren is erg belangrijk (goal commitment). Wanneer studenten alleen voor hun studie in Twente komen studeren ontwikkelen zij minder een band dan wanneer zij ook deelnemen aan het sociale leven in Twente en dit belangrijk vinden. Daarnaast speelt het participeren in studiegerelateerde activiteiten ook een rol bij het creëren van binding. Echter is deze invloed negatief. Hoe meer de student deelneemt in studiegerelateerde activiteiten, des te minder de student een band opbouwt met Twente. Tenslotte draagt het hebben van een Twentse partner ook bij aan het krijgen van een band met Twente.


Om invloed uit te kunnen oefenen op binding en de gedragsintentie van de student worden er enkele aanbevelingen gedaan. Omdat de beeldvorming bij het imago centraal staat is het belangrijk dat studenten een juist en positief beeld krijgen van Twente. Daardoor moet er gedurende tijd die studenten in Twente doorbrengen continue aan het imago worden gewerkt. Gezien de invloed van goal commitment, moet bij de promotie van Enschede als studentenstad niet alleen de nadruk komen te liggen op de te volgen opleidingen aan de onderwijsinstellingen, maar ook het sociale leven in Enschede moet onder de aandacht gebracht worden.

Place dependence laat zien dat het beeld van de student op het gebied van werken, wonen en ontspanning invloed heeft op de gedragsintentie. Place dependence op het gebied van werken heeft de meeste invloed op de gedragsintentie gevolgd door place dependence op het gebied van ontspanning en wonen. Het is erg belangrijk dat studenten op de hoogte zijn van de baanmogelijkheden in Twente. Uit de literatuur blijkt namelijk dat de eerste baanmogelijkheden een belangrijk vestigingsmotief is van de student en ook uit dit onderzoek blijkt dat twee derde van de studenten bereid is om in Twente te blijven wanneer zij een goede baan krijgen aangeboden. Uit de literatuur blijkt dat er in Twente een gebrek is aan banen voor hoogopgeleiden, maar de vacatures zijn echter nog niet opgevuld. Het is eventueel mogelijk dat de aangeboden opleidingen in Twente niet optimaal aansluiten op de arbeidsmarkt in Twente. Ook blijkt dat bijna de helft van de studenten geen goed zicht heeft op de baanmogelijkheden in Twente en hierover graag informatie wil ontvangen.

Gezien het feit dat de ruime meerderheid van de studenten in de startfase van de studie nog geen concrete plannen heeft en bijna de helft geen voorkeur heeft voor een toekomstige woon- en werkplaats ligt hier de uitdaging om aan hen te laten zien wat Twente te bieden heeft. Door studenten zo vroeg mogelijk te informeren met nadruk op baanmogelijkheden en daarnaast ontspanning- en woonmogelijkheden kan eventueel invloed worden uitgeoefend bij het beslissingsproces. Ook later in de studiefase heeft het nog steeds zin om studenten te informeren over werk-, woon- en ontspanningsmogelijkheden in Twente. Het blijkt namelijk dat ruim een derde van de studenten geen concrete plannen heeft in de laatste fase van de studie en een kwart van de studenten heeft geen voorkeur ontwikkeld voor een toekomstige woon- en werkplaats.
Voorwoord
Het einde is in zicht. Na vier jaar hard studeren is nu het moment gekomen dat ik ga afstuderen. Ik heb met erg veel plezier mijn opleiding gevolgd en kijk dan ook tevreden terug op mijn studietijd. In het begin was het nogal wennen, omdat de studie niet vlot verliep. Echter ging het steeds beter. Mijn afstudeerperiode heb ik ervaren als een leuke tijd, waarin ik al mijn opgedane kennis en vaardigheden van mijn studie heb kunnen toepassen.

Toen ik de afstudeeropdracht bij Career Center Twente tegen kwam was ik meteen enthousiast. Het was de bedoeling om de band van studenten met de regio Twente te gaan onderzoeken. Aangezien er nooit eerder onderzoek naar dit onderwerp is gedaan, leek het mij een interessante opdracht. Ik wil mijn opdrachtgever Joop Meijer van Career Center Twente dan ook bedanken voor de kans die hij mij heeft gegeven om binnen CCT onderzoek uit te voeren. Ik heb met veel plezier bij CCT mijn afstudeeropdracht uitgevoerd.

Daarnaast wil ik mijn begeleiders Jan Gutteling en Mirjam Galetzka bedanken voor de tijd die zij in mijn afstuderen hebben gestoken. Als ik met vragen zat kon ik altijd ben hen terecht. Tenslotte wil ik mijn ouders, mijn zus en mijn vriend bedanken voor de steun tijdens mijn studie. Als ik het even niet meer zag zitten kon ik altijd bij hen terecht op mijn verhaal te doen.

Enschede, augustus 2008


Iris Sprakel

Inhoudsopgave
Abstract 3
Samenvatting 4
Voorwoord 6

1. Inleiding 9

1.1 Aanleiding van het onderzoek 9

1.2 Context van het onderzoek 9

1.3 Doel van het onderzoek 10

1.4 Onderzoeksvragen 10

1.5 Vooruitblik 10


2. Achtergrondinformatie 11
2.1 Brain-drain: de trek van hoger opgeleiden naar het westen 11

2.2 Twente: cijfers en zakelijke gegevens 12

2.3 Imago 14

2.3.1 Zakelijk imago 14

2.3.2 Algemeen imago 15

2.4 Hardware, software en mindware van Twente 15

2.5 Beleidsplan Rotterdam 16

2.6 Bestaande acties bevorderen binding studenten 17


3. Theoretisch kader 19

3.1 Binding studenten aan de stad/regio 19

3.2 Sense of place 20

3.3 Social & physical attachment 22

3.4 Binding door consumptie, participatie en nabijheid 23

3.5 Binding vanuit andere invalshoeken 24

3.5.1 Organizational commitment 24

3.5.2 Student loyalty 25

3.6 Onderzoeksmodel 27
4. Onderzoeksopzet 29

4.1 Onderzoeksmethode 29

4.2 Respondenten en steekproef 29

4.3 Procedure 29

4.4 Opzet vragenlijst en betrouwbaarheid schaalconstructie 31

4.4.1 Variabelen sense of place (onderzoeksmodel) 31

4.4.2 Variabelen van invloed op sense of place (onderzoeksmodel) 31

4.4.3 Overig variabelen 33

4.5 Data-analyse 34
5. Resultaten 35

5.1 Respons 35

5.2 Achtergrondvariabelen 35

5.3 Beschrijvende resultaten 36

5.3.1 Brain-drain of brain-gain? 36

5.3.2 Constructen model 37

5.3.3 Informatievoorziening werken, wonen & ontspanning 40

5.3.4 Plannen uitstippelen 43

5.3.5 Arbeidsmarktoriëntatie 45

5.3.6 Arbeidsmarktcommunicatie 46

5.4 Conclusie beschrijvende resultaten 46

5.5 Correlatieanalyses 47

5.6 Regressieanalyses 51

5.6.1 Invloed binding op gedragsintentie 51

5.6.2 Invloed gedragsdeterminanten op binding 52
6. Conclusie en aanbevelingen 55

6.1 Conclusie 55

6.2 Aanbevelingen 58
7. Discussie 60

7.1 Respondenten 60

7.2 Onderzoeksmethode 60

7.3 Onderzoeksmodel 60

7.4 Vervolgonderzoek 61

Literatuur 62

Bijlagen 65


1. Inleiding

    1. Aanleiding van het onderzoek

Twente heeft al jaren te maken met het zogenaamde brain-drain probleem. Dit houdt in dat hoger opgeleiden wegtrekken uit de regio om elders in het land een baan te gaan zoeken. Uit de WO-monitor van het alumnibureau van de Universiteit Twente kan worden geconcludeerd dat ongeveer elk jaar ongeveer 40 procent van de afgestudeerden aan de Universiteit Twente werkzaam blijft binnen de regio (WO-monitor, 2001 t/m 2007). Uit de Twente Index (2006) blijkt zelfs dat na anderhalf jaar nog maar 25 procent van de afgestudeerden aan de UT werkzaam is binnen de regio. De hoeveelheid literatuur en het aantal documenten dat aan het brain-drain probleem in Twente is gewijd, laat zien dat men dit als een huidig en toekomstig probleem beschouwt.

De Erasmus Universiteit Rotterdam heeft naast de Universiteit Twente ook last van vertrekkende studenten, alleen is deze groep niet in de meerderheid. Rotterdam is daarom aan de hand van het actieplan Student City bezig om studenten te binden aan de stad (Student City, 2006). Een derde universiteit in Nederland die niet in staat is om studenten na het afstuderen te behouden is de Technische Universiteit Eindhoven (Russo, Van den Berg & Lavanga, 2003).

Er is al veel onderzoek gedaan op het gebied van imago, regiobranding en citymarketing van verschillende steden en regio’s. Deze onderzoeken zijn er op gericht om een regio of stad zo goed mogelijke te profileren, zodat mensen worden aangetrokken en worden behouden voor het wonen, werken en/of studeren. Zo zijn er ook vele onderzoeken gericht op de regio Twente. Wentink (2006) heeft bijvoorbeeld onderzoek gedaan naar de profilering van Twente en Broekhuizen (2005) deed onderzoek naar het imago van Enschede als keep-factor. Deze onderzoeken zijn gericht op de uitstraling van Twente en geven verklaringen waarom mensen zich in Twente vestigen en uit Twente vertrekken. Kijkend naar Twente is er nog geen onderzoek gedaan naar binding, waarin wordt gekeken in hoeverre de mens een band opbouwt met zijn/haar woonplaats en in hoeverre deze invloed heeft op het wel of niet wegtrekken uit de betreffende woonplaats. Het is weliswaar van belang om mensen aan te trekken, maar het is zeker net zo belangrijk om mensen in Twente te behouden.

Doordat de studenten na afronding van de studie in grote getale naar elders vertrekken lijkt het erop dat zij nauwelijks tot geen band hebben of opbouwen met Twente. Het is ook mogelijk dat de band die iemand heeft met een bepaalde plaats of regio tegenwoordig nauwelijks meer een rol speelt bij het kiezen van een toekomstige woon- en werkplaats.

1.2 Context van het onderzoek

Als antwoord op het brain-drain probleem is Career Center Twente opgericht. CCT is opgericht als een samenwerkingsverband van toonaangevende bedrijven en instellingen in Twente. CCT wil Twente promoten als een aantrekkelijk woon- en werkgebied. Dit doen zij door aanwezig te zijn op carrièrebeurzen zoals het Spits Career Event, Bedrijvendagen op de UT en Enscheday. Daarnaast worden er ook regelmatig radiospotjes uitgezonden. Een van de doelstellingen van Career Center Twente is om hoogopgeleide mensen aan te trekken en de randvoorwaarden te creëren om hun carrière in Twente voort te zetten. Daarnaast biedt CCT veel praktische diensten voor hoger opgeleiden die samenhangen met de overstap naar Twente. CCT heeft hiervoor een samenwerkingsverband met een bank, notariskantoor, makelaars, verhuisbedrijf, kinderopvanginstelling, schilder en (pensioen)verzekeraar.


1.3 Doel van het onderzoek
Het hoofdzakelijke doel van dit onderzoek is het in kaart brengen van de band die studenten hebben met de regio Twente en in hoeverre deze band invloed heeft op de gedragsintentie van studenten om na hun studie in Twente te blijven. Wanneer blijkt dat binding een voorspeller is van gedragsintentie is het belangrijk om na te gaan welke variabelen van invloed zijn op deze binding, zodat op basis hiervan interventies kunnen worden ontwikkeld.
1.4 Onderzoeksvragen
De hoofdvraag van het onderzoek luidt als volgt:
In hoeverre heeft sense of place, bestaand uit place attachment, place identity en place dependence, invloed op de gedragsintentie van studenten om wel of niet in Twente te blijven?
Naast deze hoofdvraag zijn er enkele deelvragen geformuleerd die met de hoofdvraag samenhangen:


    • Is er werkelijk sprake van een brain-drain?

    • In hoeverre ontwikkelt de student in Twente tijdens zijn of haar studententijd een band met Twente?

    • Wat zijn belangrijke voorspellers van de binding met Twente?

    • In hoeverre kan invloed worden uitgeoefend op de mate van binding en gedragsintentie?


1.5 Vooruitblik
Allereerst wordt in hoofdstuk 2 achtergrondinformatie gegeven dat het brain-drain probleem belicht. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het theoretisch kader besproken dat ten grondslag ligt aan het onderzoek. In hoofdstuk 4 wordt de onderzoeksopzet besproken en in hoofdstuk 5 komen de resultaten aan bod. Daarna worden er in hoofdstuk 6 conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 het onderzoek bediscussieerd.

2. Achtergrondinformatie


2.1 Brain-drain: de trek van hoger opgeleiden naar het westen
Al jaren vertrekken er meer hoger opgeleiden uit Twente dan dat zich er vestigen. De hogere onderwijsinstellingen in Enschede (Universiteit Twente, Saxion Hogeschool Enschede, Hogeschool Edith Stein, AKI/ArtEZ Enschede) genereren meer hoger opgeleiden dan de arbeidsmarkt in Twente (en de regio meer in het algemeen) kan absorberen. De regio kan de hoogopgeleiden na hun afstuderen niet vasthouden. Dit wordt ook wel brain-drain genoemd (Twente Index, 2006). Uit cijfers van verschillende rapporten (WO-monitor, 2006; Coenen & Fikkers, 2008) blijkt dat deze brain-drain als problematisch wordt ervaren. Veel hoger opgeleiden in Twente trekken na hun studententijd naar elders in het land. Dit heeft tot gevolg dat vacatures voor hoger opgeleiden moeilijk te vervullen zijn, waardoor er in Twente een gebrek aan hoger opgeleiden ontstaat.
Een derde van de UT-studenten is afkomstig uit Twente. Van de Saxion (Enschede) studenten komt twee derde uit de regio. Anderhalf jaar na het afstuderen is 75 procent van de UT-afgestudeerden buiten de provincie werkzaam. Van de Saxion afgestudeerden is dat percentage 40 procent (Twente Index, 2006).

Uit eerdere onderzoeken van het alumnibureau van de Universiteit Twente (WO-monitor, 2001 t/m 2007) blijkt dat het percentage afgestudeerden dat in Overijssel en Gelderland werkzaam is tot het jaar 2005 is gestegen tot 45 procent. Een daling wordt waargenomen in het jaar 2006 en 2007, waarin respectievelijk 36 en 33 procent van de afgestudeerden werkzaam is binnen de regio.

Wanneer naar de huidige woonplaats van alle alumni wordt gekeken is het duidelijk te zien dat deze veelal woonachtig zijn in Twente en in de grote(re) Nederlandse steden. Ook valt op dat er sprake is van een oost-west corridor, waarbij alumni zich hebben gevestigd in Oost (Twente) via Midden (Arnhem/Nijmegen, Utrecht) tot in West (Amsterdam, Den Haag en Rotterdam). Minder dan een kwart is blijven hangen in Twente, inclusief Enschede. Verreweg het overgrote deel van de alumni woont in het overige deel van Nederland (WO-monitor, 2006).
Hoger opgeleiden zijn voor Enschede van belang vanwege de bijdrage die zij leveren aan het versterken van de concurrentiepositie van Enschede. Een stijging van het aandeel hoger opgeleiden draagt bij aan een evenwichtiger bevolkingsopbouw in de stad. Daarnaast is het goed voor de Enschedese economie als veel hoger opgeleiden op de gebieden: wonen, werken, besteden en studeren in Enschede actief zijn (Actieprogramma Hoger Opgeleiden, 2004). Hoger opgeleiden die woonachtig zijn in Enschede behoren over het algemeen tot de hogere inkomensgroepen, waardoor zij een woon- en leefomgeving zoeken die bij deze inkomensgroep past. Daarnaast zijn hoger opgeleiden nodig voor de verdere ontwikkeling van de kennissector, bijvoorbeeld als arbeidspotentieel voor de toenemende kennisintensieve bedrijvigheid. Werkzame hoger opgeleiden hebben gemiddeld meer te besteden dan lager opgeleiden en stellen specifieke eisen aan voorzieningen, zoals winkels, horeca en culturele voorzieningen. Het deel van hun inkomen dat besteed wordt in de stad, komt ten goede aan de economie van de stad en aan de kwaliteit van de voorzieningen. Tenslotte is het belangrijk dat de hogere onderwijsinstellingen een constante uitstroom van afgestudeerden hebben, zodat deze kunnen doorstromen naar de Enschedese arbeidsmarkt. Studenten die na hun afstuderen vertrekken uit de stad, nemen hun kennis ook mee naar elders, in plaats van deze kennis te investeren in de Enschedese economie (Gemeente Enschede, 2004).
Er kan gezegd worden dat er ook sprake is van een brain-gain. Brain-gain is het tegenovergestelde van Brain-drain en hieronder wordt juist de toevoer van hoog opgeleiden verstaan.

Onderzoek (Royal Haskoning, 2005) liet zien dat vestigers in Twente afkomstig buiten de regio beter zijn opgeleid dan de gemiddelde populatie in Twente. 58 procent van hen heeft een hogere opleiding genoten, terwijl in Twente 29 procent van de Twentse populatie hoog is opgeleid.

Van de werkzame hoog opgeleiden in Twente heeft 31 procent aan de UT gestudeerd. Daarnaast heeft 26 procent aan de Rijksuniversiteit Groningen en 12 procent aan de Universiteit Utrecht een opleiding gevolgd. Tenslotte is 8 procent afkomstig van de Radboud Universiteit Nijmegen. Uit deze gegevens kan worden geconcludeerd dat de brain-gain van de regio wordt gevoed door de universiteiten die het dichtst bij de regio liggen (Twente Index, 2006).
2.2 Twente: cijfers en zakelijke gegevens


Twente bevindt zich in Oost-Nederland, bestaat uit elf gemeenten en heeft 626.000 inwoners, waarvan ongeveer de helft in de drie steden Enschede, Hengelo en Almelo wonen. In deze drie steden is de verstedelijking het grootst. Het overige deel van Twente is landelijk te noemen. Vier procent van de Nederlandse bevolking woont in Twente.

De historie van Twente heeft tot op heden nog steeds gevolgen voor de typen banen die aanwezig zijn in de regio. Vergeleken met het gemiddelde in Nederland ligt het percentage van het aantal banen in de sectoren Industrie & Energie en Bouwindustrie hoger in Twente. Banen in de sectoren Transport & Communicatie, Financiën en Commerciële diensten ligt procentueel gezien lager in Twente dan in Nederland. Door het type economische activiteiten is de behoefte aan hoger opgeleiden voor regionale bedrijfsleven lager dan het landelijk gemiddelde. In Twente zijn er meer werknemers in de low-skill sectoren, terwijl het aantal werknemers in de high-skill sector ondervertegenwoordigd zijn (Coenen & Fikkers, 2008).



Vergeleken met Nederland zijn er in Twente problemen met het menselijk kapitaal. In Twente zijn er in verhouding meer middelbaar opgeleide werknemers en minder universitair opgeleide werknemers. Dit heeft zich vertaald in hoge werkloosheid en lage productie vergeleken met het landelijk gemiddelde (Garlick, Benneworth, Puukka & Vaessen, 2006; Royal Haskoning, 2005). Er zijn relatief gezien meer vacatures voor hoogopgeleiden dan voor laagopgeleiden. Daarnaast is het aantal vacatures voor academici in Twente 3,4 per 10.000 inwoners. Voor Nederland geldt een gemiddelde vacature van 5,9 per 10.000 inwoners (Coenen & Fikkers, 2008). Het gemiddelde inkomen per huishouden en per hoofd van de bevolking is relatief laag vergeleken met de rest van Nederland (Coenen & Fikkers, 2008). Buiten Twente verdient 40% een bruto jaarsalaris van 30.000, terwijl in Twente dit percentage op 30% ligt (Coenen & Fikkers, 2008).
Coenen & Fikkers (2008) deden met behulp van vragenlijsten onderzoek naar 150 organisaties in Twente en 82,2% van deze organisaties gaf aan behoefte te hebben aan hoger opgeleid personeel. Een andere 9,4% gaf aan dat er waarschijnlijk een behoefte was aan hoger opgeleid personeel. Een derde (35,8%) van de werkgevers in Twente, die behoefte hebben aan hoog opgeleid personeel, deelt de mening dat de Twentse regio te kampen heeft met een groot tekort aan menselijk kapitaal. Een kleiner deel (28,3%) is van mening dat er een klein tekort is. Slechts 10,7% van de organisaties denken dat er helemaal geen sprake van een tekort. Daarnaast ondervindt een groot deel van de werkgevers (41,4%) moeilijkheden om hoog opgeleide werknemers aan te trekken. 62,3% van de werkgevers is pessimistisch over de mogelijkheden in de toekomst in het aantrekken van menselijk kapitaal en gelooft dat het zoeken naar menselijk kapitaal zal worden bemoeilijkt (Coenen & Fikkers, 2008).
Door middel van desk research hebben Coenen & Fikkers (2008) het volgende verklaringsmodel opgesteld om de brain-drain en brain-gain in Twente te kunnen verklaren. Factoren die (in)direct bijdragen aan het wel of niet behouden van hoger opgeleiden zijn: onderwijsfaciliteiten, leefkosten, woonvoorzieningen, culturele-, sport- en recreatiemogelijkheden, geografische ligging, imago van de regio, toegankelijkheid van het centrum, baanmogelijkheden van de partner, huidige regionale werkgelegenheid, bedrijfssamenstellingen en faciliteiten, macro-economieën en de toekomstige lange termijn economie.


Figuur 1: Verklaringsmodel brain-drain en brain-gain (Coenen & Fikkers, 2008)
De belangrijkste redenen voor het brain-drain probleem in Twente is het gebrek aan banen voor hoger opgeleiden. Echter zijn de vacatures voor hoger opgeleiden nog niet opgevuld. Factoren die mensen aantrekken:

  • De onderwijsfaciliteiten zijn goed.

  • De leefkosten zijn in Twente lager dan in het westen. Huizen zijn goedkoper en de faciliteiten zijn beter (Grotere huizen en meer grond).

  • Positieve fysieke omgeving, minder stedelijk met meer groen en natuurgebieden.

  • Twente heeft een sterk bedrijfsnetwerk.

  • De toekomstige lange termijn economie in de regio is goed, omdat Twente een ontwikkelingsregio is voor de overheid.

  • De positieve kanten van het imago van Twente, namelijk de groene gebieden, minder verstedelijking, sociaal kapitaal, minder criminaliteit.

Factoren die mensen afstoten:



  • Het culturele aanbod is in Twente van mindere kwaliteit. Culturele en sportevenementen zijn vaker in het westen van het land te vinden.

  • Twee uur verwijderd van het stedelijk gebied in het westen.

  • Gemiddeld ligt de werkloosheid in Twente hoger dan in Nederland. Ook is het moeilijk om een baan te vinden voor een partner die ook hoog is opgeleid.

  • Er is een gebrek aan bedrijfsruimte in Twente. In het algemeen zijn er teveel regels in Nederland,

  • De negatieve kanten van het imago van Twente, namelijk het dialect, gesloten gemeenschappen, conservatieve waarden, achtergebleven gebied.

De werkgevers in het onderzoek van Coenen & Fikkers (2008) werden gevraagd waarom zij dachten dat het moeilijk zal worden om hoger opgeleiden aan te trekken en waarom er een gebrek is aan een voorraad van het menselijk kapitaal. Zij gaven de volgende antwoorden.



  • te weinig vacatures

  • lager gemiddeld inkomen

  • hogere fiscale lasten

  • te veel sociale controle

  • te weinig doorgroeimogelijkheden

  • waardeconflicten

  • Moeilijkheden bij het zoeken naar een baan voor partner

  • tekortschietend dienstenaanbod

  • ontevredenheid woonsituatie

  • tekortschietend cultuur- en recreatieaanbod

Aan de werkgevers in Twente werd ook gevraagd welke oplossingen zij hadden om het gebrek aan menselijk kapitaal op te lossen. Zij gaven de volgende antwoorden (Coenen & Fikkers, 2008).



  • Investeren in nauwere relaties tussen onderwijstellingen en bedrijfsleven

  • Het verbeteren van het Twentse imago

  • Vernieuwingen in het personeelsbeleid in de regionale organisaties

  • Meer ondersteuning bieden aan mensen om een baan te vinden in Twentse regio.

  • Belastingvoordelen ondernemingen en arbeidskrachten

  • Verbeteren van de verkeersverbindingen met de rest van Nederland

  • Verbeteren van de dienstverlening

  • Verbeteren van cultuur en recreatiemogelijkheden

  • Bouwen van aantrekkelijke woongebieden


2.3 Imago
Het imago van Twente kent twee verschillende kanten. Namelijk het zakelijke imago en het algemene imago. Het zakelijke imago lijkt positiever te zijn dan het algemene imago.
2.3.1 Zakelijk imago

Twente heeft een positief imago als locatie voor bedrijfsvestigingen. Als ondernemers binnen en buiten Twente gevraagd worden naar interessante vestigingsplaatsen binnen Nederland, dan zetten ze Twente van de 29 regio’s op de zesde plaats. Twente wordt gezien als een gebied met veel sterke en weinig zwakke punten (Twente Index, 2005).

In een onderzoek van I&O research in 2006 kwam naar voren dat het imago van Enschede als kennisstad in 2006 verbeterd is. De onderzoekers vroegen ondernemers aan welke stad ze spontaan denken als ze de term kennisstad horen. Begin 2005 werd Enschede in 7 procent van de antwoorden genoemd. Nu is dat 13 procent en moet Enschede alleen Eindhoven (22 procent) en Amsterdam (16 procent) voor zich dulden. Daarna volgen Rotterdam (11 procent) en Delft (9 procent). Uit het onderzoek blijkt bovendien dat het aantal bedrijven waarbij Enschede bekend staat als kennisstad is gestegen van 29 procent naar 50 procent. Enschede wordt vooral gewaardeerd om de aanwezigheid van voldoende ruimte voor bedrijven, de goede ICT-voorzieningen, de bereikbaarheid, het goede vestigingsklimaat en de aanwezigheid van veel kennisinstellingen. Voor de keuze van de huidige vestigingsplaats geeft de meerderheid van de ondervraagde bedrijven aan hiervoor persoonlijke redenen te hebben. Het woonklimaat speelt daarbij een grote rol (Gemeente Enschede, 2008).
2.3.2 Algemeen imago

I&O research heeft in 2005 onderzoek gedaan naar het (toeristische) imago van Twente. De respondenten werd gevraagd waarmee zij Twente associeerden. De meeste termen die genoemd werden hadden te maken met de (natuurlijke) omgeving, zoals natuur, bos en groen. De daarmee samenhangende termen als ruimte en rust worden ook regelmatig genoemd. Daarnaast werden vooral termen genoemd die te maken hadden met het agrarische karakter van Twente, zoals landelijkheid, platteland en boeren of boers. Twente werd in veel mindere mate verbonden met steden of plaatsen. Het oordeel over Twente blijkt uitgesproken positief te zijn. Echter zijn bezoekers van Twente positiever over Twente dan niet-bezoekers (I&O Research, 2005).

Het overgrote deel vindt Twente groen, rustig, gastvrij, gezellig en veilig. Het oordeel is wat minder uitgesproken over het historische of dorpse karakter en over de bereikbaarheid. Tenslotte zijn de verschillen de respondenten van mening over de nabijheid van Twente, saaiheid, veelzijdigheid en de toeristische kant van Twente. Echter blijkt wel dat niet-bezoeker Twente vaker saai vinden dan bezoekers. Bezoekers van Twente vinden Twente meer toeristisch en vaker goed bereikbaar (I&O Research, 2005).

Wentink (2006) heeft met behulp van een enquête de persoonlijkheid van Twente onderzocht. Dit heeft hij gedaan aan de hand van een merkpersoonlijkheid schaal (Aaker, 1997: in Wentink, 2006). Daaruit kwam naar voren dat de regio door mensen buiten de regio als minder positief werd beoordeeld dan binnen de regio. Door zowel Twentenaren als niet-Twentenaren werd de regio beschouwd als oprecht en bekwaam. De mate van oprechtheid werd bepaald door de facetten nuchter en oprecht, maar niet door het facet vrolijk. Bekwaamheid werd bepaald doordat men de regio ziet als vertrouwd, maar niet door het facet intelligent en al helemaal niet door het facet succesvol. De regio werd absoluut niet gezien als verfijnd (door de facetten elitair en charmant) en opwindend (door de facetten gedurfd, energiek, fantasierijk en modern).



2.4 Hardware, software & mindware van Twente

Er zijn drie factoren die het innovatieve vermogen van een gebied bepalen. Dat zijn achtereenvolgens: de hardware, software en mindware van een regio. Hardware staat voor de economisch-technologische factoren. Dit zijn de zichtbare en tastbare elementen in de regionale economie, zoals voldoende bekwame arbeidskrachten, natuurlijke hulpbronnen (zoals nabijheid zee en grondstoffen) en productiemiddelen (machines en gebouwen). Daarnaast zijn de aanwezigheid van infrastructuur en het kennisniveau van bedrijven en instellingen van belang (Hospers, 2006).

Software staat voor het ondernemingsklimaat en omgevingsfactoren. Het gaat om de ondernemers die de faciliteiten van de hardware gebruiken, hun instellingen en de wijze waarop ze met elkaar omgaan. Het geheel aan relaties tussen regionale partijen die in het innovatieproces met elkaar samenwerken, vormt een regionaal innovatiesysteem dat na verloop van tijd kan uitgroeien tot een lerende regio (Hospers, 2006).

De aanwezigheid van een goede ‘hardware’ en ‘software’ in een regio biedt nog geen garantie voor innovatiekracht. De cognitief-psychologische aspecten, oftewel mindware, zijn even belangrijk. Daarmee worden de beelden mee bedoeld die mensen hebben van innovatie enerzijds en over de regio anderzijds die van invloed zijn op het innovatievermogen van een streek (Hospers, 2006).

In Twente lijkt de hard- en software in orde te zijn, maar bij de bevolking van Twente en de buitenstaanders geldt dat de mindware van Twente nog niet optimaal is. Innoveren wordt gezien als moeilijk, saai en iets wat ‘ze daar op de universiteit doen’. Mensen buiten Twente hebben nog een eenzijdig en gekleurd beeld van de regio. Het merendeel van de Nederlanders associeert Twente nog met textiel, natuur, rust en ruimte, terwijl de stedelijke kwaliteiten van de regio zo goed als onbekend zijn. Dat landelijke imago leidt ertoe dat de streek maar weinig creatieve geesten aantrekt die juist nodig zijn om de Twentse innovatiekracht te vergroten. Ondanks de hoge R&D-intensiteit en de vele kennisinstellingen en netwerken hebben de Twentse steden Enschede, Hengelo en Almelo met gemiddeld 14% creatievelingen zo’n 9% minder potentiële vernieuwers dan de vijftig grootste Nederlandse steden (Hospers, 2006).

2.5 Beleidsplan Rotterdam

Uit onderzoek van Russo et al. (2003) kwam naar voren dat Rotterdam ook te maken heeft met het vertrek van hoger opgeleiden naar andere delen van het land. Als antwoord hierop heeft Rotterdam een actieplan opgesteld, genaamd Student City (2006a). Het programma Student City richt zich op het binden van studenten en afgestudeerden aan de stad Rotterdam. De acties richten zich op scholieren, studenten en afgestudeerden. Scholieren worden verleid om in Rotterdam te gaan studeren en studenten worden verleid om in Rotterdam te gaan wonen en hen zoveel mogelijk in contact te brengen met datgene wat Rotterdam voor hen te bieden heeft. Afgestudeerden worden geholpen bij het vinden van een baan in Rotterdam of het starten van een eigen onderneming. Tenslotte worden zij ook geholpen met het vinden van een woning (Student City, 2006a).

Uit onderzoek van Student City (2006a) is gebleken dat festivals en evenementen een belangrijke rol spelen bij de vrijetijd- en cultuurparticipatie en het imago van de stad. Studenten hebben aangegeven evenementen belangrijk te vinden om meer binding met de stad Rotterdam en de onderwijsinstelling te krijgen. Daarnaast wordt aangegeven dat een evenement kan bijdragen aan de bekendheid van een plaats, aangezien evenementen veel publiciteit krijgen

Een belangrijk vestigingsmotief bij pas afgestudeerden is het vinden van een baan. Uit onderzoek is gebleken dat de kennis van studenten over het Rotterdams bedrijfsleven en banenmarkt beperkt en eenzijdig is. Het Rotterdamse bedrijfsleven wordt nog te weinig onder de aandacht gebracht bij studenten. Dit probleem zal worden opgelost door het geven van gastcolleges, organiseren van bezoeken aan Rotterdamse bedrijven en het regelen van studie- en stage opdrachten bij het Rotterdamse bedrijfsleven en (semi)- overheidsinstellingen. Op deze manier krijgen studenten praktijkgericht onderwijs en leren zij Rotterdam beter kennen. Verder is de vraag of het opleidingscurriculum bij het Rotterdamse bedrijfsleven voldoende bekend en benut worden. Daarnaast kwam uit het onderzoek naar voren dat er door de enorme hoeveelheid van informatie en de versnippering ervan een duidelijke behoefte waarneembaar was voor één portaal waar studenten en bedrijven terecht kunnen voor allerlei relevante en actuele informatie op het gebied wonen, werken, vrije tijd en studeren gericht op (potentiële) studenten (Student City, 2006a).

Werken aan het imago als studentenstad, en aan het imago als woon- en werkstad is een belangrijk onderdeel van marketingcommunicatie activiteiten gericht op scholieren en studenten/recent afgestudeerden. Maar bij marketingcommunicatie gaat het om meer dan alleen imagoverbetering. Uiteindelijk gaat het erom dat de voor Rotterdam belangrijke doelgroepen het gewenst gedrag vertonen: kiezen voor Rotterdam. Dat gunstige gedrag is pas te verwachten als mensen kennis hebben van het 'product' Rotterdam en er een goed gevoel bij hebben (attitude) (Student City, 2006a).

Tenslotte heeft Rotterdam in het plan een actiepunt opgesteld, met het doel studenten in het laatste jaar een actievere rol laten innemen bij verschillende activiteiten, zodat zij een beter beeld krijgen van wat Rotterdam te bieden heeft (Student City, 2006a).


In het rapport van Student City visie 2006-2009 wordt aangegeven dat er twee manieren zijn om de werving en binding van studenten te verbeteren. Ten eerste moet het product verbeterd worden. Hiermee wordt voornamelijk het woningaanbod, quality of life, aanwezigheid aantrekkelijke werkgevers, faciliteiten kennisinstellingen en veiligheid bedoeld. Ten tweede moet er ook gewerkt worden aan de beeldvorming over studeren, wonen en werken in de betreffende stad/regio. Zowel het product als de beeldvorming kunnen altijd beter (Student City, 2006b).
2.6 Bestaande acties bevorderen binding studenten
Uit het actieprogramma hoger opgeleiden van de Gemeente Enschede (2004) blijkt dat er al veel acties bestaan die gericht zijn om hoger in Enschede te houden. Deze acties hebben betrekken op het wonen, werken, besteden en studeren in Enschede.
Wonen

  • Programma Wonen: Dit programma is opgezet door de gemeente om de euregionale concurrentiepositie van Enschede te versterken. Er worden aantrekkelijke woonomgevingen aangeboden om de hogere en midden inkomensgroepen vast te houden en aan te trekken.

Werken


  • Kennisintensieve bedrijvigheid en hoogwaardige werkgelegenheid: De gemeente zet zich in om kennisintensieve bedrijvigheid en hoogwaardige werkgelegenheid aan te trekken en te behouden. Dit gebeurt door onder meer te investeren in een optimalisering van het vestigingsklimaat. Vanuit de gemeente worden (techno)starters intensief ondersteund bij de start van een nieuwe onderneming.

  • Arbeidsmarktparticipatie: met het Programma Werk en Inkomen wordt de arbeidsmarktparticipatie in Enschede gestimuleerd. Dit gebeurt door een traject van activering, scholing, werkervaring en arbeidsbemiddeling.

  • Traineeproject Netwerkstad Twente: Dit project heeft als doel interesse te wekken bij jonge, hoogopgeleide mensen om te komen werken bij de gemeente. De trainees worden drie keer voor een periode van acht maanden ingezet op een bepaalde functie bij één van de gemeenten in Twente.

  • Career Center Twente: CCT is een samenwerkingsverband van topbedrijven in Twente, ondersteunt in de personeelswerving voor hoogopgeleiden. Voor hoger opgeleiden die in Twente willen wonen en werken betekent dit dat het CCT de carrièrestappen in Twente vergemakkelijkt.

  • Regionaal Platform Arbeidsmarkt Twente (RPA): Binnen het RPA zijn enkele partners uit de regio verenigd. Zij verrichten arbeidsmarktonderzoek en –analyse, activeren gezamenlijk (verborgen) arbeidspotentieel in Twente, stimuleren gezamenlijk ketendienstverlening Sociale Zekerheid, stemmen de arbeidsmarkt- en onderwijsbeleid in Twente op elkaar af en stemmen ondersteuningsaanbod starters initiatieven op elkaar af.

  • Fast Forward: Het Fast Forward project biedt pas afgestudeerde studenten de mogelijkheid om traineeships te volgen bij topbedrijven. Studenten kunnen hier in een periode van twee jaar kennis en ervaring opdoen.

  • TOP-regeling: deze regeling van de Universiteit Twente ervoor om afgestudeerden te helpen om een onderneming te starten zonder dat ze daar al een startkapitaal voor nodig hebben. Deze regeling heeft er al aan bijgedragen dat er honderden nieuwe bedrijven in de regio zijn opgericht.

Besteden


  • Aanbod hoogwaardige voorzieningen: Enschede zet zich in om een levendige en aantrekkelijke binnenstad te realiseren, door middel van een verschillend aanbod van activiteiten en producten.

  • Evenementen: Met het evenementenbeleid van de gemeente Enschede willen zij de komende jaren meer bezoekers naar Enschede trekken. Met clustering van evenementen, het maken van duidelijke keuzes, een heldere organisatie, meer geld en een betere promotie heeft Enschede de ambitie om zich sterk te profileren als de evenementenstad van Oost-Nederland.

Studeren


  • Promotie Enschede: De gemeente en Enschedese instellingen voor hoger onderwijs zijn verenigd in het platform Enschede Studentenstad (PEST). Doel van PEST is de promotie van Enschede als studentenstad. Het promoten van Enschede als studentenstad is ook een onderdeel van de campagne ‘Kleur de stad’ van de gemeente Enschede.

  • Afstemming hoger onderwijs en arbeidsmarkt: Met het Programma Opgroeien in de stad wordt ingezet om de verbinding en aansluiting tussen het beroepsonderwijs en de arbeidsmarkt te verbeteren. Daarnaast investeert de gemeente in een provinciaal arbeidsmarktinformatiesysteem. Vanuit de onderwijsinstellingen spannen enkele studie- en studentenverenigingen zich in om studenten in aanraking te laten komen met het bedrijfsleven.

  • HBO Job Service: HBO Job Service is een samenwerkingsverband tussen Saxion Hogescholen en Randstad. Via deze samenwerking ontstaat een combinatie van kennis en ervaring op het gebied van onderwijs en arbeidsbemiddeling. HBO Job Service heeft studenten in haar bestand die tijdelijk willen werken en ook afgestudeerden die de arbeidsmarkt willen betreden. Dit initiatief bevordert de aansluiting tussen onderwijs en de arbeidsmarkt.



3. Theoretisch kader

3.1 Binding studenten aan de stad/regio

Hogere onderwijsinstellingen worden steeds meer gezien als een fundamenteel element in de ontwikkeling van een stedelijk gebied. Universiteiten en andere hogere onderwijsinstellingen zijn in toenemende mate ingebed in de lokale socio-economische omgeving als een gemeente, bestaand uit tijdelijke burgers en consumenten, maar ook opinieleiders, trendsetters en beleidsmakers (Russo et al., 2003)

De relatie van studenten met de onderwijsinstellingen is direct noch objectief, zoals Dubet (V.V.A.A., 2001; in Russo et al., 2003) veronderstelt, maar wordt sterk gemedieerd door de omgeving. De conditie van studenten is tijdelijk. Aan het eind van hun studieperiode gaan afgestudeerden naar plaatsen waar de arbeidsmarkt betere mogelijkheden bieden. Echter is de kwaliteit van het leven gedurende de periode van hun studie en de integratie in de gemeente cruciale elementen in de beslissing van studenten om wel of niet te vertrekken (Russo et al., 2003).
Russo et al. (2003) noemen Rotterdam, Lille, Venice en Eindhoven het type studentensteden dat een proces van economische overgang ondergaat, waarin het hoger onderwijs een belangrijke rol in kan spelen. De kwaliteit van het hoger onderwijs is in deze steden geen probleem, en is juist goed te noemen. Problemen ontstaan met hun capaciteit om waarde toe te voegen aan het menselijk kapitaal dat daar is opgeleid. De meeste afgestudeerden kunnen niet worden overtuigd om te blijven na het afronden van hun studie. Dit is te wijten aan twee factoren: het lage profiel van de plaatselijke arbeidsmarkt voor verschillende beroepen en de ongeschiktheid van de stad om uitdagende voorzieningen te bieden aan jonge afgestudeerden met betrekking tot huisvesting en kwaliteit van het leven. Volgens Russo et al. (2003) zijn deze steden aan het worstelen om aantrekkelijker te worden en meer te kunnen concurreren, maar zij hebben een gebrek aan een duidelijke visie. Zij hebben behoefte om hun fysieke en een culturele ontwikkelstrategieën meer vooruitstrevend te maken en de sterke punten te communiceren. De relatie tussen universiteit en de gemeenschap is gemiddeld tot slecht te noemen. Daarnaast is de relatie tussen universiteit en business en private sector problematisch (Russo et al., 2003).

Gezien de eerdere informatie over Twente en haar problemen kan de regio worden vergeleken met de bovengenoemde steden. Het onderwijs in Twente wordt als goed waargenomen, maar de meerderheid van de afgestudeerde studenten vertrekt uit Twente om elders in Nederland een baan te vinden. Twente is niet in staat om afgestudeerden vast te houden. Twente is echter wel goed op weg om aantrekkelijker te worden. De Jongeren Organisatie voor Vrijheid en Democratie (JOVD) heeft Enschede zelfs uitgeroepen tot de toekomstige trekpleister van Nederland (Twentsche Courant Tubantia, 2008)


Een stad moet aantrekkelijk zijn voor studenten op alle momenten van hun carrière: vanaf het eerste moment wanneer zij besluiten om in een bepaalde plaats te gaan studeren (deze beslissing is minder geassocieerd met de reputatie van een universiteit en meer met de kwaliteit van leven waar zij plezier aan zullen beleven in een stad) tot het moment dat zij plannen maken voor hun toekomstige baan en vestiginglocatie (Russo et al., 2003).

Het verwelkomen en het aantrekken van studenten in het gemeenschapsleven is nodig, bijvoorbeeld door regelmatige evenementen, om empathie tussen lokale bewoners en de studenten te bewerkstelligen.


Russo et al. (2003) geven een aantal punten die een uitgebreide stedelijke strategie moet hebben voor een studentvriendelijke stad:

  • Aantrekken van studenten. De stad promoten als een student vriendelijke gemeente.

  • Ondersteunen van studenten. Het bieden van hoge kwaliteit services voor het verwelkomen en ondersteunen van studenten om een betere integratie met de gemeente te bereiken.

  • Vestigen van studenten. Het optimale patroon van studentvestigingen volgens de lokale context, moet worden geïdentificeerd om de impact van de studentgemeenschappen op de lokale woonmarkt te minimaliseren.

  • Studenten meer macht geven: Het is nodig om een ‘recht van burgerschap’ te herkennen, een rol geven in lokale beslissingen, die variëren van informele overleggen tot directe deelneming in het democratische leven.

  • Verhogen van contactmogelijkheden: tussen studenten en de andere lokale stakeholders en te integreren in een web van relaties dat de lokale economische omgeving karakteriseert en de inbedding van de universiteit in de stad versterkt.

  • Studenten gebonden houden aan de stad: zodat het menselijk kapitaal niet wordt verspreid na het afronden van de studie en de voordelen van kennis en culturele impact wordt gemaximaliseerd.


3.2 Sense of place
Wanneer wordt gesproken over de term ‘plaats’, is het niet duidelijk om welke plaats het gaat. Plaats is geen term dat afkomstig is uit de academische terminologie. Het is een woord dat we dagelijks gebruiken. Plaats kan refereren naar een positie, bestemming, eigendom, privacy en bezitting van een persoon (Cresswell, 2004). Daarnaast omvat het woord ‘plaats’ veel verschillende dimensies, zoals grootte, tastbaarheid of symbolisch, bekend of onbekend. Een plaats omvat ook de betekenis die inwoners geven aan een plaats door middel van persoonlijke, sociale en culturele processen (Altman & Low, 1992; in Prettier, Chipuer & Bramston, 2003). De definitie van plaats kan op veel verschillende manieren worden gebruikt en geïnterpreteerd. De term ‘plaats’ heeft in dit onderzoek de betekenis van een stad of regio.
Hidalgo & Hernandez (2001) geven aan dat er in de literatuur veel verschillende termen worden gebruikt om binding aan een plaats te beschrijven, voorbeelden zijn: community attachment, sense of community, place identity, place dependance en sense of place. Deze verschillende termen zorgen voor verwarring, omdat men niet weet of er over hetzelfde aspect wordt gesproken.
In de literatuur wordt de term place attachment op verschillende manieren gebruikt. Een aantal auteurs geeft place attachment weer als een op zichzelf staand construct, waaronder enkele andere dimensies vallen. Kyle, Mowen & Tarrant (2004) geven place attachment weer als een multidimensionaal construct. Zij maken onderscheid in ‘affective attachment’, ‘place identity’, ‘place dependance’ en ‘social bonding’.

Onderzoeken over het fenomeen place attachment, hebben laten zien dat place attachment een multidimensionaal construct is. Er is empirisch bewijs dat place attachment uit de dimensies affectieve attachment (Jorgensen & Stedman, 2001; Kyle, Graefe & Manning, 2005), place identity (Kyle et al., 2005), place dependance (Jorgensen & Stedman, 2001; Kyle et al., 2004) en social bonding (Jorgensen & Stedman, 2001; Hidalgo & Hernandez, 2002; Kyle et al., 2004; Kyle et al., 2005) bestaat.

Andere auteurs geven place attachment weer als een dimensie dat door een construct wordt omvat. Jorgensen & Stedman (2001) spreken bijvoorbeeld van een multidimensionaal construct, genaamd sense of place. Onder sense of place vallen volgens hen place attachment, place identity en place dependance. De dimensies worden ook wel aangeduid als affectief, cognitief en conatief (gedragsintentie). Er is enige overlap tussen de drie dimensies, maar ze zijn wel van elkaar te onderscheiden. Pretty et al. (2003) maken naast Jorgensen & Stedman (2001) ook gebruik van de naam sense of place. Onder dit construct vallen volgens hen de dimensies: place attachment, sense of community en place dependance.
Place attachment heeft dezelfde betekenis als sense of place wanneer het gaat om het overkoepelende construct van binding. Wanneer het gaat om een dimensie van binding heeft place attachment dezelfde betekenis als affectieve attachment. Hierbij staat namelijk het emotionele aspect van binding centraal. Om verwarring te voorkomen wordt over sense of place gesproken wanneer het over binding in het algemeen gaat. Hieronder worden de verschillende dimensies besproken van sense of place, namelijk place attachment, place identity en place dependence.

Place attachment

Individuen ontwikkelen een sterke sentimentele en emotionele band met de plaatsen waarin zij wonen. Deze ‘attachment to place’ wordt gedefinieerd als een positieve affectieve associatie tussen individuen en hun woonplaatsen, een associatie dat een gevoel van comfort en veiligheid geeft (Shumaker & Taylor, 1983; in McAndrew, 1998). Hidalgo & Hernandez (2001) omschrijven place attachment als een affectieve band of verbinding tussen mensen en specifieke plaatsen. Place attachment heeft altijd een emotionele inhoud. Individuen verschillen in mate waarin zij zich verbonden voelen met een stad of plaats. Een individu met een algemene place attachment kan tevreden zijn op tal van verschillende locaties, zolang deze locatie de juiste karakteristieken heeft (McAndrew, 1998). Daarnaast is de duur van verblijf in een plaats een mogelijke voorspeller van place attachment. Individuen die langer in een bepaalde plaats wonen ontwikkelen eerder een band met andere inwoners en fysieke attributen van de betreffende plaats (Jorgensen & Stedman, 2006). Daarnaast speelt het karakter van de mens ook een rol bij het ontwikkelen van een band. Wanneer iemand van veranderingen houdt dan zal degene minder snel een band opbouwen en dus eerder wegtrekken dan iemand die niet van verandering houdt. Dit wordt ook wel ‘desire for change’ genoemd (McAndrew, 1998). Deze mensen zijn meer op het verleden gericht dan op het heden (Giuliani, 1991).

Jorgensen & Stedman (2001) omschrijven affectieve attachment (ofwel place attachment) als een emotionele band met een bepaalde plek of plaats. In hun onderzoek naar binding van Lakeside vakantiehuiseigenaren aan hun huizen, laat zien dat het affectieve component van place attachment in meerdere mate de place attachment verklaarde dan de overige dimensies van place attachment (place identity en place dependance).

Tuan (1977; in Jorgensen & Stedman, 2001) suggereerde dat emoties alle menselijke ervaringen met elkaar verbinden, zodat de omgeving een betekenis krijgt door de stabiele emotionele bindingen.

Milligan (1998) maakte gebruik van een interactioneel framework om het bindingsproces van studenten met een café in kaart te brengen. De resultaten illustreerden dat emotionele binding ten opzichte van een plaats werd beïnvloed door de interactie van studenten met de omgeving en interactie met anderen binnen die omgeving.


Place identity

Place identity (cognitief) omvat de dimensies van een individu dat de persoonlijke identiteit van dit individu karakteriseert, dat verband houdt met de fysieke omgeving door middel van een complex patroon van bewuste en onbewuste ideeën, beliefs, voorkeuren, gevoelens, waarden, doelen en gedragintenties en vaardigheden die van toepassing zijn op deze omgeving (Proshansky, 1978, p. 155; in Jorgensen & Stedman, 2001). Place identity kan ook worden gezien als de cognities, beliefs, percepties of gedachten van een individu, die degene heeft geïnvesteerd in een bepaalde omgeving. De mate waarin iemand zich identificeert met een bepaalde plaats, varieert per persoon. Plaatsen waarmee mensen zich identificeren weerspiegelt vaak delen van de eigen identiteit (Kyle et al., 2004).

Volgens Prettier et al. (2003) is een plaats in de identiteit van een persoon geïntegreerd wanneer stellingen ‘ik’ en ‘mij’ bevatten in relatie met de plaats. Zulke persoonlijke positionering met betrekking tot een plaats kan aangeven dat de constructie van de self-identity de plaats omvat heeft. Een voorbeeld van zo’n stelling luidt als volgt: ‘Ik heb het gevoel dat ik mijzelf kan zijn in plaats x’ (Jorgensen & Stedman, 2001).

Twigger-Ross & Uzzel (1996) suggereren dat er vier processen ten grondslag liggen aan place identity:



  1. Place-related distinctiveness: om zich te onderscheiden van anderen.

  2. a. Place-referent continuity: plaats wordt in verband gebracht met het verleden. Bijvoorbeeld doordat men altijd in een bepaalde plaats heeft gewoond.

b. Place-congruent continuity: plaats komt overeen met overtuigingen van een persoon. Iemand leeft een in bepaalde plaats omdat de omgeving overeen komt met hoe iemand is, de manier waarop iemand wil leven.

  1. Place-related self-esteem: Een persoon is trots op zijn woonplaats of voelt zich goed in een bepaalde plaats.

  2. Place-related self-efficiacy: De voldoening van behoeften van een persoon in een plaats.


Place dependance

Place dependance (conatief) wordt gedefinieerd in hoeverre de omgeving het mogelijk maakt om bepaalde doelen te bereiken vergelijking met bestaande alternatieven. Hier gaat het bijvoorbeeld om welke plaats het beste past bij wat men leuk vindt. Bijvoorbeeld op het gebied van werken en wonen (Jorgensen & Stedman, 2001).

Place dependance verschilt op twee manieren van de overige dimensies van place attachment. Place dependance kan negatief zijn in de zin dat het bereiken van doelen kan beperken. Alle mogelijke opties kunnen negatief zijn, maar de optie die gekozen wordt kan als de beste keus van de slechte alternatieven zijn. Place dependance kan ook gebaseerd zijn op bepaald gedragsdoel in plaats van affectieve evaluaties (Jorgensen & Stedman, 2001). Wanneer iemand een hoog salaris belangrijker vindt dan de binding met een stad, zal degene eerder verhuizen dan iemand die de binding met de stad belangrijker vindt.
3.3 Social & Physical attachment
Veel studies uit de literatuur maken onderscheid in ‘physical en social attachment’ (Hidalgo & Hernandez, 2001; Van der Land, 2003). Van der Land (2003) spreekt naast ruimtelijke en sociale binding ook over mentale binding.

Onder sociale binding worden de sociale interacties verstaan die zich in de stad voordoen, de verbanden die daardoor ontstaan en voortduren, en de manier waarop individuen die ervaren (Van der Land, 2003). Wanneer betekenisvolle relaties ontstaan en worden behouden in een bepaalde omgeving, dan is het waarschijnlijk dat deze omgeving een betekenis krijg. Dit komt doordat deze omgeving de context vormt van het ontstaan van de relatie en ervaringen die de relatie met zich meebrengt. De sociale dimensie van binding betreft per definitie de mate en kwaliteit van de samenhang tussen mensen (Mesch & Manor, 1998; Van der Land, 2003).

Uit onderzoek van Mesch & Manor (1998) kwam naar voren dat sociale investeringen in de omgeving het gevoel (sentiment) naar die omgeving toe beïnvloedde. Mensen met meer hechte vrienden die in de omgeving wonen, uitten sterkere attachment naar de omgeving toe. Hidalgo & Hernandez (2001) rapporteerden overeenkomstige resultaten. Sociale attachment was sterker dan fysieke attachment met betrekking tot de ruimtelijke dimensies: huis, buurt en stad.

Zoals al eerder werd vermeld maakt Milligan (1998) gebruik van een interactieperspectief om de sociale dimensies van plaatsen te onderzoeken. Hij identificeerde twee nieuwe concepten in het social bonding proces, namelijk: interactional past (ervaringen in het verleden die geassocieerd worden met een plaats/herinnering) en interactional potential (eigenschappen of attributen van een plaats die activiteiten vormen, beperken en beïnvloeden).


Het ruimtelijke aspect van binding heeft betrekking op de ruimtelijke elementen in de stad. Ruimte vormt de grondslag voor territoria, waarbinnen specifieke politieke instellingen functioneren en bijvoorbeeld wetgeving tot stand komt. Maar ruimte bestaat ook uit veel gebruikte of symbolische plekken in de stad, zoals een haven of een museum, een plein of de omgeving waar men werkt of woord of de route die men dagelijks aflegt. Deze ruimtelijke elementen symboliseren en materialiseren binding (Van der Land, 2003). Er wordt opgemerkt dat door middel van interactie met de fysieke omgeving, de fysieke ruimte het onderwerp van attachment wordt (Kyle et al., 2005).
Het laatste aspect van binding heeft betrekking op het mentale aspect van binding, betrokkenheid, en is het meest complex van de drie aspecten. Betrokkenheid is altijd gebaseerd op bepaalde waarden. Men kan zich betrokken voelen bij een groep mensen wanneer men met die groep belangrijke waarden deelt. Deze kunnen meer of minder uitgesproken van karakter zijn. Men kan zich ook betrokken voelen bij een bepaalde plek wanneer die plek een belangrijke waarde symboliseert. De betrokkenheid die met een binding gepaard kan gaan, verwijst naar een heel scala van mogelijkheden: een bepaalde beleving, of iets concreter, een gevoel van verbondenheid of van trots. Mentale binding hoeft niet perse een sociaal karakter te hebben. Men kan zich bijvoorbeeld betrokken voelen bij een plek of groep mensen die je nog nooit hebt ontmoet, maar waar wel een geschiedenis, overtuigingen of belangen mee deelt (Van der Land, 2003). Van der Land (2003) geeft aan dat deze drie aspecten van binding nauw met elkaar samen hangen.
3.4 Binding door consumptie, participatie en nabijheid
Studenten kunnen de stad net zoals andere categorieën van stadgebruikers, gebruiken of consumeren zonder een deel van de gemeente te worden. In dit geval is er de universiteit-stad relatie in het geding (Pallares & Feixa 2000; in Russo et al, 2003). Van der Land (2003) noemt dit ook wel binding door consumptie. De stad vormt een onderdeel van een veel groter netwerk waaraan men (even partieel en flexibel) deelneemt. De stedelijke consumptiecultuur vormt een belangrijk decor waartegen deze bindingen zich afspelen. Sociale contacten die ten grondslag liggen aan deze vorm van stedelijke binding kenmerken zich door hun vluchtigheid, expressie en doelgerichtheid. Men kan zich betrokken voelen, maar omdat het om partiële betrokkenheid gaat, zijn het hele concrete, aanwijsbare plekken, mensen, beelden of dingen waarmee men een bepaalde betrokkenheid heeft.
Wanneer gunstige condities aanwezig zijn vindt de student zijn plaats binnen de stad, of is in staat zijn eigen ruimte te creëren, waardoor hij/zij een ‘bezit’ wordt voor de gemeente. Op deze manier integreren de studenten in de gemeente, waardoor zij zich gedragen als een drijfkracht van stedelijke ontwikkeling en verandering (Pallares & Feixa 2000; in Russo et al, 2003). Van der Land (2003) noemt dit binding door participatie. Stedelijke bindingen gebaseerd op participatie hebben een sterk maatschappelijk karakter. Het gaat om vrijwillige associaties die maatschappelijke betrokkenheid organiseren. Men onderhoudt sociale relaties om uiting te geven aan solidariteit met anderen. Hierbij kan men denken aan vrijwilligerswerk in sportclubs, op scholen of in het politieke circuit.
Binding door nabijheid is het laatste type binding en heeft betrekking op het wonen in en/of afkomstig zijn uit een bepaalde stad. Men deelt daardoor een eigen cultuur van kenmerkende gedragingen, een bepaalde taal of dialect en allerlei symbolen die de sociale samenleving versterken. De geschiedenis van de stad kent men goed en men voelt zich een deel van die geschiedenis. Symbolen die daarbij een rol spelen zijn: gebouwen, voetbalclub, mythes. Van der Land (2003) geeft aan dat de ruimtelijke context een grote rol speelt in dit type binding, omdat bepaalde ontmoetingen en gebeurtenissen uit het verleden erg belangrijk zijn. Men voelt niet of nauwelijks behoefte om andere steden of dorpen te bezoeken.

3.5 Binding vanuit andere invalshoeken
Naast de literatuur over sense of place biedt de theorie over organizational commitment en student loyalty ook aanknopingspunten om binding te verklaren. Door binding vanuit andere invalshoeken te bestuderen wordt er een zo’n compleet mogelijk beeld van binding gecreëerd.
3.5.1 Organizational commitment

Meyer & Herscovitch (2001) hebben een reviewonderzoek gedaan met betrekking tot commitment. Zij kwamen tot de conclusie dat commitment in het algemeen refereert naar het feit dat (a) commitment een stabiliserende of verplichtende kracht is en (b) dat deze richting geeft aan het gedrag (beperkt de vrijheid, bind de persoon aan een handelwijze).

Organizational commitment is de psychologische toestand dat het individu aan de organisatie bindt (Allen & Meyer, 1990). Allen & Meyer (1990) hebben een model ontwikkeld dat drie dimensies van organizational commitment onderscheid, namelijk: affectieve, continuerende en normatieve commitment. Zij hebben hun model geëvalueerd en concludeerden dat er bewijs was voor de veronderstelde hypothesen, namelijk dat commitment een multi-dimensionaal construct is (Allen & Meyer, 1996).

Affectieve commitment (verlangen) verwijst naar de emotionele verbondenheid met de organisatie en komt overeen met de eerder besproken term place of affectieve attachment dat ook een emotionele lading bevatte. Normatieve commitment (verplichting) is de mate waarin een persoon zich verplicht voelt om te blijven en continuerende commitment (kosten) staat voor de verbondenheid die gebaseerd is op de kosten die een persoon associeert met het verlaten van de organisatie. Continuerende commitment wordt gekarakteriseerd door de waarneming dat het kostbaar zou zijn om een handeling niet voort te zetten. Hierbij zijn de gemaakte investeringen en het gebrek aan alternatieven van belang (Allen & Meyer, 1996). Hierbij komt een aspect om de hoek kijken wat in de eerdere literatuur over place attachment onbesproken bleef. Een student kan met verschillende redenen of doelen in Twente komen studeren. Een student kan bijvoorbeeld een studie in Twente volgen, omdat deze nergens anders wordt aangeboden. Dit kan tot gevolgen hebben dat de student in mindere mate open staat voor sociale contacten in Twente en zich alleen focust op zijn/haar studie. Dit kan de relatie tussen de student en de regio negatief beïnvloeden.



figuur 2: A general model of workplace commitment (Meyer & Herscovitch, 2001)
De consequenties van gedrag ten aan zien van commitment heeft een grotere kans tot uiting te komen in het focale (observeerbare) gedrag. Gebonden zijn door verlangen is een sterkere kracht dan gebonden zijn door een verplichting of behoefte. Commitment kan variëren in sterkte. Een individu kan zich iets gebonden of onvoorwaardelijk gebonden voelen. Ook bij organizational commitment blijkt dat het affectieve aspect de meeste invloed heeft op de ontwikkeling van de commitment en invloed heeft op het focale gedrag (Meyer & Herscovitch, 2001).
Een ander aspect dat niet in de literatuur van regionale binding voorkomt is external commitment. External organizational commitment houdt in dat een werknemer van een organisatie ook verbonden is met een andere organisatie. Een werknemer kan zich ook identificeren en betrokken voelen bij een andere organisatie dan hij/zij werkzaam is. Commitment naar meerdere organisatie is normaal in het bedrijfsleven (McElroy, Morrow & Laczniak, 2001). In het kader van regionale binding kan een student die niet van oorsprong uit Twente komt zich sterk betrokken voelen bij zijn ouderlijke woonplaats. Wanneer dit het geval is, dan is de kans groter dat de student na afronding van zijn studie terugkeert naar zijn ouderlijke woonplaats.

3.5.2 Student loyalty

Vanuit de literatuur is er steeds meer aandacht voor student loyalty, zodat de drop-out van studenten tijdens colleges aan de universiteit wordt verminderd (Hennig-Thurau, Langer & Hansen, 2001; Tinto, 1975). Wederom staat hier commitment centraal en is het belangrijk dat de student een band opbouwt met de onderwijsinstelling, zodat er een langdurige relatie ontstaat en wordt behouden.

Student loyalty staat centraal binnen de relationship marketing. Relationship marketing verwijst naar het management van alle marketingactiviteiten die er zijn om succesvolle relatie-uitwisselingen op te bouwen, ontwikkelen en te behouden (Morgan & Hunt, 1994). Hogere onderwijsinstellingen worden volgens verschillende auteurs gezien als een service organisatie (Dolinsky, 1994; Joseph & Joseph; Kotler & Fox, 1995; in Hennig-Thurau et al., 2001). Stabiele, lange termijn relaties met klanten maken het serviceorganisaties mogelijk de negatieve consequenties van ontevredene ervaringen ongedaan te maken, die onvermijdelijk zijn gezien het ontastbare en individuele karakter van deze services (Rust, Zahorik & Keiningham, 1996; in Hennig-Thurau et al., 2001).
Hennig-Thurau et al. (2001) hebben opgemerkt dat er geen algemeen geaccepteerd conceptueel model is kijkend naar het loyaliteit-proces van studenten. Zo’n model is echter van belang bij de ontwikkeling van op theorie gebaseerde consistente strategieën om de loyaliteit van studenten aan de universiteit te verhogen. De loyaliteit van een student naar zijn onderwijsinstelling moet niet alleen de diensten van de universiteit gebruiken op een reguliere basis, maar moet ook een positieve cognitieve-emotionele attitude hebben ten opzichte van de instelling, een attitude dat de onderliggende motivatie levert voor zijn of haar gedrag.

Het model van Hennig-Thurau et al. (2001) is gedeeltelijk afgeleid van het theoretisch model van Tinto (1975). Tinto (1975) heeft veel onderzoek gedaan naar loyaliteit van studenten. Zijn theoretisch model geeft mogelijke verklaringen voor de processen tussen studenten en universiteiten. Naast de persoonlijke kenmerken van de student (familie achtergrond, vaardigheden en bekwaamheden etc.) zijn commitment en integratie de twee belangrijkste constructen die ten grondslag liggen aan het model van Tinto (1975). Volgens Tinto (1975) zijn commitment en integratie constructen die dicht gerelateerd zijn aan elkaar binnen een dynamisch proces. Commitment van de studenten heeft direct invloed op de loyaliteit. De mate waarin de student is geïntegreerd in het sociale en academische systeem van de universiteit speelt een belangrijke rol in de ontwikkeling van de commitment. Tinto (1975) maakt onderscheid in drie vormen van commitment, namelijk; goal commitment (de commitment van de student ten aanzien van zijn of haar doelen), institutional commitment (de commitment van de student ten aan zien van de universiteit) en external commitment (de niet-universiteit-gerelateerde activiteiten en interesses). External commitment heeft een negatieve invloed op de loyaliteit van studenten.

Wat opvalt is dat external commitment niet alleen bij organizational commitment, maar ook bij student loyalty een belangrijke rol speelt bij de ontwikkeling van loyaliteit. Daarnaast kan goal commitment worden vergeleken met continuerende commitment van de organisatorische invalhoek. Bij beide aspecten gaat het om de doelen die men stelt.



  1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina