Bolalimai alfons Walschap



Dovnload 21.63 Kb.
Datum23.07.2016
Grootte21.63 Kb.

BOLALIMAI

Alfons Walschap

Oorspronkelijke publicatie in/Publication originale: Dietsche Warande en Belfort, 33(1933)10, 822-826 (december)

Ook gepubliceerd in/publié aussi dans: Celen, V., Het letterkundig Werk van Alfons Walschap, 1952, p. 49-55
presentation

Bolalimai est le premier texte littéraire de Alfons Walschap. Il fait partie d'un concept pour véritable roman "colonial" resté inachevé par la mort inopinée de l'auteur. Ses textes majeurs ont tous été publiés dans la prestigieuse revue littéraire flamande Dietsche Warande en Belfort:

1. Bolalimai: 33(1933)10, 822-826

2. De (k)ring sluit toe: 37(1937)2,81-88; 6,413-420; 7/8, 523-524

3. Longwangu de Smid: 37(1937)2,81-88; 6,413-420; 7/8, 523-524

V. Celen les a repris dans Het letterkundig werk van Alfons Walschap, De Sikkel, Antwerpen, 1952. C'est de cette édition (p. 49-55) que j'ai repris le texte reproduit ici. Le mot "Fragment" est l'initiale du texte même, ce qui exprime clairement qu'il fait partie d'un ensemble plus large.

H. Vinck, 18 août 2002

Résumé


Bolalimai, jeune garçon quitte le village et se fait catéchumène à la Mission catholique. Avant le baptême, il rentre au village avec un éventail de biens volés qu'il distribue à sa famille. Il enchante tout le monde avec ses apparences et son langage modernes. Il se présente comme fervent chrétien. Il rentre cette fois-ci à la Mission protestante. Il est baptisé et s'enfuit avec son butin volé en objets classiques. Il rentre au village et étale son savoir lire et écrire. Il s'éprend à la femme de Boutamba qu'il tue. Le village se tourne contre lui, et peu après, le père de Boalimai meurt.
Sumary

Critique littéraire

Auteur anonyme (A. Burssens?) dans Kongo-Overzee 1(1934-35)191-192:

"Alfons Walschap, M.S.C., die thans te Flandria in het Tshuapa-district verblijft, heeft in Dietsche Warande en Belfort, Dec. 1933, een fragment van een nKongoleesche novelle laten verschijnen. Het stuk, dat hij "Bolalimai" heeft geheten, is om zijn wondere stijleffecten door literatuurkenners zeer opgemerkt geworden. Het is van een vaart en plasticiteit, die maar zelden huns gelijke in werken van dien aard vinden. Onze koloniale literatuur en onze Nederlandse literatuur überhaupt, zou er beslist bij winnen indien de schrijver er kon toe komen de hele novelle – of is het een roman?- te publiceren. (…) Algemeen wordt verwacht dat Alfons Walschap op zekeren dag ons met een Kongoleeschen roman zal verassen zoals zijn broer ons met Adelaide, Eric, Carla en vooral Trouwen verrast heeft."

["Alfons Walschap qui séjourné actuellement à Flandria, dans le District de la Tshuapa, a publié dans Dietsche Warande en Belfort, décembre 1933, un fragment d'une novelle congolaise. La pièce qu'il a appelée "Bolalimai", a été très remarquée par les critiques littéraires pour ses effets de style merveilleux. C'est d'un élan et d'une plasticité, qui ne trouvent que rarement leur égal dans des œuvres pareilles. Notre littérature coloniale et notre littérature néerlandaise tout court, y gagneraient certainement si l'auteur pourrait publier la novelle (ou est-ce un roman?) entière. (…) généralement on attend que Alfons Walschap nous surprendra un jour avec un roman colonial, comme son frère nous a surpris avec Adelaide, Eric, Carla et surtout avec Trouwen".]

TEKST/TEXTE


FRAGMENT
I
Bela zegde: ik wil een zoon hebben, en hij kocht zijne derde vrouw: Mpaka.

Mpaka is een stille, zachte, ronde vrouw, en Bela luistert met week welbehagen naar de verrukkelijke muziek der kleine koperen ringen om haar fijne enkels. Als hij haar ziet dansen ontstelt hij al van binnen. Och, zegt hij, wat geeft het, dat ik haar zo duur betaalde, is zij reeds niet haast moeder.

Mpaka draagt een kind, zij baart Bolalimai, een zoon.

De moeder hurkt met haar zoon naast het vuur, zij gaat met hem haar werk doen, zij maakt eten voor haar heer, Bela; haar zoon echter geeft zij zich zelve te eten. Het is een klein gulzig dier.

Hij wordt schoon, rond en glanzend, en met de jaren, lang, lenig, sterk en groot. Bolalimai groeit, groeit.

Jaren, jaren...

Bolalimai verdwijnt en met hem verscheidene jongens van zijn jaren. Zij dringen door het dichte woud heen, doorwaden moeras na moeras, komen bij de Fafa op de katholieke Missie; blijven er, en na twee jaren onderricht zullen zij gedoopt worden, maar voor die tijd is Bolalimai al lang ontvlucht met kleergoed van de mensen.

Bolalimai verschijnt aan de ingang van zijn dorp.

Hij heeft onderweg een mes gestolen, een schoon blinkend mes, en scherp. Hij groet zijn vader en geeft hem het mes, zijne moeder biedt hij stoffen aan, hij zelf staat daar gekleed in een rode wijde stof, een kleine wind streelt het rode, vurige goed tegen zijn zacht jongenslichaam aan. Die kleine vinnige Bolalimai. "Maha," roept hij zijne moeder toe, "neem". De moeder aarzelt. De moeder lacht, het hart springt haar omhoog, het klopt haar van vreugde in de keel. Zij kan haar vreugde niet op, zij ziet haar zoon, zij ziet de stoffen, zij voert een kleine vreugdedans uit, het hoofd slaat haar van trots achterover, zij schreeuwt de vrouwen bijeen en toont het goed, laat de zon en de wind er vrij in spelen...

Mpaka de vrouw, Mpaka de moeder wordt plots stil en innig. Zij lacht inwendig. Zij legt de stoffen om haar lichaam, zij bedekt preuts hare naaktheid tot over de borst. Haar ganse lichaam lacht, zij lacht luid, stralend vergenoegd. Och, wat een gelukkige vrouw.

Om haar heen verlangen de vrouwen, zij benijden haar Bolalimai, de zoon.

De zoon staat daar. "Cika", zegt hij, "zwijgt gijlie", zegt de zoon.

Men zwijgt, men luistert.

Bolalimai vertelt zijn wedervaren; heeft hij niet van alles gezien? En wat gezien? De Missie.

Het is een fantastisch, mooi verhaal.

Maar het doet die kleine Bolalimai iets, dat al die vrouwen hier naar hem staan te luisteren, haar blikken ontstellen hem, een vreemde drift groeit in hem omhoog, doet hem dingen vertellen waarbij hij zelf plots opschrikt. Neen, denkt Bolalimai, zo is dat alles niet gebeurd. Geheimzinnig begint hij dat toch maar te vertellen, het wordt hem te sterk, hij kan die vreemde lusten niet weerstaan. Hij ziet het wondere verhaal diep in zich aangroeien als een plant, een gewas.

Hij moet wonderen vertellen, hij vertelt zich warm, hij vertelt zich geestdriftig, groots en alwetend.

Bolalimai slaat de lichtgelovige vrouwen met groot verbazen, zij omhullen hem met haar bewondering.

Hij wuift sierlijk met zijn lange smalle hand, daar is iets vrouwelijks in dat gebaar. "Ik ben moe", fluistert Bolalimai. "Laat mij."

De moeder loopt om water, zij legt frisse vruchten aan zijn voeten, zij haalt hout, zij blaast het vuur aan.

Bolalimai slaapt glimlachend.

De moeder wijkt van hem geen voet.

S' Avonds bij de vuren doet Bolalimai zijn volgende verhaal. Het is dat van Jezus, van Jezus Christus.

Jezus is de Zoon van God. God is onze Heer, onze Meester. Hij is onze Vader, wij zijne kinderen. God, zegt Bolalimai, heeft zijne kinderen lief. Een grootse stilte groeit om Bolalimai, het is alsof zij groeit onder zijne voeten, of zij de grond onder zijne voeten doet zwellen, of zij hem opheft. Bolalimai voelt zich los van de aarde, hij zegt: "God is in de hemel. Hij is op de aarde en op alle plaatsen ; maar in de hel is Lucifer, en hij maakt daar een groot vuur, en al die God niet beminnen, de zondaars, hij steekt ze er allemaal in, en pookt het groot vuur aan, die Lucifer.

Die Lucifer is onze boze geest. Maar God is goed, en gaat u maar niet verstoppen in uw hut. Hij ziet u, ach, vlucht niet in het woud, Hij, ziet u. Laat u maar doen, dat wil Hij.

Hij ziet u, Hij ziet mij, Hij ziet mij hier voor u staan spreken, en nu zegt Hij: "Goed zo Bolalimai, want daar staat gij nu over mij te spreken, en gij spreekt goed."

Het klinkt als een eed, een bezwering van grote kracht, de mensen houden hun adem in. Wat zegt hij?

Bolalimai lacht de mensen minzaam toe, de maan verlicht zijn lach. Ten aanzien van eenieder, midden op het dorpsplein knielt Bolalimai neer en doet zijn gebeden. "Ik ben een kind des gebeds", zegt hij, heft een godsdienstig lied aan, en gaat gezwind, lenig, zwierig.

Mooi zo, Bolalimai, prachtig. Men ziet hem na.

Wat is Bolalimai nu gezien en groot onder de zijnen. Maar ook dat wordt men gewoon. Moe zelfs.

Bolalimai verdwijnt andermaal.

Op de Anglesia, de protestante Missie, leert hij goed lezen, schrijven en de eerste beginselen der Franse taal.

Hij wordt er gedoopt, steelt boeken, geld, schrijfgerief en vlucht.

Men jaagt hem na, men jaagt hem op, men is hem op het spoor, men zit hem op de hielen. Bolalimai verlaat vlug weg en wegel, en verdwijnt in het woud. Eén slanke knaap volgt hem op de voet. Bolalimai lokt hem in het woud, draait zich om, trekt zijn mes en wacht.

De knaap gaat terug.

Bolalimai is daar.

- Bolalimai, zijt gij daar?

- Ja.


- Wat komt ge doen?

- Ik kom mijne moeder zien.

Men verdringt zich om hem heen. De vrouwen zeggen dat hij een man is. Bolalimai ziet de vrouwen aan. Zij ontstellen bij zijn blik.

Maar wat is dat?

Dat is een boek, zegt Bolalimai, en dat is ook een boek, en dat ook en dat ook. Bolalimai houdt niet op, maar zeven boeken legt hij voor zich uit ten toon, zeven boeken, twee schriften, pennen en inkt. De mensen fluiten hun verbazen tussen hunne tanden door, zij klakken met de tong. zij buigen zich behoedzaam voorover en tellen de boeken na.

Bolalimai neemt een boek ter hand. Wa. Hij leest luidop, hij zegt wat in dat boek staat. Gans het dorp staat stom.

Die Bolalimai.

Bolalimai, gij zijt een man van veel verstand.

Het is een vrouw die dat plots uitroept, het is zijne moeder. Zij is oud geworden, zij moet hard werken bij Bela, haar heer, en als zij nu levendig is en los als een jonge vrouw dan is dat om Bolalimai, haar geleerde zoon.

De geleerde zoon lacht diep van achter in zijn keel, hij lacht vol geheimen, hij zit vol verrassingen.

Daar. Hij haalt papier, pen en inkt te voorschijn en schrijft zo maar zijn naam. Daar, het staat er al.

Hij barst in een uitbundig lachen uit.

Niemand kan zeggen of het goed is. Niemand kan zeggen of het slecht is, maar alleman ziet hem pen en inkt nemen, alleman ziet hem schrijven, en hij zegt dat het zijn naam is. Waarom zou hij zijn naam daar niet neerschrijven? Wie of wat zou een man met zo veel verstand als Bolalimai beletten de namen van eenieder neer te schrijven, met pen en inkt ?

Kijk, hij buigt zich andermaal ten arbeid en schrijft er nogmaals twee namen onder. Mpaka, die van zijn,moeder, en Bela, de naam van zijn vader, en eenieder moet het papierken eens vasthouden, eenieder moet het zien.

"Aosila", zegt Bolalimai, "het is gedaan."

Maar de mensen zeggen: "Neen, Bolalimai, neen, het is niet gedaan, schrijf ook onze namen op papier."

Bolalimai weigert, maar gevolgd van gans de groep, gaat hij van huis tot huis, en schrijft met houtskool en heel groot, de namen van al de bewoners op de muren van hun hut en als het gedaan is, op. de grond de naam van het dorp.

Is het zo goed?

Zo is het goed, Bolalimai.

Torenhoog steekt Bolalimai boven eenieder uit.

Moma, de chef, zegt dat er te veel verstand in Bolalimai's hoofd zit. Het zal barsten, zegt hij.

Het barstte niet, maar het zat vol vrouwen.

Bolalimai begeerde Mpamba, Boutamba's vrouw; zij zag hem aan en ontstak hem in drift.

Boutamba nu was van nature jaloers en achterdochtig. Het kwam tot bittere woorden, het werd een veelvuldig en driftig getwist, eenmaal zelfs stonden de mannen met geheven messen tegenover elkaar. Toen stortte Moma, de chef, tussen beide vechters in. "Stilte."

Hij hield de mannen staan en uiteen.

De ouderlingen kwamen bijeen, zij bespraken het geval. Met een geheime lust gaven zij Bolalimai ongelijk.

Toen stond Bolalimai de ouderlingen te woord, hij zeide: "Wij beiden zijn schuldig en niet ik alleen." Hij zwoer daarop een dure eed. Wij hebben gevochten, dat Boutamba eens zegge waarom.

Boutamba wou het niet zeggen. Ook de ouderlingen zwegen. Bolalimai keerde hun een hoge rug toe zeggende dat ze geen verstand hadden. Maar zij lachten hem uit.

Bolalimai ziet Mpamba naar het moeras gaan baden en sluipt haar na, hij ontmoet haar.

Het is een beest, zegt zij.

Het beest is hem nageschoten, trekt zijn mes en komt.

Jammerend verbergt Mpamba zich tussen het moerashout.

Het is een kort gevecht. Boutamba slaat toe. Bolalimai slaat hem met een hout het mes uit de handen. Terwijl Boutamba zich vooroverbuigt om het weer te vatten, drijft Bolalimai zijn kort mes tot aan de hecht in Boutamba's nek. De man stort voorover en verdrinkt.

Bolalimai zegt: "nu ga ik hier vandaan."

- Laat gij mij hier?

- Ja.


Mpamba gaat naar het dorp, zij zegt: "Boutamba is op reis."

Maar twee dagen later vinden zijne andere vrouwen het lijk in het moeras. Nu wendt gans het dorp het hoofd van Bolalimai weg, men spuwt hem uit, de moordenaar.



De ouderlingen zeiden: "wij hebben dat geweten", waarop iemand riep .waarom hebt ge mij dit niet gezegd?" Het was iemand uit Boutamba's familie. Hij ging achter de hut van Boutamba staan huilen. Hij fluisterde dat hij zich zou wreken.

Toen Bela, Bolalimai's vader, kort daarop stierf, gebeurde dit.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina