Biochemie II – zelfstudie vragen Hoofdstuk 9 – Anatomie van een genoom Geef een operationele definitie van het begrip ‘gen’



Dovnload 139.61 Kb.
Pagina1/3
Datum16.08.2016
Grootte139.61 Kb.
  1   2   3
BIOCHEMIE II – zelfstudie vragen

Hoofdstuk 9 – Anatomie van een genoom
Geef een operationele definitie van het begrip ‘gen’.

Een gen is een DNA-segment dat de nodige info bevat voor de synthese van een functioneel RNA-molecuul, dit RNA wordt dan vertaald tot eiwit.
Verklaar volgende begrippen: fenotype (overerfelijke uiterlijke kenmerken), locus (plaats waar het gen ligt op het chromosoom), allel (factor die fenotype beinvloed), linkage (koppeling van genen als ze worden doorgegeven naar een volgende generatie), recombinatie (uitwisseling van delen van chromosomen door crossing-over tijdens meiose), centiMorgan (afstand tussen gebruikte merker en ziektegen als graad voor koppeling), reverse genetics (directe DNA-sequentie analyse), syntenie (gelijkwaardige ordening van genen tussen verwante soorten), zusterchromatiden (juist gekopieerde zusterchromatiden), centromeer (punt waar chromatiden fysich verbonden zijn), telomeer, karyotype (lichtmicroscopische opname van metafase chromosomen), reciproke translocatie (uitwisseling van chromosomen), transfectie (extra chromosoom in de cel brengen), heterochromatine (sterk gecondenseerd dus opgerold), euchromatine (niet-gecondenseerd dus ontrold), Barr-lichaampje (heterochromatine door gecondenseerd X- chromosoom), lyonisatie (inactivatie van X-chromosoom), C-paradox (relatie tussen hoeveelheid DNA en complexiteit van organisme), pseudogen (gen dat door mutatie inactief is geworden), exon-shuffling (alternatieve mogelijkheden in het verwijderen van exons leiden tot verschillende eiwitten uit 1 gen), heteroplasmie (voorkomen van meer dan 1 type organellair genoom bijv mDNA), minisatelliet (VNTR Variable Number of Tandem-Repeats, hoge graad van polymorfisme), microsatelliet (zeer korte tandem-repeats van 2-4 bp), haplotype (een door koppeling overerfbare allelencombinatie op 1 chromosoom), genotype (verzameling eigenschappen van het individu die is overgeërfd van beide ouders)
Hoe kan koppelingsanalyse gebruikt worden voor het lokaliseren van menselijke aandoeningen die een mendeliaanse wijze van overerving vertonen? Geef hiervan enkele voorbeelden.

Door een merker-gen in de buurt van een ziektegen te plaatsen en dan te kijken of en hoeveel er crossing-over optreedt kan men de afstand tussen merkergen en ziektegen bepalen. Met heel goede merkers die zeer dicht bij het ziektegen liggen (dus veel crossing-over) kan men zelfs het ziektegen identificeren.
Beschrijf in het kort de complementatie-analyse zoals uitgevoerd door Beadle en Tatum bij Neurospora crassa. Wat werd hierdoor aangetoond ?

Dit experiment testte de functionele effecten van genen. Men onderzocht het fenotype van een organisme dat 1 voedingsstof extra nodig heeft om te kunnen groeien in een synthetisch kweekmedium. Door 2 mutanten bij elkaar te zetten die beide niet kunnen groeien zonder toevoeging van histidine aan het kweekmedium kon men kijken of ze elkaar konden complementeren. Groeien de cellen in afwezigheid van histidine dan liggen de mutaties op 2 verschillende genen en complementeren ze elkaar. Zo niet liggen de mutaties op hetzelfde gen en is er geen compelementatie.
Hoe kan het bepalen van het karyotype bijdragen tot de diagnose van chronische myeloide leukemie?

In het geval van chronische myeloide leukemie is een deel van de lange arm van chromosoom 9 uitgewisseld met die van chromosoom 22 door reciproke translatie. In een karyogram zie je dankzij de kleuring dan deze uitwisseling.
Beschrijf de structuur en functie van CEN en ARS sequenties bij gistchromosomen.

Dit zijn sequenties die het gedrag van chromosomen regelen. De ARS-sequentie is verantwoordelijk voor replicatie en is een AT-rijke sequentie van 250 bp. De CEN-sequentie zorgt voor de seggregatie van de zusterchromatiden. Hij is ook AT-rijk, 100 bp en ligt in het centromeer.

Wat is de moleculaire structuur van nucleosomen en van de 30-nm vezel (solenoïde) ?

Nucleosoom onstaat doordat DNA zich 2 maal windt rond een kern van 8 histonen (de histonen octameer: 2x H2A, H2B, H3 en H4). De 30 nm solenoide ontstaat doordat histon H1 de kralenketting van nucleosomen (10nm diameter) en linker-DNA tot een soort spoel oprolt. Dit is een buisvormige structuur met 6 nucleosomen per winding.
Hoe kan histonacetylatie en –deacetylatie bijdragen tot (de)activatie van genen ?

Transcriptionele gebieden vertonen een hogere graad van histon-acetylering dan niet-actieve gebieden. Geacetyleerde N-termini van histonen H2A, H2B, H3 en H4 binden niet op het DNA en laten transcriptiefactoren hun gang gaan. De acetylatie van de N-terminale lysineresidu’s wordt verzorgd door HAT’s (histon acetyl transferasen) en vindt plaats op de ε-aminogroep van de zijketen.
Geef enkele voorbeelden van niet-histoneiwitten.

Niet-histon eiwitten zijn vooral verantwoordelijk voor het eiwitskelet van het chromosoom (zowel tijdens metafase als interfase). Een voorbeeld is topoisomerase II dat de 1 van de ketens van DNA doorknipt, het doorgeknipte einde rond de andere keten doet draaien en vervolgens het weer aan elkaar plakt. Zo worden knopen in het DNA vermeden.
Beschrijf de menselijke β-globine genencluster.

In een cluster zijn de spacers tussen genen aanzienlijk korter. De B-globinecluster op chromosoom heeft genen die op 10 kb van elkaar uit elkaar liggen. Verder komen de clusters vaak voor in de DNA-lussen van 10000 tot 100000 bp lang. Er zijn 2 relatief korte introns aanwezig.
Geef voorbeelden van tandem-repeat genenclusters. Wat is het functioneel belang hiervan?

De histon- en rRNA-genenclusters zij tandem-repeat clusters. Doordat de cel zeer op zeer korte tijd veel ribosomen en histonen moet kunnen produceren is het goed dat er meerdere genen voor bestaan. De tandem-repeats van de rRNA-clusters liggen aan de uiteinden van enkele chromosomen (microscopisch te zien als nucleolus). De tandem-repeats van de histonen-clusters worden van elkaar gescheiden door spacer DNA.
Geef voorbeelden van exon-shuffling bij eiwitten betrokken bij de regulatie van de bloedstollingscascade.

Een gevolg van exon-shuffling is de enorme variatie aan eiwitten die men uit 1 gen kan maken. Men vindt hetzelfde Kringle-domein in tissue-plasminogen-activator en in factor XII een bloed stollingseiwit.
Schets de organisatie van het menselijk nucleair genoom zowel wat betreft het voor genen als niet voor genen coderend DNA.

Het humaan genoom bestaat uit het nucleair en mitochondriaal genoom. Het nucleair genoom bestaat uit 20-30 % uit genen dat dan in eiwitcoderend en in niet-eiwitcoderend (introns en flankerende sequenties) kan worden verdeeld. Het andere deel van het nucleair genoom bestaat uit 70-80% niet voor genen coderend DNA. Dit kan dan onderverdeeld worden in unieke spacers, pseudogenen, gen-fragmenten, ALU- of LINE repeats en tandem- en cluster-repeats.
Wat is satelliet-DNA? Geef hiervan voorbeelden bij het menselijk genoom.

Dit is het eerst ontdekte sterk repetitief tandem-repeat-DNA en heeft onder andere een relatie met de functie van telomeren. Deze simpele sequenties worden veel na elkaar herhaald in het DNA.
Beschrijf de structuur, lengte en voorkomen van menselijk mitochondriaal DNA.

Het cirkelvormig mitochondriaal DNA codeert voor 2 soorten rRNA, 22 tRNA’s en 13 soorten mRNA’s. De voor genen coderende informatie bestrijkt bijna 100% van het hele genoom zodat er bijna geen plaats is voor spacers of introns. de 2 complementaire DNA strengen (H- en L- keten) coderen coor functioneel RNA, maar vooral de H-keten codeert.
Welke genen worden gecodeerd door menselijk mitochondriaal DNA? Hoe gebeurt de overerving van dit DNA?

De genen coderen voor 2 soorten rRNA, 22 tRNA’s en 13 soorten mRNA’s. De overerving gebeurt niet via mendeliaans patroon maar alleen de mitochondrien van de moeder worden doorgegeven. Deze bevinden zich in de eicel en worden niet meegedragen door de spermatozoiden.
Wat zijn mogelijke gevolgen van mutaties in menselijk mitochondriaal DNA?

Dit worden mitochondriale ziekten; afwijkingen van het centraak zenuwstelsel (doofheid, aantasting van de oogzenuw) en vormen van suikerziekte.


Wat zijn de belangrijkste HLA-klasse I, -klasse II en –klasse III genen?

De meest telomerische regio bevat HLA-klasse I (A-, B- en C-) genen. Deze regio komt tot expressie in vrijwel alle lichaamscellen. HLA-klasse I eiwitten presenteren antigene peptiden aan membraangebonden receptoren van cytotoxische T-cellen. Meestal zijn de peptiden van in stukjes geknipte lichaamseigencellen afkomstig (self) maar bij virale infectie worden de virale eiwitten in peptiden geknipt en laten zien. Dit start de immunologische respons.

Expressie van HLA-klasse II (DR-, DQ-, en DP-) genen vindt plaats in antigeen presenterende cellen zoals macrofagen, dendritische cellen en ge-activeerde B-cellen. De gepresenteerde peptiden zijn afkomstig van gefagocyteerde eiwitten. Het HLA-eiwit functioneert als een membraaneiwit dat het antigene peptide aanbied aan een T-cel.

Verder coderen de TAP1- en TAP2-genen voor transporteiwit van antigene peptiden, dat deze peptiden naar het ER-lumen brengt waar ze binden op lege klasse I moleculen. DE LMP-genen dragen bij tot het vormen van een proteasoondat cellulaire peptiden in stukjes hakt. De HLA-genen coderen ook nog voor eiwitten van het complement systeem, voor tumor necrosis factor (TNF, cytokine) en voor heat shock protein 70 (hsp70).
Wat zijn de belangrijkste soorten DNA polymorfisme in het mensgenoom, en wat zijn hun kenmerken?

Het HLA-complex, de VNTR’s (minisatellieten) en de microsatellieten. Het zijn tandemrepeats en het ze hebben een vrij korte sequentie.


Schets in grote lijnen hoe de informatie uit het Menselijk Genoom Project kan aangewend worden in hetr actueel (bio)medisch onderzoek.
Hoofdstuk 10 – Continuïteit en verandering in de DNA-sequentie van het genoom
Beschrijf kort de verschillende fasen van de celcyclus van zoogdieren.

De beslissing om te starten met de celdeling wordt genomen in de G1-fase, ook wordt de replicatie van het DNA voorbereid. De lengte van de G1-fase is zeer variabel. Hierna begint de S-fase waarin van het hele menselijke diploide genoom een kopie wordt gemaakt. De lente van deze fase bedraagt 10 uur voor een menselijke cel. Na de S-fase komt eerst nog de G2-fase voordat de cel overgaat tot mitose. De G1-, S- en G2-fase vormen samen de interfase. In de G2-fase wordt uiteindelijk de beslissing genomen om tot mitose over te gaan en wordt de mitose ook voorbereid. De echte celdeling (cytokinese) vindt plaats tijdens de mitose die slechts enkele procenten van de tijdsduur van celcyclus bestrijkt.

De interfase wordt microscopisch gekenmerkt door de aanwezigheid van homogeen chromatine in een celkern. In de mitose worden de chromosomen zichtbaar, migreren ze naar 1 vlak en seggreren ze naar dochtercellen.
Wat is de functionele relatie tussen cyclines en cycline-afhankelijke proteïnekinasen bij de celcyclus?

Het labiel cycline en stabiele proteine kinase (p34-eiwit) vormen samen het MPF (maturation promoting factor). Deze factor reguleerde de overgang tot mitose. De M-cyclines worden aangemaakt tijdens de G2-fase en afgebroken juist na de mitose. Tijdens de G2-fase vormt het cycline met het p34-eiwit het pre-MPF-complex. Het actieve MPF gaat eiwitten fosforyleren wat de mitose start.
Welke eiwitten zijn van belang voor de bewaking van de celcyclus ter hoogte van de moleculaire ‘checkpoints’?

Dat zijn de eiwitten pRb en p53 tijdens de G naar S overgang.
Wat is de functie van telomerase?

Telomerase herstelt het chromosoom-einde, de telomeer die bij elke celdeling ongeveer 100 bp korter wordt. Telomerase is actief in kankercellen en dit verklaart waarom deze zich oneindig kunnen delen. Dankzij telomerase wordt hun voor genen coderend DNA niet aangetast na vele celdelingen.
Noem de elementen op die nodig zijn voor de replicatie van DNA.

Helicase openen de dubbel helix bij startpunten met de startsequentie ORI. Hierdoor ontstaan 2 replicatievorken. DNA-polymerase schuift over de matrijs, leest de basenvolgorde en katalyseert de aaneenschakeling van nieuwe bouwstenen tot een complementaire keten. Verder zijn er primers nodig om deze in de richting 5->3 te verlengen (primerelongatie). RNA-ligase is nodig om de Okazaki-fragmenten aan elkaar te lassen op de lagging strand. Verder zijn topo-isomerasen nog nodig om het superopgerolde DNA te ontspannen en knopen te voorkomen.
Beschijf de verschillen in DNA replicatie ter hoogte van de ‘leading’ en de ‘lagging’ streng.

Aangezien DNA-polymerase alleen van ‘5 naar ‘3 kan werken moet er voor de lagging strand een oplossing worden gevonden. deze is om primers te plaatsen op verschillende afstanden van elkaar en het DNA-polymerase vanaf deze primers te laten werken. Zo krijg je allemaal losse fragmenten (Okazaki-fragmenten) die dan door een ligase aan elkaar moeten worden gelast.
Wat zijn de belangrijkste DNA-polymerasen van E. coli en bij eukaryoten?

E. Coli bezit DNA-polymerase I dat belangrijk is bij DNA herstel en DNA-polymerase III dat voor replicatie zorgt.

Bij mensen zorgen DNA-polymerasen α en δ voor replicatie van het nucleair DNA. DNA-polymerase β zorgt voor DNA-herstel en DNA-polymerase γ zorgt voor de replicatie van mitochondriaal DNA.
Welke hulpeiwitten zijn naast DNA-polymerase nodig voor een efficiënte DNA-replicatie?

Hulpeiwitten zijn topoisomerase dat het superopgerold DNA doet ontspannen. DNA-Helicase katalyseert het ontrollen van de DNA-helix aan de replicatievork. De enkelstrengen worden meteen gestabiliseerd door single-strand binding proteins. Primase zorgt op de lagging strand voor de synthese van RNA-primers.
Beschrijf de rol van topo-isomerasen.

Doordat de DNA-helix moet ontrollen op bepaalde plekken maar zijn uiteinden niet kunnen roteren ontstaan er naast de ontrolde plaatsen superwindingen. Deze superwindingen kunnen maar in een beperkte mate ontstaan omdat ze anders voor teveel spanning zorgen en de helix kan scheuren. De topoisomerasen lossen dit op door 1 of 2 ketens van de helix door te knippen, de losse einden rond elkaar te laten draaien en dan weer aan elkaar vast te lassen.
Wat is het functioneel belang van de 3’→5’ en van de 5’→3’ exonuclease activiteit van DNA-polymerase?

De 3’5’ exonuclease activiteit is nodig bij proofreading, het kijkt na of de nieuw aangebouwde base Watson-Crick complementariteit vertoont ten opzichte van de matrijs. De 5’3’ exonuclease-activiteit wordt gebruikt om de primers van Okazaki-fragmenten te verwijderen.
Welke componenten dragen bij tot de grote betrouwbaarheid van DNA-replicatie?

De 3 componenten zijn kieskeurige keuze van het substraat volgens de Watson-Crick basenparen regels, proofreading (correctie van een fout gekozen substraat) en het mismatch-herstel dat via knip- en plakwerk zeldzame fouten herstelt.
Wat is ‘mismatch’ herstel? Beschrijf de moleculaire mechanismen van dit type DNA-herstel bij E. coli.

Kort na replicatie van het bacterieel chromosoom is de nieuw aangemaakte DNA-streng chemisch te onderscheiden van de matrijsstreng doordat alleen deze gemethyleerd op het adenine ter hoogte van GATC-sequenties. Wanneer de base van de nieuwe streng niet past wordt deze via hydroluuse verwijderd. Het kwaliteitscontrolerende MutS eiwit controleert de DNA-duplex. Indien er een basen-incompatibiliteit ontdekt wordt worden de eiwitten MutL en MutH naar de plaats van de fout gestuurd. MutH knipt dan met hulp van MutL de niet-gemethyleerde streng ter hoogte van 2 flankeerde GATC-sites. MutU ontrolt beide strengen in het gebied van de breuk, DNA-polymerase vult het gat en DNA-ligase herstelt alles.
Wat is het essentieel verschil tussen een somatische en een kiemlijnmutatie?

Een kiemlijnmutatie is een mutatie in de geslachtscellen (gameten) en zorgt voor een erfelijk overdraagbare verandering voor nakomelingen. Een somatische celmutatie resulteert in een verandering van de getroffen cel en zijn eventuele nakomelingen, deze is dus lokaal en individueel.
Noem ten minste vier soorten van DNA-schade ter hoogte van specifieke basen in DNA.

Hydrolyse van purinebasen, oxydatie van guanine, TT-dimeren-vorming na absorptie van een UV-foton door een thyminebase en hydrolytische deaminatie (omzetting van cytosine tot uracil).
Hoe ontstaan TT-dimeren en door welk mechanisme kunnen ze worden hersteld?

TT-dimeren ontstaan door absorptie van een UV-foton door een thyminebase die de energie van het foton gebruikt voor brugvorming met een naburig thymine. Het gevolg is een covalente structuur die de DNA-helix verstoort en de replicatie en transcriptie verhindert. Herstel kan door de fotoreactivatie waarbij een speciaal enzym (fotolyase) het TT-dimeer herkent, erop bindt en wacht op een nieuw foton om de energie hiervan te gebruiken om het TT-dimeer te verbreken. Een andere optie van herstel is een vorm van excisieherstel waarbij het DNA aan weerszijden van de TT-dimeer door een endonuclease wordt doorgeknipt en het gat door DNA-polymerase en DNA-ligase wordt gedicht.
Waarom wordt de hydrolytische deaminatie van cytosine premutageen genoemd?

De verandering is premutageen omdat uracil tijdens de transcriptie en replicatie adenine kiest als complementaire base, terwijl cytosine een paar vormt met guanine.
Wat zijn CpG eilanden en wat is hun betekenis bij de studie van het menselijk genoom?

CpG eilanden zijn CG dinucleotiden in het menselijk DNA. Een deel van de cytosines hiervan wordt heel makelijk enzymatisch gemethyleerd tot 5-methylcytosine. Het 5-methylcytosine wordt op zijn beurt iets gemakkelijker gehydrolytisch gedeamineerd dan cytosine, hierdoor ontstaat thymine die van nature aanwezig is in DNA. Deze fout wordt dus moeilijk opgespoord tijdens DNA-herstel. CG dinucleotiden zijn daarom ongeveer een 40x waarschijnlijker doelwit voor puntmutaties dan willekeurige cytosines. Daarom komen CpG eilanden weinig voor in het menselijk DNA. 5-methylcytosine wordt in kankeronderzoek als endogeen mutageen en carcinogeen bestempeld.

CG-eilanden zijn repetitief voorkomende CG-sequenties die vaak in een promoter of enhancer regio van een transcriptie-eenheid liggen.
Wat zijn AP-endonucleasen?

AP-endonucleasen zijn nucleasen die AP-sites herkennen en deze openknippen bij base-excisie herstel. De beschadigde base wordt eerst herkend en afgeknipt, hierna ontstaat de base vrije plaats (AP-site) die dan door AP-endonuclease wordt herkend en opengeknipt. Fosfodiesterase knipt de backbone een 2e maal door, DNA-polymerase vult het gat op en DNA-ligase herstelt de breuk.
Wat is de moleculaire basis van de huidaandoening xeroderma pigmentosum?

Een mutatie in de XP-genen zorgen voor Xeroderma Pigmentosum. De XP-genen staan in voor herstel van DNA-schade na UV-straling. Patienten vertonen een extreme gevoeligheid voor zonlicht en krijgen al zeer vroeg huidkanker.
Via welke mechanismen van genherschikkingen kan er variatie in een genoom ontstaan?

Genherschikkingen komen tot stand via homologe recombinatie en transpositie. Homologe recombinatie is een proces waarin een DNA-segment wordt uitgewisseld met een homoloog gebied van een ander DNA-molecuul. Bij de mens vindt dit plaats tijdens de meiose; crossing over. Ook na de S-fase van een somatische celcylcus kunnen de homologe chromatiden van een gerepliceerd chromosoom delen uitwisselen door homologe recombinatie; sister chromatid exchange. Het gebied waar keten-uitwisseling plaatsvindt noemt met heteroduplex.

Transpositie is een drastischere vorm van genherschikking en houdt een insertie of deletie van een DNA-fragment in. Dit wordt meestal door externe factoren zoals DNA-parasieten (bacteriofagen en plasmiden) veroorzaakt.
Wat is het gevolg van homologe recombinatie tijdens de mitose resp. de meiose?

Crossing-over tijdens de meiose zorgt voor een verandering in de erfelijke eigenschappen, het maternaal en paternaal DNA wordt gemengd. Bij sister-chromatid exchange treedt er geen verandering op van de erfelijke informatie.
Welke mobiele extrachromosomale elementen ken je?

Bacteriofagen zijn virussen die parasiteren op het metabolisme van bacterien. Soms richt het virus de gastcel niet direct ten gronde maar nestelt het viraal genoom zich als een profaag in het chromosoom van de gastcel.

Retrovirussen zijn gespecialiseerd in het parasiteren van eukaryote cellen. Deze DNA-parasieten dragen hun genoom in de gastcellen als een infectieus RNA-deeltje dat in de besmette cel wordt omgezet tot cDNA.

Plasmiden zijn kleine cirkelvormige DNA-moleculen die zich autonoom van de gastcel waarin ze leven repliceren.

Transposons zijn DNA-elementen die de eigenschap bezitten om hun positie in het genoom te veranderen, ze worden ook wel jumping genes genoemd.
Wat is het verschil tussen een retrovirus en een viraal retro(trans)poson?

Retrovirussn verblijven gedurende een deel van hun leven buiten de cel en dringen een niet besmette gastheer binnen via een infectieus mechanisme terwijl retroposons als mobiel DNA de cel nooit verlaten. Verder bezit alleen het retrovirus het vermogen tot de productie van een reeks structuureiwitten die het (+) RNA gaan omgeven als mantel, zodat een nieuw infectieus virus onstaat dat de gastcel kan verlaten.
Welke enzymatische activiteit(en) is/zijn geassocieerd met reverse transcriptase?

Het enzyme bezit 3 activiteiten, 1) een polymerase dat (+) RNA als matrijs leest en (-) DNA polymeriseert; 2) een RNAase dat de (+) RNA-streng vernietigt en 3) een polymerase dat de (-) DNA-streng leest en de complementaire (+) DNA-streng polymeriseert.
Beschrijf hoe retroviraal cDNA als provirus kan integreren in gastheer-DNA.

Het retrovirus komt meestal dankzij een specifieke moleculaire interactie tussen een oppervlakte-eiwit van het virus en een specifieke receptor binnen in de gastcel. Het eiwit-RNA complex dringt de cel binnen en het RNA zal in de kern na ontmanteling worden omgezet tot cDNA. Dit integreert zich lukraak in het genoom van de gastcel. Hiervoor gebruikt het virus een integrase, dit is een recombinase dat enerzijds de flanken van het virus ‘klaarmaakt’ voor insertie en anderzijds de eigenlijke recombinatie tussen viraal DNA en gast-DNA mogelijk maakt. Na integratie van het cDNA spreekt men van een provirus.
Beschrijf de expressie van retrovirale genen en de processing van de hierdoor gecodeerde virale eiwitten.

Het (+) RNA-genoom van een typisch retrovirus is 8 kB lang en bevat minstens 3 genen die telkens transcriptiegebieden zijn voor verschillende kleine eiwitten. Van 5’ naar 3’ treft men de genen gag, pol en env die geflankeerd worden door de LTR’s. Een sterke promotor met enhancer-activiteit in de linker LTR is zeer belangrijk; deze transcriptie leidt tot een lang mRNA die het volledige gag-pol-env sequentie bestrijkt. Translatie van dit mRNA geeft vooral het gag-voorloper eiwit dat door een protease wordt gekliefd in de kleinere manteleiwitten van het RNA-virus. In 5% van de gevallen wordt het stopcodon na het gag-gen niet gerespecteerd waardoor het pol-voorloper eiwit ontstaat. Dit wordt door een protease geknipt tot de enzymen reverse transcriptase en integrase. Splicing van het mRNA geeft dan nog het mRNA voor het env-voorloper eiwit dat wordt gekliefd in eiwitten die zich bevinden in/op het buitenste lipidenmembraan van het virus.


  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina