Bio samenvatting hoofdstuk 11



Dovnload 17.86 Kb.
Datum26.08.2016
Grootte17.86 Kb.
BIO samenvatting hoofdstuk 11
Ecologie: planten en dieren in hun natuurlijke omgeving en de relaties die ze onderling en met hun omgeving hebben.

Ecologische relaties: v.b. voedingsrelatie, woonrelatie, voortplantingsrelatie.


Planten en dieren passen zich aan aan de omgevingsfactoren.
Ecosysteem: een begrensd gebied waar abiotische en biotische factoren een eenheid vormen. Functioneert als een geheel en kan daardoor langere tijd een vaste soortensamenstelling bewaren.

Subecosystemen: kleine ecosystemen (hier en daar een naaldbosje, af en toe een heide veldje)


Levensgemeenschap: planten en dieren (biotische factoren)
Klimaat: temperatuur, lucht wind en water.
Bodemgesteldheid: onderliggende aardlaag, weersomstandigheden en de organismen die er in of op leven.
Vegatatiegordels/vegatatiezones:

De belangrijkste:



  • Tropisch regenwoud

  • Grasland

  • Woestijn

  • Loofbos

  • Naaldbos

  • Toendra

  • Poolkappen en ijszee

Lagen begroeiing in een loofbos:



  • Moslaag

  • Kruidenlaag

  • Struiklaag

  • Boomlaag

Abiotische factoren: behoord tot de niet-levende natuur.

Abiotische factoren: levenloze natuur en ook nooit geleefd. (temperatuur, vochtigheid, bodemstructuur, licht, lucht, sneeuw)

Biotische factoren: levend of ooit levend geweest.

Biotische factoren: levende en niet meer levende omgeving. (houtstronk, dieren, planten)
Abiotische factoren:


  • Macroklimaat: gemiddelde weersgesteldheid in een bepaald gebied.

  • Microklimaat: klimaat in de buurt en op de plaats van het organisme.

  • Verspreidingsgebied: het gebied waar een soort van nature voorkomt.

Abiotische factoren bepalen welke biotische factoren er bestaan en het functioneren van de biotische factoren.
Minimum en maximum zijn de omstandigheden waarbij een organisme nog net kan overleven.

Tolerantiegrenzen: minimum en maximum.

Optimum: beste omstandigheden voor een organisme.

Optimumkromme: diagram van de gevoeligheid van/voor een bepaalde soort. Geeft het tolerantiegebied weer.


Beperkende factor: de factor die het verst weg ligt van de optimumwaarde. Bepaalt de overlevingskansen.
Belangrijkste abiotische factoren:

  • Licht:
    zonplanten hebben hogere lichtbehoefte dan schaduwplanten. Voorjaarsbloeiers kunnen snel groeien omdat ze reservestoffen van het jaar daarvoor hebben bewaard.

Groeirichting: altijd richting het licht

Seizoensritmiek: bladeren groeien/vallen/ruien van vacht, ligt allemaal aan de daglengte.



  • Temperatuur:
    omgevingstemperatuur: heeft grote invloed op activiteiten van organismen.
    koudbloedige (wisselende lichaamstemperatuur) dieren zijn hier afhankelijk van. Warmbloedige dieren (constante lichaamstemperatuur) kunnen zich warm houden bij koudere temperatuur, maar dat kost veel energie.

  • Lucht: O2, CO2 en N2
    luchtverplaatsing is wind, zorgt voor stuifmeel verspreiding etc.

  • Water: bouwstof, oplosmiddel, transportmiddel, warmtereservoir, koelmiddel.
    maakt leven mogelijk
    waterplanten hebben geen luchtkanalen, landplanten hebben een waslaagje, hoe warmer hoe dikker het waslaagje.
    zoutplanten lijken op planten in droog milieu want veel zout zorgt voor een hoge osmotische waarde.
    meeste diersoorten komen voor in een vochtige omgeving.
    dieren die nooit drinken gebruiken water dat vrijkomt bij stofwisselingsprocessen.
    watertemperatuur omhoog, zuurstof omlaag.
    stromend water bevat meer zuurstof dan stilstaand water
    hoe hoger de zuurgraad van het water, hoe meer giftig (aluminium) metaal kan oplossen. Ph lager dan 6; bepaald organismen overleven niet meer.
    organische voedingsstoffen die opgelost zijn in water hebben invloed op de plantengroei.
    algenbloei: door voedselrijk water, kan sloot volledig verstikken.
    zoutgehalte bepaald het voorkomen van soorten.

  • Bodem: standplaats, structuur, aanwezige diersoorten, korrelgrootte, zuurgraad, kalkgehalte, vochtigheid.
    humus: verbeterd bodemstructuur, dode plantaardige en dierlijke resten, ook biotische factor.
    zandige bodem: grootte korrels, veel lucht, water snel naar beneden.
    kleiige bodem: kleine korrels, weinig lucht, veel water en voedingsstoffen.

Voedingsrelaties: eten en gegeten worden.


Herbivoren: alleen planten

Omnivoren: planten en dieren

Carnivoren: alleen dieren
Consumptie: het op eten

Predatie: het opeten van een ander dier


Symbiotische relaties: verschillende soorten leven samen

  • Mutualisme: beide soorten hebben voordeel

  • Commensalisme: 1 soort heeft voordeel de ander geen voordeel maar ook geen nadeel

  • Parasitisme: 1 soort heeft voordeel (de parasiet) de andere soort heeft nadeel

Competitie: dieren en planten concurreren om de beste plaats. Sterkste, best aangepaste soort wint.


Populatie: groep planten/dieren van dezelfde soort binnen een levensgemeenschap
Ecologische nis: functie van een soort in een ecosysteem. Twee verschillende diersoorten kunnen niet twee precies dezelfde nissen vullen, er ontstaat een gevecht, een wint.
Hoe meer soorten in een ecosysteem, hoe gespecialiseerder is de nis.
Habitat: leefplek van een soort in een ecosysteem.

Populatiedichtheid: grootte van een populatie. Aantal individuen per oppervlakte eenheid en per volume eenheid op een bepaald tijdstip.


Hangt af van:

  • Geboortecijfer: aantal geboren jongen per jaar

  • Sterftecijfer: aantal dieren dat per jaar sterft

  • Irrigatie: aantal dieren dat per jaar weg gaat en niet meer terug komt.

  • Immigratie: aantal dieren dat ergens anders vandaan komt en hier blijft.

Biologisch evenwicht: als de populatiedichtheid een langere tijd rond een evenwicht schommelt.


S-vormige groeicurve: komt nieuwe soort in het ecosysteem en er ontstaan natuurlijke relaties.

J-vormige groeicurve: snelle toename en zeer snelle afname. Nieuwe soort is een plaag, neemt toe en sterft aan bijv. ziekte.


Pioniersoorten: onbewoond plekje waar planten zich nestelen, kunnen tegen barre omstandigheden.

Populatie groeitpioniersecosysteemkomt humus planten en dieren nemen toe.

Pioniersecosysteem: meest stabiele ecosysteem, het bosecosysteem.
Successie: opeenvolging van levensgemeenschappen in een bepaald gebied.

Climaxecosysteem: eindstadium in de successie, voedselkringen zijn gesloten en er heersen biologische evenwichten.


Dynamiek: de mate van onrust die er heerst. Zorgt dat niet elke successie een climaxecosysteem wordt.
Biodiversiteit: verscheidenheid aan soorten organismen in een ecosysteem. Hoe hoger, hoe minder kwetsbaar het ecosysteem.
Kleine dichtheid  afname van predatie, ziekte en concurrentie: voldoende voedsel  grote dichtheid  toename predatie, ziekte en concurrentie: voedselgebrek  kleine dichtheid



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina