Boekhouder. Be de aangifte personenbelasting aj. 2009: nieuwigheden en rechtspraak vak per vak



Dovnload 127.82 Kb.
Pagina1/3
Datum24.08.2016
Grootte127.82 Kb.
  1   2   3

AANGEBODEN DOOR WOUTER DEVLOO B&A ADVIES WWW.BOEKHOUDER.BE

De aangifte personenbelasting aj. 2009: nieuwigheden en rechtspraak vak per vak

Op 20 maart 2009 verscheen in het Belgisch Staatsblad (het model van) de aangifte personenbelasting aj. 2009, die uiterlijk op 30 juni a.s. moet worden ingediend (voor mandatarissen 31 oktober 2009). In dit themanummer belichten we per vak de belangrijkste wijzigingen in de aangifte en de ter zake relevante en in het oog springende rechtspraak.

Algemeen

De website van de FOD Financiën publiceerde een lijst van Frequently Asked Questions (FAQ) over de aangifte personenbelasting, aj. 2009. De administratie bevestigt daarin dat niet langer bewijsstukken moeten worden ingediend. Opteert u toch om bewijsstukken toe te voegen, dan moet er een nieuw document worden ingevuld, namelijk "het begeleidend blad voor de bijlagen". Ook op de aangifte wordt deze nieuwe regel vermeld. Sinds de Programmawet van 29 december 2008 geldt de bewaringsplicht tot het verstrijken van het zevende jaar of boekjaar volgend op het belastbare tijdperk.

In deze nota bevestigt de administratie dat de aangifte nog steeds rechtsgeldig in het plaatselijke controlekantoor in de bus kan worden gedeponeerd. Het is dus geenszins verplicht de aangifte per post te verzenden. Wordt evenwel gekozen voor verzending per post, dan moet de aangifte naar het scanningscentrum in Gent worden gestuurd. Via tax-on-web zal het voortaan ook mogelijk zijn een eerste raming van de belastingschuld te maken, met mogelijkheid tot optimalisatie. De uiterste datum van indiening voor papieren aangiften is vastgesteld op 30 juni 2009.

VAK II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

- Gezinslasten - kinderen ten laste

De gemeenschappelijke kinderen van samenwonenden die alleen belast worden, kunnen niet als ten laste worden beschouwd van zowel de vader als de moeder. Het criterium om de genieter van het voordeel aan te duiden is gesteund op het begrip van het hoofd van het gezin. De samenwonenden kunnen in onderling overleg bepalen wie het hoofd van het gezin is. In geval van betwisting en bij gebrek aan objectieve criteria kan volgens de rechtbank te Luik de administratie aannemen dat het beheer van het gezin ligt bij de samenwonende met het hoogste inkomen (Rb. Luik, 24 mei 2007, F.J.F., N° 2009/67).

Artikel 132 WIB 92 vereist onder meer dat gescheiden echtgenoten gezamenlijk een schriftelijke aanvraag indienen voor de verdeling van het belastingvoordeel voor kinderen ten laste. Aangezien de moeder uitdrukkelijk weigerde afstand te doen van het belastingvoordeel, kan dit voordeel niet verdeeld worden (Rb. Antwerpen, 6 juni 2008, onuitgeg.).

- Gezinslasten

Sinds enkele jaren moeten werkgevers jaarlijks hun werknemers een verklaring op eer over het ten laste nemen van kinderen laten invullen, en deze ter beschikking houden voor mogelijke controles. De minister van Financiën preciseerde dat deze formaliteit enkel moet worden vervuld bij gewijzigde omstandigheden (Vr. & Antw., Kamer, 2007-2008, nr. 52-005 van 10 december 2007, 239, Vr. nr. 70 De BLOCK van 7 november 2007 en www.boekhouder.be , 2008, afl. 6, 8).

Bij co-ouderschap moet aan de hand van de feitelijke en juridische gegevens uitgemaakt worden van welk gezin de kinderen deel uitmaken op 1 januari van het aanslagjaar. Indien uit een beschikking van de rechtbank blijkt dat de kinderen effectief ingeschreven worden bij de moeder, en zij daar ook effectief verblijven, mag worden aangenomen dat zij ook effectief fiscaal ten laste zijn van de moeder (Rb. Antwerpen, 6 juni 2008, onuitgeg.).

- Belastingvrije som

Voor lage en middelgrote inkomens werd de belastingvrije som van het nog te indexeren bedrag 4.095 euro opgetrokken naar het nog te indexeren bedrag van 4.260 euro, en dit vanaf aj. 2009 (programmawet 8 juni 2008). Geïndexeerd voor aanslagjaar 2009 komen de genoemde bedragen respectievelijk op 6.150 en 6.400 euro. In concreto geldt deze maatregel voor alle belastbare inkomens die niet hoger zijn dan het nog te indexeren bedrag van 15.220 euro (geïndexeerd voor aj. 2009: 22.870 euro). Tevens is een begeleide overgangsregeling uitgewerkt die voor een harmonieuze afbouw van de verhoging moet zorgen voor de inkomens die de grens slechts miniem overschrijden.

Een belastingplichtige die als alleenstaande wordt belast en die kinderen ten laste heeft, heeft recht op een bijkomende verhoging van de belastingvrije som met (indexaangepast) 1.310 euro. Dit is uiteraard het geval voor personen die omwille van hun familiale situatie als alleenstaande worden belast (bv. scheiding), maar ook voor de belastingplichtige die als alleenstaande wordt belast om hem bepaalde fiscale voordelen te ontzeggen. Dit is bijvoorbeeld het geval voor wie gehuwd is met iemand die beroepsinkomsten genoot van meer dan (indexaangepast) 8.880 euro, die zonder progressievoorbehoud van de belastingen vrijgesteld werden. De wet houdende diverse bepalingen van 22 december 2008 sluit de laatste categorie met ingang van aanslagjaar 2009 uit van de bijkomende verhoging van de belastingvrije som.

Artikel 6, § 2, 1° van de Wet van 7 december 2008 houdende hervorming van de inkomstenbelastingen stelt een verschil in behandeling in tussen niet-hertrouwde weduwnaars en weduwen en ongehuwde moeders en vaders, die recht hebben op een verhoogde belastingvrije som enerzijds en de gescheiden ouder anderzijds, die dit voordeel niet geniet. Dit onderscheid is niet discriminerend. Het steunt op een objectief criterium, namelijk de burgerlijke staat van de persoon (Arbitragehof, 30 januari 2007, F.J.F., N° 2008/10).

- Opcentiemen

Artikel 466bis WIB 92 bepaalt dat wanneer een rijksinwoner beroepsinkomsten uit het buitenland verkrijgt die krachtens een dubbelbelastingverdrag in België van personenbelasting zijn vrijgesteld, de in dat artikel bedoelde aanvullende gemeentebelasting desalniettemin, voor zover de internationale overeenkomst zulks toelaat, wordt berekend op de personenbelasting die verschuldigd zou zijn in België indien de beroepsinkomsten in kwestie uit bronnen in België zouden zijn verkregen. Het Belgisch-Nederlandse dubbelbelastingverdrag maakt de aanvullende heffing uitdrukkelijk mogelijk (Antwerpen, 27 mei 2008).

VAK III Inkomsten van onroerende goederen

- Pacht


De regel dat de belastbare grondslag het kadastrale inkomen is, geldt niet wanneer de pachtprijs van de onroerende goederen groter is dan de prijs die voorzien is in de Pachtwet, en wanneer de pachter geen teruggave heeft gevraagd van de overdreven pachtprijs (Brussel, 2 mei 2007, F.J.F., N° 2008/131).

- Beroepsmatige aanwending van een woning door de huurder

Indien een huurder een onroerend goed voor beroepsdoeleinden gebruikt, meer bepaald door kosten verbonden aan dit pand (huur of afschrijving) als beroepskosten in aftrek te brengen, wordt de verhuurder hierop zwaarder belast. Hierbij rijst echter geregeld de vraag naar de fiscale gevolgen voor de verhuurder, wanneer hij de woning uitsluitend voor private doeleinden verhuurt, maar de huurder deze voorwaarde niet naleeft. Het hof te Antwerpen bevestigde recent dat de fiscus de verhuurder niet kan doen opdraaien voor de fiscale gevolgen die voortvloeien uit een andere vorm van gebruik dan contractueel werd overeengekomen. Uit de feiten leidt het hof af dat de verhuurder geen kennis had, of kon hebben van het beroepsmatige gebruik door de huurder (Antwerpen, 24 februari 2009, afl. 1155, 4-6). Wanneer een werknemer een woning huurt in de nabijheid van zijn plaats van tewerkstelling, en de huur als beroepskosten in aftrek had gebracht als beroepskosten, heeft dit niet tot gevolg dat de verhuurder hierop belast wordt voor beroepsmatige verhuur. Het feit dat de huurster persoonlijke huuruitgaven als beroepskosten in aftrek brengt, neemt volgens het hof niet weg dat het onroerend goed in werkelijkheid blijft dienen voor persoonlijke doeleinden van bewoning. Er kan dan ook geen sprake zijn van beroepsmatige verhuur (Brussel, 23 mei 2007).

Volgens het Grondwettelijk Hof is de regeling waarbij een verhuurder-natuurlijk persoon belastbaar is op de nettohuur, zodra het gehuurde goed door de huurder voor beroepsdoeleinden wordt gebruikt, in de regel niet strijdig met het gelijkheidsbeginsel. Dit is enkel het geval indien de huurder de betaalde huurprijs voor het beroepsmatig aangewende onroerend goed niet zelf als beroepskosten in aftrek heeft gebracht, maar de fiscus dat op eigen initiatief heeft gedaan, en hij de verhuurder vervolgens op basis van die nettohuur belast (Grondwettelijk Hof, 27 mei 2008, arrest 86/2008).

- Vruchtgebruik

In navolging van het Hof van Cassatie en het hof te Gent, besliste ook het hof van beroep te Antwerpen dat een vruchtgebruik niet kan worden geherkwalificeerd in vooruitbetaalde huur op grond van artikel 344, § 1 WIB 92. Het betreft immers twee rechtsfiguren met eigen rechten en plichten, waarbij de eigendomsverhoudingen totaal anders liggen (Antwerpen, 18 maart 2008,www.boekhouder.be , 2008, afl. 18, 4-5).

- Revalorisatiecoëfficiënt

De revalorisatiecoëfficiënt die gehanteerd wordt bij het berekenen van het maximale kostenforfait van 40 % inzake onroerende inkomsten die voortkomen uit de verhuur van onroerende goederen aan personen die het beroepsmatig aanwenden is voor 2009 vastgesteld op 3,75. Dezelfde coëfficiënt is ook van belang om te berekenen vanaf welk bedrag een huurinkomen van een bedrijfsleider van de eerste categorie in de zin van artikel 32 WIB 92 moet worden geherkwalificeerd als beroepsinkomsten in plaats van onroerende inkomsten.



VAK IV Wedden, lonen, werkloosheidsuitkeringen, wettelijke uitkeringen bij ziekte en invaliditeit, vervangingsinkomsten en brugpensioen

1. Algemeen

Zodra een inkomen beroepsmatig is, is het belastbaar, zelfs wanneer de activiteit onwettig is. Zo zijn inkomsten uit verduisterde gelden een belastbaar beroepsinkomen (Brussel, 13 september 2007, F.J.F., N° 2008/101).

Wanneer een optieplan op aandelen voorziet dat de opties pas ten vroegste na vijf jaar kunnen worden uitgeoefend, zijn de opties niet eerder definitief toegekend dan tijdens de belastbare periode gedurende welke deze vijf jaar verstrijkt. Ook het feit dat het optieplan stipuleert dat de bezoldigde zijn opties niet meer kon uitoefenen in geval van ontslag door de werkgever ingevolge een fout, kan geen verantwoording zijn voor het uitstel van de belastbaarheid (Rb. Brussel, 20 juni 2007, F.J.F., N° 2008/226).

2. Voordelen van alle aard : bedrijfswagen en gsm

Voordelen van alle aard

Het KB van 10 februari 2008 legde de geïndexeerde kilometertarieven vast voor de berekening van de voordelen van alle aard die voortvloeien uit de terbeschikkingstelling van een bedrijfswagen, met ingang van 1 januari 2008 (voor de bedragen zie Acc & Fisc nr. 8 d.d. 28.02.2008).

In een circulaire van 6 december 2007 voegde de administratie een bijkomende voorwaarde toe om te bepalen wat onder een "vaste werkplaats" moet begrepen zijn: als een werknemer binnen het jaar 40 dagen of meer aanwezig is op een bepaalde plaats, zonder dat deze 40 dagen noodzakelijk op elkaar moeten volgen, wordt deze plaats van tewerkstelling als een vaste werkplaats aangemerkt. In een latere parlementaire vraag preciseerde de minister van Financiën dat het nieuwe criterium geldt voor alle werknemers, en dus niet uitsluitend voor niet-sedentaire werknemers (Integraal Verslag, Kamercommissie Financiën en Begroting, nr. 52 COM 100 van 13 februari 2008, 15 en www.boekhouder.be , 2008, afl. 1104, 14).

Volgens het hof van beroep te Bergen zou de 5.000-kilometerregel in het kader van de raming van de voordelen van alle aard voor een bedrijfswagen het gelijkheidsbeginsel schenden (Bergen, 22 november 2006, www.boekhouder.be , 2008, afl. 1106, 5-6).

Het hof te Bergen bevestigde dat uit het niet-aangeven van voordelen van alle aard geen frauduleus karakter kan worden afgeleid, waardoor de toen vijfjarige aanslagtermijn ten onrechte werd toegepast door de administratie (Bergen, 12 december 2007, www.boekhouder.be , 2008, afl. 1107, 11).

In antwoord op een parlementaire vraag bevestigde de minister dat men voor de beoordeling bij het berekenen van het voordeel van alle aard dat voortvloeit uit het beschikken over een bedrijfswagen (5.000 of 7.500 km) men slechts rekening moet houden met het deel van de afstand van het woon-werkverkeer dat effectief met die wagen is afgelegd (Vr. & Antw., Kamer, 16 maart 2009, nr. 52-23, Vr. nr. 214 Raf Terwingen).

In 2008 bevestigde de minister van Financiën dat de tussenkomst die een werknemer of bedrijfsleider betaalt voor bijkomende opties aan de hem ter beschikking gestelde bedrijfswagen aftrekbaar is van het voordeel van alle aard. In een nieuwe parlementaire vraag bevestigde de minister dat het forfait van 5.000 of 7.500 kilometer van toepassing blijft, ongeacht het feit of de werknemer al dan niet een eigen bijdrage heeft betaald die betrekking heeft op bijkomende opties (Vr. & Antw., Kamer, 2008-2009, nr. 52-46, 49).

In antwoord op een parlementaire vraag bevestigde de minister van Financiën dat de administratie niet de intentie heeft forfaitaire waarderingsregels vast te leggen voor het privaat gebruik van een door de werkgever gratis ter beschikking gestelde gsm of blackberry. Het voordeel dient geraamd te worden op de werkelijke waarde in hoofde van de genieter, waarbij uitgegaan wordt van de prijs die een normale consument voor die diensten betaalt, dus zonder rekening te houden met de commerciële korting die een werkgever zou kunnen krijgen (Vr. & Antw., Kamer, 2007-2008, nr. 14, 2.476-2478, Vr. nr. 196 Bogaert van 13 maart 2008, www.boekhouder.be , 2008, afl. 18, 4).



3. Achterstallen

Vergoedingen die door toedoen van de overheid laattijdig worden belast, zijn belastbaar tegen een afzonderlijk tarief, namelijk de gemiddelde aanslagvoet overeenstemmend met het geheel van de belastbare inkomsten van het vorige normale jaar waarin hij een normale beroepswerkzaamheid had. Een ingenieur, werkzaam voor de overheid, gaf in 1980 tot en met 1983 een aantal bedragen op als achterstallen, om deze afzonderlijk te laten belasten. Door een geschil heeft de uitbetaling en toekenning in een later belastbaar tijdperk plaatsgevonden dan hetgeen waarop ze betrekking hadden. Er bestond namelijk betwisting over het fiscale regime van de premies en de hoegrootheid ervan. De belastingplichtige draagt de bewijslast. Louter het feit dat de betaling met enige vertraging betaald werd, en er geen doorslaggevende elementen voor de laattijdigheid aanwezig zijn, doen het hof te Brussel besluiten dat er geen sprake is van afzonderlijk belastbare achterstallen (Brussel, 24 april 2008, onuitgeg.).



4. Vergoedingen arbeidsongeschiktheid

Een belastingplichtige sloot een verzekerings-overeenkomst voor arbeidsongeschiktheid af, die de uit de arbeidsongeschiktheid voortvloeiende derving van inkomsten volgens de positie van de verzekerde op de arbeidsmarkt moest dekken. De administratie belastte de uitkeringen die hij genoot uit die verzekering ingevolge een ziekte met een belangrijk inkomstenverlies. Het hof te Brussel bevestigde de taxatie. Uit het feit dat de premies fiscaal werden afgetrokken leidt het hof af dat hierdoor het verband tussen de uitgeoefende beroepsbezigheid en de ontvangen uitkeringen op voldoende wijze werd aangetoond (Brussel, 13 juni 2007, F.J.F., N° 2008/32).



5. Resultaatsgebonden bonussen

Met ingang van 1 januari 2008 is de regeling van de resultaatsgebonden bonussen in werking getreden (Acc. & www.boekhouder.be , 2008, afl. 39, 7). Deze worden gedefinieerd als de voordelen verbonden aan de collectieve resultaten van een onderneming of een groep van ondernemingen ofwel van een welomschreven groep van werknemers op basis van objectieve criteria. Deze voordelen hangen af van vooraf duidelijk aflijnbare definieerbare of meetbare doelstellingen, met uitsluiting van individuele doelstellingen en doelstellingen waarvan de verwezenlijking kennelijk zeker is op het tijdstip waarop het systeem ingevoerd wordt. De fiscale en parafiscale regeling wordt geregeld in de artikelen 13 tot en met 19 van de Wet van 21 december 2007. De niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen zijn uitgesloten van het loonbegrip in sociaalrechtelijke zin, waardoor zij dan ook vrij van sociale zekerheidsbijdragen zijn tot een bedrag van 2.200 euro per kalenderjaar en per werknemer bij elke werkgever. De werkgever is hierop wel een bevrijdende bijzondere sociale zekerheidsbijdrage van 33 % verschuldigd. Ook op fiscaal vlak zijn de voordelen vrijgesteld ten belope van maximaal 2.200 euro per jaar op voorwaarde dat zij onderworpen waren aan de bijzondere sociale zekerheidsbijdrage. In dat geval dient er ook geen bedrijfsvoorheffing te worden ingehouden.



6. Opzeggingsvergoedingen

Artikel 171, 5° WIB 92 stipuleert dat opzeggingsvergoedingen belast worden tegen de gemiddelde aanslagvoet m.b.t. het geheel van de belastbare inkomsten van het laatste vorige jaar waarin de werknemer een normale beroepswerkzaamheid heeft gehad. Een jaar waarin de ontslagen werknemer enkel werkloosheidsvergoedingen heeft ontvangen kan niet worden beschouwd als een "normaal jaar" in de zin van artikel 171, 5° WIB 92 (Rb. Leuven, 12 september 2008).

Het jaar waarin een belastingplichtige een onbezoldigd bestuurdersmandaat heeft uitgeoefend, kan volgens het Hof van Cassatie niet als geldig referentiejaar gelden in het kader van de afzonderlijke taxatie van een opzeggingsvergoeding (Cass., 17 januari 2008, www.cass.be en www.boekhouder.be , 2008, afl .1105, 5-6).

Volgens de rechtbank van eerste aanleg te Brugge moet een niet-concurrentiebeding toch als loon worden beschouwd wanneer de vergoeding voortvloeit uit een na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst afgesloten niet-concurrentiebeding (Rb. Brugge, 7 april 2008, www.B&A ADVIES .fgov.be). Hiermee wijkt de rechter af van (cassatie)rechtspraak in sociaalrechtelijke zaken, waar het hoogste rechtscollege besliste dat dergelijke vergoedingen buiten het sociaalrechtelijke loonbegrip vallen.



7. Belastingkrediet voor lage activiteitsinkomsten

In een circulaire van oktober 2008 geeft de administratie (laattijdig) commentaar op de regeling van belastingkrediet voor lage activiteitsinkomsten voor rijksinwoners, dat reeds sinds aj. 2003 toepasselijk is (Circulaire Ci. RH 351/593.293 (AOIF 39/2008) van 22 oktober 2008. Het geïndexeerde bedrag van dit verrekenbare, en zelfs terugbetaalbare belastingkrediet bedraagt voor aj. 2009 580 euro. De circulaire benadrukt dat een zelfstandige bij niet- of laattijdige aangifte niet langer gebruik kan maken van het bedoelde belastingkrediet.



8. Overuren die recht geven op een werktoeslag (rubriek G)

Werknemers hebben onder bepaalde voorwaarden recht op een belastingvermindering voor de eerste 65 overuren met overwerktoeslag per jaar (art.154bis WIB 92). Tot 31 maart 2007 was deze belastingvermindering gelijk aan 24,75 % van het totaal van de berekeningsgrondslagen voor de overwerktoeslag. Met ingang van 1 april is dit percentage verhoogd tot 57,5 % of 66,81 %. Dit verklaart dan ook de in die zin aangebrachte wijzigingen in vak G.



9. Brugpensioenen

Brugpensioenen bestaan steeds uit twee componenten, namelijk een werkloosheidsvergoeding en een aanvullende vergoeding (artikel 31bis WIB 92). Hierbij rijst de vraag of het gedeelte van de werkloosheidsuitkering voor de toepassing van de bijzondere vermindering voor vervangingsinkomsten ook als een werkloosheidsvergoeding kwalificeert, waardoor dus een lagere belastingvermindering toepasselijk zou zijn. Deze vraag wordt negatief beantwoord. De wet houdende diverse bepalingen van 22 december 2008 herschreef artikel 146 WIB 92, waardoor de component werkloosheidsvergoeding van een brugpensioen onderworpen is aan dezelfde regeling als voor een brugpensioen. Hierdoor geldt dus ook de belastingvermindering die op "andere vervangingsinkomsten" toepasselijk is. Deze bepaling trad retroactief in werking vanaf aanslagjaar 2009.



10. Sociale voordelen

Filmcheques, die zowel toegang geven tot filmfestivals als tot gewone filmvoorstellingen, zijn sociale voordelen voor het personeel (Circulaire Ci.RH. 242/ 593.494 AOIF nr.27/2008, www.B&A ADVIES .fgov.be en Acc.& www.boekhouder.be , 2008, afl. 29, 6).

Een huwelijkspremie van ten hoogste 200 euro, betaald in speciën of in de vorm van een geschenk of in de vorm van betaalbons is een sociaal voordeel. Wordt het grensbedrag overschreden, dan is enkel het overschrijdende gedeelte belastbaar als een voordeel van alle aard (Circulaire Ci. Rh. 242/ 588.226 van 22 september 2008, www.boekhouder.be , 2009, afl. 34, 3-4).

In een circulaire van 12 maart 2008 geeft de administratie toelichting bij de anciënniteitspremies, waarbij de fiscale regeling volledig aansluit bij de regels die reeds jarenlang gelden voor de RSZ. Naar aanleiding van en ten vroegste in het kalenderjaar waarin de werknemer 25 (eerste maal) en 35 jaar dienst (tweede maal) heeft, mag een werkgever deze premie toekennen, die echter respectievelijk niet meer dan één en twee keer het brutobedrag van een maandwedde mag bedragen (Circ. Ci. RH. 241/567. 657 (AOIF 7/2008) van 12 maart 2008,www.boekhouder.be , 2008, afl. 14, 3-4 en ). Indien voornoemde voorwaarden niet vervuld zijn, wordt de volledige anciënniteitspremie als belastbare vergoeding aangemerkt in hoofde van de genieter.



11. Kostenvergoedingen en kosten eigen aan de werkgever

De vergoeding die een werkgever aan de reeds in dienst zijnde werknemers betaalt tot dekking van de meerkost ingevolge de wijziging van de maatschappelijke zetel van de firma is een kost eigen aan de werkgever (Voorafgaande Besl. Nr. 700.372 van 13 november 2007, en www.boekhouder.be , 2008, afl. 21, 8 en Vr. & Antw., Kamer, 2008-2009, nr. 25 van 7 juli 2008, 5844-5845, Vr. nr. 185 Hendrik Bogaert van 22 mei 2008,www.boekhouder.be , 2008, afl. 30, 2).

Presentiegelden van districtraadsleden zijn belastbaar als baten (Bekn. Verslag, Kamercommissie Financiën COM 292, p. 9, Mondelinge vraag nr.63232 Bart Tommelein van 8 juli 2008 en www.boekhouder.be , 2008, afl. 31, 8).

Indien een geneesheer die actief is middels een doktersvennootschap zijn privépc en privé-internetverbinding gebruikt voor het raadplegen van de boekingen van zijn patiënten, dan is de daarvoor van zijn vennootschap ontvangen forfaitaire vergoeding een kost eigen aan de vennootschap in de zin van artikel 32, tweede lid, 1° in fine WIB 92 (Voorafg. Besl., nr. 800.080 van 29 september 2009, en www.boekhouder.be , 2008, afl. 39, 3).

Ten aanzien van de werknemers die hun werkelijke beroepskosten niet bewijzen, is de tussenkomst in de kosten van het woon-werkverkeer in bepaalde mate vrijgesteld. De vrijstelling hangt af van de aard van het vervoermiddel. De werkgever moet het vervoermiddel vermelden onder vak 12c van de fiche wanneer hij niet heeft kunnen vaststellen dat de tussenkomst verband houdt met het gebruik van het openbaar vervoer. In dat laatste geval is overigens het volledige bedrag van de werkgeverstussenkomst vrijgesteld (Circulaire Ci.Rh. 241/590.395 (AOIF 5/2008) van 1 februari 2008, www.boekhouder.be , 2008, afl.1107, 13).

Onder druk van de hoge brandstofprijzen medio 2008 werd de berekeningswijze voor de kilometervergoeding van de ambtenaren voor de met de eigen wagen afgelegde beroepsmatige verplaatsingen gewijzigd. Een fractie (20 %) van het bedrag van de vergoeding van het vorige jaar wordt voortaan aangepast in functie van de evolutie van de brandstofprijzen. De gecorrigeerde vergoeding voor de periode van 1 juli 2008 tot en met 30 juni 2009 = 0,3169 euro (Acc. & www.boekhouder.be , 2009, afl. 2, 2009).




  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina