Biologie woordenlijst



Dovnload 104.63 Kb.
Datum27.09.2016
Grootte104.63 Kb.
biologie woordenlijst
2n —>2n+2n : de schematische manier om mitose weer te geven

3’ uiteinde : OH groep

5’ uiteinde : fosfaatgroep

aangeslagen elektronen : ze komen in ruimere baan rond de atoom kern



AB0-systeem : A=antigeen A en antistof B

B=antigeen B en antistof A

AB=antigeen A en B geen antistoffen

0=geen antigeen antistoffen A en B



abiotsiche factoren : levenloze natuur (temperatuur etc.)

a-cellen : deze produceren glucagon

ACTH : (adrenocorticotroop hormoon) het beïnvloed de bijnierschors

accumulatie : pesticiden die via de voedsel keten aan het einde ervan komen

acetylcholine : de neurontrasmitter bij de synapsen van motorische eindplaatjes

actiefase : de binnenkant van een celmembraan, van een neuron, heeft een + lading ten opzichte van de buitenkant. Dit duurt 1ms

actiepotentiaal : door bijvoorbeeld een elektrische prikkel word het rustpotentiaal verstoord de porieeiwitten gaan open, eerst Na-ionen de cel in later pas de K-ionen de cel uit. Doordat Na eerst geopend wordt is de binnenzijde positief ± +30 mV. Dan gaat de Na dicht en de K open

actief transport : tegen het concentratie verval in

actieve immunisatie : het lichaam maakt zelf antistoffen tegen het ingespoten antigeen

activator : stoffen waarvan de moleculen bindingen aangaan met de enzymmoleculen waardoor de enzymactiviteit wordt verhoogd

adaptatie : aanpassing



ademcentrum : bevindt zich in de hersenstam en past de diepte en de snelheid van je ademhalen aan de omstandigheden aan

ADH : (Antidiuretisch hormoon) dit regelt de afgifte van water door de nieren (de osmatische waarde in je lichaam dus)



ADI-waarde : aanvaardbare dagelijkse inname

ADP : een ATP zonder de derde fosfaatgroep

adrenaline : wordt gevormd door het bijniermerg (het binnenste van de bijnieren) het wordt ook wel het fight, flight and fright hormoon genoemd. Het bevordert dissimilatie en de omzet van glycogeen naar glucose. Het parasympatische deel wordt geremd.

afstotingsreactie : de cytotoxische T-cellen vernietigen de donorcellen



afweersysteem : wordt geactiveerd als er toch ziekteverwekkers het lichaam binnen dringen

Aids : dit virus tast het afweersysteem aan. Ze sterven vaak aan andere ziektes die niet meer worden tegen gehouden door het afweersysteem. Het virus verandert vaak. Je kan jaren lang besmet zijn zonder het te weten.

alveolaire vocht : het laagje vocht aan de binnen kant van het longblaasje

aminozuur : koostofatomen met aminegroep -NH2 en een zuurgroep -COOH

amnionholte : groeit langzaam en vult zich met vocht, het amnion komt tegen het chorion aan te liggen. Deze samen vormen dan de vruchtvliezen en de amnionholte is gevuld met

vruchtwater.

amylase : het enzym dat zetmeel omzet in maltose (zit o.a. in speeksel en in alvleessap)

amyloplasten : zetmeelkorrels, hierin wordt zetmeel opgeslagen

anafase : de chromatiden gaan naar de polen

analoog : organen die niet uit dezelfde grondvorm zijn ontstaan maar een vergelijkbare functie hebben

anemie : (bloedarmoede) er zit te weinig hemoglobine in het bloed

angina : ontsteking van de amandelen

animale zenuwstelsel : dit regelt de bewuste reacties, de houding en de beweging van het lichaam.

anorganisch : CO2, CO, H2O, NaCl, O2

antagonisten : spieren waarvan de contractie een tegengesteld effect heeft o.a. biceps en triceps



antigenen : (vaak) eiwitten die specifieke afweer opwekken

antigeen- presenterende : een macrofaag waar aan een lichaamsvreemd antigeen

cel (APC) gekoppeld is

Antistoffen : ook wel immunoglobulinen (lg) genoemd. Ze binden zich aan antigeen. Een antistof past maar op 1 type antigeen. Maar op een antigeen passen meerdere antistoffen. Als ze passen ontstaat er een antigeen- antistofcomplex, zo wordt de antistof antigeen onschadelijk gemaakt, antistoffen komen in alle lichaamsvochten terecht en worden daarom ook wel humorale afweer genoemd.

apo-enzym : het eigenlijke enzymmolecuul

arteriole : vertakking van de (nier)slagader

aspecifieke afweer : gericht op verschillende type ziekteverwekkers



assimilatie : opbouw van organische moleculen uit kleinere moleculen, hierbij worden organische stoffen gevormd waar je lichaam uit bestaat.

ATP : een nucleotide (bestaat uit adenosine (die weer bestaat uit adenine en ribose) en 3 fosfaatgroepen) die energie kan overbrengen. Hierin wordt de energie opgeslagen die vrij gekomen is bij de verbranding van glucose

dATP : is desoxyribose vorm van ATP

axon : een uitloper die impulsen van het cellichaam af geleidt

autonome zenuwstelsel : (vegetatieve) bestaat uit een parasympatisch deel en een orthosympatisch deel. Het centra ligt in de hersenstam die bestaat uit de thalamus en de hypothalamus met de hypofyse. Regelt de werking van de inwendige organen



autotroof : zelfvoedend, nemen alleen anorganische stoffen op, ze maken hiervan organische stoffen. Ze hebben geen ander organismes nodig voor voedsel (o.a. planten)

auxinen : planten hormonen die lengte groei door celstrekking stimuleren



bacteriën : ze hebben geen kernmembraan, ze hebben 1 streng DNA die los in het cytoplasma ligt, er zijn geen endoplasmatisch riticulum, mitochondriën, plastiden of vacuolen te onderscheiden. Ze hebben wel een celmembraan en een celwand

bacteriofagen : virussen die en bacterie als gastheer gebruiken



balts/bronst : de bereidheid tot paren (bronst —> zoogdieren)

b-cellen : produceert insuline

B- geheugencellen : herkennen (net als T-geheugencellen) een nieuwe infectie van antigeen. Ook zij zorgen voor een snellere reactie. Daardoor wordt je minder/niet meer ziek. Je bent immuun geworden.

B-lymfocyten : ontwikkelen zich uit de stamcellen in het beenmerg

B-lymfocyten ontwikkelen zich onder invloed van cytokinen tot 2 type dochtercellen plasmacellen en B- geheugencellen, deze blijven in de lymfe

bevruchting:

De eicel blijft na de ovulatie ± 12 uur in leven. Het moet dan bevrucht worden. Als er een bevruchting is blijft heb gele lichaam nog ± 3 maanden progesteron produceren daarna neemt de placenta de taak van het gele lichaam over. Door progesteron blijft de zwangerschap in stand. Tenslotte zorgt het er ook voor dat de melkklieren in de borsten zich gaan ontwikkelen.



bijnier : liggen als kapjes op de nieren het vormt adrenaline en corticosteroïden

bilirubine : het afbraakproduct van hemoglobine, het is de gal kleurstof

biomen : leefgebieden (toendra, woestijn)

biogenese : het ontstaan van leven uit levenloze materie.

biomassa : totale gewicht van alle organische stoffen

biosfeer : het gedeelte van de aarde en de dampkring dat door organismes wordt bewoond



biotische factoren : invloed afkomstig van levende natuur (andere organismes)

biotoop : de abiotische factoren in een ecosysteem

bladgroen : verzamelnaam voor verschillende fotosynthetische pigmenten

bloedplasma : de vloeistof van het bloed

bloedserum : bloedplasma zonder fibrinogeen



bruto primaire productie : alle energie die in een ecosysteem door producenten wordt vastgelegd in biomassa

cambium : ringvormig meristeem

capside : een dunne eiwitmantel die het molecuul nucleïnezuur omgeeft

cara : (chronisch aspecifieke respiratoire aandoening) een verzamelnaam voor de ziekten astma, bronchitis en longemfyseem

carcinogeen : invloeden uit het milieu die kankerverwekkend zijn

cardiovasculaire centrum : het centrum dat het hartrimte en de diameter van de bloedvaten regelt. Ligt in het verlengde merg



celcyclus : interfase en mitose

celfusietechniek : twee type cellen versmelten tot één cel (een hybridecel)

celmembraan : 2 lagen fosfolipiden waarin eiwitten liggen in gebed. Sommige eiwitten of fosfolipiden hebben koolhydraatketens naar buiten steken

centrale cilinder : bast-, houtvaten en endodermis

capillaire werking : omhoog gang door een dun buisje (pipet)

centrale zenuwstelsel : bestaat uit de grote hersenen en de kleine hersenen, de hersenstam en de ruggenmerg

centromeer : de plek waar de chromatiden verbonden zijn

chemische afweer : de stoffen in het lichaam waardoor de ziekteverwekkers sterven

chemischeprikkels : bijv. door bepaalde stoffen op het celmembraan te laten inwerken

chemosynthese : een vorm van koostofassimilatie waarbij het organisme gebruikt maakt van de energie die vrijkomt bij de verbranding (oxidatie) van een anorganische stof

chemoreceptoren : deze liggen in de wand van de halsslagader en de aorta en regelen het CO2 gehalte in je bloed

chemotherapie : de patiënt krijgt cytostatica toe gediend dat de celdeling remt

chitine : een hoornachtige stof in de celwand, zorgt voor versteviging.

chlamydia : een soa waarbij je last hebt van waterige afscheiding, bloedverlies. Er zijn niet altijd symptomen.

chloroplasten : (bladgroenkorrels) hierin vind fotosynthese plaats

cholinesterase : breekt acetylcholine af tot azijnzuur en choline. In de synapsknopjes wordt dit weer tot acetylcholine omgevormd

chorion : de benaming van het trofoblast na de innesteling

chorionholte : de holte die door het chorion wordt omsloten

chorionvlokken : uitstulpingen naar buiten in het chorion hierdoor wordt zuurstof en voedingsstoffen opgenomen waardoor groei mogelijk wordt.

chromatiden : de twee identieke delen DNA na de DNA-replicatie

chromoplasten : (kleurstofkorrels) bevatten gele en/of rode kleurstoffen (pigment)

chromosoommmutatie : als een deel van een chromosoom of meerder genen gemuteerd zijn



citroenzuurcyclus : hierbij wordt het pyrodruivenzuur verder afgebroken tot CO2

climax stadium : het eindstadium van een successie, de biomassa blijft ongeveer gelijk. De kringloop van stoffen is gesloten. o.a. tropische regenwouden

coderende streng : de streng waar de promotor niet aan vast zit

codon/triples : een groepje van 3 op een volgende nucleotiden die de codering van 1 aminozuur veroorzaken

co-enzym : een organisch molecuul dat enzymen gebruikt voor zijn werking

collageen : niet elastische (bindweefsel)



commensalisme : een soort heeft voordeel van de samenleving

concentratieverval : van de hoge concentratie naar de lage.

concurrerenden remming : een molecuul dat lijkt op het op het substraatmolecuul waardoor concuretie ontstaat om het actieve centrum

conditionering : leren door beloning of straf. In de natuur heet dit proefondervindelijk leren (trial and error)

conductoren : zenuwcellen

conflictgedrag : dit wordt veroorzaakt door een conflict tussen gedragssystemen

(aanvals en vluchtgedrag in één) ambivalent gedrag is een voorbeeld hiervan



contractie : samentrekking

corticosteroïden : wordt gevormd door de bijnierschors (buitenste gedeelte) het onderdrukt het afweersysteem

cuticula : slijmlaag (plant)

cytotoxische T-cellen : deze versmelten met virussen geinfecteerde lichaamscellen. Dit heet cellulaire afweer (het virus sterft)

decarboxylering : de afsplitsing van 1 koolstofatoom samen met twee zuurstofatomen van pyrodruivenzuur

dendriet : een uitloper die impulsen naar het cellichaam toe geleid

depolarisatie : afname van het ladings verschil, waardoor het binnen + wordt en buiten -

depositie : neerslag van stoffen op het aardoppervlak



desaminering : van een aminozuur wordt de -NH2 groep afgesplitst en omgezet in ammoniak. Dit gebeurt in de lever

desoxyribose : de monosacharide van DNA

determinatie : het vast komen te liggen welke specialisatie in de cel zal plaats vinden



detoxificatie : ontgifting

detritivoren : afvaleters

detritus : dode resten en andere producten van organismes

diastole : ontspanning van het hartspierweefsel



diffusie : het vermengen en verspreiden over de ruimte

diffusiesnelheid : de nettoverplaatsing van een stof per tijdeenheid. Het is afhankelijk van het diffusieoppervlak, de afstand waar over diffusie plaats vind en het concentratie verschil.



dissimilatie : afbraak van organische moleculen. Er komt energie bij vrij

DNA : een lange streng die samen met eiwitmoleculen een chromosoom vormt. Het bestaat uit 2 ketens die in een dubbele spiraal om elkaar heen gewonden ligt. De keten bestaat uit vele duizenden aan elkaar gekoppelde nucleotiden.

DNA-ase RNA-ase : splitsen DNA en RNA in nucleotiden

DNA-ligase : zorgt ervoor dat de korte bindingen aan elkaar worden gebonden

DNA-polymerase : zorg ervoor dat er waterstofbruggen ontstaan tussen gesplitste DNA moleculen en vrije nucleotide

DNA-replicatie : een exacte kopie van het DNA

doelwit orgaan : organen die gevoelig zijn voor een bepaald hormoon. Het wordt door 2 zenuwen uit het autonome zenuwstelsel geïnnerveerd; door een parasympatische als door een orthosympatische. Dit heet dubbele innervatie

dreiggedrag : ze dreigen allen door gebruik te maken van van imponeergedrag

dresseren : het aanleren van een bepaald gedrag door conditionering

dwarsgestreept : bestaat uit spiervezels die zijn ontstaan door versmelting van

spierweefsel vele spiercellen. Veel celkernen, o.a. skeletspieren. Ze zijn snel vermoeid

echoscoop : dit zend hoogfrequente trillingen uit die in verschillende maten worden teruggekaatst

echoscopie : de ligging en groei worden gecontroleerd met een echoscoop

effectoren : spier en kliercellen



eilandjes van Langerhans: dit zijn groepjes cellen die tussen de cellen van de alvleesklier leggen. Ze produceren a-cellen en b-cellen

eiwitturnover : de afbraak van aminozuren en dan de wederopbouw van eiwitten

eicelmoedercel : hier ontstaan eicellen “uit” 2n—>n

electrischeprikkels : bijv. door een stroomstoot

elektronenacceptor : NAD+ en FAD, vaak met H-ionen (waterstof receptor)

NAD+ + H+ —> NADH



elektronentransportketen : elektronen worden in een keten van reacties doorgegeven aan verschillende elektronenacceptoren

embryoblast : (embryonaalknop) een deel dat na klievingen de embryo vormt.

emissie : uitstoot van gassen

endocriene stelsel : klieren die stoffen aan het lichaam af geven o.a. hormoon klieren

endodermis : buitenste laag van de centrale cilinder

endoplasmatisch : een ingewikkeld netwerk van dubbele membranen in het

riticulum cytoplasma. Ze vervullen een functie bij het transport van stoffen in de cel. Gesynteerde eiwitten komen er terecht. Van het endoplasmatisch riticulum snoeren zich blaasjes af met de eiwitten erin.

endosperm : kiemwit

endospore : als een bacterie totaal inkrimpt en alleen nog uit DNA en een klein beetje cytoplasma bestaat. Ze kunnen goed tegen droogte, hitte en kou

endotherm : moet energie in

envelop : een dikke laag vetten en eiwitten die sommige virussen om hun capside hebben

enzymen : zijn eiwitten, ze bestaan uit gekoppelde aminozuren. Ze kunnen als katalysator werken, ze versnellen dan een reactie zonder zelf gebruikt te worden. Ook kunnen ze de energie drempel verlagen. Ze hebben ook een functie bij de stofwisselings processen. Ze hebben een functie bij de vertering van stoffen in de cel.

enzym-substraatcomplex : als een substraatmolecuul in het actief centrum van een enzym gebonden is

epidermis : opperhuid

EPO : dit hormoon stimuleert de productie van rode bloedcellen in het rode been merg

EPSP : exciterende postsynaptische potentiaal. Als de poriën opengaan voor Na+ en K+, er is een kleine depolarisatie in het postsynaptische membraan

equatoriaalvlak : het vlak in het midden van de cel

erosie : wegspoelen van vruchtbare grond (humus)

ethogram : een objectieve beschrijving van de verschillende type handelingen

ethologie : de studie naar het gedrag

eukaryoten : organismen met kernmembraan en celkern



eutrofiëring : als er veel mineralen in het water komen

eutroof : water met veel mineralen

exciterende : deze zorgen ervoor dat er een impuls in het postsynaptische

transmitterstoffen membraan wordt veroorzaakt



exciterend : opwekken

exotherm : komt energie uit/vrij



fagocyten en : witte bloedcellen die uit 2 lijnen stamcellen ontstaan.

lymfocyten Fagocyten zijn vooral voor de aspecifieke afweer

Er zijn 2 typen fagocyten granulocyten en monocyten

Er zijn 2 type lymfocyten B- lymfocyten en T-lymfocyten

fagocytose : als een stof wordt ingesloten in een blaasje dat van het celmembraan wordt afgesnoerd dit is bij vaste stoffen.

ferritine : dit ontstaat als het ijzer uit de hemoglobine wordt gebonden aan een eiwit



filamenten : dunne filamenten bestaan uit het eiwit acitine en dikke filamenten bestaan uit het eiwit myosine

foetus : de benaming van de embryo na 3 maanden

fosfolipiden : een vet met inplaats van een vetzuur een fosforzuur

fosforylering : het binden van een Pi aan een ADP

foto-autotroof : organismes die energierijke elektronen verkrijgen door gebruik te maken van licht

fototropie : het naar het licht groeien van planten, door dat er minder auxine aan de licht zijde zit (naar het licht = positief)



FSH : follikelstimulerend hormoon

ganglia : een opeenhoping van neuronen buiten het centrale zenuwstelsel, hier van uit lopen zenuwen naar de organen

gastrine : dit hormoon regelt de productie van het maagsap in de maag. De maagwand produceert dit hormoon

gedragsketen : als uit de ene handeling de andere volgt

gedragssysteem : een groep van samenhangende handelingen

geëtioleerd : in het donker gegroeide planten

gemengde zenuw : deze bevat uitlopers van zowel sensorische als motorische neuronen

genetische code : de gecodeerde info over de synthese van het eiwit

genetische modificatie : de verandering door recombinant-DNA-techniek van een organisme ook wel genetische manipulatie genoemd

genregulatie : vetoplosbare hormonen kunnen door het celmembraan heen omdat dat ook vettig is. Daar hecht het zich aan een receptoreiwit. Dit samen heet een

hormoon-receptorcomplex. Dit gaat door de poriën van het kernmembraan hierdoor ontstaat er langs een bepaald deel van het DNA-molecuul een mRNA-molecuul dat naar de ribosomen gaat via de poriën van het kernmembraan. Daar brengt het de synthese van een eiwit molecuul op gang.

genus : geslacht

geotropie : groei richting door zwaartekracht (naar boven = negatief)

geoxideerd : als NADH of FADH een elektron of waterstof ion hebben afgestaan

geprogrammeerde celdood : (apoptose) bijv. bij de vliezen tussen de vingers

gereduceerd : als NAD of FAD een energierijke elektron of waterstofion hebben gebonden

geritualiseerd gedrag : als bijv. balts gedrag overdreven wordt uitgevoerd zodat het een signaal functie heeft

gevoelszenuw : deze bevat alleen uitlopers van motorische neuronen



gewenning : het afleren van een reactie op een bepaalde prikkel uit de omgeving

gisting : dat is anaërobe dissimilatie van glucose

sglad spierweefsel : bestaat uit langwerpige spiercellen elk met een celkern. Komt voor in de huid en de wand van holle organen o.a. darmkanaal. Niet snel vermoeid

glomerulus : de haarvatenkluwen



glucagon : stimuleert de omzetting van glycogeen in glucose en bevordert de afgifte van glucose aan het bloed

glycerol : een alcohol dat samen met drie vetzuren een vet of olie vormt

glycogeen : hierin worden suikers omgezet voor opslag

glycolyse : hierbij wordt het glucose molecuul in twee pyrodruivenzuren gesplitst

goedaardig : veranderen meestal niks aan de bouw van het weefsel en worden nog enig sinds gremd o.a. vetknobbels

golgi-systeem : op een gestapelde platte blaasjes, elk omgeven door een membraan. De blaasjes met eiwitten erin van het endoplasmatisch riticulum deze versmelten met het golgi- systeem, hierin krijgen de eiwitten hun uiteindelijke vorm. Het golgi-systeem snoert weer blaasjes af wat de eiwitten bevat. Sommige blaasjes hebben eiwitten die buiten de cel worden afgegeven. Dit heet secretie.

gonorroe : (druiper) een soa waarbij er slijm en etter uit de penis of vagina kan komen, mits tijdig ontdekt, goed worden behandeld met penicilline

grampositief : bacteriën die gemakkelijk violette kleurstof kunnen absorberen

grensstrengen : 2 reeksen van galia links en rechts van de wervelkolom (hierdoor worden door het orthosympatische deel impulsen v/d ruggenmerg naar de organen geleidt)

habitant : leefplek

hartritme : de snelheid waarmee de sinusknoop impulsen afgeeft, dit wordt beïnvloed door het autonome zenuwstelsel en

hormoonstelsel

hartspierweefsel : de spiercellen vormen vertakte ketens

HCG : (Human choriongonadotropine) wordt gevormd door de cellen van het trofoblast. Daarna neemt de placenta het over. Door dit hormoon blijft het gele lichaam in stand.

hematocrietwaarde : het percentage rode bloedcellen

hemoglobine : in de rodebloedcellen, bestaat uit het eiwit globine en 4 heem groepen met een ijzer atoom. bind zuurstof aan zich. Hb+O2—>HbO2 (oxyhemoglobine)

hemolyse : dit ontstaat als er hemoglobine vrijkomt door dat samengeklonterde bloedcellen in de haarvaten blijven steken. (klontering ontstaat als er bij antigeen A antistof A komt)



hersenstam : geleidt impulsen van de grote en kleine hersenen naar de ruggenmerg en omgekeerd. Bestaat o.a. uit verlengde merg en middenhersenen en thalamus en de hypothalamus

hersenvliezen : 3 vliezen die de hersenen beschermen en van bloed voorzien

hersenvocht : het vocht in de holten van de hersenen

herstelfase : Het celmembraan leidt geen impulsen door, duurt ook 1 ms

HLA-systeem : dit is onderdeel van het MHC-systeem. Het is bij iedereen uniek (het ligt op het 6e chromosomenpaar) Er zijn 7 loci betrokken, van 1 locus zijn 22 allelen bekend. Hij onderscheid eigen een lichaamsvreemde cellen.

herbiciden : onkruid bestrijdingsmiddelen



heterotroof : hebben andere nodig voor voedsel, ze nemen organische stoffen van andere organismes als voedsel (o.a. schimmels en dieren) Ze gebruiken ook anorganische stoffen.

homogene : gelijkmatig

homoiotherme : zelfverwarmende

homoloog : organen die dezelfde embryonale ontstaanswijze hebben

hoornlaag : bestaat uit dode, verhoornde epitheelcellen (dekweerfselcellen)

Hormonen man:

In de puberteit komt door FSH de vorming van zaadcellen opgang. LH stimuleert de aanmaak van testosteron, door testosteron worden beenderen en spieren zwaarder ook een zwaardere stem en haar groei en wordt de ontwikkeling van zaadcellen voltooid. Testosteron remt weer de productie van LH (negatieve terugkoppeling)

hormoonstelsel : dit bestaat uit hormoonklieren, endocriene klieren, die hormonen produceren en aan het bloed afgeven. Zo komen de hormonen door je hele lichaam terecht.

hormoonspiegel : de concentratie van de hormonen in het bloed. Dit bepaald ook de reactie van de doelwit organen. 1 hormoon kan meerdere doelwit organen regelen.

hyfen : schimmeldraden

hypofyse : dit bestaat uit 2 delen de voor- en de achterkwab. Hij ligt onder tegen de hersenstam juist onder de hypothalamus het produceert o.a. FSH en LH

hypofyse voorkwab : (adenohypofyse) groeihormoon en prolactine en ACTH en TSH

hypofyse achterkwab : (neurohypofyse) produceert oxytocine en ADH

hypothalamus : controleert veel homeostatische regelmechanismen. Het beïnvloed de centra ven het autonome zenuwstelsel. Het bestuurt het hormoonstelsel

imitatie : als dieren leren door het gedrag van soortgenoten na te doen

immunoglobulinen : eiwitten die als antistoffen werken (zie antistoffen)

impuls : ontstaat in zintuigcellen door een prikkel, het is een elektrische signaal dat door de zenuwen wordt voorgeleidt

impulsfrequentie : de verschillende prikkelsterkte in de sensorische neuronen

impulssterkte : De grootte van de verandering die optreedt in de elektrische lading van het celmembraan. Dit is bij mensen voor de neuronen altijd gelijk. Het gaat volgens de alles of niets wet.



inductie : de invloed van cellen op elkaar

infectie : het binnen dringen van ziekteverwekkers in het lichaam



inhibrerend : remmend

inhiberende : deze hebben een remmend effect op het postsynaptisch

transmitterstoffen membraan

innervatie : de zenuwverdeling naar of in een orgaan



inprenten : als dieren alleen iets leren in een bepaalde periode van hun leven (gevoelige periode)

insecticiden : insecten bestrijdingsmiddelen

insnoering : de ruimte tussen twee cellen van Schwann

insuline : het versneld het transport van glucose door celmembranen, het wordt dan omgezet in glycogeen

interfase : de periode tussen twee mitose, de chromosomen zijn draadvorming en niet zichtbaar



intermediair : als geen van de allelen dominant is en er een mix van beide ontstaat

inwendige factoren : een prikkel van binnen uit (o.a. honger)

inzicht : als een dier in een onbekende situatie de oplossing van een probleem vind door vorige ervaringen te combineren

IPSP : inhibrerend postsynaptische potentiaal. Als de poriën open gaan voor K+ en/of Cl- -ionen maar niet voor Na+ er is een kleine hyperpolarisatie in het postsynaptische membraan

isometrische contractie : een spier die zich samentrekt zonder dat dit resulteert in een beweging

isotonische contractie : als de spier zich samentrekt en er is wel een beweging



karyogram : (chromosomenportret) een afbeelding waarop de chromosomenparen volgens bepaalde regels gegroepeerd zijn.

kegeltjes : 3 typen voor de kleuren. Ze hebben een hoge prikkeldrempel en komen vooral in de gelevlek voor

kernmembraan : het membranenstelsel van het ER gaat hier in over. Er zitten openingen in; de kernporiën

kernporiën : hierdoor staan het cytoplasma in contact met het kernplasma

kinetische energie : bewegings energie

kloon : ongeslachtelijke voortplanting

koolstofasssimilatie : de vorming van glucose uit koolstofdioxide en water

koolzuuranhydrase : een katalysator CO2+H2O—>H2CO3—> H++HCO3-

kwaadaardig : kanker, delen ongeremd en is ongevoelig voor stoffen die de celdeling normaal remmen, ze delen veel sneller dan goedaardige tumoren

lactase : verteerd lactose

lederhuid : bindweefselcellen, hierin liggen zintuigcellen, uitlopers van zenuwcellen, haarspiertjes, bloedvaten en zweetkliertjes

leukoplasten : deze kunnen zich ontwikkelen tot chloroplasten, chromoplasten en amyloplasten



LH : luteïniserend hormoon

lichaampjes van Malpighi : het kierkapseltje en de glomerulus samen



lichaamsvreemd : stoffen en cellen die niet in het lichaam thuis horen.

lipiden : vetten, een glycerol molecuul 3 C-atomen waaraan 3

OH-groepen gebonden zijn en 3 vetzuurmoleculen, en lange keten van -CH2 groepen met aan het einde daarvan een zuurgroep

longblaasjes : (alveoli) de uiteinde van de fijnste bronchiolen



lymfoïde organen : lymfeknopen, milt, beenmerg en de thymus

lysosomen : zijn ook blaasjes die van het golgi-systeem worden afgesnoerd maar deze blijven in de cel (alleen dierlijke cel) De eiwitten van de lysosomen zijn enzymen

maltase : splitst maltosemoleculen in twee glucose moleculen

mechanische afweer : lichaams ‘grenzen’ die door hun bouw het binnen dringen van ziekteverwekkers tegen gaan

mechanische prikkels : bijv. door een micronaald

melanine : het donkere pigment

melanocyten : pigment vormende cellen



menstruatie cyclus:

De eerste 12 dagen van de cyclus produceert de hypofyse LH en FSH. Door FSH rijpen de follikels in de eierstokken. Door FSH en LH produceren de cellen in de wand van het follikel oestrogenen. Onderinvloed van oestrogenen wordt de baarmoederwand dikker. Vlak voor de ovulatie bereikt de productie van oestrogeen een hoogte punt. Dit stimuleert de hypofyse tot een secretie van veel LH en door deze hoge concentratie neemt het follikel zoveel vocht op dat hij open barst: Ovulatie. LH stimuleert hierna de vorming van het gele lichaam, ook stimuleert het de productie van oestrogenen en progesteron door het gele lichaam. Door het progesteron wordt de baarmoederwand nog dikker en ontstaat er een baarmoeder slijmvlies, het remt de secretie van FSH en LH. Als er geen bevruchting is sterft het gele lichaam ± 11 dagen na de ovulatie. Door onvoldoende progesteron wordt het baarmoeder slijmvlies gedeeltelijk afgestoten wat via de vagina wordt verwijdert: menstruatie.

Omdat de FSH en LH niet meer worden geremd beginnen er weer nieuw follikels te rijpen. De menstruatie cyclus duurt ongeveer 4 weken.

merg : binnenste gedeelte van de grote en klein hersenen. Hier in ligt de witte stof met daarin de uitlopers van neuronen

meristemen : (deelweefsel) toppen van wortels en stengels, knoppen, jonge bladeren en cambium

metafase : de chromosomen gaan op het equatoriaalvlak liggen, er komen trek- en steundraden naar de polen

metastase : de tumorcellen verspreiden zich over het lichaam waardoor er meerder secundaire tumoren ontstaan

methionine : “met” het startcodon —> AUG



MHC-systeem : receptoreiwitten zijn daar een onderdeel van, in 2 groepen MHC-I en MHC-II eiwitten

middenhersenen : hier via worden de impulsen van het hoofd en hals verder geleid naar de grote en kleien hersenen en omgekeerd



mitochondriën : ronde of boonvormige organellen. Ze hebben een dubbel membraan waar van de middelste sterk geplooid is. Hierin vind de verbranding van glucose plaats.

mitose : de celkern deelt zich in tweeën waar naar er door celdeling 2 cellen ontstaan die door plasmagroei net zo grot worden als de moedercel.

monocultuur : op een groot stuk land wordt één soort gewas geteeld

monocyten : veranderen in macrofagen —> spelen een rol bij specifieke afweer



monosacharide : enkelvoudige suikers o.a. glucose

morfologisch onderzoek : anatomie van het lichaam van buiten

motorische eenheid : spiervezels die via motorische eindplaatjes in verbinding staan met een motorische neuron

motorische neuronen : (beweginszenuwcellen) deze geleiden impulsen van het centrale zenuwstelsel naar effectoren. Vaak meerdere korten dendrieten en 1 lange axon. Het cellichaam ligt in het centrale zenuwstelel

mRNA : (m=messenger) brengt de info voor eiwitsyntese over, bestaat uit 1 nucleotide keten Thynine (A) —> Uracil (U)

mutageen : invloeden waardoor mutaties vaker voorkomen (o.a. kortgolvige straling, chemische stoffen en virussen)

mutant : een individu waarbij een mutatie tot uiting is gekomen in het fenotype



mutatie : als de volgorde van de stikstofbase in het DNA blijvend gewijzigd zijn

mutualisme : beide soorten hebber voordeel van de samenleving

mycelium : netwerk van hyfen

myelineschede : (mergschede) dit zit om lange uitlopers, en bestaat uit cellen van Schwann

myofibrillen : (spierfibrillen) zitten in de spiervezels. Tussen de myofibrillen bevinden zich veel mitochondriën en glycogeenkorrels. Bestaat uit een groot aantal eiwit draden, filamenten

natuurlijke immuniteit : de aanmaak van geheugencellen bij de primaire reactie waardoor je de tweede keer niet of nauwelijks meer ziek wordt.

navelstrengader : hierdoor stroomt het zuurstofrijke bloed terug naar de embryo

navelstrengslagaders : door deze 2 pompt de embryo voor durend zuurstof arm bloed naar de placenta

negatieve terugkoppeling : een toename van een resultaat zorgt voor de remming van het proces

neuroglia : of gliacellen, zorgen voor de stevigheid end bescherming en voeding van neuronen o.a. cellen van Schwann

neurohormonen: : de door de neuronen gevormde hormoon (neuronsecretie)



neuronen : (zenuwcellen) het is opgebouwd uit een cellichaam en uitlopers, een dendriet en een axon. Ze geleiden impulsen

neuromodulatie : als stoffen niet voor impulsoverdracht zorgen maar de impulsoverdracht wel beïnvloeden

neuronmodulator : een stof die impuls overdracht beïnvloed

neurosecreten : zenuwcellen die hormonen afgeven

nierkapseltje : kapje van Bowman

niet-concurrerende remming : veranderd de ruimtelijke structuur van het enzym

nis/ niche : rol die een soort speelt in een ecosysteem

non-disjunctie : bij meiose I gaan beide homologe chromosomen naar 1 pool,

dit kan ook in meiose II gebeuren dan splitsen de chromatiden niet

normwaarde : de waarde waar de omstandigheden om heen schommelen, dat het constant blijft wordt geregeld door het homeostatische regelmechanisme



nucleïnezuren : DNA en RNA

nucleotide : bestaat uit een fosfaatgroep, een desoxyribose (suiker) en een stikstofbase

oestrogeen : oestradiol en oestron wordt geproduceerd door de rijpende follikels

oligotrofe : voedsel arm (weinig mineralen)

omgerichtgedrag : als de agressie ergens anders op wordt gericht (graspol trekken meeuw)

onderhuids bindweefsel : het ligt onder de lederhuid, hierin is vet opgeslagen.



onverzadigd : 1 of meer dubbele bindingen

oöcyten : eicellen

oögenese : rijping van de eicellen in de follikels

opperhuid : bestaat uit de hoornlaag en slijmlaag

orthosympatisch deel : dit beïnvloed de organen zodanig dat er arbeid verricht kan worden , hiervoor is energie nodig. Het bevordert dissimilatie. Het zorgt voor verwijdering van de bloedvaten en vertakkingen van de bronchiën het zorgt ook voor een verhoogde hartslag een remt de verterings organen.



osmose : een nettowaterverplaatsing van de oplossing met de laagste concentratie naar de oplossing met de hoogste concentratie. Hierdoor daalt de concentratie van de oplossing met de hoogste concentratie.

osmotische waarde : hoe hoger de concentratie in de oplossing

overspronggedrag : een irrelevante lijkend gedrag dat voor de ander een duidelijk (dreigend) signaal heeft (zandhappen stekelbaars)

oxidatieve fosforylering : energierijke elektronen staan hun energie geleidelijk af voor de synthese van ATP

oxytocine : zorgt o.a. voor de weeën bij de geboorte

parasitisme : een individu leeft in of op een ander organisme (gastheer) en onttrekt er voedsel aan (o.a. luizen)

parasympatische deel : beïnvloed organen zodanig dat je tot rust en herstel komt. Het bevordert assimilatie. Het zorgt voor voor de productie van verteringssappen, darmperistaltiek, het verlaagd de hartslag- en ademfrequentie

passieve immuniteit : de persoon krijgt rechtstreeks antistoffen ingespoten

pathogeen : ziekteverwekkend

pepsine : pepsine is door zoutzuur geactiveerd pepsinogeen. Pepsine splitst eiwit moleculen tot polypeptide

peptidase : deze breken korte polypetide verder af tot dipeptide en tripeptide en aminozuren en daarna breekt het de di en tri peptieden af tot aminozuren

peptidoglycaan : stof waaruit de celwand van bacteriën bestaan

perifere zenuwstelsel : de zenuwen, deze kan in 2 groepen worden ingedeeld; het animale zenuwstelsel en het autonome zenuwstelsel

permeabel : waar alle moleculen nog door heen kunnen gaan

persisten : pesticiden die langzaam langst de natuurlijke weg worden afgebroken

pesticiden : chemische bestrijdingsmiddelen

phyla : afdeling in het dieren rijk

pinocytose : fagocytose maar dan met vloeistoffen

pionierecosysteem : eerste vorm van leven (korstmossen)

Plasmacellen : zij vormen antistoffen tegen het antigeen

plasmastroming : het cytoplasma kan als geheel stromen

plasmiden : hieruit kunnen chloroplasten, chromoplasten en leukoplasten ontstaan

plasmolyse : de cel laat los van de celwand omdat het volume van de cel kleiner wordt.

pleura : longvlies en borstvlies

ploïdiemutatie : mutaties waardoor het aantal chromosomen in de cel is veranderd

poikilotherm : koudbloedig, de lichaamstemperatuur is gelijk aan de omgeving

polyploïdie : door de stof colchicine word de cel- en kerndeling beïnvloed



polysacheriden : een groot aantal aan elkaar gekoppelde monosacheriden

poollichaampje : de drie andere dochtercellen na een meiose van de eicelmoedercel die minder cytoplasma kregen

potentiële energie : gebonden energie

predatoren : roofdieren

prikkeldrempel : (prikkelwaarde) de prikkel moet groter zijn dan de prikkeldrempel anders ontstaat er geen impuls

primaire reactie : de eerste keer dat een bepaald soort antistoffen worden geproduceerd.

primaire tumor : de eerst ontstane tumor

product : de stof die bij een reactie ontstaat

profase : de chromosomen spiraliseren, het kernmembraan verdwijnt

progesteron : wordt geproduceerd door het gele lichaam

prokaryoten : organismen zonder kernmembraan en celkern

prolactine : wordt geproduceerd door de hypofyse het stimuleert lactatie: de productie van melk door melkklieren in de borsten

prolactine : zorgt voor de productie van melk door de melkklieren

promotor : de plek war een RNA zich aan het DNA kan binden

proprioceptoren : zintuigen die een verandering van spierspanning of van de stand van een lichaamsdeel registreren

prostaat : voegt vocht toe aan het sperma waar voedingsstoffen in zitten

proteïne : eiwitten, polymeren van aminozuren

puntmutatie : als de mutatie maar 1 of twee nucleotide betreft

radiotherapie : de cellen worden door bestraling gedood

rangorde : de volgorde van rang bij een dier soort (pikorde kippen)

receptoren : zintuigcellen

receptoreiwitten : zij herkennen lichaamsvreemd antigeen door een binding er mee aan te gaan, één type receptor eiwit per antigeen.

Ze zitten vooral op macrofagen en lymfocyten, 1 type receptoreiwit per macrofaag of lymfocyt



recombinatie : het ontstaan van nieuwe combinaties genen

recombinant-DNA- : het weghalen van een stukje DNA (eventueel veranderen) en

techniek weer inbrengen in cellen van een ander organisme

reducenten : bacteriën

reflex : een vaste snelle reactie op een bepaalde prikkel

reflexboog : de weg die impulsen bij een reflex afleggen.

refractaire periode : bij de repolarisatie is het actiepotentiaal nog niet helemaal het zelfde. Het neuron kan daarom niet/minder goed nieuwe impulsen voort te geleiden

remstoffen : verlagen de enzymactiviteit

repolarisatie : terug naar binnen -

respons : reactie op een prikkel

ribosomen : bolvormige organellen die een functie hebben bij de synthese van eiwitten, ze liggen op het endoplasmatisch riticulum

RNA-polymerase : dit zorgt ervoor dat langs een deel van een DNA-molecuul complementaire RNA-moleculen worden gevormd

rodebeenmerg : hierdoor worden witte-, rode bloedcellen en bloedplaatjes gemaakt. Uit het zelfde type moedercel (stamcellen)

rodopsine : het pigment dat in de staafjes zit (ook wel staafjesrood)

rolgedrag : gedrag dat andere van iemand verwachten in een bepaalde situatie

rudimenten : organen die niet eer tot ontwikkeling komen en ook geen functie hebben

rustpotentiaal : als de binnenzijde van het celmembraan een ladings verschil heeft van ongeveer -70 millivolt ten opzichte van de buitenzijde. De neuron geleid dan geen impulsen

sacharase : verteerd sacharose

sacromeren : hierin liggen de actine- en myosinefilamenten in een regelmatig patroon gerangschikt

saltatoire : sprongsgewijze impulsgeleiding

schakel neuronen : (schakelcellen) geleiden impulsen binnen het centrale zenuwstelsel

schildklier : hij ligt in de hals voor het strottenhoofd en tegen de luchtpijp aan, hij produceert thyroxine

schors : buitenste gedeelte van de grote en kleine hersenen. Hierin ligt de grijzestof. Hierin liggen cellichamen van neuronen

second messenger : het hormoon bind zich aan een specifiek receptoreiwit aan de buitenzijde van het celmembraan. Hierdoor wordt aan de binnenkant van het celmembraan de second messenger gevormd wat een inactief enzym activeert.

secretine : als de zure brij in de twaalfvingerige darm komt wordt dit hormoon geproduceerd. Secetine stimuleert de lever tot het produceren van gal en de alvleesklier tot de secretie van NaHCO3 waardoor de brei basisch word

secundaire reactie : de tweede keer dat je besmet wordt door een zelfde antigeen maar nu vormen er sneller antistoffen door de geheugencellen



secundaire : de specifieke spiraalvorm van een polypeptideketen

molecuulstructuur

semipermeabel : als kleine moleculen er wel door heen kunnen maar grote niet.



selectie : nakomelingen met gunstige erfelijke eigenschappen worden eruit gezocht om verder mee voor te planten

sensorische neuronen : (gevoelszenuwen) deze geleiden impulsen van receptoren naar het centrale zenuwstelsel. Vaak 1 lange dendriet en een korte axon. Het cellichaam ligt vlak bij het centrale zenuwstelsel



sera : (enkelv serum) plasma zonder stollings eiwitten

sinusknoop : ligt in de rechterboezem en hier ontstaan de impulsen voor het samentrekken van het hartspierweefsel



sleutelprikkel : een prikkel die doorslaggevend is bij het veroorzaken van een gedrag (rode vlek meeuw)

slijmlaag : levende epitheelcellen



sociaal gedrag : gedrag ten opzichte van soort genoten.

species : soort

specifieke afweer : gericht op één type ziekteverwekker

spermatogenese : vorming van zaadcellen door deling

spierschede : het bindweefsel dat om een skeletspier zit

spiertonus : de kracht die een spier uitoefent op de aanhechtings plaatsen van een pees

sprongsgewijze : als impulsen van insnoering naar insnoering springen (alleen daar

impulsgeleiding kan verandering van elektrische lading plaats vinden)

staafjes : nemen de contrasten, zwart, wit, grijs waar. Ze hebben een lage prikkeldrempel en zitten niet in de gelevlek

stikstofbase : adenine (A) thymine (T) cytosine (C) guanine (G)

A <—> T C <—> G

struma : een sterk vergrote schildklier door te weinig thyroxine



substraat : de stof waarop een enzym inwerkt

successie : het veranderen van een leefgemeenschap (rots—> bos)

summatie : optelling

supranormale prikkels : deze is nog effectiever dan een sleutelprikkel (rode balk meeuw)

gedrag wordt bepaald door erfelijke factoren en door leergedrag

syfilis : een soa waarbij er zweertjes op de geslachtsorganen, mond, tong, anus komen, die kunnen weer verdwijnen maar later kunnen er dan veel ergere symptomen voor doen. In een vroeg stadium (zweertjes) goed te behandelen met penicilline

symbiose : het langdurig samenleven van verschillende soorten

synaps : de plek waar impulsen worden door gegeven van de ene naar de andere neuron

synapsknopje : een verdikt uiteinde van een aanvoerende axon (presynaptisch element) hierin liggen veel mitochondriën en snynapstische blaasjes

synapsspleet : deze scheidt het synapsknopje met het postsynaptische membraan

syndroom van Down : het 21 chromosomenpaar is trisomie (3 chromosomen)

syndroom van Klinefelter : twee X en een Y chromosoom

systole : samentrekking van het hartspierweefsel

tamplate-streng : de keten met de promotor eraan

taxon : groep organismen



tegenstroom principe : hierdoor haalt de embryo optimale voedingsstoffen uit het bloed van de moeder ( de twee worden gescheiden door dunne vliezen) Het ene bloed stroomt de ene kant op het andere de andere kant.

telofase : de chromosomen vormen twee celkernen

template-streng : de kant van het DNA met de info van de erfelijke eigenschap

tertiaire : het wordt bepaald doordat sommige aminozuren bindingen

molecuulstructuur aangaan met aminozuren die vele windingen verderop in de polypeptideketen liggen. de alfa-helix wordt op een bepaalde manier opgevouwen en de polypeptideketen krijgt een specifieke ruimtelijke vorm

testosteron : wordt geproduceerd in de cellen van Leydig, liggen in de teelballen tussen de zaadkanaaltjes.

tetraploïde cellen : (4n) de chromatiden splitsen wel maar de cellen delen niet, er kunnen ook polyploïde cellen ontstaan met een veelvoud aan chromosomen

T-geheugencellen : Deze blijven inactief bij een infectie maar bij een volgende infectie herkennen ze het antigeen waardoor er een snellere afweerreactie volgt

T-helpercellen : (Th-cellen) zij geven verschillende soorten cytokinen af, deze hebben een regulerende functie en stimuleren o.a. de ontwikkeling van cytotoxische T-cellen



T-lymfocyten : ontwikkelen zich uit stamcellen die verhuist zijn naar de thymus

B-, en T- lymfocyten kunnen na ontwikkeling door het hele lichaam gaan, maar ze zitten vooral in de lymfeknopen en de milt. Als een T-lymfocyt een APC aangeboden krijgt wordt deze actief en gaat zich veel vuldig delen. Hierdoor ontstaan T-helpercellen, cytotoxische T-cellen en T- geheugencellen

thalamus : is het deel van de hersenstam dat in verbinding staat met met de grote hersenen

thymus : hier ontwikkelen T-lymfocyten zich verder. De thymus ligt voor in de borstholte, net boven het hart

thyroxine : het zorgt voor de stofwisseling en de groei en de ontwikkeling, het remt de productie en afgifte van TSH

tolerantie : het vermogen sterke schommelingen te verdragen

transaminering : van het ene aminozuur wordt het andere gemaakt.

transgeen : een genetisch gemodificeerd organisme

transmitterstof : o.a. acetylcholine, dopamine, adrenaline en noradrenaline.

Per neuron 1 transmitterstof. Als er bij een synapsknopje een impuls aankomt gaan een paar synaptische blaasjes naar het presynaptische membraan, versmelten ermee en brengen hun inhoud naar de synapsspleet —> transmitterstof. Door de transmitterstof kunnen in het postsynaptisch membraan impulsen ontstaan.

transplantatie : een aangetast weefsel of orgaan dat wordt vervangen door een nieuw weefsel orgaan, van de eigen persoon of donor

trofoblast : de buitenste laag cellen die de embryoblast beschermt

trysomie : als bij een chromosomenpaar een extra chromosoom voorkomt, o.a. bij het syndroom van down

trypsine : trypsine is het door de enterokinase geactiveerde trypsinogeen. Trypsine splits lange polypetide in korte polypetide



TSH : (Thyroïdstimulerend hormoon) het beïnvloed de schieldklier en FSH en LH dat de ovaria en de teste beïnvloed

tumor : (gezwel) cellen gaan ongeremd delen

turgescent : plantencellen met turgor

turgor : de druk op de celwand bij osmose

uitspoeling : mineralen zakken met het regenwater naar diepere lagen



uitwendige factoren : een prikkel uit de omgeving

ultrafiltratie : als door hoge bloeddruk een deel van het bloedplasma vanuit de glomerulus in de kapsels van Bowman worden geperst. Hierdoor kunnen kleine moleculen de haarvaten verlaten

veredeling : veel gunstige eigenschappen in 1 nakomeling

verlengde merg : het is de voortzetting van het ruggenmerg. Hierin kruisen de

de impulsbanden elkaar

verzoeningsgedrag : het ondergeschikte dier maakt duidelijk dat hij ondergeschikt is aan het dominante dier



virus : geen cytoplasma of kernplasma o,1 µm groot, bestaat uit 1 molecuul nuleïnezuur heeft alleen DNA of RNA

vitale capaciteit : de maximale hoeveelheid lucht die in een ademhaling kan worden ververst

vlokkentest : er wordt een beetje van het vlokkenweefsel uit de placenta gehaald

vruchtwaterpunctie : er wordt wat vruchtwater weggezogen

wildtype : een fenotype waarbij geen enkele mutatie waarneembaar is.

zaadblaasjes : voegt basisch vocht toe waardoor de spermacellen actief worden

zaadcelmoedercel : hier ontstaan zaadcellen “uit” 2n—>n+n+n+n

zenuwen : hierin liggen de motorische en sensorische neuronen, het myelineschede isoleert de uitlopers van elkaar om deze bundel ligt een laag bindweefsel ter bescherming.

ziekteverwekkers : virussen, bacteriën, schimmels en dieren (insecten)



zwervende zenuw : ontspringen bij de hersenstam, dan naar de organen. Via de linker en de rechter zwevende zenuw worden de impulsen van het parasympatische deel naar de organen geleidt



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina