Bob DeWaay, 1999



Dovnload 48.46 Kb.
Datum21.08.2016
Grootte48.46 Kb.
Charles Finney’s ketterse leringen

& zijn invloed op Amerikaans evangelisme

Bob DeWaay, 1999


Alle Schriftaanhalingen komen uit de Statenvertaling (1977 of HSV)
Vertaling, plaatje en voetnoten door M.V.

De 19de eeuwse evangelist Charles Finney wordt dikwijls aanzien als de drijvende kracht achter de zgn. “tweede grote opwekking” in Amerika. De bekeerde advocaat is welgekend voor zijn schokkende uitspraken die de algemeen aangenomen geloofspunten van de meeste evangelicals omverwierpen. De volgende uitspraak over het millennium is illustratief:

“Als de Kerk al haar plichten vervult, kan het millennium binnen drie jaar in dit land komen”.1

Hij geloofde ook dat indien de kerk volledig had samengewerkt met het type van revivalisme dat hij aanhing, dit het millennium reeds zou gebracht hebben:

“If the whole Church, as a body, had gone



Foto van Charles Finney (1792 - 1875)



to work ten years ago, and continued it as a few individuals, whom I could name, have done, there might not now have been an impenitent sinner in the land. The millennium would have fully come into the United States before this day”.2

Finney geloofde dat een gouden eeuw van het Christendom, waarin Christus wordt geëerd, Gods morele wet wordt gehoorzaamd, en de nood aan verdere opwekkingen eindigde, kon teweeggebracht worden door de activiteiten van de kerk.3 Hier stellen zich verschillende problemen, en het bijzonderste is dat de Bijbel dit niet leert. Zoals we zullen zien voelde Finney zich vrij om af te wijken van de bijbelse orthodoxie om zijn eigen idealen te promoten.

Charles Finney had een aantal overtuigingen die verwant waren aan de Pelagiaanse ketterij van de 5de eeuw.4 Deze overtuigingen, en een fundamentele filosofische premisse die Finney daar naartoe leidden, helpen zijn postmillennialisme en zijn zienswijzen over opwekking (revival) te verklaren. Mijn thesis is dat Charles Finney’s theologie en nalatenschap een sterke en ongunstige invloed hebben gehad op het Amerikaans evangelicalisme.

Pelagianisme

Om de kwesties te begrijpen die opkomen uit Finney’s leringen, is het nuttig de fundamentele ideeën van Pelagius te schetsen. Hierna de kernleringen van het Pelagianisme1:

An insistence of the adequacy of created human nature, essentially unimpaired by Adam’s fall, to fulfill the will of God; the denial of original sin as either guilt or corruption transmitted from Adam to all mankind; the highest moral and spiritual expectations of the baptized Christian who must be capable of a life of perfect holiness, because God commands him thereto; and an understanding of the gifts of grace that excludes, or at best drastically minimizes, that enabling power without whose inner working we can do nothing acceptable to God.5

Augustinus’ geschriften zijn dienstig als primaire bron om hem te verstaan. Augustinus schreef:

For that grace and help of God, by which we are assisted in avoiding sin, he [Pelagius] places either in nature and free will, or else in the gift of the law and teaching; the result of which of course is this, that whenever God helps a man, He must be supposed to help him to turn away from evil and do good, by revealing to him and teaching him what he ought to do, but not with the additional assistance of His co-operation and inspiration of love, that he may accomplish that which he had discovered it to be his duty to do.6

Pelagius’ dwaling was het benadrukken van de bekwaamheid van de mens en het verwaarlozen van de nood aan bijzondere genade, teneinde van de verlossing en het christelijke leven meer een product te maken van menselijke keuzes en inspanningen dan van een transformerend werk van Gods genade. Wegens plaatsgebrek moeten deze omschrijvingen hier volstaan als goede schets van Pelagius’ leringen. Finney’s eigen geschriften, zoals hierna onderzocht, zullen aantonen dat Finney het eens was met sommige van Pelagius’ leringen, onafgezien of hij hiervoor daadwerkelijk op Pelagius steunde.



Finney over menselijke bekwaamheid

Een sleutelprincipe dat Finney’s theologie bestuurde was het axioma2 dat God nooit iets beveelt wat mensen niet kunnen gehoorzamen. Bijvoorbeeld:

“Het gebod zelf impliceert de bekwaamheid om haar te gehoorzamen. Elk gebod van God impliceert dit op de sterkste manier. Men moet zich herinneren dat God volmaakt is in zowel liefde als wijsheid, en daarom kan Hij niet zo onrechtvaardig zijn dat Hij ons een onmogelijkheid beveelt, noch zo onwetend dat Hij niet weet wat de echte grenzen zijn van onze krachten”.7

Finney herhaalt dit principe dikwijls. Hij beschouwt dit duidelijk als een natuurlijke bekwaamheid die niet verwoest werd door Adams zonde. Finney ontkende de menselijke zondigheid niet, maar ontkende constitutionele verdorvenheid, geërfd van Adam. Volgens Finney is de menselijke wil in staat al Gods geboden te gehoorzamen, los van enig genadewerk anders dan het overtuigen van de menselijke geest van de waarheid van het Evangelie door de Heilige Geest. Finney vond dat zonde zelfs nog laakbaarder zou zijn indien mensen beschouwd konden worden als in staat te zijn ze eenvoudig te overwinnen met handelingen van de wil.

Finney hield deze leer over menselijke bekwaamheid voor een “eerste waarheid”. Ze bestuurde zowel zijn theologie als zijn hermeneutiek3. Enig vers dat iets anders lijkt te zeggen kan niet toegestaan worden dit fundamentele filosofische en wettige axioma tegen te spreken. Zie bijvoorbeeld zijn Systematische Theologie:

We have seen that the ability of all men of sane mind to obey God, is necessarily assumed as a first truth, and that this assumption is from the very laws of mind, the indispensable condition of the affirmation, or even the conception, that they are subjects of moral obligation; that, but for this assumption, men could not so much as conceive the possibility of moral responsibility, and of praiseworthiness and blameworthiness.8

Charles Finney liet zulke veronderstellingen toe zijn bijbelinterpretatie te bepalen. Dit wordt gezien in zijn “well-settled rule” van bijbelinterpretatie:

“Language is to be so interpreted, if it can be, as not to conflict with sound philosophy, matters of fact, the nature of things, or immutable justice”.9

Maar er is een ernstig probleem wanneer men Finney’s principe van “gezonde filosofie” vergelijkt met de Bijbel. Het doorstaat geen bijbels kritisch onderzoek. Leert de Bijbel dat God enkel kan bevelen wat mensen (los van bijzondere genade) kunnen gehoorzamen? Beschouw bijvoorbeeld Paulus’ argument in Galaten 3:10:

“Want allen die uit de werken van de wet zijn, zijn onder de vloek; want er staat geschreven: Vervloekt is ieder die niet blijft in alle dingen die geschreven staan in het boek van de wet, om die te doen”.

Het is duidelijk dat Paulus geloofde dat het “blijven in alle dingen die geschreven staan in het boek van de wet” onmogelijk was. Anders zou hij niet concluderen dat ieder die gerechtvaardigd wil worden door het houden van de wet, vervloekt is! John MacArthur commentarieert deze passage: “In other words, the fact that those who trust in the works of the Law are obligated to keep all things in the law, without exception, places them inevitably under a curse, because no one had the ability to abide by everything the divine and perfect law of God demands”.10

Paulus’ gebruik van de passage uit Deuteronomium toont aan dat hij niet geloofde in het logisch axioma van Finney.

Gods heilige natuur is zodanig dat Hij wel degelijk beveelt wat geheel in overeenstemming is met zijn heiligheid en gerechtigheid, zelfs indien menselijke zondigheid betekent dat wij niet volmaakt Gods morele wet kunnen gehoorzamen. Het hele idee van plaatsvervangende verzoening (dat Finney fundamenteel verwierp) is dat de zondeloze en volmaakte Zoon van God de rechtvaardige eis van God vervulde die wij niet konden vervullen. Maar Finney leert dat het gebod zelf de bekwaamheid impliceert om haar te gehoorzamen, opdat God niet onrechtvaardig zou zijn door ze te geven.

Alhoewel Finney geloofde dat het millennium spoedig kon komen, ergerde hij zich eraan dat het nog niet gekomen was. Als de mens in staat is, aan deze kant van de opstanding, God consistent en volmaakt te gehoorzamen, waarom zou de kerk dan niet in staat zijn een millennium op te richten zonder Christus? De morele krachten waren er, maar deze moesten opgewekt worden tot gehoorzaamheid aan Christus:

“There must be excitement sufficient to wake up the dormant moral powers, and roll back the tide of degradation and sin”.11

Zijn vertrouwen in de natuurlijke menselijke bekwaamheid was sterk en werd dikwijls herhaald:

Uit wat gezegd is kunnen we leren wat de ware leer van natuurlijke bekwaamheid is, namelijk, dat elke morele vertegenwoordiger echt in staat is te doen wat God ook maar van hem eist; dat wanneer God van ons eist te geloven in Christus Hij ons zoveel licht geeft om ons in staat te stellen te geloven; dat als Hij van ons eist dat we ons bekeren Hij ons zoveel licht geeft dat wij in staat zijn ons te bekeren; maar dat wij niet in staat zijn uit te werken wat goed is ingevolge het bezit van de krachten van een moreel wezen, onafhankelijk van goddelijk licht. Andermaal, we kunnen zien wat ik bedoel met de uitspraak dat Christus het ware licht is dat elk mens verlicht die in de wereld komt. Elke morele vertegenwoordiger, precies in zoverre dat hij een morele vertegenwoordiger is, is verlicht door Christus.12

Alhoewel wij Christus’ licht nodig hebben voor bekering en geloof, hebben we het reeds omdat we menselijke wezens zijn. Deze leer over menselijke bekwaamheid is duidelijk Pelagianistisch. Elk mens, zoals hij of zij nu is, heeft reeds al het noodzakelijke om God volledig te gehoorzamen. In Finney’s theologie is verlichting door Christus geen bijzonder werk van genade, maar een natuurlijke gave aan alle mensen. Maar dat Finney, en eerder Pelagius, fout waren op dit punt, wordt aangetoond door 1 Korinthiërs 2:14:

“De natuurlijke mens nu neemt de dingen van de Geest van God niet aan, want ze zijn dwaasheid voor hem. Hij kan ze ook niet leren kennen, omdat ze geestelijk beoordeeld worden”

Als “elk mens die in de wereld komt” reeds verlicht zou zijn door Christus, voorafgaand aan enig werk van genade, wie zijn dan deze “natuurlijke” mensen die de dingen van God niet vatten?



Finney over erfzonde

Een belangrijk onderwerp in de Pelagiaanse controverse die naar boven komt in Finney, is de manier waarop Adams zonde het Adamitische ras beïnvloedt. Finney’s calvinistische achtergrond, welke blijkbaar weinig invloed had op zijn theologie, bepaalde dat Adam zondigde namens het menselijke ras, dat de zondeval een “zondenatuur” insloot, en dat allen “van nature kinderen des toorns” zijn (Efeziërs 2:3).13 Finney verwierp deze notie en leerde dat verdorvenheid (depravity) moreel is en niet fysisch. Hij bedoelde daarmee dat de wil, alhoewel sterk beïnvloed door “gevoeligheden” en verleidingen, zichzelf toevertrouwt aan zelfzuchtige voldoening.14 Vermits er geen fysische verdorvenheid is15 en “morele verdorvenheid enkel kan toegewezen worden aan overtredingen van de morele wet”16, is zondigheid een daad van de wil van elk individu en niet een “zondenatuur” die kan toegewezen worden aan het hele Adamitische ras. Dus wordt de van nature Adamitische schuld en het verderf, de historische leer over de erfzonde, door Finney ontkend, evenals dat het geval was bij Pelagius.

Het bestuderen van Finney’s Systematische Theologie toont aan dat dit geen karikatuur is van zijn standpunt. Bijvoorbeeld:

Morele verdorvenheid, zoals ik de term gebruik, bestaat niet in, noch impliceert ze een zondige natuur, in de betekenis dat het wezen van de menselijke ziel zondig is in zichzelf. Het is niet een constitutionele zondigheid. Het is geen onvrijwillige zondigheid. Morele verdorvenheid, zoals ik de term gebruik, bestaat uit zelfzuchtigheid, een staat van vrijwillige toewijzing van de wil tot zelfvoldoening”.17

De reden waarom dit significant is met betrekking tot Finney’s millenniumleer, is dat ze impliceert dat als er genoeg invloed wordt uitgeoefend op het verstand en het hart van mensen, zij kunnen overtuigd worden om zich toe te vertrouwen aan een ander principe. Dit principe, volgens Finney, is “disinterested benevolence” (belangeloze welwillendheid). De Heilige Geest is noodzakelijk om de geest te overtuigen van de nood aan bekering van zelfzucht en om zich te keren tot het principe van goddelijke liefde, maar de menselijke wil is aangeboren bekwaam om ervoor te kiezen Gods morele wet te gehoorzamen. Dit zou een millennium-koninkrijk mogelijk maken zonder lichamelijke opstanding van de heiligen en de wederkomst van Christus geschikt doen lijken.

James H. Moorhead geeft commentaar op Finney’s hoop voor de maatschappij:

The reform of society was equally certain if Christians had the determination to attain it, and Finney expected nearly Utopian results to flow from evangelical enterprise. “Let Christians”, he said, “do business one year on gospel principles”, and the Christian spirit will “go over the world like the waves of the sea”. Every goal Finney wished for society — among others, the abolition of slavery, the promotion of temperance, and an end to Sabbath violation — would, he believed, speedily be achieved if Christians united to promote these reforms.18

Als de zondenatuur niet bestaat en de mens is in staat om overreed te worden, wat staat dan een hervorming van de maatschappij in de weg?



Finney over christelijke volmaaktheid

Dat brengt ons tot het finale dogma van het Pelagianisme, dat zijn tegenhanger heeft in Finney’s leer: christelijke volmaaktheid. Na aan te tonen wat het niet is, stelt hij zijn definitie van christelijke volmaaktheid in zijn eenvoudige vorm: “Het is volmaakte gehoorzaamheid aan de wet van God”.19 Dat zulke gehoorzaamheid verre van haalbaar is kan enkel te wijten zijn aan zijn simplistisch concept van moreel handelen.

“The law of God requires perfect, disinterested, impartial benevolence, love to God and love to our neighbor. It requires that we should be actuated by the same feeling, and to act on the same principles that God acts upon; to leave self out of the question as uniformly as he does, to be as much separated from selfishness as he is; in a word, to be in our measure as perfect as God is. Christianity requires that we should do neither more nor less than the law of God prescribes. Nothing short of this is Christian perfection. This is being, morally, just as perfect as God. Every thing is here included, to feel as he feels, to love what he loves and hate what he hates, and for the same reasons that he loves and hates”.20

Finney’s biografen geven aan dat Finney tot deze leer kwam vanuit zijn ontgoocheling dat bekeerlingen van zijn revivals niet het door hem verhoopte succes hadden getoond, en dat de kerk in de wereld niet de overhand had gekregen zoals gehoopt. G. Frederick Wright, die schreef als professor in Oberlin in 1891 (waar Finney voorheen professor theologie was), geeft commentaar over Finney’s motieven om Lectures to Professing Christians te schrijven, dat zijn zienswijzen uitdrukt over volmaaktheid:

“Terzelfder tijd voelde zijn geest met toenemend weeklagen de noodzaak aan van een hogere staat van toewijding van de zijde van de kerk, opdat het Christendom uiteindelijk in de wereld zou heersen”.21

Charles Hambrick-Stowe schrijft over het feit dat Finney’s leer vergezeld ging met controverse, maar dat hier en daar iemand dacht dat deze leer het millennium zou inleiden.22



Finney en theologische vernieuwing

Op vele manieren leidde Charles Finney een golf van theologische en praktische vernieuwing die een pest was voor en zijn stempel heeft gedrukt op het Amerikaans evangelicalisme. Dat een persoon wiens leringen volgens klassieke christelijke standaarden ketters waren, zowat een held is geworden in het populaire evangelicalisme, zegt veel over de problemen in de hedendaagse kerk. Dit is voor een deel te wijten aan het feit dat Amerikaanse evangelicals zo onder de indruk komen van succes en resultaten. Finney wordt aanzien als de ontwikkelaar van gepland massa-evangelis­me.23 Zoals dat vandaag nog steeds het geval is met een massa-evangelist die erg succesvol is, wordt het als ongepast beschouwd zo iemands leringen in vraag te stellen. Finney’s succesvolle revivalmeetings creëerden geloofwaardigheid aan zijn leringen.

In bepaalde opzichten zou men kunnen zeggen dat Finney een voorloper was van de moderne “Word of Faith” beweging. Ik zeg dat wegens de gelijkaardige benadrukking van de menselijke bekwaamheid om zijn eigen spirituele effecten te veroorzaken door het juiste gebruik van middelen. De “Faith” beweging, zoals gekarakteriseerd door Kenneth Hagin en Kenneth Copeland, is welgekend voor het claimen van “wetten” die tot het universum behoren en die kunnen aangewend worden door hen die de juiste “revelation knowledge” bezitten, en gebruikt kunnen worden om de verlangde spirituele effecten te creëren. De overeenkomst met Finney is het ongebreideld optimisme dat mensen met de juiste spirituele kennis elk belangrijk probleem kunnen oplossen en hun eigen verlangde resultaten kunnen creëren door het juiste gebruik van middelen.

Finney had een lichtjes andere benadrukking van wat hij verlangde om revivals te creëren, en een millenniumtijd vóór de wederkomst van Christus, en een gechristianiseerde maatschappij (eerder dan “health and wealth”), maar zijn benadering was gelijkaardig. Beschouw zijn leer over het produceren van opwekkingen:

A revival is not a miracle according to another definition of the term”miracle” — something above the powers of nature. There is nothing in religion beyond the ordinary powers of nature. It consists entirely in the right exercise of the powers of nature. It is just that, and nothing else. When mankind become religious, they are not enabled to put forth exertions which they were unable before to put forth. They only exert powers which they had before, in a different way, and use them for the glory of God. A revival is not a miracle, nor dependent on a miracle, in any sense. It is a purely philosophical result of the right use of the constituted means — as much so as any other effect produced by the application of means.24

De kracht om de verlangde resultaten te verkrijgen ligt in handen van mensen wier geesten verlicht zijn door de juiste spirituele principes. Deze “ik kan het” attitude, die zo Amerikaans is, heeft het moderne evangelicalisme doordrongen. Finney heeft zeker de “verdienste” dit voor het eerst te articuleren en te populariseren, maar het is tevens een grootse schande voor het Amerikaans evangelicalisme. De dwalingen en excessen van revivalisten en evangelisten wier “succes” veel volgelingen aantrekt, heeft gediend als dekmantel voor hun valse leringen, en de wortels ervan gaan helemaal terug tot Charles Finney.

R.C. Sproul sloot in een recent boek een hoofdstuk in over Charles Finney en stelt de vraag of Finney de term “evangelical” verdient, zoals gedefinieerd in klassieke zin als een gelovige in “sola fide” (rechtvaardiging door geloof alleen).25 Sproul toont aan dat Finney de “forensische” (legale) rechtvaardiging ontkent, een sleutelleer van de hervormers in hun dispuut met het Rooms-katholi­cisme.26 Finney ontkende zowel de verrekening van Adams zonde aan het menselijke ras als de verrekening van Christus’ rechtvaardigheid aan de gelovige. Finney schreef:

The doctrine of a literal imputation of Adam’s sin to all his posterity, of the literal imputation of all the sins of the elect to Christ, and of His suffering for them the exact amount due to the transgressors, of the literal imputation of Christ’s righteousness or obedience to the elect, and the consequent perpetual justification of all that are converted from the first exercise of faith, whatever their subsequent life may be I say I regard these dogmas as fabulous, and better befitting a romance than a system of theology.27

Het Rooms-katholieke Concilie van Trente, noemde in haar veroordeling van de Reformatie, forensische rechtvaardiging “legale fictie”. Daar is Finney het uiteraard mee eens.

Nog een van Finney’s fameuze afwijkingen van de christelijke orthodoxie gaat over de plaatsvervangende verzoening. Hij verwierp de definities van de Westminster Confession over substitutionele verzoening28 alhoewel hij als Presbyteriaans bedienaar geacht werd deze te geloven.29 Finney redeneerde dat Christus aan geen “exacte gerechtigheid” kon voldaan hebben, vermits de straf op zonde eeuwige veroordeling was, en Jezus geen eeuwige verdoemenis onderging. Daarom kon hij in dit opzicht aan de vraag van de wet niet voldaan hebben.30 Finney, die zich hield aan een theorie van moreel bestuur, redeneerde dat Christus’ dood voldeed aan “openbare gerechtigheid” door Gods haat jegens de zonde te tonen en dit te voorzien voor het “welzijn van het universum”.31 R.C. Sproul voorziet in een inzichtvolle en accurate beschrijving van Finney’s onorthodoxe kijk op de verzoening.32 Sproul beantwoordt Finney’s beschuldiging dat Christus’ lijden onvoldoende was om te voldoen aan de legale vraag van “retributieve [vergeldende] gerechtigheid” zoals volgt:

The satisfaction view of the atonement does not see the law, in and of itself, as being satisfied, but rather the Father whose law it is that is satisfied. It is God who is both Just and Justifier. His justice is propitiated by Christ, and his demands are satisfied.33

Finney, opgeleid als advocaat, gebruikte wetstheorie zoals hij die begreep om zijn eigen versie van christelijke theologie te produceren. Geen belangrijke christelijke doctrine leek immuun te zijn voor zijn geknoei.



Charles Finney’s nalatenschap

De grootste schade die Finney het Amerikaans evangelicalisme berokkende is, volgens mij, zijn nalatenschap van pragmatisme. Ideeën over wat bereikt moest worden en de noodzakelijke middelen voor dit doeleinde, nemen prioriteit over alle andere dingen. Finney was gekend voor “new measures” revivalisme:

The “new measures” included praying for persons by name, allowing women to pray and testify, encouraging persons to come forward to the “anxious seat” (a front pew for those under conviction), mobilizing groups of workers to visit all the homes of the community, and displacing the regular services with “protracted meetings” (lengthy services held each night for several weeks).34

Alhoewel dit thema’s waren die opkwamen in die tijd, was het echte nalatenschap van Finney de bereidheid om bijbelse waarheid op te offeren ter wille van leringen die gericht waren op betere werkzaamheid om de verlangde einddoelen te bereiken.

Bijvoorbeeld, als christenen naar beoordeling laks bleken te zijn, werd perfectionisme geleerd; als respect voor de wet nodig was, was de theorie van moreel bestuur het antwoord; als revival op zich liet wachten, was er het geloof dat conversie van zondaars eerder een daad van God was dan een menselijk gebruik van middelen; als het millennium niet gekomen was, dan was dat simpel omdat mensen niet met het plan meewerkten. Finney verhief menselijke bekwaamheid tot zijn hoogste niveau en maakte de hele zaak van de conversie tot een zaak van menselijke beslissing, die geen verandering eiste van de fundamentele natuur van de zondaar maar slechts een zaak van de wil:

“The Holy Spirit reveals God and the spiritual world, and all that class of objects that are correlated to our higher nature, so as to give reason the control of the will. This is regeneration and sanctification, as we shall see in its proper place”.35

Finney verwierp de leer dat wedergeboorte een bovennatuurlijke verandering van hart is, veroorzaakt door de Heilige Geest.36 Hij realiseerde zich dat deze leer gebaseerd is op de leer van “constitutional moral depravity”, die hij had afgewezen.37 Finney beweerde dat wij nieuwe harten voor onszelf kunnen maken, en:

“Regeneration is ascribed to man in the gospel, which it could not be, if the term were designed to express only the agency of the Holy Spirit”.38

Voor Finney is wedergeboorte een keuze van de wil van de mens:

“Regeneration, to have the characteristics ascribed to it in the Bible, must consist in a change in the attitude of the will, or a change in its ultimate choice, intention, or preference; a change from selfishness to benevolence; from choosing self-gratification as the supreme and ultimate end of life, to the supreme and ultimate choice of the highest well-being of God and of the universe”.39

Volgens Finney regeert de wil van de mens in opperste zin. De juiste keuzes, in antwoord op Gods morele bestuur van het universum, zullen niet enkel wedergeboorte veroorzaken, maar ook christelijke volmaaktheid, en ten slotte een zalig millenniumkoninkrijk vóór de wederkomst van Christus. R.C. Sproul beweert dat Finney’s theologie, met zijn nadruk op menselijke beslissing, “een massieve invloed op het moderne evangelicalisme” 40 heeft gehad. Hoe droevig is het dat deze “pull yourself up by your own bootstraps” benadering weerklinkt onder evangelicals die zich misschien niet realiseren hoe sterk zij beïnvloed werden door de wereldlijke Amerikaanse cultuur.

Conclusie

De volgende keer als u hoort over een nieuwigheid die belooft “de wereld voor Christus te winnen in onze generatie”, denk dan aan het nalatenschap van Charles Finney. Want ondanks al zijn talenten en overredingsbekwaamheid, en zijn werk in de 19de eeuwse cultuur die toen minder afvallig was dan de onze, was hij niet in staat een millenniumkoninkrijk af te leveren zoals hij dat had gehoopt.

“Want omdat, in de wijsheid van God, de wereld door haar wijsheid God niet heeft leren kennen, heeft het God behaagd door de dwaasheid van de prediking zalig te maken hen die geloven” (1 Korinthiërs 1:21).

Men kan niets “verbeteren” aan de boodschap van het kruis, middels een mengeling van verdraaide leringen en nieuwe technieken die “niet kunnen falen”.



Eindnoten

  1. Charles G. Finney, Lectures on Revival, Lecture 15 “Hindrances to Revival” 301, from Books For The Ages, AGES Software, version 2.0 [CD-ROM] (Albany, OR: The Master Christian Library Series, 1997).

  2. Ibid.

  3. Ibid. Lecture 1, 9. Finney explains his view of why “excitements” are needed in the mean time: “As the millennium advances, it is probable that these periodical excitements will be unknown. Then the Church will be enlightened, and the counteracting causes removed, and the entire Church will be in a state of habitual and steady obedience to God. Children will be trained up in the way they should go, and there will be no such torrents of worldliness, and fashion, and covetousness, to bear away the piety of the Church, as soon as the excitement of a revival is withdrawn.”

  4. I am not asserting that Finney obtained his teaching directly from Pelagius, but that his teachings were in essential agreement.

  5. New Dictionary of Theology, ed. Sinclair Ferguson and David F. Wright, (Downers Grove: Intervarsity Press, 1988), s.v. “Pelagianism,” 499, 500.

  6. Aurelius Augustine, Bishop of Hippo, “Retractions: A Treatise on The Grace of Christ and on Original Sin” Chapter 3, 574, from Books For The Ages, AGES Software, version 2.0 [CD-ROM] (Albany, OR: The Master Christian Library Series, 1997).

  7. Charles G. Finney, Sermon Collection Vol. 1 — “The Church Bound to Convert the World” 167, from Books For The Ages, AGES Software, version 2.0 [CD-ROM] (Albany, OR: The Master Christian Library Series, 1997).

  8. Charles G. Finney Systematic Theology, 1878 edition, Lecture 32 444, from Books For The Ages, AGES Software, version 2.0 [CD-ROM] (Albany, OR: The Master Christian Library Series, 1997).

  9. Finney, Lectures on Revival, Lecture 23, 309.

  10. John MacArthur, Jr., Galatians (Chicago: Moody, 1987) 77.

  11. Finney, Revival. . ., Lecture 1 10.

  12. Finney, Sermon . . . Vol. 1 213.

  13. See David L. Weddle, The Law as Gospel: Revival and Reform in the Theology of Charles G Finney (Metuchen, NJ: Scarecrow Press, 1985) 161 - 168, for a discussion of Finney’s rejection of “constitutional depravity.”

  14. Finney, Systematic Theology, Lecture 22, 293 - 297.

  15. Finney is the one who made the distinction between “physical” and “moral” depravity. I do not believe it works or makes sense. Romans chapters 1 through 3 teach that the whole person and the whole race is sinful. Romans 5 teaches that the whole race is sinful “in Adam” as does 1Corinthians 15:22. Finney’s needless distinction, in my opinion, is simply a semantic game to cover up his complete rejection of the doctrine of original sin and the sin nature. That we are subject to “sensibilities” and “temptations” is no more that could be said about Adam and Eve before the Fall.

  16. Finney, Systematic Theology. 295.

  17. Ibid. 296.

  18. James H Moorhead, “Charles Finney and the Modernization of America,” Journal of Presbyterian History 62, no. 2 (Summer 1984): 105.

  19. Charles G. Finney, Lectures to Professing Christians, Lecture 19 — Christian Perfection part 1 297, from Books For The Ages, AGES Software, version 2.0 [CD-ROM] (Albany, OR: The Master Christian Library Series, 1997).

  20. Ibid. Finney: “The law of God requires perfect, disinterested, impartial benevolence, love to God and love to our neighbor. It requires that we should be actuated by the same feeling, and to act on the same principles that God acts upon; to leave self out of the question as uniformly as he does, to be as much separated from selfishness as he is; in a word, to be in our measure as perfect as God is. Christianity requires that we should do neither more nor less than the law of God prescribes. Nothing short of this is Christian perfection. This is being, morally, just as perfect as God. Every thing is here included, to feel as he feels, to love what he loves and hate what he hates, and for the same reasons that he loves and hates.”

  21. G. Frederick Wright, Charles Grandison Finney (Boston: Houghton, Mifflin and Company, 1891), 203.

  22. Charles E. Hambrick-Stowe, Charles G. Finney and the Spirit of American Evangelicalism (Grand Rapids: Eerdmans, 1996), 186.

  23. Keith J. Hardman, Seasons of Refreshing — Evangelism and Revivals in America, (Grand Rapids: Baker, 1994), 142-167.

  24. Finney, Lectures ... Revival, Lecture 1, 11.

  25. R. C. Sproul, Willing to Believe, (Grand Rapids: Baker, 1997), 171, 172.

  26. Ibid, 172-174.

  27. Finney, Systematic Theology, Lecture 36, 508,509.

  28. Ibid. 510-512.

  29. Hardman, Seasons, 149. Hardman, a Finney biographer, says that Finney was asked if he received the Westminster Confession, and said that he did as far as he understood it, but at that time (1823) he had never actually read it. He was nevertheless ordained. In his later writings he disagreed with the Calvinistic Westminster Confession every time he interacted with it.

  30. Finney, Systematic Theology, Lecture 25, 348.

  31. Ibid. 339.

  32. Sproul, Willing, 174-178.

  33. Ibid. 175.

  34. Hardman, Seasons, 152.

  35. Finney, Systematic Theology, Lecture 24, 330.

  36. Ibid. Lecture 27, 363. R. C. Sproul interacts with Finney on this point: Sproul, Willing, 185.

  37. Ibid.

  38. Ibid. 366.

  39. Ibid. 370.

  40. Sproul, Willing, 185.


Lees over Finney ook: Een Wolf in Schapenvacht ()
E-mail: verhoevenmarc@skynet.be

Homepage: www.verhoevenmarc.be of users.skynet.be/fa390968



Ga hier naar de Nieuwste Artikelen of www.verhoevenmarc.be/NieuwsteArtikelen.htm

1 “Pelagius (ong. 360-435) … was van mening dat de mens een voluit vrije wil had. Er bestond niet zoiets als erfzonde: kinderen waren volgens hem bij hun geboorte even onschuldig als Adam in het Paradijs. Het komt er dan ook op aan voor de mens om deugdzaam te leven: het goede zou uiteindelijk beloond worden en het kwade gestraft” (Wikipedia).

2 Axioma: zonder bewijs aangenomen stelling.

3 Hermeneutica of hermeneutiek: Leer van de regels en hulpmiddelen die bij de uitlegkunde gebruikt worden, de theorie van de exegese, met name van de bijbeluitlegging. (Van Dale).







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina