Braillino Met draadloze Bluetooth technologie Versie 2 Horb, oktober 2007



Dovnload 0.64 Mb.
Pagina10/24
Datum20.08.2016
Grootte0.64 Mb.
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   24

5.2.5Bewegen van de Cursor


Om de cursor te verplaatsen, zonder de tekst te veranderen, kunt u de zogenaamde cursorrouting-toetsen gebruiken. Deze ook als [CR]-toetsen aangeduide toetsen zijn op de brailleleesregel ingebouwd. Een klein knopje boven het braille-element dient om op de [CR]-toets te drukken. De vorm van de [CR]-toetsen is gekozen, om de oriëntatie te vergemakkelijken.

Als u met de [CR]-toetsen voorbij het einde van een regel beweegt, dan piept het braillesysteem en wordt de cursor zo geplaatst, dat u in de regel kunt verder schrijven.


De tekstverwerker biedt verder de volgende navigatiemogelijkheden:

  • Na invoer van [SPC + 1 2 3] de cursor naar het begin van het bestand. Bij [SPC + 4 5 6] springt de cursor naar het eind van het bestand.

  • U kunt met de cursor met [SPC + 2] naar het begin van de vorige of met [SPC + 5] naar het begin van de volgende zin gaan. De cursor springt naar de volgende punt, dubbele punt, uitroepteken of vraagteken.

  • U kunt naar het begin of eind van de actuele tekstregel springen; met [SPC + 1 3] springt u naar het begin en met [SPC + 4 6] naar het einde van de regel.

  • De cursor springt na invoer van [SPC + 3] naar het begin van het vorige woord, met [SPC + 6] naar het begin van het volgende woord.

De cursor kan ook per teken worden verplaatst:



  • met [SPC + 7] naar links

  • met [SPC + 8] naar rechts

  • met [SPC + 1] een regel naar boven

  • met [SPC + 4] een regel naar beneden

Als u de cursor naar links voorbij het begin van een regel verplaatst, wordt deze aan het einde van de vorige regel geplaatst. Als u naar rechts voorbij het einde van de regel beweegt, wordt hij aan het begin van de volgende regel geplaatst.


Als u de cursor naar boven of naar beneden verplaatst, wordt hij steeds aan het begin van de betreffende regel geplaatst.
Tabulator tekens (tabs) worden als een bepaald aantal spaties weergegeven. Tabs kunnen in de tekst worden opgeslagen als tab-tekens of zij kunnen door een aantal spaties worden vervangen. Nadere informatie hierover vindt u in de paragrafen 5.2.22.10en verder. Als tabs als tab-tekens in de tekst worden opgeslagen, en u de cursor op de eerste plaats van de tabpositie zet en dan de cursor een positie verder beweegt, dan springt de cursor over de spaties heen en bevindt zich op de eerste positie na de tab. Als de cursor met de CR-toetsen naar een tabpositie wordt gehaald, dan wordt hij op de eerste plaats van de tabpositie geplaatst en wordt een waarschuwingstoon gegeven.
Woord- of zinsgewijs springen in (‘tweede graads”) verkorte brailleteksten kan moeilijk of slechts gedeeltelijk mogelijk zijn, omdat bij zulke teksten leestekens ook bestanddeel van een woord kunnen zijn.
Bij het sluiten van een bestand wordt de cursorpositie mee opgeslagen. Als u het bestand dan weer opent, wordt de cursor op de positie geplaatst, waarop hij zich bij het laatste afsluiten bevond. In sommige gevallen kan de opgeslagen cursorpositie haar geldigheid verliezen. Nadere informatie hierover vindt u in hoofdstuk .

5.2.6Overschrijven (SPC + 2 4 = braille i)


Door de invoer van [SPC + 2 4] (brailletoetsencombinatie i) wordt de invoegmodus (insert) aan- en uitgeschakeld. Standaard is de invoegmodus actief. Dat betekent, dat tekstinvoer op de cursorpositie wordt ingevoegd en dat de tekst die daarop volgt naar achter wordt verschoven. In de overschrijfmodus wordt, zoals de naam al zegt, de bestaande tekst, die volgt op de cursorpositie, overschreven. Als u bij het overschrijven aan het eind van een regel komt, worden de nu volgende regels en het einde van een regel toegevoegd, in plaats van de volgende regels te overschrijven. Als u uit meerdere regels bestaande tekstgedeeltes wilt wissen, kunt u het beste het tekstgedeelte als blok markeren, wissen en daarna de nieuwe tekst in de invoegmodus schrijven.
Invoeg- en overschrijfmodus worden door verschillende cursorvormen aangeduid. Bij de standaard invoegmodus is de cursor een onderstreping (punten 7 en 8), terwijl de cursor bij de overschrijfmodus als blok-cursor verschijnt. In beide gevallen knippert de cursor. U kunt in het instellingenmenu de cursorvorm anders toedelen, maar alleen deze twee vormen zijn mogelijk.
Een andere modus, de leesmodus, geeft de tekst van een bestand alleen weer, maar laat haar niet veranderen. Als u zich in de leesmodus bevindt en probeert om tekst in te voeren, dan klinken waarschuwingstonen. De leesmodus wordt bij het openen van een bestand aangegeven en kan, nadat het bestand geopend werd, niet worden veranderd. U kunt een bestand in het instellingenmenu van de tekstverwerker op leesmodus instellen, of het vanuit de tekstverwerker in de leesmodus openen.

5.2.7Zakrekenmachinefunctie


Als u bij het schrijven van een tekst een berekening wilt uitvoeren, dan kunt u dit direct in de zakrekenmachine doen. Typ hiervoor eenvoudig midden in de tekst een berekening en druk op [SPC + 2 3 5 6] (brailletoetsencombinatie =) of {Ctrl +Shift+Enter}. De berekening wordt uitgevoerd en de uitkomst wordt in de tekst ingevoegd. Hierbij wordt rekening gehouden met de instelling van de opties “uitkomstpositie” (zie hoofdstuk 5.2.22.4) en “berekening bewaren” (zie hoofdstuk 5.2.22.5).
Voorbeeld:

Mijn kamer is 3,2*4,1 = 13,12 vierkante meter groot.


Binnen berekeningen mogen geen spaties staan. Lees hiervoor ook hoofdstuk 5.1.2 Zakrekenmachine.
NB:

Als u een eerder uitgevoerde berekening verandert en opnieuw laat berekenen, dan wordt de nieuwe uitkomst ingevoegd, zonder de oude te wissen. De cursor moet zich hiertoe binnen de rekenkundige bewerking bevinden.




5.2.8Statusaanduiding (SPC + 2 3 4 7 = braille S)


Met [SPC + 2 3 4 7] of brailletoetsencombinatie S kunt u de statusaanduiding van de tekstverwerker voor het actuele bestand activeren. De volgende aanduidingen worden onder elkaar weergegeven:

  • Naam van het bestand.

  • Afdrukmodus: toont de in de tekstverwerker actieve afdrukmodus (uit, schrijfmachine, regels).

  • Actuele bewerkingsmodus (invoegen, overschrijven, alleen-lezen)

  • Modificatiestatus van een bestand.

  • Begin en einde van een gemarkeerd tekstblok.

  • De positie van het teken in de tekst, waar de cursor zich bevindt.

  • Het nummer van de actuele regelpositie.

5.2.9Plaatsen van markeringen (TB + TO)


Door gelijktijdig op [TB + TO] te drukken, wordt de cursorpositie als “markering” (ook wel “bookmark” of “bladwijzer”) opgeslagen. Een markering dient om een bepaald tekstfragment in een boek gemakkelijk terug te kunnen vinden. In ieder bestand kunnen maximaal 10 markeringen geplaatst worden.
Een dialoog vraagt naar de naam van de markering. U kunt tot 24 letters invoeren of een naam uit de lijst van markeringen uitzoeken, die u voor dit bestand al had aangelegd. Druk daarna op Enter om de markering te plaatsen. Als de door u ingevoerde naam al bestaat, wordt u gevraagd, of deze overschreven moet worden. Met [y] geeft u toestemming om de bestaande markering te overschrijven. Als u al 10 markeringen geplaatst heeft, kunt u slechts een van deze bestaande markeringen kiezen en een andere naam geven of overschrijven. Als u aan het begin van de dialoog de naam van een bestaande markering kiest, wordt u niet gevraagd, of dit moet worden overschreven. Een pieptoon bevestigt dat de markering geplaatst is.
Als u na het plaatsen van een markering uw tekst verandert, wordt de positie van de markering aangepast aan de veranderingen. Dit betekent:

  • Wanneer u tekst invoegt of wist, worden alle markeringen tussen de cursorpositie en het teksteinde automatisch aangepast. Bij het springen naar een markering komt u op de gewenste plaats.

  • Wist u het teken, waarop een markering is geplaatst, dan blijft dit desondanks behouden.

5.2.10Naar markering springen (SPC + 1 3 4 = braille m)


U kunt naar een met [TB + TO] geplaatste markering springen met [SPC+ 1 3 4] (brailletoetsencombinatie m). Nu wordt de lijst van alle beschikbare markeringen weergegeven, waarbij u zich aan het eind van de lijst bevindt. U kunt door omhoog en omlaag bewegen van de cursor in de lijst navigeren, of de naam van de gewenste markering invoeren. Als u naar beneden beweegt, komt u aan het begin van de lijst.

Druk op [TRM] om naar de gekozen markering te springen. De tekstverwerker markeert de positie, van waaraf u naar de markering bent gesprongen, als begin van een blok. Op die manier kunt u snel naar de oorspronkelijke cursorpositie terugkeren. Het werken met blokken wordt in de volgende paragrafen beschreven. Als de ingevoerde naam voor een markering niet bestaat, krijgt u de foutmelding 'Bookmark x does not exist’, (markering x bestaat niet) en kunt u een nieuwe naam invoeren of kiezen.


Als er in een bestand geen markeringen geplaatst zijn, wordt dit aangegeven door de melding 'No bookmarks set (geen markeringen geplaatst).
NB:

Er zijn situaties, waarin de opgeslagen markeringen niet meer ter beschikking staan. Nadere informatie hierover vindt u in hoofdstuk .


5.2.11Markeringen wissen (TB + TO, keuze naam, SPC)


Om een markering te wissen, activeert u de functie voor het plaatsen van markeringen met [TO + TU] en kiest dan de markering, die u wilt wissen uit de lijst. Typ een spatie, om de naam van de markering te wissen en druk op [TRM]. U wordt nu gevraagd, of u de markering werkelijk wilt wissen. Zo ja, typ [y] en de markering wordt gewist.

5.2.12Blokfuncties


Deze functionaliteit maakt het u mogelijk, met tekstblokken te werken. De manier van werken is gebaseerd op de in de moderne PC besturingssystemen gebruikelijke praktijk:

  • U markeert een bepaald deel van uw tekst

  • Dit kan dan op een klembord worden gekopieerd (copy) of daarheen worden geknipt (cut)

  • Van daaruit kan de tekst dan weer op een andere plaats of zelfs in een ander bestand worden geplakt (paste)

  • Verder is het mogelijk een gemarkeerd bereik direct in een bestand op te slaan.

Een blok kan ook gewist worden of direct in een nieuw bestand of invoerveld worden ingevoegd. De blokbewerkingen veroorzaken soms een vertraging van de tekstverwerker. De volgende paragrafen leggen het werken met blokken uit.


5.2.12.1Begin van het blok markeren [SPC + TRM]


Om het begin van een blok te markeren, plaatst u de cursor op de gewenste plaats in de tekst en drukt u op de toetsencombinatie [SPC + TRM]. De bewerking wordt met een waarschuwingstoon bevestigd. Het einde van een blok hoeft niet speciaal gemerkt te worden. Beweegt u de cursor eenvoudig een teken naar rechts van de plaats, waar het einde van het blok zich moet bevinden. Terwijl u de cursor verplaatst, zult u merken, dat de tekst tussen het begin van het blok en de actuele cursorpositie met punt 7 en 8 onderstreept verschijnt.
Stel dat u de tekst “Dit is een test” heeft ingevoerd en dat u de woorden “Dit is” wilt markeren. In dat geval moet de cursor voor het uitvoeren van de blokbewerking op de spatie tussen de woorden “is” en “een” bevinden.
Het markeren van tekstfragmenten is niet alleen in voorwaartse richting mogelijk. U kunt zich na het vastleggen van het begin van het blok ook in de richting van het begin van de tekst bewegen. Het blok eindigt dan links van de cursor. Het teken, waarop de cursor staat, is dus nog in het blok inbegrepen.
In plaats van een blok te markeren door de cursor teken voor teken te verplaatsen, kunt u ook vanaf het gewenste begin van het blok naar een markering springen. Een andere methode om snel blokken te markeren is het gebruik van een van de hieronder uitgelegde zoekfuncties, als het eerste woord, dat na het blok verschijnt, bekend is. Markeer eenvoudig het begin van het blok door gelijktijdig op [SPC + TRM] te drukken en voer dan een zoekopdracht naar dit woord uit.
Als u bij het markeren van een blok op [TLM] drukt, worden de onderstrepingen door punt 7 en 8 weer verwijderd, maar het begin van het blok blijft opgeslagen. Als u het gemarkeerde tekstfragment nu toch wilt kopiëren of knippen, moet u de onderstreping weer herstellen. Daartoe kunt u de functie “markering en cursor wisselen” gebruiken, die in paragraaf 5.2.12.5 is beschreven. Als u deze functie heeft geactiveerd, worden de onderstrepingen weer aangegeven en staat de cursor aan het begin van het blok. Opnieuw uitvoeren van deze functie brengt u naar het einde van het blok.

5.2.12.2Kopiëren (SPC + 1 4 = braille c)


Wanneer u zich nu aan het eind van het blok bevindt, kunt u het gemarkeerde fragment met [SPC + 1 4] (brailletoetsencombinatie c) naar het klembord kopiëren. Een melding van de tekstverwerker informeert u welk percentage van het blok al naar het klembord is gekopieerd.

De functie kopiëren heeft bij gebruik in een invoerveld een andere betekenis: ze herstelt de standaardinstellingen.


5.2.12.3Knippen (SPC + 1 3 4 6 = braille x)


U kunt een blok met [SPC + 1 3 4 6] (brailletoetsencombinatie x) uitknippen. Daarbij wordt het blok uit de tekst verwijderd en op het klembord gezet. Terwijl de tekstverwerker het tekstblok knipt, geeft hij aan, welk percentage van het blok al op het klembord geschreven is.

Als u [SPC + 1 3 4 6] (brailletoetsencombinatie x) in een dialoogveld invoert, worden alle tekens van de actuele cursorpositie tot aan het eind van het dialoogveld gewist.


5.2.12.4Plakken (SPC + 1 2 3 6 = braille v)


Met [SPC + 1 2 3 6] (brailletoetsencombinatie v) kan de tekst die zich op het klembord bevindt op de actuele cursorpositie in hetzelfde bestand worden ingevoegd, of u kunt een ander bestand openen en de tekst daarin plakken. Houd er rekening mee dat het blok steeds precies voor de actuele cursorpositie wordt ingevoegd. Omdat het klembord daarbij niet wordt gewist, kunt u een blok ook een aantal malen plakken. De tekstverwerker toont bij het plakken het percentage van het blok dat al geplakt is vanaf het klembord.
De plakfunctie staat ook ter beschikking voor invoer in dialoogvelden. Als u bijvoorbeeld de titel van een hoofdstuk wilt gebruiken om een markering een naam te geven, dan kunt u in de tekst de titel als blok markeren en met [SPC + 1 4] (brailletoetsencombinatie c) naar het klembord kopiëren. Dan verplaatst u de cursor naar de positie van de gewenste markering, drukt op [TB + TO] en beantwoordt de dialoog, die naar de naam van de markering vraagt, met [SPC + 1 2 3 6] (brailletoetsencombinatie v).
Zo lang het braillesysteem in bedrijf is, blijft het klembord behouden, zodat u de inhoud ervan meerdere keren ook in andere bestanden kunt plekken. Als het braillesysteem echter wordt uitgeschakeld, gaat de inhoud van het klembord verloren, want dit wordt bij het inschakelen van het apparaat gewist. De voor het klembord beschikbare geheugenruimte wordt bepaald door de nog vrije geheugenruimte van het bestandssysteem.

5.2.12.5Markering en cursor wisselen (SPC + 7 8)


Met deze functie kunt u naar de volgende acties van uw vroegere positie terugkeren:

  • Als u naar het begin of eind van een bestand bent gesprongen.

  • Als u een tekstblok heeft gemarkeerd, om het te kopiëren of te knippen. In dat geval keert u terug naar het begin van het blok en kunt u blokbewerkingen uitvoeren.

  • Als u bij het markeren van een blok op [TLM] heeft gedrukt.

  • Als u een tekstpassage van het klembord in het bestand heeft geplakt.

Met deze functie wordt op uw actuele positie in de tekst een markering geplaatst en de cursor bevindt zich daarna weer op de positie waar hij was, voor een van de boven genoemde acties werd uitgevoerd. Het tekstfragment tussen de markering en de cursor is nu gemarkeerd. Indien gewenst, kunt u deze markering eenvoudig met [TLM] weer opheffen.


Door deze functie opnieuw op te roepen worden de zo geplaatste markeringen en de cursorpositie weer gewisseld. Op die manier kunt u tussen het begin en het eind van het door u vestgelegde tekstblok of uw huidige en vorige cursorpositie heen en weer springen.

5.2.12.6Een tekstblok wissen (SPC + 1 3 4 6 7 = braille X, SPC + 1 2 = braille b)


Als u een groter tekstblok wist, dat u niet weer ergens anders wilt plakken, kunt u dit doen met het commando [SPC + 1 3 4 6 7] (brailletoetsencombinatie X) zonder dat het blok naar het klembord wordt gekopieerd. Ook kunt u de backspace gebruiken (SPC + 1 2 = brailletoetsencombinatie b). Bij het wissen van de tekst wordt u, wederom met een percentage, geïnformeerd dat de tekst gewist wordt.

5.2.12.7Blokken in bestanden opslaan (SPC + 2 3 4 = braille s)


Als u een blok gemarkeerd heeft, kunt u dit met [SPC + 2 3 4] (brailletoetsencombinatie s) in een bestand opslaan. Het gemarkeerde fragment wordt niet uit het actuele bestand gewist. Details rond het opslaan van bestanden vindt u in hoofdstuk .

5.2.13Zoeken


U kunt in een tekstbestand op twee manieren een bepaalde tekencombinatie (“string”) zoeken: met toenemend zoeken (“incremental search”) of met gebufferd (“buffered search”) zoeken. Beide manieren kunnen in voorwaartse en achterwaartse richting worden uitgevoerd. Het zoeken begint steeds vanaf de cursorpositie.

5.2.13.1Toenemend zoeken (SPC + 1 2 4 = braille f)


Met [SPC + 1 2 4] (brailletoetsencombinatie f) wordt het in voorwaarts richting doorzoeken van de tekst gestart. U beweegt zich bij het zoeken vanaf de actuele cursorpositie in de richting van het einde van de tekst. De melding 'I-Search: verschijnt, gevolgd door de cursor. Terwijl u het zoekbegrip invoert, begint het zoeken al. U wordt automatisch geplaatst op de eerste positie waar het zoekbegrip in de tekst voorkomt. Als u met Backspace een al ingevoerd teken van het zoekbegrip wist, wordt u terugverplaatst naar de positie waar het kortere zoekbegrip voor het eerst voorkomt. Terwijl het zoeken plaatsvindt, knippert het zoekbegrip. Bij de Braillino verschijnt in plaats van het knipperende zoekbegrip de tekst “"Searching...". Als het zoekbegrip niet te vinden is, krijgt u de volgende melding: 'Search failed, wrap around (Y/N)? (Niet gevonden, nogmaals zoeken?). Als u hierop met [y] antwoordt, begint dezelfde zoekopdracht opnieuw vanaf het begin respectievelijk het eind van het bestand. Als het zoekbegrip wederom niet gevonden wordt, krijgt u weer dezelfde melding. U kunt nu [n] typen, om het zoeken te beëindigen.
Als het gewenste begrip gevonden is, drukt u op [TRM] om op die plaats in de tekst verder te werken.
Als u vanaf het begin van de tekst wilt zoeken, verplaatst u de cursor eerst met [SPC + 1 2 3] naar het begin van de tekst. Door opnieuw op [SPC + 1 2 4] (brailletoetsencombinatie f) te drukken, wordt de zoekopdracht herhaald, waarbij het eerder gebruikte zoekbegrip al ingevoerd is. Ook wanneer u zich bevindt op de eerst gevonden tekstplaats, kunt u dezelfde zoekopdracht herhalen door opnieuw te drukken op [SPC + 1 2 4] (brailletoetsencombinatie f), zolang u niet op de [TLM]-toets hebt gedrukt. Dit geldt echter alleen voor de huidige bewerkingsactiviteit. Als de tekstverwerker wordt afgesloten of als uw braillesysteem wordt uitgeschakeld, wordt het zoekbegrip gewist.
Iedere zoekopdracht kan tijdens de invoer van het zoekbegrip op tijdens het zoeken zelf met een druk op de [TLM]-toets worden afgebroken. Iedere gevonden tekstplaats wordt met een waarschuwingstoon verlaten en de cursor wordt een teken na de gevonden tekstplaats gepositioneerd. U kunt bij het zoeken onderscheid maken tussen hoofdletters en kleine letters, als u de betreffende instelling maakt in het instellingenmenu van de tekstverwerker. Leest u daartoe ook de aanwijzingen in het betreffende hoofdstuk.

5.2.13.2Gebufferd zoeken


Gebufferd zoeken betekent, dat u het hele zoekbegrip invoert en dat het zoekproces pas begint, wanneer u op de [TRM]-toets drukt. Om een gebufferde zoek te starten, geeft u het commando voor een toenemende zoekopdracht [SPC + 1 2 4] (brailletoetsencombinatie f) gevolgd door [TRM]. De melding 'Search:’ verschijnt. Voer nu de te zoeken tekst in. Het zoekproces wordt uitgevoerd als u nogmaals op [TRM] drukt.
Om het onderscheid tussen groeiend en gebufferd zoeken duidelijk te maken, geeft het braillesysteem bij de invoer van het zoekbegrip 'Search:’ weer. De toenemende zoekopdracht wordt door een vooraan geplaatste “I”, het zoeken in achterwaartse richting door een vooraan geplaatste “R” gekenmerkt. Als u de toenemende zoekopdracht in achterwaartse richting gebruikt, wordt u door de volgende melding gevraagd om invoer van het zoekbegrip: 'I-Search back: ’.
Als de door u gezochte tekst gevonden is, staat de cursor op het eerste teken van het zoekbegrip en kunt u daar direct verder werken, zonder, zoals bij de toenemende zoekopdracht nodig is, eerst op de [TRM]-toets te hoeven drukken. Om verder te zoeken, positioneert u de cursor rechts van het zojuist gevonden zoekbegrip en activeert u, zoals hierboven beschreven, de gebufferde zoekopdracht.

5.2.13.3Achterwaarts zoeken (SPC + 1 2 4 7 = braille F)


met [SPC + 1 2 4 7] (brailletoetsencombinatie F) kan de tekst in a achterwaartse richting tot aan het begin van de tekst worden doorzocht. Het proces verloopt net zoals het voorwaarts zoeken. Als de gezochte tekst gevonden is, bevindt de cursor zich op het eerste teken van de gezochte tekst. U kunt bij beide zoekmethodes de richting ook tijdens het zoeken veranderen, als u nadat u op een zoekbegrip bent geplaatst de betreffende opdracht geeft.

5.2.14Vervangen (SPC + 1 2 3 5 = braille r)


Als u een zoekbegrip (bepaalde tekenvolgorde) wilt vervangen, voert u [SPC+1235] (brailletoetsencombinatie r) in. Net als bij het gebufferd zoeken, wordt eerst naar de gezochte tekstplaats gevraagd. Er verschijnt: 'Replace:’ (vervangen) op uw braillesysteem. Voert u hier de te zoeken zoekbegrip in. Met [Enter: wordt de invoer van het zoekbegrip beëindigd en verschijnt de melding: 'Replace X with:’. (vervang X door:). X staat hier voor het ingevoerde zoekbegrip. Voer nu de tekst in, waardoor de gezochte tekst vervangen moet worden. Met [TRM] wordt net als bij het zoeken het vervangen gestart. Zo gauw het zoekbegrip op de eerste plaats in de tekst waar het voorkomt wordt gevonden, bevindt u zich op die plaats in de tekst. U heeft nu de volgende mogelijkheden:

  • Voer [y] in, om het zoekbegrip door de vervangende tekst te vervangen.

  • Als u [n] antwoordt, komt u bij de volgende plaats waar het zoekbegrip voorkomt terecht, zonder dat de eerder gevonden tekst wordt vervangen.

  • Als u [g] invoert voor globaal (=alles) vervangen, dan worden de gevonden en alle gelijkluidende zoekbegrippen zonder vraag om bevestiging automatisch vervangen. Ondertussen verschijnt de melding 'Replacing, please wait...’ (Bezig met vervangen, dit kan einige minuten duren…). Nadat de tekstverwerker het einde van het bestand heeft bereikt, wordt aangegeven, hoeveel tekstplaatsen werden vervangen: 'Replaced n occurrences (n items vervangen), waarbij n staat voor het aantal van de doorgevoerde vervangingen.

Bij het vervangen speelt de instelling van de optie ‘exact vinden’ (zie hoofdstuk 5.2.22.6) geen rol. De te vervangen begrippen moeten precies zo worden ingevoerd, als ze in de tekst geschreven zijn. Vervangen is alleen in voorwaartse richting vanaf de cursorpositie naar het einde van de tekst mogelijk.

5.2.15Meerdere bestanden openen


In de tekstverwerker kunnen meerdere bestanden gelijktijdig geopend zijn. Om een bestand uit de tekstverwerker te openen staan twee methoden ter beschikking:

  1. zonder overschrijvingsbescherming: het bestand kan na het openen worden bewerkt

  2. in de leesmodus: het bestand is tegen overschrijven beveiligd en kan niet worden veranderd.

De volgende methoden dienen om bestanden vanuit de tekstverwerker te openen:

1. Met [SPC + 1 3 5] (brailletoetsencombinatie o) wordt een bestand geopend, dat kan worden bewerkt. Het braillesysteem meldt dan: 'Open file:’ (open bestand)

U kunt ook een bestand met [SPC + 1 3 5 7] (brailletoetsencombinatie O) in de leesmodus openen, dat dan niet kan worden veranderd. Dit wordt aangegeven door de dialoog 'View file: ’ (bestand bekijken).

2. Voer in de dialoog de naam van het te openen bestand in. De bestandsnaam moet exact worden ingevoerd, zoals hij op het braillesysteem is opgeslagen, omdat het bestand anders niet gevonden en geopend kan worden.

3. Door op [TRM] te drukken, wordt het bestand geopend.


Nu zijn er meerdere mogelijkheden:

  • Als de bestandsnaam nog niet bestaat en u het bestand in de tekstverwerkingsmodus opent, dan neemt de tekstverwerker aan, dat u een nieuw bestand onder de ingevoerde naam wilt maken.

  • Als u een niet bestaand bestand in de leesmodus probeert te openen, krijgt u de melding 'File x not found’, waarbij x de ingevoerde bestandsnaam is.

  • Als u een reeds geopend bestand opent, wisselt de tekstverwerker naar dit bestand, in plaats van het opnieuw te laden.

5.2.16Switchen tussen geopende bestanden (SPC + 5 6 8 of SPC + 2 3 7)


Als meerdere bestanden open zijn, kunt u met [SPC + 5 6 8] of {Alt+Tab} switchen tussen de geopende bestanden. Stel dat u drie bestanden in de volgende volgorde heeft geopend: eerst “a.txt”, dan “b.txt” en dan “c.txt”. U leest op dit moment “c.txt”. Als u nu [SPC + 5 6 8] activeert, wisselt u naar “b.txt“. De melding 'Current file:’ (actueel bestand), gevolgd door de bestandsnaam, wijst u op de naam van het bestand, waar u naar geswitched bent. Als u nu wederom [SPC + 5 6 8] activeert, bevindt u zich aansluitend in “a.txt”, bij de volgende keer weer in “c.txt”, enzovoort. Om in het gekozen bestand te kunnen werken of lezen, moet u op de [TRM]-toets drukken.

Met [SPC + 2 3 7] en {Alt+Shift+Tab} kunt u in omgekeerde volgorde tussen de bestanden wisselen. Dit is ook mogelijk na het sluiten van een bestand, wanneer de melding "Current file:" verschijnt.


NB: een bestand kan alleen naar de PC worden overgedragen, als het niet in de tekstverwerker geopend is. Het bestand moet voor de overdracht eerst gesloten of opgeslagen worden.

5.2.17De tekstverwerker suspenderen (SPC + 1 2 3 4 5 6)


U kunt de tekstverwerker met [SPC + 1 2 3 4 5 6] tijdelijk uit zetten, bijvoorbeeld om menu-instellingen te veranderen, de oplaadbare batterijstatus of andere toestanden te checken, of een bestand te wissen. Als u de tekstverwerker uitzet, bevindt u zich automatisch in het hoofdmenu, waar u alle menufuncties ter beschikking staan. U kunt zelfs omschakelen naar de PC modus. Op de eerste plaatsen van de brailleleesregel ziet u het symbool ‘-E-‘. Dit moet u eraan herinneren, dat de tekstverwerker nog geopend is. Het is zeker irritant, dat ieder menu-item pas na dit symbool wordt weergegeven, maar dat is precies de bedoeling. Het zou zeer ergerlijk voor u zijn, als u per ongeluk uw data verliest, omdat u vergeten heeft, dat de tekstverwerker nog open staat en uw bestanden niet opgeslagen zijn en u het braillesysteem uitzet.
Om terug te keren naar de tekstverwerker, voert u nogmaals [SPC + 1 2 3 4 5 6] in. Hierbij moet echter wel opgemerkt worden, dat u alleen vanuit het hoofdmenu in de tekstverwerker kunt terugkeren.
!!!WAARSCHUWING!!!

Uw braillesysteem mag nooit uitgeschakeld worden, wanneer de tekstverwerker open staat of tijdelijk is onderbroeken. Anders verliest u niet alleen de ingevoerde en nog niet opgeslagen data, maar er kunnen op deze manier ook ernstige fouten in het bestandssysteem worden veroorzaakt. In het ergste geval zouden zelfs alle bestanden die zich in het Flashgeheugen bevinden verloren kunnen gaan. Ook mag met open of gesuspendeerde tekstverwerker geen overdracht van gegevens plaats vinden. De tekstverwerker gebruikt in actieve of gesuspendeerde toestand een geheugenbereik, dat bij actieve overdracht van gegevens nodig is voor de verwerking van de gegevens. Ook voert de overdracht van bepaalde bestanden tot herstarten van het braillesysteem. Geopende bestanden kunnen dan niet worden opgeslagen en alle veranderingen gaan verloren.


5.2.18Bestanden opslaan (SPC + 2 3 4 = braille s)


Om een bestand op te slaan zonder het te verlaten, voert u [SPC + 2 3 4] (brailletoetsencombinatie s) in. Er verschijnt dan: 'Save file: ’ (bestand opslaan), gevolgd door de bestandsnaam. Als u het bestand in de tekstverwerker heeft geladen, is dit de naam van het geladen bestand. Heeft u het bestand dat u wilt opslaan nieuw aangemaakt, dan verschijnt hier een vooringestelde bestandsnaam. Als u nu op [TRM] drukt, wordt het bestand opgeslagen. U heeft echter ook de mogelijkheid om de vooraf ingestelde bestandsnaam gedeeltelijk of geheel te overschrijven, om het bestand onder een ander naam op te slaan. Als u dat doet, moet u rekening houden met het volgende:

  • Alle op het opslaan volgende veranderingen gelden voor het bestand, waarvan u de naam bij het opslaan hebt aangegeven. Een bestand moet na het opslaan opnieuw geladen worden. Zodra u dus een bestand “Text1.txt” onder de naam “Text2.txt” opslaat, werkt u na het opslaan verder in “Text2.txt”. Als u alleen maar een bepaalde toestand van het bestand zeker wilt stellen, moet u te werk gaan zoals hieronder beschreven.

  • Als u de naam van het bestand onveranderd laat, of een naam geeft, die niet bestaat, dan wordt het bestand na een druk op [TRM] zonder vraag om bevestiging opgeslagen.

  • Vult u de naam van een bestand in, dat al bestaat, dan krijgt u de volgende wedervraag: 'File x exists, overwrite (Y/N)?’ (Bestand x bestaat al. Overschrijven? (ja/nee)?). U kunt nu door op [y] te drukken, gevolgd door [TRM] instemmen met het overschrijven, of met [n] gevolgd door [TRM] of door [TLM] annuleren.

Let op: Als u een selectie heeft gemarkeerd, geldt de opslagfunctie niet voor het gehele bestand, maar alleen voor de gemarkeerde selectie. U herkent dit aan de dialoog: 'Save block to file:’ (het blok als bestand opslaan), gevolgd door de bestandsnaam.
Als u, zoals hierboven al opgemerkt, alleen een bepaalde versie van uw werk onder een andere naam wilt opslaan, doet u het volgende:

  1. U gaat met [SPC + 1 2 3] naar het begin van het bestand

  2. U markeert met [SPC + TRM] het begin van het blok

  3. U gaat met [SPC + 4 5 6] naar het eind van het bestand

  4. U activeert met [SPC + 2 3 4] (brailletoetsencombinatie s) de functie opslaan

  5. U voert de naam in, waaronder u deze versie wilt opslaan

  6. U drukt op [TRM]. Het bestand wordt opgeslagen. Hierna wordt het bestand niet opnieuw geladen.

Zodra u de blokmarkering door een druk op [TLM] opheft en de functie opslaan activeert, verschijnt de in het begin van dit hoofdstuk beschreven dialoog en de bewerking opslaan heeft weer betrekking op het gehele bestand.

Bij het opslaan en sluiten van een bestand worden ook de geplaatste markeringen en de actuele cursorpositie vastgehouden. Als een bestand nu naar de PC wordt overgedragen, daar veranderd wordt en weer naar het braillesysteem wordt teruggezet, dan hebben de geplaatste markeringen en opgeslagen cursorpositie geen geldigheid meer. Aanvullend op geplaatste markeringen en actuele cursorpositie wordt bij het opslaan van het bestand ook de grootte van dat moment genoteerd. Bij het opnieuw openen van het bestand wordt gecontroleerd, of de grootte ervan overeenkomt met de grootte van de laatste keer dat het werd opgeslagen. Als dat het geval is, worden markering- en cursorpositie geladen. Als de actuele grootte niet meer overeenstemt met de grootte die was genoteerd, dan neemt de tekstverwerker aan, dat het bestand intussen op de PC is bewerkt, of dat het om een bestand gaat met dezelfde naam maar met andere inhoud. In dit geval wordt de cursor bij het openen aan het begin van het bestand geplaatst en worden de in dit bestand opgeslagen markeringen weggegooid.

5.2.19Een bestand afsluiten en de tekstverwerker verlaten (SPC + 1 5 = braille e)


Voer [SPC + 1 5] (brailletoetsencombinatie e) in, om het actuele bestand op te slaan en dan te sluiten.

Werd het bestand veranderd, dan vraagt de tekstverwerker u: 'Save changes (Y/N)?’ (Wijzigingen opslaan (ja/nee)?).



  • „n“: het bestand wordt gesloten en worden wijzigingen niet opgeslagen.

  • „y“: als het bestand al een naam had, wordt het onder die naam opgeslagen en gesloten. Als het om een nieuw bestand gaat, dat nog geen naam had, dan stelt de tekstverwerker – afhankelijk van uw braillesysteem – een naam voor. Deze naam kunt u veranderen of accepteren.

Let op:

  1. De tekstverwerker is dan pas afgesloten als alle geopende bestanden gesloten zijn.

  2. Voor u uw braillesysteem uitschakelt, moeten alle in de tekstverwerker geopende bestanden opgeslagen en afgesloten worden. Als u het apparaat uitschakelt terwijl er nog bestanden geopend zijn, kan dit leiden tot verlies van gegevens en tot beschadiging van bestanden. Lees alstublieft in dit verband ook de aanwijzingen in hoofdstuk 5.2.17.

5.2.20PC-modus vanuit de tekstverwerker activeren (SPC + 1 2 3 4 = braille p)


Met [SPC + 1 2 3 4] (brailletoetsencombinatie p) kunt u direct vanuit de tekstverwerker de PC modus activeren. Stel dat u uw braillesysteem aan uw computer heeft aangesloten en dat u net in de interne tekstverwerker naar een adres zoekt. Precies nu informeert uw PC door een akoestische waarschuwingstoon, dat een e-mail is gearriveerd. Omdat u een belangrijke e-mail verwacht, wilt u nu snel in uw postvak kijken. Dit kunt u doen, door met [SPC + 1 2 3 4] (brailletoetsencombinatie p) in de PC modus om te schakelen en uw PC te bedienen. De tekstverwerker wordt gesuspendeerd (tijdelijk onderbroken) en de brailleleesregel staat de screenreader ter beschikking. Nu kunt u uw postvak openen, uw e-mail lezen en andere taken uitvoeren.

Met [SPC + 1 3 4] (brailletoetsencombinatie m) schakelt u weer terug naar de tekstverwerker. [SPC + 1 3 4] (brailletoetsencombinatie m) moet daarvoor wat langer (ongeveer een halve seconde) ingedrukt gehouden worden.


!!!WAARSCHUWING!!!

Voor het uitschakelen van het braillesysteem moet de tekstverwerker afgesloten worden en moeten gewijzigde bestanden opgeslagen zijn. Daarom moet u voor het uitschakelen van het braillesysteem steeds met [SPC + 1 3 4] (brailletoetsencombinatie m) in de interne modus terugkeren, om de toestand van de tekstverwerker vast te stellen.


5.2.21Helpfunctie (SPC + 1 2 5 = Braille h)


Door [SPC + 1 2 5] (brailletoetsencombinatie h) zoekt de tekstverwerker naar een bestand met de naam “HELP.HSF“ en opent dit in de leesmodus. Dit bestand bevat de gebruikershandleiding. Met behulp van zoeken (“toenemend” of “gebufferd”) kunt u daarin zoeken naar oplossingen voor problemen, aanwijzingen, of toewijzingen van toetsen. Het is niet mogelijk om direct naar hoofdstukken te springen. U kunt het gezochte hoofdstuk echter snel vinden, als u naar het begin van het bestand gaat, de inhoudsopgave leest en dan van daaruit met gebruik van het hoofdstuknummer met gebufferd of toenemend zoeken naar het hoofdstuk zoekt.
Let op:

Het helpbestand wordt in de leesmodus geopend, om per ongeluk overschrijven van belangrijke informatie te verhinderen. Daarom is het niet mogelijk, eigen notities in dit bestand te maken.


5.2.22Instellingenmenu voor de tekstverwerker (SPC + 1 3 6 = braille u)


De tekstverwerker heeft een instellingenmenu dat kan worden opgeroepen met [SPC + 1 3 6] (brailletoetsencombinatie u) en waarin u de functies van de tekstverwerker volgens uw eisen en gewoontes kunt instellen. Een aantal van deze instellingen zijn algemeen (“global”), dat wil zeggen dat de gekozen instelling voor alle bestanden geldt. Andere daarentegen zijn individueel voor ieder bestand apart instelbaar. Deze individuele instellingsparameters worden, als de bestanden correct zijn opgeslagen, voor tot en met 20 verschillende bestanden mee opgeslagen. Als u een bestand bewerkt, waarvan de parameter instellingen nog niet opgeslagen waren, worden op dit bestand de standaard instellingen van het instellingenmenu toegepast. Voor de eerste keer opslaan van een nieuw bestand moet u de waarden die u nodig heeft instellen. Welke van de aparte instellingen globaal of bestandsspecifiek zijn, wordt aangegeven in de beschrijving van de aparte parameters.

Het instellingenmenu bevat een lijst met parameters. U kunt door omhoog en omlaag bewegen van de cursor met [SPC + 1] respectievelijk [SPC + 4] in de lijst navereren. Door op de [TRM]-toets te drukken kan de gewenste parameter gekozen worden. U kunt ook de naam van de parameter, die u wilt veranderen, invoeren en dan met [TRM] bevestigen.


Als een bepaalde parameter met een van beide methodes is gekozen, verschijnt een lijst van mogelijke instellingen, waarin u naar boven en naar beneden kunt navigeren, om bij de gewenste waarde te komen. De betreffende waarde wordt door een druk op de [TRM]-toets ingesteld en u keert aansluitend weer terug naar de lijst met parameters. In plaats van de lijst met instellingen kan ook een invoerveld voor numerieke waarden of tekst verschijnen. Dit wordt eveneens met [TRM] bevestigd. Met [TLM] kunt u zonder veranderingen terugkeren naar de lijst met parameters.

Om de vooraf ingestelde standaardwaarde van een parameter te herstellen, kunt u [SPC + 1 4] (brailletoetsencombinatie c) invoeren. Bij parameters, die net geactiveerd zijn, herstelt [SPC + 1 4] (brailletoetsencombinatie c) de eerdere instelling.


In de volgende paragrafen worden de aparte menu items van het instellingenmenu beschreven.

5.2.22.1Scrollen (algemeen)


Deze waarde bepaalt, met hoeveel tekens de weergave verschoven wordt, als de cursor zich buiten de actueel weergegeven tekst begeeft. Het toelaatbare waardebereik voor deze parameter is 0 tot en met het aantal van de aanwezige braille elementen. Afhankelijk van uw braillesysteem kunnen dat er 20, 40 of 80 zijn. Standaard is driekwart van de aanwezige braille elementen ingesteld. Als u hier een waarde invoert, die buiten het geldige bereik ligt, krijgt u een foutmelding.
Met deze instelling kunt u verschillende effecten bereiken. U kunt bijvoorbeeld 1 invoeren, dan verschuift de weergave met ieder teken, dat u boven deze waarde invoert. Of u kunt de maximale waarde (20, 40 of 80) invoeren, dan gedraagt het braillesysteem zich zoals bij de oudere versie van de braillesysteem software: de regel wordt dan in zijn geheel opnieuw opgebouwd. Heeft u zich naar rechts voorbij de weergave bewogen, dan verschijnt de cursor op de eerste braillemodule. Heeft u de cursor naar links voorbij de tekst bewogen, dan verschijnt hij op de laatste plaats.

5.2.22.2Dialoog tijd (algemeen)


Deze waarde legt het aantal seconden vast, die u in een tekstverwerkingsdialoog kunt verblijven, zonder iets in te voeren. Als de vastgelegde tijdbegrenzing zonder invoer verloopt, wordt de dialoog verlaten, zonder dat veranderingen zijn gemaakt of functies zijn uitgevoerd. Hier zijn instellingen van 0 tot 999 geldig, met een voorinstelling van 100 seconden.
Tip: het is niet aan te bevelen om deze waarde kleiner dan 10 in te stellen, omdat in dat geval de dialoog onmiddellijk verlaten wordt, nadat hij geopend is, zonder dat u gelegenheid heeft om te reageren of een antwoord in te voeren.
Voor het instellingenmenu heeft deze functie geen toepassing. Dit zou ook niet wenselijk zijn, omdat u eventueel geen veranderingen meer zou kunnen doorvoeren. U moet hier dus per se [TLM] gebruiken om het te verlaten.

5.2.22.3Waarschuwingstijd (algemeen)


Dit menu item bepaalt het aantal seconden, gedurende welke een melding wordt weergegeven. U kunt een melding echter ook op ieder moment door op [TLM] te drukken verlaten. Als u gedurende de weergave van een melding op een andere toets drukt, springt de tijdsinstelling terug en heeft u meer tijd om de melding te lezen. Geldige waarden voor deze parameter zijn 0 tot 999; de standaardinstelling is 30.
Tip:

Het is hier niet aan te bevelen, waarden kleiner dan 10 in te stellen, omdat de melding dan eventueel niet lang genoeg wordt weergegeven.


5.2.22.4Uitkomstpositie [r] of [e]


Deze optie betreft de zakrekenmachine van uw braillesysteem. Zowel voor de zakrekenmachine zelf, als ook voor de zakrekenmachinefunctie in de tekstverwerker, kan de positie van de uitkomst van de berekening apart worden ingesteld. De letter [r] staat hierbij voor de instelling in de zakrekenmachine en [e] voor de instelling in de tekstverwerker (editor).

De instelmogelijkheden zijn hier:



  • Voor: de uitkomst wordt voor de rekenkundige bewerking weergegeven, bijvoorbeeld: 5 = 2+3. Dit is de standaardinstelling in de zakrekenmachine.

  • Na: de uitkomst wordt na de rekenkundige bewerking weergegeven, bijvoorbeeld: 2+3 = 5. Dit is de standaardinstelling in de tekstverwerker.

5.2.22.5Berekening bewaren [r] of [e]


Deze optie betreft de zakrekenmachine van uw braillesysteem. Zowel voor de zakrekenmachine zelf, als ook voor de zakrekenmachinefunctie in de tekstverwerker, kan ingesteld worden, of de ingevoerde berekening samen met de uitkomst moet worden weergegeven of niet. De letter [r] staat hierbij voor de instelling in de zakrekenmachine en [e] voor de instelling in de tekstverwerker (editor).

De instelmogelijkheden zijn hier:



  • Ja: de gehele berekening wordt weergegeven, bijvoorbeeld 5 = 2+3, waarbij rekening wordt gehouden met de instelling voor de uitkomstpositie. Dit is de standaardinstelling in de zakrekenmachine.

  • Nee: alleen de uitkomst wordt weergegeven, bijvoorbeeld 5. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de instelling voor de uitkomstpositie.

5.2.22.6Exakt zoeken (algemeen)


Deze parameter legt vast, hoe exact een zoekbegrip bij een zoekproces (niet bij vervangen) gezocht moet worden. Er zijn twee mogelijkheden:

  1. Als u “Exact zoeken” op “ja” instelt, moet u bij de invoer van de tekens precies zo met hoofd- en kleine letters invoeren, als zij in de tekst staat. Als u bijvoorbeeld het woord “tafel” met hoofdletters invoert, wordt het woord “tafel” dat met kleine letters is geschreven, niet gevonden.

  2. Als u deze parameter op “nee” instelt, worden woorden met hoofdletters ook gevonden, als u alleen kleine letters heeft ingevoerd.

Let op: als de optie ‘exact zoeken’ op ‘nee’ staat en als uw zoekbegrip umlauts en andere bijzondere leestekens bevat, dan vindt de tekstverwerker de groot, respectievelijk klein geschreven tegenhanger van een ingevoerd teken alleen, als u de standaard karakterset geactiveerd heeft. De standaard karakterset is “ANSI Latin1”. Als u niet met de standaard karakterset werkt, wordt de umlaut alleen in de ingevoerde variant (hoofd- of kleine letter) gevonden. Standaard is deze optie op “nee” ingesteld.


5.2.22.7Marge actie (algemeen)


U kunt tussen drie verschillende acties kiezen wanneer de rand rechts in de tekstverwerker wordt bereikt:

None": (geen) : geen actie.

Bell": (bel) : geeft een pieptoon, afhankelijk van de instellingen voor waarschuwingssignalen.

Wrap": (inpakken) zoekt het begin van het woord in wording en neemt dit op in een nieuwe regel. Gelijktijdig wordt een waarschuwingstoon gegeven. Standaard is de marge actie ingesteld op “geen”.


5.2.22.8Rechter marge (algemeen)


Om de invoer van teksten te vergemakkelijken, kunt u een marge rechts specificeren. U kunt een waarde kiezen tussen 0 en 32767. Standaard is 75 ingesteld. Met de optie “rand actie” (“margin action”) wordt ingesteld, hoe de tekstverwerker zich moet gedragen, als de rechter rand bereikt wordt.

5.2.22.9Woord naar volgende regel (algemeen) (“word wrap”)


Bij de instelling van deze parameter kunt u kiezen tussen ‘ja’ en ‘nee’. ‘Ja’ betekent dat een woord dat niet meer helemaal op de leesregel past, onderdrukt wordt, als de cursor zich niet in de op dat moment weergegeven regel bevindt. Bevindt de cursor zich echter wel op de op dat moment weergegeven regel, dan wordt het woord eerst gedeeltelijk, en bij het verder bladeren met de leestoetsen nogmaals in zijn geheel weergegeven.

Bij niet actief woord naar volgende regel (word wrap) (instelling ‘nee’), worden de tekens van het woord weergegeven, die nog op de leesregel passen. Standaard is het woord inpakken op ‘ja’ ingesteld.


Tip:

De functie ‘woord naar volgende regel’ heeft alleen betrekking op het lezen van tekst en is bij de invoer van tekst niet actief.


5.2.22.10Tabmodus algemeen


Deze instelling legt vast, welke tekens door de tekstverwerker worden ingevoegd, als u een tab invoert. U kunt kiezen uit twee modi:

  • "Tabs (\\t)]: Bij voorkeur worden tabulatortekens gebruikt. Dit is afhankelijk van de instelling van ’Tabstops’ (zie de volgende paragraaf). Deze instelling is vooral nuttig als u uw bestanden zo compact mogelijk wilt houden.

  • “Blanks: voor iedere tab wordt het aantal spaties ingevoerd dat is ingesteld onder ’Tabbreedte’ . Deze instelling is nuttig, wanneer u er zeker van wilt zijn, dat een bestand na overdracht naar de PC in de PC tekstverwerker precies zo wordt vormgegeven als in het braillesysteem. Een nadeel is, dat een tab niet met een toetsdruk kan worden gewist. Alle voor de tab benodigde spaties moeten worden verwijderd.

Op de brailleleesregel worden tabs altijd door een aantal spaties weergegeven.


5.2.22.11Tabstops (algemeen)


Hier kunnen waarden van 0 tot en met het maximale aantal braille-elementen (20, 40, of 80) op uw braillesysteem worden ingevoerd. Als u 0 instelt, wordt voor iedere tab onafhankelijk van de positie in de tekst ofwel een tab ofwel het onder ’Tabbreedte’ (zie hieronder) aangegeven aantal spaties ingevoegd. Een waarde groter dan 0 leidt ertoe, dat de actuele regel zo met de tab en/of met spaties wordt opgevuld, dat alle n spaties (bijvoorbeeld 5 spaties) een tabstop krijgen (bijvoorbeeld dus iedere vijfde positie).
Een voorbeeld moet dit verduidelijken:

Als u ’Tabstops’ op 5 heeft ingesteld en met de cursor in kolom 1 staat, dan bevindt de cursor zich na het invoeren van een tab in kolom 6. Na invoeren van nog een tab bevindt u zich in kolom 11, enzovoort. Als u hier nu een woord met 7 letters invoert en daarna, dus vanaf positie 18, weer een tabteken invoert, dan bevindt de cursor zich in kolom 22.


5.2.22.12Tabbreedte (algemeen)


Deze waarde bepaalt het aantal spaties, waarmee een tab op de brailleleesregel wordt weergegeven. Verder wordt vastgelegd, door hoeveel spaties een ingevoerde tab bij een bepaalde instelling van de optie ’Tabmodus’ wordt vervangen. Geldige instellingen voor deze parameter lopen van 1 tot het maximale aantal braille-elementen op uw braillesysteem (20, 40 of 80). De instelling van dit menu item betreft alle tabs van het onderhavige bestand. U kunt dus niet in hetzelfde bestand tabs van 4 tekens op de ene plaats instellen en tabs van 32 tekens op een andere plaats. Als u een bestand voor het eerst opent of nieuw maakt, geldt de standaardwaarde van 4 tekens.
Tip:

Bij het overzetten naar de PC worden tabs niet door de voor het bestand ingestelde aantal spaties vervangen, maar als tabtekens overgezet. Wanneer u het naar de PC overgezette bestand dan met de tekstverwerker opent, kunnen tabulatortekens verschillend behandeld worden. Veel tekstverwerkers gebruiken voor de omzetting van tabtekens in spaties een veelvoud van 2 (bijvoorbeeld 4 of 8) spaties. Andere geven tabs zonder omzetting weer of bieden keuzemogelijkheden. Raadpleeg hieromtrent alstublieft het handboek van uw tekstverwerker.


5.2.22.13Regeleinde (bestandsspecifiek)


Hier kunt u een van drie mogelijkheden kiezen met betrekking tot de weergave van het regeleinde, wanneer u het bestand in het Flash-geheugen opslaat. Er zijn de volgende mogelijkheden:

  • Terugloop met verplaatsing naar volgende regel, [CRLF (\\r\\n, ^M^J)], gebruikt onder DOS en Windows.

  • Alleen terugloop, [CR (\\r, ^M)], gebruikt onder Macintosh-besturingssystemen.

  • Alleen verplaatsing naar volgende regel [LF (\\n, ^J], gebruikt onder Unix-bedrijfssystemen.

Deze instelling wordt bij de naar het braillesysteem overgezette bestanden aan het bestand ontleend en kan niet worden veranderd. U kunt deze waarde bij nieuwe bestanden echter zelf bepalen.


5.2.22.14Invoegcursor (algemeen)


Hier kunt u de vorm van de cursor bepalen, die hij in de invoegmodus moet hebben, waarmee tegelijkertijd ook de vorm van de overschrijf-cursor wordt bepaald, omdat de overschrijf-cursor altijd de tegengestelde vorm van de invoeg-cursor aanneemt. U kunt kiezen uit twee cursorvormen: een’Onderstreping’ (‘Underline’) of een’Blok’. Beide zijn knipperende cursors en dat kan niet anders worden ingesteld.

5.2.22.15Bewerkingsmodus (bestandsspecifiek)


Hier wordt een van de volgende drie modi gekozen:

  • „Invoegen“: (insert): tekstinvoer wordt op de cursorpositie ingevoegd en er worden geen bestaande tekens in het bestand gewist.

  • „Overschrijven“: (overwrite) de op de cursorpositie bestaande tekens worden door ingevoerde tekens overschreven.

  • [Alleen Lezen“: (read only) het bestand kan niet worden veranderd. Acties, die het bestand veranderen, wekken pieptonen op, voor zover deze in het optiemenu van het braillesysteem zijn geactiveerd.

U kunt niet uit de leesmodus terugschakelen, als u die heeft ingesteld voor een bestand. Als u bij een bestand de leesmodus wilt uitschakelen, dan moet u het bestand verlaten en dan weer openen – ofwel vanuit de tekstverwerker ofwel vanuit de bestandslijst.



Daarna kunt u de tekstverwerkermodus in het instellingenmenu opnieuw instellen. Met [SPC + 2 4) (brailletoetsencombinatie i) kunt u alleen tussen invoeg- en overschrijfmodus wisselen.

5.2.22.16Leessnelheid (algemeen))


Hier kan de snelheid voor de automatische leesmodus worden ingesteld. U kunt een waarde van 1 tot 10 kiezen, waarbij 10 het langzaamste tempo aangeeft. De standaard ingestelde waarde is 5.

5.2.22.17Opgeslagen positie (bestandsspecifiek)


Omdat bij de automatische leesmodus de cursor niet wordt meegenomen, kunt u bij deze optie beslissen, waar de cursor bij het verlaten van het bestand moet worden opgeslagen. Er zijn 2 mogelijkheden:

  • „Cursor": dit is de standaard waarde. De positie van de cursor wordt gemerkt en bij het opnieuw openen van het bestand bevindt de cursor zich op dezelfde plaats.

  • „Display": de cursor wordt op de plaats in de tekst gezet, waar zich de weergave de laatste keer bevond.

5.2.22.18Weergavemodus (bestandsspecifiek)


Hier kunt u een van onderstaande weergaven kiezen:

  • „Alleen Tekst“: (text only) : speciale tekens worden door een punt, control tekens door ^ met de bijbehorende letter (bijvoorbeeld ^d voor return).

  • „Speciaal“: (special) : speciale tekens worden hexadecimaal weergegeven (bijvoorbeeld 0xfd voor 253).

  • „Normaal“:(normal) : alle tekens worden weergegeven volgens de actueel actieve karakterset.

De standaard instelling voor deze parameter is ’Normal’.

5.2.22.19Stapgrootte (Step Size) (algemeen)


Deze parameter bepaalt, met hoeveel tekens de weergave verschuift, als de leestoets wordt gebruikt. Geldige waarden zijn 1 tot en met het maximale aantal braille elementen op uw braillesysteem (20, 40 of 80). De standaard waarde is de hoogst mogelijke. Houdt u er rekening mee, dat ook „Woord naar volgende regel“ (woord inpakken) invloed heeft op het verschuiven van de regel, zie hoofdstuk 5.2.22.9).

5.2.22.20Match kolom (Match Column) (algemeen)


Deze waarde geeft aan, op welke positie van de brailleleesregel een gevonden tekst, die “matcht” ofwel overeenkomt met de zoekopdracht, moet worden weergegeven. De geldige instellingen zijn 0 tot en met het maximale aantal braille elementen op uw braillesysteem (20, 40 of 80), waarbij de waarden 0 en 1 allebei betrekking hebben op de eerste braillecel. De standaard instelling is altijd het midden van de leesregel (10, 20 of 40).
Deze functie maakt het mogelijk, het gezochte woord in zijn context te zien. Al naar gelang de vraag, of de tekst voor of na gevonden term hogere prioriteit heeft, kunt u de weergave van het gevonden zoekbegrip in zijn context meer naar rechts of links op de leesregel positioneren. Een positionering van het gevonden zoekbegrip volgt, wanneer het zoekbegrip in de tekst zich rechts van de “match column” bevindt.
Stel, dat u de plaats waar het gevonden woord moet worden weergegeven heeft ingesteld op positie 25, en dat u het woord “Help” zoekt. U vindt nu het woord “Help” op positie 36. De tekstverwerker past de weergave van de brailleleesregel dan zo aan, dat het woord “Help” vanaf de braillecel 25 wordt weergegeven. Stel dat u nog een keer naar het woord “Help” zoekt en dat het op positie 10 in de tekst staat. Ditmaal wordt de brailleweergave niet aangepast, omdat het woord links van de ingestelde match kolom staat.

5.2.23Belangrijke aanwijzingen met betrekking tot de tekstverwerker.


Met de tekstverwerker heeft u een comfortabel apparaat in handen, dat veel voor u kan betekenen. Precies daarom is het belangrijk, er goed mee om te gaan. Dit hoofdstuk bevat enkele nuttige aanwijzingen.
1. Behandeling van bestanden:

  • De tekstverwerker kan bestanden tot een grootte van 3 MB aan. Dit betekent dat alleen bestanden tot een maximale grootte van 3 MB geopend kunnen worden.

  • U kunt ofwel een bestand met een maximale grootte van 3 MB openen, ofwel maximaal 5 bestanden openen, die samen maximaal 3 MB beslaan.

  • Zodra u veranderingen in een bestand wilt aanbrengen, is een tijdelijk bestand (een “swap file”) nodig. Hoe meer bladzijden van een bestand worden veranderd, des te meer geheugenruimte is nodig voor dit swap-bestand. Daarom raden wij aan als volgt te werk te gaan:

  • Vermijd het om veel kleine bestanden op het Flash-geheugen op te slaan. Als u bijvoorbeeld de zojuist gelezen zin in een bestand wegschrijft en opslaat, heeft dit bestand al 8 kB aan geheugenruimte. Dat kan niet anders, omdat dit de kleinst aanspreekbare toewijzingseenheid van het bestandssysteem is. Daarom gaat waardevolle geheugenruimte verloren, die u pas weer na het wissen van het bestand ter beschikking staat. Probeert u daarom liever om vergelijkbare aantekeningen bij elkaar in één bestand te zetten, zoals adressen, notities, of afspraken. De zoekfunctie “toenemend zoeken” (zie hoofdstuk 5.2.12.1) is een nuttige tool, om ook in grote databestanden het gezochte snel te vinden. U kunt zelfs nog verder gaan en verschillende thema’s in één bestand opnemen. U kunt dan naar de thema’s springen met behulp van markeringen of speciale teksten. Daarbij moet u erop letten, dat de teksten waar u naartoe wilt springen, uniek zijn in het bestand. Dat kunt u bereiken door voor of na de tekst tekens toe te voegen, die verder nooit gebruikt worden. Voorbeelden: “**Afspraken”, en “*#afhandelen”. Als u de naam van een bepaald thema vergeten bent, kunt u altijd nog de speciale tekens (bijvoorbeeld *#) opzoeken en door de zoekopdracht te herhalen het gewenste fragment vinden.

  • Sla uw bestanden regelmatig met korte intervals op de PC. Daardoor vermijdt u niet alleen het verlies van belangrijke gegevens, maar heeft u ook de mogelijkheid om, als dat nodig is, een bestand waar u niet aan werkt en dat u op een bepaald moment niet nodig heeft te wissen, om geheugenplaats vrij te maken.

  • Als een bestand opgeslagen wordt, wordt de daarvoor benodigde ruimte berekend op basis van de grootte van het originele bestand en de aangebrachte wijzigingen. Heeft u bijvoorbeeld aan een bestand van 64 KB 16 KB toegevoegd, dan is aanvullend aan het (tijdelijke) “swap-bestand” en het originele bestand nog 80 KB nodig. Dat komt omdat de veranderingen niet zonder meer in het oorspronkelijke bestand kunnen worden ingevoerd; het nieuwe bestand dat opgeslagen moet worden, moet namelijk eerst in het tijdelijke bestand opnieuw aangemaakt worden. Na het schrijven van het nieuwe bestand wordt het oorspronkelijke bestand van de tekstverwerker gewist en wordt veranderde tekst, die daarna niet meer nodig is, uit het tijdelijke swap-bestand verwijderd.

  • Als u aan grote bestanden werkt, zoals manuscripten of presentaties, kan het voorkomen, dat de beschikbare geheugenruimte onvoldoende is om het bestand te veranderen. Als u niet het hele bestand hoeft te veranderen, maar alleen tekst wilt toevoegen aan het eind van het grote bestand (bijvoorbeeld een nieuw hoofdstuk of uw notities bij de presentatie), dan kunt u dit probleem omzeilen, door een nieuw bestand aan te leggen, daar verder te werken en het grote bestand in de leesmodus te openen. Zo staat u alle informatie ter beschikking en het is vrijwel zeker dat u uw actuele toevoegingen kunt opslaan. Te zijner tijd kunt u dan beide bestanden in de tekstverwerkingsmodus openen en met behulp van de blokfuncties wat u geschreven heeft aan het grote bestand toevoegen.

  • Mocht het na het toevoegen van uw werk niet mogelijk zijn om het bestand op te slaan, dan kunt u beide bestanden naar de PC overzetten, daar samenvoegen en het nieuwe bestand weer overzetten naar het braillesysteem.

  • Al tijdens het werken controleert de tekstverwerker, of er nog genoeg geheugenruimte is om de veranderingen tijdelijk op te slaan. Als dat niet het geval is, dan wordt u daarover geïnformeerd. Als u meerdere bestanden geopend en veranderd heeft, dan kunt u de beschikbare geheugenruimte verhogen, door te proberen eerste de kleinere bestanden op te slaan en te sluiten. Als dat gelukt is, kunt u de grotere bestanden sluiten. Een andere mogelijkheid is, de tekstverwerker tijdelijk te verlaten (suspenderen) en bestanden die u op dat moment niet nodig heeft, te wissen. Dat kan natuurlijk alleen als u ervoor gezorgd heeft, regelmatig uw bestanden op de PC op te slaan. Als u een bestand wilt wissen, mag dit niet in de tekstverwerker geopend zijn. U moet dat bestand dus eerst afsluiten.

  • Een door de tekstverwerker gebruikt bestand is het bestand “$clipboard$“. Dit wordt, als het bestaat, iedere keer als u het braillesysteem inschakelt gewist, om geheugenruimte voor uw bestanden vrij te maken. Het is echter ook mogelijk, om dit bestand te wissen terwijl u met de tekstverwerker werkt, als u de tekstverwerker tijdelijk onderbreekt (suspendeert) en het bestand in het bestandsmenu wist. Behalve de standaard wedervraag volgt hier een bijzondere waarschuwing. U moet het tijdelijke bestand alleen wissen, als u zeker bent, dat u de inhoud niet meer nodig heeft. Er kunnen alleen bestanden gewist worden, die niet geopend zijn.

  • Als u probeert een bestand met [SPC + 1 3 5] (brailletoetsencombinatie o) of via het menu-item ’bewerken’ (edit) uit de bestandslijst te openen om het te bewerken, controleert de tekstverwerking of er nog genoeg geheugenruimte is om het bestand te bewerken. Als dat niet het geval is, wordt het bestand geopend in de modus Alleen Lezen’ read only) en krijgt u een melding. Mits er nog genoeg geheugen is om de benodigde pagina’s te verwerken, is het altijd mogelijk een bestand in de leesmodus te openen, omdat dan geen tijdelijk bestand nodig is om veranderingen in aan te brengen.

2. Blokbewerkingen:

Blokbewerkingen veroorzaken bij het werken met grotere hoeveelheden gegevens een vertraging van de tekstverwerker. Dat betekent, dat u, afhankelijk van de hoeveelheid te verwerken gegevens, enige tijd moet wachten, tot een blok is gekopieerd, geknipt of ingevoegd. In langere regels kan de navigatie in de tekstverwerker trager worden. Dit komt omdat de omzetting van tabs in spaties plaatsvindt, terwijl u zich in een zin bevindt. Dit biedt u het voordeel, dat het originele format van het bestand behouden blijft.

5.2.24Tekst afdrukken


De tekstverwerker biedt u verschillende opties voor het afdrukken van tekst. U kunt de gehele tekst of een geselecteerd bereik afdrukken. Verder staan u de volgende afdrukmodi ter beschikking:

Deze kunnen overigens alleen dan correct werken, wanneer uw printer ook het afdrukken van zeer kleine tekstfragmenten (bijvoorbeeld direct afdrukken van enkele tekens) ondersteunt. De meeste printers beginnen met afdrukken, wanneer na een bepaalde tijd geen verdere data meer zijn ontvangen.

Stel, indien u een printer gebruikt die dubbelzijdig kan afdrukken, uw printer in op enkelzijdig afdrukken. In de dubbelzijdige modus drukt een printer eerst dan af, wanneer hij genoeg data ontvangen heeft, om de voor en achterkant van een blad te kunnen bedrukken. In de enkelzijdige modus wordt direct afgedrukt, zodat u de uitkomst direct kunt controleren.

Als er een afdrukmodus actief is, moet deze voor de activering van een andere eerst worden gedeactiveerd. Afhankelijk van de actieve afdrukmodus worden bepaalde functies van de tekstverwerker geblokkeerd, als hun gebruik in combinatie met de actieve afdrukmodus niet zinvol is. Afdrukmodi kunnen alleen geactiveerd worden, als de tekstverwerker in de tekstinvoermodus staat. Omgekeerd geldt, dat de tekstverwerker geblokkeerd is, zolang hij tekst naar de printer stuurt. De statusweergave van de tekstverwerker [SPC + 2 3 4 7] of {Ctrl+S} geeft informatie over actieve afdrukmodi. In de volgende hoofdstukken vindt u een beschrijving van de afzonderlijke afdrukmodi.

Vergewis u er alstublieft voor u tekst afdrukt van, dat de printerinstellingen in het optiemenu overeenstemmen met die van de aangesloten printer.


5.2.24.1Gehele tekst of een geselecteerd blok afdrukken (SPC + 1 2 3 4 7 8 of braille P + punt 8)


Met [SPC + 1 2 3 4 7 8] of (brailletoetsencombinatie P + punt 8) wordt de gehele tekst of een geselecteerd fragment afgedrukt. De gehele tekst wordt afgedrukt, als er geen tekstfragment is geselecteerd. Als u alleen een tekstfragment wilt afdrukken, dan zet u met de [CR]-toets de cursor aan het begin van het gewenste tekstgedeelte. Opnieuw op deze [CR]-toets drukken activeert de blokselectiefunctie. Beweeg met de leestoets [TB] of [TO] door de tekst tot u het einde van de het gewenste tekstfragment heeft bereikt. Druk dan de [CR]-toets aan het einde van het tekstblok in. Het tekstblok is nu geselecteerd, wat door punt 7 en 8 wordt weergegeven. Als u nu het afdrukken start, wordt slechts één exemplaar afgedrukt.

Zolang deze modus actief is, kan de tekstverwerker niet worden gebruikt. Pas na het afbreken van het afdrukken of wanneer de tekst geheel geprint is, staat de tekstverwerker u wederom ter beschikking.


5.2.24.2Afdrukken van weergave op brailleleesregel (SPC + 4 5 6 7 8 of Ctrl+L)


[SPC + 4 5 6 7 8] of {Ctrl+L} drukt de actuele brailleweergave van de brailleleesregel af. Als de af te drukken regel langer is dan het afdrukbereik, worden automatisch meerdere regels afgedrukt. U moet de laatste bladzijde wel manueel uit de printer halen.

5.2.24.3Regels afdrukken modus (SPC + 1 2 3 7 8 of braille L + punt 8)


Deze modus is actief, zo gauw u [SPC + 1 2 3 7 8]of (brailletoetsencombinatie L + punt 8) indrukt. U kunt nu zoals gewoonlijk tekst invoeren. Zodra u [TRM] of Enter indrukt, wordt de tot op dat moment ingevoerde tekst afgedrukt. Om de regels afdrukken modus weer te deactiveren, drukt u opnieuw op [SPC + 1 2 3 7 8]of (brailletoetsencombinatie L + punt 8)
Met bewegingen van de schrijfmarkering in de tekst wordt geen rekening gehouden. Alleen de daadwerkelijk ingevoerde tekst wordt afgedrukt. Omdat er geen regel- en paginaberekening wordt uitgevoerd, moet de laatst afgedrukte bladzijde manueel uit de printer worden gehaald.

5.2.24.4Schrijfmachinemodus (SPC + 2 3 4 5 7 8of braille T + punt 8)


De schrijfmachinemodus activeert u door te drukken op [SPC + 2 3 4 5 7 8] of (brailletoetsencombinatie T + punt 8). Daarbij wordt ieder ingevoerd teken direct naar de printer gestuurd. Om de schrijfmachinemodus weer te deactiveren, drukt u opnieuw op [SPC + 2 3 4 5 7 8] of (brailletoetsencombinatie T + punt 8).
Deze modus kan alleen dan correct werken, wanneer de door u aangesloten printer ook het afdrukken van kleine tekstpassages (in dit geval enkele tekens) ondersteunt. In de schrijfmachinemodus kan geen formattering en geen automatische paginawisseling plaatsvinden, omdat de ingevoerde tekens zonder berekening van regel- en paginapositie direct naar de printer worden gestuurd. Om deze reden moet de laatst afgedrukte bladzijde manueel uit de printer worden gehaald.
De volgende tekstverwerkerfuncties zijn in de schrijfmachinemodus niet beschikbaar:

  • Alle andere afdrukmodi

  • Pijltje naar links

  • Pijltje naar rechts

  • Sprong naar het begin van het bestand

  • Sprong naar het eind van het bestand

  • Pijltje omhoog

  • Pijltje omlaag

  • Sprong naar het begin van de regel

  • Sprong naar het eind van de regel

  • Vorige woord

  • Volgende woord

  • Vorige zin

  • Volgende zin

  • Automatisch lezen

  • Overschrijfmodus

  • Teken wissen

  • Backspace

  • Selecteren van blokken

  • Markering en cursor wisselen

  • Naar de markering springen

  • Blok knippen

  • Blok kopiëren

  • Blok plakken

  • Blok wissen

  • Voor- en achterwaarts zoeken in de tekst

  • Tekst vervangen

  • Hexadecimale weergave

  • Instellingenmenu van de tekstverwerker

  • Oproepen van de PC-modus

  • Cursorroutingtoetsen


1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   24


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina