Boek van de maand



Dovnload 44.67 Kb.
Datum21.08.2016
Grootte44.67 Kb.
Boek van de maand

Ger van der Drift

Margaretha

Een mislukte landvoogdes


Bespreking van:

Jan Siebelink, Margaretha

(De Bezige Bij: Amsterdam 2002) 320 blz., prijs E 19,50.

Het begin is even sterk als luguber. Een ijskoude nacht in de Abruzzen. De kapel van het fort Farnese. Het is midden in de nacht en in een open kist ligt Margaretha van Parma opgebaard. Een oude priester verleent haar het sacrament der stervenden en een klein gezelschap dromt om haar heen voor het laatste afscheid. Is de voormalige landvoogdes van de Nederlanden dood? Nee, zij oefent.


Na een toch al omvangrijk oeuvre heeft Jan Siebelink zich gewaagd aan een roman over het leven van de onwettige dochter uit de kortstondige verhouding van keizer Karel V en een eenvoudig meisje uit het volk.

Afgedankt door haar (half-)broer Philips na de golf van vandalisme die over de Nederlanden woedde en bekend is geworden onder de naam Beeldenstorm, en opzij gezet door haar opvolger als landvoogd, de Hertog van Alva, slijt Margaretha van Oostenrijk, hertogin van Parma en Piacenza (1522-1586) haar laatste jaren in een uithoek van Europa, letterlijk van God en iedereen verlaten. Alleen een stokoude lijfarts, die met een zekere regelmaat de laatste druppels bloed uit haar verdorde aderen perst en een hondstrouw dienstmeisje, Johanna, houden haar nog gezelschap.

Geplaagd door de jicht, een familiekwaal, en verstoken van enige hulp uit Spanje, kijkt zij vanuit een onafgebouwd paleis in Ortona, aan de Adriatische Zee, verbitterd terug op een leven dat zo veelbelovend begon.
Op tienjarige leeftijd wordt Margaretha uitgehuwelijkt aan Alessandro de Medici, ‘een voorbeeldige smeerlap, de duivel in eigen persoon’, een onecht kind van paus Clemens VII. In ruil hiervoor beloofde de paus Karel te steunen in zijn strijd tegen de Fransen. De kleine Margaretha als pion op het schaakbord van de machtigsten in Europa.

Lang zal dit huwelijk niet duren: Alessandro wordt vermoord (wie kijkt daar nou van op in het zestiende-eeuwse Italië?) en voor ze het weet is ze opnieuw getrouwd, en wel met de kleinzoon van een andere paus, ditmaal uit het geslacht Farnese. Een liaison met een dochter van de keizer zou aan dit nog onbetekenende geslacht meer prestige moeten geven.

De dwerg die voortaan het bed met haar deelt weet zich slechts met de grootste moeite van zijn voornaamste taak te kwijten, namelijk het verwekken van nageslacht (de eerste pogingen daartoe worden door Siebelink bijzonder amusant beschreven). Van de tweeling die na zeven jaar huwelijk ter wereld komt, zal er een, net als zijn moeder, als landvoogd over de Nederlanden heersen, maar dan is de cirkel al rond en het boek ten einde.
Nooit is het geluk van Margaretha zo groot geweest als in die zomer van 1559, wanneer Philips zijn halfzus vraagt om zijn plaatsvervanger te worden. De reis van Rome naar Brussel is een triomftocht en haar installatie op de Coudenberg, het luisterrijke paleis van de voormalige Bourgondische hertogen, de vervulling van een droom. De grandes van de lage landen betuigen haar hun steun en de Brusselaars zijn enthousiast nu een dochter uit het gewone volk hun leiding zal geven. Een lichtpunt in donkere tijden.

Ook fysiek is Margaretha op haar best: met haar dieprode haardos en een geoefende zit op haar paard weet zij de aandacht van de mannen op haar gericht. In de rug gedekt door de broeders Goncourt (‘L’histoire est un roman qui a été’), laat Siebelink zijn hoofdpersoon verliefd worden op haar Brusselse buurman, de jonge en aanlokkelijke Prins van Oranje. Deze is weliswaar net opnieuw getrouwd, maar Anna van Saksen is eigenlijk alleen in financieel opzicht een aantrekkelijke partij.

Doch de liefde wordt niet beantwoord en de teleurstelling zal er slechts een zijn in een lange rij. Brussel blijkt namelijk een wespennest. De kersverse landvoogdes wordt bij voortduring gemangeld tussen aan de ene kant de alcoholische en zedeloze losbollen van de hoge adel, die elke poging tot centralisatie opvatten als een ondermijning van hun positie, en anderzijds ambtenaren als Granvelle en Viglius, die in de grandes niet meer kunnen zien dan bestuurlijke non-valeurs en het liefst de macht naar zich toe zouden willen trekken.

Een vrouw tussen de mannen dus.


Alle boosheid richt zich op de ‘Rode Kardinaal’. Met een boosaardig briefje, waarin zij uitgebreid de losbandige levenswandel van de prelaat beschrijft (hij zou zelfs met de bisschoppen van Utrecht en Kamerijk een weddenschap hebben lopen wie er per jaar de meeste kinderen kon verwekken), geeft zij de besluiteloze Philips het laatste zetje om zich van hem te ontdoen. De gehate Granvelle wordt met verlof gestuurd, zogenaamd om zijn zieke moeder te bezoeken. In werkelijkheid is dit verlof niet meer of minder dan een ballingschap (1563).

De hoop dat deze maatregel olie op de golven zou zijn, komt niet uit. De maatschappelijke onrust, vooral veroorzaakt door de hongersnood en de strenge vervolging van de ketters, blijft broeien. Margaretha krijgt te maken met een pseudo-revolte van de adel uit de Lage Landen: de aanbieding van het Smeekschrift (Brussel 5 april 1566).

Het is dat fameuze moment dat door generaties onderwijsgevenden is aangevat om de herkomst van het begrip geus uit te leggen: “N’ayez pas peur, Madame, ce ne sont que des gueux’. Siebelink doorbreekt een zeer oude traditie met een eigentijdse vertaling: ‘Allons, Madame, wat nu, u bent toch niet bang voor deze bedelaars?’.
Aanvankelijk leek Margaretha bereid tot het matigen van de plakkaten (‘moderatie’), zelf sympathiseerde zij immers met elementen van het protestantse geloof. Luther heeft nog eens enkele door hem uit het Latijn vertaalde psalmen aan haar opgedragen. Bovendien heeft zij op afstand een hagenpreek bijgewoond van een dominee die door Siebelink met bijna voelbare afkeer wordt beschreven (is deze kaalhoofdige en eenogige predikant dominee Pauw die in zijn jeugd zo’n grote rol speelde?).

Niet dat Margaretha voor een echte keuze staat. Ze mag dan niet meer zo gecharmeerd zijn van de rooms-katholieke dogma’s, maar des te meer van symboliek van de moederkerk. Daarom is het meer een ontlopen dan het maken van een keuze:

Die nieuwe godsdienst, Luther, Calvijn, dat is zo ingewikkeld. De paus, de biecht. Ze wilde er liever niet over nadenken. Tegelijk voelde ze zich schuldig. Je behoorde een duidelijke mening te hebben. Nou, geen twijfel mogelijk. Zij was katholiek en zou dat blijven.
Maar de politieke situatie raakt in een stroomversnelling als op 10 augustus van datzelfde jaar de Beeldenstorm losbreekt. Daarmee is de opstand tegen Margaretha en Philips een feit en de afgang - letterlijk en figuurlijk - van de hoofdpersoon bezegeld. Als de koning besluit om de hertog van Alva met een Spaans keurkorps naar de Nederlanden te sturen, is Margaretha zo verontwaardigd, dat zij in april 1567 haar ontslag indient. Nog bijna twintig jaar moet zij in de Abruzzen op haar dood wachten, wegkwijnend door de jicht en het gevoel door de geschiedenis misdeeld te zijn.
De amoureuze gevoelens voor Oranje die Siebelink aan Margaretha toeschrijft, geven hem de gelegenheid het eind (maar ook het begin) van het verhaal extra dramatische kracht te geven. In dezelfde tijd dat de voormalige landvoogdes oefent voor haar begrafenis, krijgt zij uit Brussel het triomfantelijke bericht dat de moordaanslag op Oranje is gelukt.

Het zou haar zonder de inventiviteit van Siebelink vreugde moeten schenken, temeer daar haar bloedeigen zoon, Alexander, er als landvoogd tot over zijn oren bij was betrokken. Maar het bericht breekt haar hart: haar liefde voor De Zwijger is nooit verflauwd .


Alles aan dit boek klopt. Het is prachtig geschreven, met een inlevingsvermogen dat je alleen maar medelijden doet krijgen met de arme vrouw, en een rijkdom aan details die zelfs de doorgewinterde laat-mediëvist moet charmeren. Aan de uitgave is zeer veel zorg besteed, zoals blijkt uit het schutblad met een aansprekend detail uit een portret van de hand van Titiaan, het mooie papier en het prettige lettertype. Kortom een wannahave voor de verwende lezer en bibliofiel.

“Margaretha leidde een leven naast de gebeurtenissen”.

Interview met Jan Siebelink

Jan Siebelink (1938) is de succesvolle auteur van vele romans, en ook columnist, vertaler en niet in de laatste plaats voormalig leraar Frans aan het Edese Marnix-College. Voor het eerst in zijn schrijverscarrière heeft hij zich gewaagd aan een historische roman, Margaretha, over het wel en vooral wee van de halfzus van Philips II en landvoogdes van de Nederlanden.

Wanneer een dergelijk bekend schrijver zich op het pad van de historie begeeft, en dan nog wel - altijd gewaagd - met een roman, moet Kleio daar het hare van weten. Bovendien is het sowieso al interessant te horen hoe iemand die zijn sporen in het onderwijs heeft verdiend, daarop terugkijkt. En dus reisde ik, enigszins nerveus alsof het een tentamen betrof, namens de muze der geschiedenis af naar Ede. Het was tenslotte mijn eerste interview voor ons blad en ik was eigenlijk liever begonnen met iemand van een mindere signatuur.
We hadden afgesproken in een rustiek hotel in het oude gedeelte van de stad waar ook de school stond waar Siebelink generaties leerlingen gepoogd heeft het Frans, en een beetje belangstelling voor Frankrijks literatuur en cultuur, bij te brengen. Sinds kort is hij met pensioen, keurig netjes in het jaar dat hij 65 wordt.

Al ver voor de afgesproken tijd zat ik wat onrustig te draaien achter mijn koffie, rekenend op de entree van een goedgesoigneerde heer, die zojuist zijn, uiteraard Franse, voiture had verlaten. Siebelink was echter op de fiets - en dan nog niet eens op zo’n statig informateursgazelle a la Donner - en gekleed in T-shirt en jack. Mijn nervositeit was onmiddellijk verdwenen en binnen de kortste keren was het alsof we elkaar al jaren kenden.


Mijn eerste vraag was tamelijk obligaat:

Last gehad van het veelgevreesde ‘Zwarte Gat’?

Helemaal niet. Ik moest de laatste hand leggen aan Margaretha, en verder veel tijd besteden aan het corrigeren van de drukproeven, overleg met de uitgever en allerlei andere werkzaamheden die bij het publiceren van een boek komen kijken. Bovendien gaf ik de laatste jaren niet zoveel les meer, ongeveer acht uur in de week. Dus de overgang naar mijn leven als pensioengerechtigde is eigenlijk tamelijk gladjes verlopen.



Ga je met de zee van vrije tijd waarover je nu beschikt meer aandacht besteden aan je literaire productie?

Nee, ik kan maar een beperkt aantal uren per dag bezig zijn met schrijven. Hoewel ik tamelijk matineus ben en al om zeven uur achter mijn bureau zit, is na vier uur mijn energie zo’n beetje op. Ik besteed verder veel tijd aan fietsen, hardlopen en wandelen met de honden.



Schrijver en sportman dus?

Ja, en binnenkort verschijnt er dan ook een boek van mij ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de Tour de France met daarin een heel bijzondere brief van Johan van der Velde (een wielrenner die enkele jaren geleden betrokken raakte bij een dopingschandaal).


Uit je columns in Het Schooljournaal blijkt dat je van onderwijsvernieuwingen niet veel moet hebben. Wanneer is het volgens jou misgegaan met het onderwijs?

Met de Mammoetwet had ik niet zoveel moeite. Ik vond dat wel goed voor het talenonderwijs. Er werd meer aandacht besteed aan tekstbegrip en aan spreekvaardigheid. De beruchte talenpractica uit die tijd waren op zich wel geschikt, alleen in praktijk werkten ze niet. De leerlingen zaten voortdurend te rotzooien en de conciërges werden er gek van.

Daarna is het alleen maar bergafwaarts gegaan. Er werden bijna geen boeken meer gelezen en tentamens mochten niet meer in het Frans worden afgenomen. Vroeger lazen mijn leerlingen in de examenklassen uit elke periode van de literatuurgeschiedenis enkele werken, ook toneelstukken. Bij elkaar waren dat er wel vijftien. Later mochten ze zich beperken tot enkele hoofdstukken en tegenwoordig stelt het helemaal niets meer voor. Er wordt dus vanaf 1968 weinig kennis bijgebracht in het onderwijs.

Voor het geschiedenisonderwijs geldt volgens mij hetzelfde. Leerlingen weten niet wie Margaretha van Parma is, Karel de Grote en Karel de Vijfde gooien ze door elkaar. Als wat ik ervan gezien hebt klopt, werken ze alleen nog maar aan vaardigheden, vraagjes over bronnen en zo. Het weinige positieve dat je van het huidige onderwijs nog kunt zeggen, is dat de integriteit en de positieve instelling van de man en vrouw voor de klas ervoor zorgen dat het nog goed gaat ondanks Zoetermeer.

Toch ben ik geen echte Prinzipienreiter. Elke docent is wel een beetje corrupt, ik rommelde wel met mijn cijfers in die zin dat ik leerlingen die vreselijk hun best deden, maar net niet aan een voldoende kwamen, een handje hielp.
Voordat we teveel gaan somberen, stel ik voor dat we overgaan naar datgene waarvoor ik helemaal naar Ede ben gekomen. Waarom Margaretha van Parma? Wat trok je aan in deze vrouw?

In de eerste plaats schrijf ik graag over vrouwen. Ik vind dat een uitdaging. Het gaat mij in het algemeen gesproken ook vrij gemakkelijk af. In veel van mijn romans zoals De herfst zal schitterend zijn en De overkant van de rivier speelt de belevingswereld van een vrouw een belangrijke rol.

Wat Margaretha betreft: het is eigenlijk al begonnen op de lagere school. We hadden op een bepaald moment een onderwijzer die vreselijk goed kon vertellen (sic). Hij deed dat altijd met behulp van een historische wandkaart, van Isings of Jetses. Op een ervan zag je een verbeten kijkende Margaretha tijdens de aanbieding van het Smeekschrift. Die plaat en dat verhaal maakten een grote indruk op mij. Verder heb ik veel gelezen over haar. Het beeld dat oprees uit de literatuur was er een van een vrouw die besluiteloos was, instabiel, melancholiek, maar met een rijk gevoelsleven. In een van de contemporaine bronnen is sprake van ‘grandes ploderies’ (enorme huilbuien). Het ene moment was zij blij en opgetogen en dan weer kon ze hevig gedeprimeerd zijn.

Ik heb mij sterk met haar geïdentificeerd. het is mijn Margaretha geworden. Mijn eigen angsten, bijvoorbeeld voor de dood, vind je bij haar terug. Een beetje als Emma Bovary van wie Flaubert zei: ‘Emma, c’est moi’.

Het is kortom een psychologisch portret geworden van een vrouw die heel veel wil maar niets mag. Ze werd door haar broer in Madrid voortdurend aan het lijntje gehouden en kreeg weinig speelruimte. Bijna dagelijks arriveerde er op het bureau van Granvelle een brief van Philips met de vraag hoe ze het deed als landvoogdes. Ze moet de aanwezigheid van die man als verpletterend hebben ervaren. Ik vroeg mij dan ook af hoe zo’n type het redde tussen dat soort mannen als de kardinaal, Viglius en Barlaymont.

Speelde het feit dat Margaretha leefde in de zestiende eeuw ook nog een rol, heb je een voorliefde voor die tijd?

Ja, ik ben grootgebracht in een streng-gereformeerd gezin, waar sterk anti-paaps werd gedacht. Mijn vader had veel boeken uit die tijd, onder andere de psalmen van Petrus Dathenus, een scherpslijper. De landvoogdes kreeg ook te maken met de tegenstelling rooms-katholicisme versus de reformatie. Zo laat ik haar getuige zijn van een ketterverbranding.

Zij verkeerde natuurlijk op het kruispunt van twee tijdperken die ook in haar persoon samenkwamen: enerzijds stond zij nog in de Middeleeuwen met haar bigotterie en haar enorme angst om niet in de hemel te komen. De hemel waar zij ook verantwoording af zou moeten leggen voor haar aardse daden (dit zijn trouwens ook mijn eigen angsten immers: ‘Margaretha, c’est moi’). Anderzijds was zij ook een kind van de Renaissance in die zin dat zij twijfelde aan de absolute waarheden die de Kerk verkondigde. Zij kon wel begrip opbrengen voor de verontwaardiging die bij velen in de Nederlanden leefde over de strenge plakkaten

Deze vrouw en deze tijd hebben dus genoeg drama in zich.


Voor welke problemen kwam je bij het schrijven van je boek te staan? Ik denk bijvoorbeeld aan het feit, dat het niet eenvoudig moet zijn voor iemand uit het streng-calvinistische milieu om over een rooms-katholieke vrouw te schrijven.

Een moeilijk moment is het tijdstip waarop je moet overstappen van informatie naar creatie. Het moet een spannend boek worden, de lezer moet niet aan de feiten blijven hangen. Ongemerkt moet je hem de historische les lezen. Je kunt ook niet al te loyaal aan je bronnen blijven, want dan wordt het boek onleesbaar. Maar ik heb wel geprobeerd zo dicht mogelijk bij de waarheid te blijven. Zo laat ik Margaretha aanvankelijk ergens een kop chocolademelk drinken. Iemand die met mij meelas, wees mij erop dat dat eigenlijk niet kon. Dus dat heb ik geschrapt. Later bleek dat iemand als paus Clemens VII tezelfdertijd toch van dat drankje heeft genoten.

Over mijn voorliefde voor vrouwen als romanpersonages hebben we het al gehad. Wat het rooms-katholicisme betreft: mijn ouders waren zeer gelovig. Dat gold vooral voor mijn vader. Hij was wat je noemt ‘bevindelijk’: een vorm van mystiek protestantisme waarin sprake was van allerlei fasen van heiligmaking. Hij was zo streng in de leer dat hij zelfs ‘s morgens vroeg al preken voorlas in de huiskamer, waarnaar mijn moeder en de kinderen moesten luisteren. Hij was van mening dat de kerk te slap was en reisde daarom naar allerlei plaatsen in de omgeving om de predikaties te volgen van dominees die wel in zijn straatje pasten.

Ik weet niet of dit je allemaal wat zegt?


Jawel. Ik kom van de Zuid-Hollandse eilanden, dus ik kan mij er wel een voorstelling van maken.

Ben je trouwens protestants gebleven?
Ik ben op latere leeftijd, zo rond 1972, overgestapt naar de rooms-katholieke kerk. Ik trok me weleens terug in een klooster in de buurt van Oosterhout, waar destijds ook de top van de PPR in retraite ging om de successen in de verkiezingen op gepaste wijze te vieren. Ik zag daar Bas de Gaay-Fortman en andere kopstukken. Maar het waren vooral de uiterlijke kenmerken van dat geloof, zoals de Gregoriaanse muziek, waaraan ik mij vastklampte. Die symboliek van de katholieke kerk sprak me nog wel aan, als laatste redmiddel. Ik vond dat ook terug bij Huysmans, vooral in diens ‘A rebours’ dat ik ook heb vertaald.
In je boek kies je voor het retrospectief. Maak je het daarmee de lezer niet een beetje moeilijk?

Jawel, maar het is de enige manier om het verhaal op te dissen gebruik makend van Margaretha’s gemijmer en fantasieën. Een ander voordeel is dat je niet krijgt: en toen, en toen, en toen.

Ik zie mezelf verscholen achter een pilaar op de Coudenberg; ik heb haar van heel dichtbij gezien. Ik voel me een confident van haar. Eigenlijk is er in het boek sprake van twee perspectieven, die van de beschouwer enerzijds en die van binnenuit de persoon anderzijds. Dat vind je eigenlijk in al mijn boeken: in en uit. De schrijver als alwetende en als voyeur tegelijk. Het heeft ook iets te maken met mijn karakter: ‘le style, c’est l’homme même’.

Margaretha is dus een heel ander werk geworden dan bijvoorbeeld een historische roman als Pelican Bay van Nelleke Noordervliet, waarin het verleden bekeken wordt vanuit het nu.


Je verrast de lezer met een romance tussen Margaretha en Willem van Oranje, al komt die voornamelijk van één kant. Is deze liefde geheel aan je fantasie ontsproten?

Niet helemaal. Margaretha had een vrij uitvoerige correspondentie met de graaf Van Meegen, de stadhouder van Gelderland. Hij schrijft op een gegeven moment dat er geruchten over haar gaan aan het hof. Zij zou te dicht staan bij een van haar raadgevers. Op dat moment is Granvelle al weg. Zij heeft een hekel aan Viglius en Barlaymont en met Egmond en Horne had zij slechts een zakelijk relatie. Blijft over Willem van Oranje. Een kwestie van deduceren dus.

De landvoogdes was dagelijks van acht uur tot halfelf met Oranje alleen. En hij was natuurlijk een charmante man, die een groot deel van zijn Brussels bestaan ook nog eens haar buurman was. Zijn paleis lag naast de Coudenberg, hun beider tuinen grensden aan elkaar dus ze moeten elkaar ook in privé-omstandigheden vaak hebben gezien. Oranje verzocht Margaretha trouwens ook zijn dochtertje in haar hofhouding op te nemen. Dus er was misschien meer tussen hen dan wij zouden vermoeden.
Op welk moment besloot je het verzamelde materiaal om te zetten in een boek?

Dat was eigenlijk op het moment dat ik het hertogelijk paleis in Brussel bezocht. Je kunt nu nog in de kelders en de keuken van de Coudenberg komen. Daar heb ik dus gestaan onder de raadszaal en bedacht: daar zat Margaretha, daar Oranje, daar Granvelle. Huizinga’s historische sensatie dus.

Op dat moment dacht ik ‘nu ga ik schrijven’!
Een van de onbegrijpelijkste handelingen van Margaretha is voor mij de manier waarop ze zich van haar kleindochter Margarita ontdoet. Ze lijkt enorm veel om het meisje te geven en plotseling, een hartverscheurende scene, laat Margaretha haar in een klooster plaatsen. Waarom?

Eigenlijk weet ik daar zelf ook geen raad mee. Misschien was het wraak voor haar mislukte bestaan.



Vandaar dat je haar dan ook bestraffend toespreekt?

Ja, ik wilde van haar weten: waarom doe je dit?


Heeft Margarita echt bestaan denk je?

In het materiaal dat ik gevonden heb in de universiteitsbibliotheek van Utrecht wordt ze wel genoemd, maar dat is dan ook alles. Volgens de uitstekende biografie van Jane de Jongh (Madama, Margaretha van Oostenrijk, hertogin van Parma en Piacenza, Amsterdam 1965) is zij gewurgd of gestorven van verdriet.


Nu we het er toch over hebben: wat de archieftijgers onder ons natuurlijk interesseert is de vraag hoe je je hebt gedocumenteerd.

In de eerste plaats is er een integrale uitgave van de briefwisseling tussen Margaretha en Philips. Daarnaast heb ik veel onderzoek gedaan in het archief van de universiteit van Utrecht. Verder kun je in het Duitse Huis daar bij wijze van spreken haar voetstappen nog horen. Misschien wel leuk om te weten is dat de hofkapel van Willem van Oranje nog steeds bestaat; het is tegenwoordig een integraal onderdeel vam het museum Albert I in Brussel.

Ook van haar portretten heb ik veel gebruik gemaakt. Die zijn als bron zeker betrouwbaar. De portretkunst destijds was namelijk zeer realistisch, dus we kunnen een heel goed beeld krijgen van haar uiterlijk.
(Siebelink laat mij een foto van zo’n schilderij zien en zegt, een beetje verliefd:) Het was een mooie vrouw, vind je niet?

Je moet inmiddels een fabelachtige kennis over deze vrouwspersoon hebben. Nu je wat ruimer in je tijd zit zou je bijna zeggen: dit roept om een promotie. In je bundel ‘Laatste Schooldag’ komt toch ook een leraar voor die hard aan zijn dissertatie werkt?

Ja, maar dat gaat niet helemaal goed want in het zicht van de haven besluit hij ermee te stoppen en begint hij een bloemenhandel.

Het zou overigens wel een mooie afronding van mijn studiereeks zijn: ik ben begonnen met de Kweekschool, daarna heb ik een cursus bij de LOI gedaan, gevolgd door de aktes MO-A en B Frans en tenslotte mijn doctoraal in Leiden.

Ik was trouwens al behoorlijk op weg met een dissertatie over mijn favoriete schrijver Camiel Huysmans, die ik ook twee keer heb vertaald. Maar het is er uiteindelijk niet van gekomen.


Staat er dan, behalve het boek over de Tour de France, nog wel ander werk op stapel?

Geen historische roman in ieder geval. Dat kost mij teveel werk, vooral het onderzoek. Er komt wel een ‘gewone’ roman aan, autobiografischer dan ooit. Het wordt een eerste poging tot het schrijven vanuit het ik-perspectief. Een soort oerboek over het gezin waarin ik ben grootgebracht, met de huisdiensten die mijn vader organiseerde en al. Ik wil beschrijven hoe ik dat allemaal als jongetje heb beleefd.



Ten slotte
Ik probeer hem nog wat enthousiaster te maken voor een promotieonderzoek en krijg even het gevoel daarin wel enigszins succesvol te zijn. Daarna waaiert het gesprek alle kanten uit onder andere naar zijn (vergeefse) pogingen het in architectonisch opzicht interessante gebouw van het Marnix-college van de ondergang te redden en de daaruit volgende conflicten met de bestuurderen in Ede. Conflicten die hem uiteindelijk op een (tijdelijke) schorsing kwamen te staan. Ondanks zijn irenisch voorkomen blijkt Siebelink dus een zeer strijdbaar man.

Bij een biertje komen we nog even terug op de dreigende teloorgang van het Nederlandse onderwijs en dat is over het algemeen een goede reden om een gesprek te beeindigen.


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina