Buoyancy’ als nautische metafoor voor morele veerkracht? Hans Ligtenbarg en Desiree Verweij Inleiding



Dovnload 76.48 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte76.48 Kb.

versie 6 oktober 2010

Buoyancy’ als nautische metafoor voor morele veerkracht?

Hans Ligtenbarg en Desiree Verweij



Inleiding
In ‘Denken in Dialoog: Ethiek en de Militaire Praktijk’ (Verweij 2009) wordt gesteld dat een militair in staat moet zijn moreel verantwoord en dus moreel professioneel op te treden. Dit betekent allereerst dat de persoon in kwestie moreel bewustzijn en oordeelsvermogen heeft en bereid en in staat is op een verantwoorde manier op te treden en over dit optreden verantwoording af te leggen. Het betekent tevens dat hij of zij in moreel opzicht de nodige veerkracht of resilience heeft ontwikkeld om een ingrijpend (tragisch) moreel dilemma, of een ingrijpende moreel/ethische kwestie, ook daadwerkelijk als een ingrijpende gebeurtenis te ervaren. Daarbij is hij of zij tevens in staat de gevoelens van pijn en wellicht ook van schuld, die vaak met ingrijpende ervaringen gepaard gaan, een plaats te geven in zijn/haar leven zonder hiervan blijvende psychische schade te ondervinden. Deze omschrijving geeft aan dat militairen en daarbij gaat het niet alleen om leiders, naast over morele professionaliteit, ook over de nodige ‘veerkracht’ of ‘resilience’ moeten beschikken om na afloop van een confrontatie met een ingrijpend moreel dilemma, geen blijvende psychische schade te ondervinden. Moreel professioneel optreden betekent dus niet dat de persoon die dit gedrag vertoont gevrijwaard is van psychische problemen. Of, anders geformuleerd, de confrontatie met tragische morele dilemma’s kan weldegelijk leiden tot psychische problemen ook al wordt er op een moreel verantwoorde wijze gehandeld. Betekent dit dan dat het antwoord op de vraag naar het voorkomen van geestelijke problemen gezocht moet worden in het voorkomen van emotionele betrokkenheid? Als de tragische morele dimensie van een situatie niet als zodanig wordt ervaren is er immers ook geen sprake van emotionele betrokkenheid en vervolgens ook niet van psychisch leed. Maar is dit daadwerkelijk een oplossing en wat zijn de consequenties hiervan? Om een antwoord te kunnen formuleren op deze vragen wordt in de hiernavolgende paragrafen allereerst het begrip morele competentie nader uitgewerkt. Daarna zal aandacht besteedt worden aan de tragische morele dilemma’s die de huidige militaire praktijk kenmerken en de eigenschappen die militairen nodig hebben in confrontatie met deze tragische morele dilemma’s, met name de morele veerkracht of resilience. Hierbij wordt tevens de vraag gesteld wat dit concreet inhoudt en wordt in het beantwoorden van deze vraag het begrip ‘buoyancy’ geïntroduceerd. Vervolgens zal al de vraag aan de orde komen of en hoe de genoemde eigenschappen gerealiseerd kunnen worden.

Morele competentie
Rest (1986) beschrijft in zijn Four Component Model de vier basale psychologische processen die zich voordoen bij mensen wanneer zij ethisch verantwoord gedrag vertonen. De veerkracht of resilience bij militairen waar Verweij over spreekt wordt niet beschreven in het Four Component Model van Rest, hoewel de vierde component (volharding, doorzettingsvermogen) wel met resilience in verband gebracht kan worden. Van Iersel (2002, p.262) distilleert vier kerncompetenties uit het Four Component Model wanneer hij de morele vorming van militairen beschrijft. De vier kerncompetenties die Van Iersel (2002) noemt zijn:

(a) ‘de competentie om een moreel dilemma waar te nemen (awareness);

(b) de competentie om de ethische component in oordeelsvorming te hanteren (judgement), wat waardenontwikkeling vereist;

(c) de competentie om de verantwoordelijkheid voor een handelingsgerichte beslissing te nemen (choice);

(d) de competentie in communicatieve zin voor beslissingen voorafgaand aan een operatie, in een operatie, en na een operatie verantwoording af te leggen (accountability). Daarbij gaat het niet alleen om het inhoudelijke niveau, maar ook – waar mogelijk – om het betrekkingsniveau.’

De laatste competentie accountability die Van Iersel (2002) noemt in de morele vorming van militairen is niet terug te vinden in het Four Component Model. Omgekeerd is de vierde component van Rest niet aanwezig in de kerncompetenties van van Iersel. Toch lijkt het hier te gaan om een belangrijke component. Rest (1986, p.3) geeft in zijn uitleg van Component Four aan dat het hier om een basaal psychologisch proces gaat, waarbij een persoon moet beschikken over ‘sufficient perseverance, ego strength, and implementation skills to be able to follow through on his/her intention to behave morally, to withstand fatigue and flagging will, and to overcome obstacles’. Omdat veerkracht of resilience vooral aan de orde is in de militaire praktijk en vergelijkbare praktijken waar sprake is van het uitoefenen van legitiem geweld, voegt Verweij (2009) in wezen een begrip toe aan de vier kerncompetenties die Van Iersel op basis van het Four Component Model noemt.



De vraag kan gesteld worden of het concept veerkracht of resilience, wel een kerncompetentie genoemd moet worden. Is veerkracht of resilience niet meer dan slechts een competentie c.q. vaardigheid? Gaat het niet eerder om een deugd in de oorspronkelijke Aristotelische betekenis waarin het zoeken naar het juiste midden, de juiste balans het belangrijkste is. Foot (1978) karakteriseert deugden op de volgende wijze: (a) deugden zijn goede eigenschappen die mensen nodig hebben voor zowel hun eigen bestwil als dat van anderen; (b) inherent is er bij deugden onder alle omstandigheden de wil voor het goede te kiezen en daarmee is het onderscheid met vaardigheden gemaakt en (c) deugden zijn corrigerend in de zin dat zij betrekking hebben op verleidingen die in het algemeen moeilijk te weerstaan worden gevonden door mensen. Met deze omschrijving van deugden wordt recht gedaan aan het concept veerkracht of resilience, zoals Verweij dat heeft geïntroduceerd. Met name het feit dat in deze omschrijving sprake is van onder alle omstandigheden de wil hebben het goede te kiezen, in dit verband de wil van de militair na afloop van een ingrijpende gebeurtenis geestelijk gezond te blijven, overtuigt dat er sprake is van een deugd bij het door Verweij (2009) geïntroduceerde concept. Deze deugd wordt toegevoegd aan de vier kerncompetenties in de morele vorming van militairen die Van Iersel (2002) noemt. Van Baarda en Verweij (2009) geven aan dat morele competentie bij militairen ontwikkeld kan worden wanneer er naast morele vorming ook een geplande voorbereiding is voor toekomstige uitzendingen met aandacht voor morele vragen en dilemma’s die waarschijnlijk te verwachten zijn. Iedere militaire leidinggevende maakt deel uit van een bevelsstructuur binnen de krijgsmacht en is daarmee impliciet ook een volger. Het laagste militaire hiërarchieke niveau, de manschappen, het niveau van de soldaat, bestaat echter uitsluitend uit volgers en zij zullen opdrachten uitvoeren. Zij geven geen leiding. Dit betekent echter allerminst dat er bij hen geen gevoelens van pijn en schuld aanwezig kunnen zijn. Ook zij worden geconfronteerd met tragische morele dilemma’s of ingrijpende moreel/ethische kwesties. Wanneer de soldaat uitvoering moet geven aan een militaire opdracht, kan hij of zij geconfronteerd worden met de gevolgen daarvan. De aard van de dilemma’s zal voor de soldaat vaak een andere zijn die van de militaire leidinggevende. De leidinggevende is immers degene die de opdrachten aan zijn of haar volgers geeft en daarmee een extra verantwoordelijkheid voor hen heeft. Met een militaire leidinggevende worden in dit verband niet uitsluitend officieren bedoeld, maar juist ook onderofficieren, beide categorieën kunnen voor een deel met dezelfde morele kwesties of tragische morele dilemma’s te maken krijgen, maar er kunnen zich ook grote verschillen voordoen in de aard van de kwesties of dilemma’s. Een sergeant met zijn peloton op een operationele patrouille kan andere morele kwesties of dilemma’s verwachten, dan de commandant van de taskforce waaronder hij ressorteert.

Wat is een tragisch moreel dilemma?
Een tragisch moreel dilemma is één van de drie verschijningsvormen van dilemma’s, in dit geval een ‘fout-fout’ dilemma waarbij het vaak gaat om een gedwongen keuze tussen twee opties, die beide negatieve en ingrijpende gevolgen hebben, zowel voor de persoon in kwestie als ook voor de andere betrokkenen (Verweij, 2005). De confrontatie met tragische morele dilemma’s heeft verstrekkende consequenties. Het is geen sinecure om een moreel verantwoorde keuze te moeten maken tussen twee mogelijkheden die beide negatieve consequenties hebben, of waarbij in beide gevallen ‘vuile handen’ gemaakt moeten worden. Morele dilemma’s in de militaire context zijn bovendien vaak ingrijpend, omdat zij vooral betrekking hebben op de uitoefening van geweld waarbij niet zelden het morele dilemma de keuze tussen leven of dood of verwonding inhoudt. Coleman (2005, p. 113) voegt daar nog aan toe dat ‘in many ethical dilemmas the person involved may never really know if what decision they made was the right one, and may always wonder if things would have been better if they had chosen differently’.

Wanneer is er sprake van een tragisch moreel dillemma in de militaire praktijk? Hieronder volgen een drietal gevalsbeschrijvingen van keuzes met betrekking tot ethische kwesties die individuele militairen onder operationele omstandigheden hebben gemaakt. Soortgelijke keuzen kunnen zich ook nu op ieder moment in de militaire praktijk voordoen. De centrale vraag die iedere keer in de drie gevalsbeschrijvingen naar voren komt is, of hier daadwerkelijk sprake is van een moreel dilemma, wat dit inhoudt en hoe dit zich verhoudt tot de hierboven geformuleerde deugd.

‘Operation Redwing’

De auteur Lucas (2009), een Amerikaanse hoogleraar Filosofie met nauwe banden met de US Navy schrijft over een tragisch moreel dilemma waarmee vier Navy SEALS zich in Afghanistan geconfronteerd zagen: ‘Four members of SEAL Team 10 were inserted in the Hindu Kush mountains of Afghanistan’s Kunar province on the night of 27 June 2005. The mission of these Special Forces personnel was to reconnoitre and get ‘eyes on’ Ahmad Shah, a close associate of Osama bin Laden, whose attacks had been taking a heavy toll on Marines operating in eastern Afghanistan. After setting up their observation post on a mountainside, overlooking a village near the Pakistani border in which this key Taliban leader was believed to be encamped with a small army, the four-man team was approached at midday by two Afghan men and a 14-year old boy, herding their flock of goats. The SEALS debated over whether to kill the men to protect their cover, try to hold them prisoner, or simply turn them loose and abandon the mission. After arguing among themselves, the four SEALS decided to let the Afghans go, and attempt to re-position.


A little later, however, nearly one hundred Taliban fighters materialized, coming across the same ridge over which the goatherds themselves had fled. The SEAL team fought for several hours, killing an estimated 35 of the enemy, but eventually they were overwhelmed. Their commanding officer, Navy Lieutenant Michael Murphy, was shot and killed as he called for backup. Two of the three enlisted members of the team were also killed in the relentless gunfire. Petty Officer Marcus Luttrell, the lone survivor was badly wounded and escaped by jumping down steep cliffs, falling hundreds of feet at a time. He was found and rescued by local Pashtun tribesmen, who, for several days, extended him extraordinary hospitality and protection. When finally located and rescued by Army Rangers, Luttrell learned that Lieutenant Murphy’s original call for assistance had resulted in an even greater tragedy. A MH-47 Chinook, with seven Army Rangers and 7 Navy SEALS aboard, had volunteered to rescue their comrades, but a Taliban rocket-propelled grenade (RPG) hit the rescue helicopter as it was landing, killing the two pilots and all 14 Special Forces volunteers on board, the worst single incident of battlefield fatalities sustained by US forces in the Afghan conflict to date.’

De vier Navy SEALS hebben laten zien dat zij het tragisch moreel dilemma waar zij zich mee geconfronteerd zagen na de ontdekking door de drie geitenhoeders, hebben herkend. Na een stemming besloten zij het leven van de twee Afghaanse mannen en de jongen te sparen en daarmee bewust het risico te nemen dat hun positie zou worden verraden en vervolgens zou leiden tot een gewapende confrontatie met de Taliban. Volgens Blumenfeld (2007) ging de stemming niet geheel zonder slag of stoot, één van hen onthield zich van stemming, een ander wilde de drie geitenhoeders doden en een derde wilde hun leven sparen. De stem van de vierde SEAL, Petty Officer Marcus Luttrell, die later de enige overlevende bleek, moest uiteindelijk de doorslag geven. Het sparen van de levens van de drie Afghanen werd deels ingegeven door mededogen, maar ook door de vrees voor een gevangenisstraf die mogelijk zou volgen wanneer bekend zou worden dat zij de rules of engagement hadden genegeerd. De doorslaggevende reden voor Petty Officer Marcus Luttrell was echter het feit dat hij zichzelf niet als een moordenaar zag. Om het onmiddellijke gevaar af te wenden dat hun positie zou worden verraden, besloten de vier SEALS dat zij een andere plek zouden zoeken van waaruit zij hun taken konden uitvoeren. Voordat zij uitvoering konden geven aan dit besluit werden zij echter al geconfronteerd met een overmacht aan Taliban strijders en raakten zij verstrikt in een gewapend gevecht en daarmee werden zij geconfronteerd met de andere kant van het tragische morele dilemma. De keuze het leven te sparen van de drie geitenhoeders kostte drie van de SEALS het leven en deed hun missie falen. Wat zij echter nooit vooraf hebben kunnen bevroeden, was dat de reddingsoperatie die was opgezet om hen te ontzetten van de overmacht aan Taliban, zou resulteren in de dood van hun veertien redders en de twee vliegers van de Chinook helicopter. Het vergaat Marcus Luttrell naar eigen zeggen goed (Naylor, 2007), na aanvankelijk ’s nachts te zijn geconfronteerd met nachtmerries waarin hij de doodskreten van zijn commandant herbeleefde. Kennelijk is hij in staat geweest de gevoelens van pijn en wellicht ook van schuld een plaats te geven, zonder daar blijvende psychische schade van te ondervinden. Marcus Luttrell lijkt daarmee te laten zien over het vermogen te beschikken geestelijk overeind te kunnen blijven, ondanks de ingrijpende gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan rondom de operatie.

Sergeant Robbert Sarra

Sherman (2010) beschrijft het verhaal van de ex-Marine sergeant Sarra die de publiciteit in de VS heeft gezocht, omdat hij volgens zeggen op 26 maart 2003 een onschuldige Irakese vrouw heeft gedood. Sarra bevond zich in een konvooi van voertuigen – de oorlog is dan pas zes dagen aan de gang - toen een Irakese vrouw het konvooi naderde. Deze vrouw was gekleed in het zwart en droeg een tas onder haar arm. Onder de mariniers deden allerlei verhalen de ronde over de vijand die zich als burger vermomt en dan vervolgens toeslaat als ‘suicide bomber’. De mariniers schreeuwden in het Arabisch en gebaarden naar de vrouw dat zij moest stoppen. De vrouw reageerde niet en bij Sarra speelden de volgende gedachten door het hoofd (Sherman, 2010, p.109): ‘One of two things is going to happen....Either she’s going to stop or we’d better drop her or [else] she’s going to blow up and kill a bunch of guys.... So she’s walking. She’s walking. She’s walking. I perceived her as a threat. You know what, I’ve got a shot. Two shots. The first one I think I missed her. Second one, I saw her buck. And then the Marines from the other amtrack opened up on her. And I was the only guy in my platoon to fire. And she hit the ground and when she hit the ground, there was a white flag in her hand, a piece of white flag in her hand. And I was like, “Oh my God.”’. Een officieel onderzoek na dit incident wees uit dat de Irakese vrouw waarschijnlijk gedood is door het vuur van het peloton in het andere voertuig. Voor Sarra deed de conclusie van het onderzoek er niet toe, hij beschouwde zichzelf als moreel verantwoordelijk en schuldig aan de dood van de vrouw. Deze gebeurtenis greep hem zo aan, dat hij ondanks verlof en counselling niet langer in staat was zijn beroep uit te oefenen. Eind 2003 (Giffey, 2004) ging Sarra met eervol ontslag en beëindigde hij zijn militaire loopbaan.


Sarra is nadat hij het Marine Corps heeft verlaten, medeoprichter van de ‘Iraq Veterans against the War’ geworden en zoekt voortdurend de publiciteit om zich uit te spreken tegen de Amerikaanse aanwezigheid in Irak. Of hij blijvende psychische schade heeft ondervonden van het tragisch moreel dilemma waarvoor hij zich geconfronteerd zag is niet duidelijk. Daarmee is het ook niet duidelijk of Sarra over het vermogen beschikt na afloop van een ingrijpende gebeurtenis geestelijk gezond te blijven. Duidelijk is wel dat hij de keuze wel of niet op de naderende Irakese vrouw te schieten als tragisch moreel dilemma heeft herkend. Sarra had de keus niets doen en dan wellicht een aantal dode Amerikaanse militairen als gevolg, of de vrouw neerschieten. De oorlog die nog maar zes dagen aan de gang was, bleek zeer verwarrend, leden van de burgerbevolking hadden zich tegen de mariniers gekeerd en er bestond een wijd verbreide vrees onder hen voor ‘suicide bombers’. Is Sarra moreel competent? Hij baseert zijn keuze op een verkeerde veronderstelling, maar daar staat tegenover dat hij wel het morele dilemma herkent waar hij voor staat. Hij neemt de verantwoordelijkheid voor zijn beslissing te schieten en is bereid verantwoording af te leggen voor zijn daad.

Generaal-Majoor Roméo Dallaire

Een bekend voorbeeld van een militair die bij voortduring werd geconfronteerd met tragische morele dilemma’s en daar de negatieve consequenties van heeft ondervonden, is de Canadese generaal-majoor Roméo Dallaire, in 1994 tijdens de Rwandese burgeroorlog de commandant van de United Nations Assistance Mission for Rwanda (UNAMIR). Terwijl hij daar aanwezig was met zijn ongeveer vijfentwintighonderd blauwhelmen, werden in minder dan honderd dagen tijd achthonderdduizend Rwandezen vermoord door het Hutu-regime en raakten miljoenen mensen ontheemd of gewond (Dallaire, 2003). Begin 1994 zond hij een telegram naar de VN in New York, waarin hij aangaf dat hij van een informant met de schuilnaam ‘Jean-Pierre’ had vernomen dat het Hutu-regime een massamoord voorbereidde op de Tutsi-minderheid. ‘Jean-Pierre’ had Dallaire verteld over geheime wapenopslagplaatsen, die hij later ook met eigen ogen had gezien. In het antwoord op het telegram van Dallaire verbood de VN hem uitdrukkelijk actie te nemen. Enkele maanden later vond de massamoord plaats van vooral Tutsi’s, maar ook van gematigde Hutu’s. Tegelijkertijd rukte het Tutsi leger onder leiding van Paul Kagame vanuit Oeganda op.

Nadat er tien Belgische blauwhelmen door Hutu-extremisten waren vermoord, besloot de Belgische regering om hals over kop het Belgische bataljon terug te trekken uit de missie en het land te verlaten. Dallaire bleef achter met een sterk gedecimeerde troepenmacht van blauwhelmen in een land waar onvoorstelbare aantallen mensen op gruwelijke wijze systematisch werden vermoord.

Het steeds weer terugkerende tragische morele dilemma bestond er voor Dallaire uit dat hij een keuze moest maken tussen enerzijds het uitvoeren van zijn opdracht, wat onder andere de bescherming van zijn – te weinig en te licht bewapende troepen - inhield en anderzijds het beschermen van ongewapende burgers die letterlijk afgeslacht werden. De generaal heeft het daar tot op de dag van vandaag moeilijk mee. Hij beschrijft dat hij depressief is geweest, zelfmoordpogingen heeft gedaan en na de diagnose ‘post traumatisch stress syndroom’ op medische gronden werd ontslagen uit het Canadese leger (Dallaire, 2003). Op 18 april 2006 heeft Dallaire bij een lezing op de Koninklijke Militaire Academie op uitnodiging van de Koninklijke Vereniging ter Beoefening van de Krijgswetenschap, daar nog aan toegevoegd dat het psychische leed destijds zo groot was, dat hij als gevolg daarvan voor enige tijd een zwervend bestaan heeft geleid. Aan dit zwervende bestaan kwam pas een einde toen hij door hulpverleners uit een park was opgehaald en de weg naar psychisch herstel ingeslagen kon worden. Hoewel de episode in Rwanda hem naar eigen zeggen nooit zal loslaten is Dallaire in staat gebleken zijn psychisch leed zodanig te verwerken dat hij weer op normale wijze in de samenleving kan functioneren, ondanks de heftige gebeurtenissen, de tragische morele dilemma’s en de gevoelens van schuld.

Dallaire beschikt over de vier kerncompetenties die Van Iersel (2002) op het gebied van morele vorming bij militairen onderscheidt. Er is duidelijk sprake van awareness: Dallaire was op de hoogte van de aanwezigheid van de wapenopslagplaatsen. Daarnaast was hij op de hoogte van de intentie van Hutu extremisten de Tutsi minderheid in Rwanda uit te roeien. Ook zijn verzoek deze wapenopslagplaatsen op te mogen rollen getuigt van moreel bewustzijn en oordeelsvermogen (judgement). De Verenigde Naties in New York verboden hem echter uitdrukkelijk actie te ondernemen. Herhaaldelijk aandringen van zijn kant heeft daar geen verandering in gebracht. Dallaire zag zich daarmee concreet geplaatst voor een tragisch moreel dilemma. Moest hij als opperbevelhebber met een mandaat van de Verenigde Naties het bevel geen actie te nemen negeren? Een generaal-majoor die een bevel namens de internationale gemeenschap naast zich neerlegt? Tegelijkertijd was hij er zich terdege van bewust welke consequenties het gebruik van de grote hoeveelheden wapens voor de burgerbevolking kon hebben. Dallaire koos er voor het bevel van de Verenigde Naties niet naast zich neer te leggen en was zich bewust van de mogelijke consequenties van die keuze. Dallaire neemt de volle verantwoordelijkheid voor het opvolgen van het bevel van de Verenigde Naties (choice), wel vraagt hij zich tot op heden openlijk (accountability) af of hij niet nog andere wegen had moeten bewandelen om de internationale gemeenschap ervan te overtuigen, dat Rwanda aan de vooravond stond van een genocide. Dallaire laat zien dat de ingrijpende gebeurtenissen in Rwanda hem niet onbewogen laten en daarbij is hij in staat de gevoelens van pijn en schuld een plaats te geven zonder hier blijvende psychische schade van te ondervinden. Hij geeft aan dat dit zonder de hulp van familie, vrienden en professionele hulpverleners wellicht nog veel moeilijker zou zijn geweest. Dallaire laat hiermee zien ook over de deugd veerkracht of resilience te beschikken.


De voorafgaande gevalsbeschrijvingen laten zien dat militairen onder operationele omstandigheden tragische keuzen moeten maken. De militairen in de gevalsbeschrijvingen moeten verder leven met de eveneens tragische consequenties van de keuzen die zij destijds hebben moeten maken. De gevalsbeschrijvingen laten ook duidelijk zien dat morele professionaliteit niet inhoudt dat er geen psychische problemen ontstaan. het kunnen aanwenden van de beoogde veerkracht of resilience lijkt daarom noodzakelijk te zijn.

Wat houdt die beoogde veerkracht concreet in?
Tot zover is voor de term veerkracht of resilience gebruikt. Wat betekent dit? Luthar en Cicchetti (2000, p. 858) omschrijven het begrip resilience als ‘a dynamic process wherin individuals display positive adaptation despite experiences of significant adversity or trauma’. Daar voegen zij nog aan toe: ‘This term does not represent a personality trait or an attribute of the individual’. Bij de beoogde veerkracht die in de voorgaande paragrafen is besproken gaat het juist om de individuele eigenschap van militairen dat zij na afloop van een confrontatie met een ingrijpend moreel dilemma, daarvan geen blijvende psychische schade ondervinden. Dat maakt de term resilience niet geschikt de beoogde veerkracht uit te drukken. Om het onderscheid te maken met de psychopathologie waarin het volgens Luthar en Cicchetti (2000) typisch gaat om onderzoek naar kwetsbaarheid, beschermende factoren en het ombuigen van tegenslagen in het leven, zou kunnen worden gekozen voor de toevoeging ‘moral’ aan ‘resilience’.
De vraag is nu of moral resilience een betere omschrijving is van hetgeen wordt bedoeld met ‘veerkracht’ als onderdeel van morele professionaliteit? Oser en Reichenbach (2005, p. 204) omschrijven moral resilience als ‘(a) the resistance against obtaining or accepting a good when there is indication that the procurement of that good is connected to something negative, (b) the resistance against public pressure even when acting in favour of weak or persecuted people, leading probably to the consequence that the action may damage the moral subject, and (c) not bearing witness against others when this testimony only yields an advantage to the person in possession of relevant evidence in a case, but not for the person whose destiny is at stake’. Wanneer de beide auteurs (Oser & Reichenbach, 2005) het begrip moral resilience verder verduidelijken geven zij aan dat het gaat om het bieden van weerstand tegen morele druk uit de beroepsgroep en van externe partijen en het bieden van weerstand tegen het verlangen om hoe dan ook succesvol te zijn. In deze beschrijving lijkt integriteit een grote rol te spelen en niet zozeer (morele) veerkracht.

In het artikel The ‘Unhappy Moralist’ Effect: Emotional Conflicts between Being Good and Being Successful van Oser, Schmid en Hattersley (2006) wordt moral resilience eveneens gekoppeld aan morele dilemma’s die op het gebied van integer handelen liggen. Integriteit maakt vanzelfsprekend deel uit van het moreel professioneel handelen van een militair en is onafhankelijk van de omstandigheden waarin hij of zij zich bevindt. Bij integriteit gaat het immers ook om waarden die al of niet met voeten worden getreden. Coleman (2009) pleit ervoor onderscheid te maken tussen integriteitvraagstukken en morele dilemma’s, dat maakt het eenvoudiger problemen die een ethische component bevatten te behandelen. Door een probleem op het gebied van integer handelen apart te beschouwen wordt meteen duidelijk wat goed of fout is. Voor morele dilemma’s is het niet zo eenvoudig om snel een oplossing te zien die goed of fout is, zeker niet wanneer er ook nog eens sprake is van tragische morele dilemma’s. De uitdrukking moral resilience omschrijft daarom niet de veerkracht of resilience zoals in de voorafgaande paragrafen is aangegeven.


Bartone (2006) spreekt over personality hardiness als mogelijke oplossing voor ‘resilience under military operational stress’. Personality hardiness is volgens de auteur (Bartone, 2006) een persoonseigenschap waardoor mensen levenslust ervaren, het gevoel hebben dat zij controle over hun leven hebben en open staan voor veranderingen en uitdagingen. Mensen die ‘hardy’ zijn, interpreteren stressvolle en pijnlijke ervaringen als normaal en behorend bij een interessant leven. Zij weten een positieve draai te geven aan stressvolle en pijnlijke ervaringen en in plaats van negatieve gevolgen daarvan te ondervinden er persoonlijk lering uit te trekken en te groeien. Hij (Bartone, 2006) ziet personality hardiness als een mogelijke oplossing voor het omgaan met een zestal stressoren die zich voordoen bij hedendaagse ernstoperaties. Aan de gevolgen van een confrontatie met (tragische) morele dilemma’s gaat hij echter geheel voorbij. Dat neemt niet weg dat volgens Bartone (2006) bij militairen personality hardiness de effecten van gevechtsstress verzachten. Maar personality hardiness omschrijft niet de veerkracht of resilience als onderdeel van morele professionaliteit, zoals die is toegevoegd als deugd aan de vier kerncompetenties die de basis vormen van de morele competentie van militairen.

Hoe kan veerkracht of resilience het best omschreven worden?
Kan er een goede omschrijving gegeven worden van veerkracht of resilience? Vaak kunnen bij dit soort vragen metaforen een uitkomst bieden. Wellicht kan de metafoor van een boei met haar drijfvermogen (buoyancy) een goed vertrekpunt voor de omschrijving bieden? Een eerste betekenis van het begrip buoyancy is drijfvermogen. Buoyancy is afgeleid van het Engelse zelfstandig naamwoord buoy. Een boei maakt vaak deel uit van de betonning die een veilige vaarweg markeert en dient ter oriëntering. De boei leidt de scheepvaart altijd en onder alle omstandigheden door veilige vaarwateren naar haar bestemming. De omstandigheden waaronder de boei haar taak verricht kunnen sterk variëren, licht en donker, warmte en koude en een kalme zee of zeegang. De boei is een stalen drijflichaam, dat kan variëren in grootte, maar altijd zichtbaar is en met een ketting verankerd is aan de bodem. Zeegang en stroom zorgen er voor dat de boei voortdurend binnen het zwaaibereik van de ankerketting beweegt. Diezelfde zeegang en stroom kunnen er zelfs voor zorgen dat de boei soms onder water wordt getrokken, maar door het drijfvermogen waarover de boei beschikt komt zij altijd weer boven. Dat drijfvermogen wordt weergegeven door de toenemende stijgende kracht die op de boei wordt uitgeoefend, naarmate zij verder onder water wordt getrokken. Af en toe wordt een boei gelicht voor onderhoud, soms is dat ter plekke maar het kan ook noodzakelijk zijn wanneer grotere gebreken worden geconstateerd, dat zij wordt meegenomen naar de wal en daar een totale onderhoudsbeurt krijgt.

De boei met haar drijfvermogen symboliseert de militair. Zoals de betonning veiligheid voor de scheepvaart biedt, is de inzet van militairen ook bedoeld voor het bieden van veiligheid aan anderen. Boeien ondersteunen zeelieden met hun navigatie en bieden veiligheid onder lastige en vaak ook voor schip en bemanning gevaarlijke omstandigheden. Boeien leiden de zeelieden en laten geen misverstand over de juiste koers bestaan. Gouvermentele, non-gouvermentele organisaties en lokale bevolking worden tijdens missies door militairen gesteund; hen wordt veiligheid geboden en daaraan ligt een plan ten grondslag, gericht op de ‘end-state’, waarin de juiste koers wordt aangegeven. De partijen in het conflictgebied zijn als het ware afhankelijk van de veilige weg die militairen proberen te bewerkstelligen. De boei mag nooit zijn plicht verzaken en datzelfde geldt voor een militair, beide dienen er onder alle omstandigheden te zijn. De militair heeft zoals de boei dat ook heeft met sterk wisselende omstandigheden te maken. Een boei kan regelmatig onder water worden gesleurd, maar zal door haar drijfvermogen altijd weer boven water komen. De militair kan zich ook in rustig vaarwater bevinden, maar ook onder extreme druk komen te staan, waardoor hij wordt meegesleurd door de gebeurtenissen. Soms zijn die gebeurtenissen zo overweldigend dat de militair er kopje onder van gaat en zijn of haar drijfvermogen zorgt er dan voor dat hij of zij weer boven komt. Net zoals een boei zichtbaar moet zijn, wordt dit van militairen ook verwacht. Een verkenningston die de ingang van een veilig vaarweg markeert is groter dan de boeien die de eigenlijke vaarweg markeren. De omvang van een boei is voor een deel verantwoordelijk voor de zichtbaarheid ervan en zo is dit ook voor militairen; een hogere rang binnen de hiërarchie vergroot de zichtbaarheid. De boei krijgt onderhoud en wordt regelmatig gecontroleerd door een dienst betonning en vaarwegmarkering. Min of meer hetzelfde geldt voor een militair die wordt ondersteund door een netwerk van professionals binnen de defensieorganisatie. Zoals een boei verankerd is in de bodem, is een militair verankerd in waarden en principes. Hoe beter de verankering, hoe beter voorkomen kan worden dat de boei los slaat en afdrijft. De boei heeft een zwaaibereik waarbinnen zij als gevolg van wind en stroom beweegt, zo heeft de militair zijn of haar ethisch kader waarbinnen een rigide houding niet past. Dingen zijn immers zelden zwart of wit en dat vraagt om afwegen en tot een zekere grens meebewegen. Ook een militair kan zoals een boei voor onderhoud tijdelijk ‘gelicht’ worden, door even uit de actie te gaan en op verhaal te komen met R&R (rest and recuperation). Wanneer een boei door bijvoorbeeld een aanvaring lek gestoten is en haar werk niet meer kan verrichten, wordt zij vervangen en gaat zij mee naar de wal om daar opgelapt te worden. Voor een militair geldt ook dat deze voor langere tijd van zijn of haar taak kan worden ontheven en op een veilige plek hulp krijgt geboden, wanneer er sprake is van ernstige psychische klachten. Zowel voor een boei als de militair geldt dat er getracht wordt beide inzetbaar te houden.
Buoyancy of drijfvermogen lijkt met behulp van de metafoor van de boei een verduidelijking te kunnen geven van de veerkracht of resilience, die Verweij (2009) heeft beschreven. Zoals de boei door haar drijfvermogen altijd boven water komt, komt de militair die over buoyancy beschikt en die ten onder dreigt te gaan, of naar beneden wordt getrokken, in het ethische kader waarbinnen wordt gehandeld ook altijd weer boven. Een boei verliest haar drijfvermogen wanneer zij lek wordt gestoten, voor militairen geldt hetzelfde wanneer gebeurtenissen zo overweldigend zijn, dat ook zij het acute psychische leed niet te boven komen. Zoals een lekke boei voor langere duur naar een werkplaats op de wal gaat om gerepareerd te worden en haar drijfvermogen of buoyancy te laten herstellen, zo gebeurt dat ook met de militair.
Er is nog een betekenis van het woord ‘buoyancy’, dat in dit verband relevant is. Buoyancy wordt in de Longman Dictionary of Contemporary English ook omschreven als ‘a feeling of happiness and a belief that you can deal with problems easily’. Deze betekenis onderstreept nog eens het belang van het begrip ‘buoyancy’ in de militaire context. Buoyant is de moreel competente militair, die na afloop van een confrontatie met een tragisch moreel dilemma geen blijvend psychisch letsel overhoudt aan de gevolgen van deze confrontatie.

Wat is het belang van buoyancy voor militaire leiders?
Van den Berg en Verweij (2004) merken op dat de relatie tussen leidinggeven en ethiek duidelijk wordt gemaakt in de twee KL-uitgaven ‘Het domein van de onderofficier’ en ‘Het domein van de officier’. In het domein van de officier wordt deze laatste gezien als commandant, adviseur en coach. Voor de onderofficier geldt iets soortgelijks, deze wordt afhankelijk van het niveau waarop hij of zij acteert, gezien als adviseur van de commandant, coach, mentor en vooral ook als voorbeeld voor anderen. De militaire leider heeft daarmee een speciale verantwoordelijkheid, hij is het die het op een goede wijze omgaan met ethische vraagstukken moet uitdragen naar zijn ondergeschikten. Hanah, Lester en Vogelgesang (2005) spreken in dit verband over ethisch of moreel leiderschap, waarbij de leider zowel het eigen morele denken als dat van zijn volgers beïnvloedt. Zij spreken over moral leadership agency, dat zij als volgt definiëren (Hanah et al., 2005) ‘the exercise of control over a leader’s moral environment through the employment of forethought, internationalist, self-reactiveness, and self-reflectiveness to achieve positive moral effects through the leadership influence process’. Een goede en authentieke leider beschikt over een hoog ontwikkeld zelfconcept en daar maakt een hoge mate van morele competentie nadrukkelijk deel van uit. Hanah et al. (2005) stellen dat als gevolg van moral leadership agency de volgers uiteindelijk het morele gedachtegoed van de leider overnemen en internaliseren. Leiders zijn daarom niet alleen verantwoordelijk voor hun eigen morele competentie, maar ook voor de morele competentie van hun volgers. Een mooie illustratie wordt gegeven door Sherman (2010, p.71), het betreft een commandant in Irak die zijn troepen toespreekt en sterk benadrukt dat er respect voor de Irakese cultuur, religie en burgers dient te zijn. Bij- of scheldnamen voor Irakese inwoners zou hij niet toleren. Omdat militaire leiders speciale verantwoordelijkheid hebben voor de morele competentie van hun volgers, is het belang van een goed ontwikkelde deugd ‘buoyancy’ voor hen des te belangrijker. Meijer (2009) onderstreept dit door aan te geven dat problemen met de geestelijke gezondheid kunnen leiden tot weinig effectief omgaan met morele vraagstukken. Mensen met depressieve klachten blijken nauwelijks in staat te zijn, creatief of daadkrachtig om te gaan met het maken van moeilijke keuzen, die zij dan vaak eindeloos uitstellen. Bij een posttraumatische stressstoornis kan dit zelfs leiden tot een gebrek aan zelfbeheersing, die nodig is om op een goede wijze met een ethisch vraagstuk om te gaan.
Voor militaire leiders in de militaire context waarin zij geconfronteerd kunnen worden met tragische morele dilemma’s geldt uiteraard ook dat zij moreel competent moeten optreden en omdat het begrip buoyancy onlosmakelijk deel uitmaakt van morele competentie – er bestaat immers een wederkerigheid tussen de beide begrippen – zou al de aandacht naar het bereiken van die morele competentie moeten uitgaan. Een soort van gehardheid tegen of onverschilligheid voor de gevolgen van een morele kwestie of dilemma, waarbij de militaire leider is betrokken, wordt gezien als een tekortkoming. Er wordt immers een ethisch bewustzijn en zelfs een ethisch professionalisme van de militaire leider binnen de hedendaagse Nederlandse krijgsmacht verwacht. Een voormalige pelotonscommandant die desgevraagd aangaf, dat de hongerende kinderen in Haïti tijdens operatie ‘Support Democracy’ begin jaren negentig van de vorige eeuw hem niets deden, omdat hen als militairen uitdrukkelijk was verboden voedsel aan de hongerende bevolking te verstrekken - dat waren de voorschriften - lijkt met zijn gehardheid een moreel dilemma en de gevolgen daarvan te willen voorkomen. Zoals eerder aangegeven is het de vraag of dit de houding is die van een moreel professionele militair verwacht wordt. Kan een democratische samenleving, die haar geweldsmonopolie toevertrouwd aan haar krijsmacht en daarmee deze krijgsmacht uit haar naam geweld laat uitoefenen, de morele blindheid van de leden van deze krijgsmacht accepteren? De vraag kan niet anders dan ontkennend beantwoord worden. Dat neemt niet weg dat een moreel professionele militair in de bovengenoemde situatie ook na zorgvuldige afweging kan beslissen geen voedsel te verstrekken. Hij of zij zal dan echter op grond van de aanwezige morele professionaliteit en de competenties die daarbij horen, dit naar eer en geweten kunnen verantwoorden en eventueel de gevoelens van schuld een plaats kunnen gegeven, zonder daar psychisch letsel aan over te houden. Begrip voor zijn wijze van handelen zal groter zijn, dan voor de bovengenoemde pelotonscommandant.

Hoe kan buoyancy worden bereikt?
Zoals in de omschrijving van buoyancy is aangegeven is morele competentie nadrukkelijk opgenomen in het begrip. Meer verborgen in de omschrijving is de persoonlijkheid van de militair. Het moge duidelijk zijn dat de persoonlijkheid van de militair van grote invloed kan zijn bij de verwerking van de gevoelens van pijn en wellicht schuld na afloop van een confrontatie met een tragisch moreel dilemma. Er zijn echter nog meer factoren dan de persoonlijkheid die al of niet indirect van invloed zijn op buoyancy. Waar de persoonlijkheid van militairen in de praktijk niet of nauwelijks beïnvloedbaar is, geldt dat niet voor de situatie- en contextfactoren.
Onderwijs in morele competentie

De moreel competente militair kan na afloop van een tragisch moreel dilemma en de daarmee gepaard gaande gevoelens van pijn en schuld, met zichzelf in het reine komen wanneer hij of zij er van overtuigd is ook als moreel competente militair gehandeld te hebben. Olsthoorn (2009) merkt terecht op dat een militair met hoogstaande waarden en normen onder bepaalde omstandigheden tot de verschrikkelijkste dingen in staat kan zijn en dat kan precies aan de orde zijn bij een tragisch moreel dilemma. Het middel dat in vele landen wordt gebruikt om bij militairen morele competentie te bereiken is het ethiekonderwijs. Frappant is zoals Olsthoorn (2009) opmerkt dat de Britse militaire academie Sandhurst niet aan formeel ethiekonderwijs doet. De motivatie daarachter zou zijn dat er geen bewijs is dat Britse officieren in de militaire praktijk over een slechtere staat van dienst beschikken. Dat roept meteen de vraag op die Olsthoorn (2009) in zijn betoog opwerpt ‘doet het ethiekonderwijs daadwerkelijk wat het moet doen?’. Het antwoord daarop is allerminst duidelijk, verschillende auteurs in verschillende landen hebben daar uiteenlopende ideeën over. Een goed overzicht van deze ideeën, biedt het boek Ethics Education in the Military onder redactie van Robinson, de Lee en Carrick (2008). Een aantal landen zijn gezamenlijk van plan op korte termijn een internationaal vergelijkend survey onderzoek te beginnen naar wat werkt en niet werkt binnen het ethiekonderwijs. Om daar een goed antwoord op te krijgen zou eigenlijk naar het gedrag van uitgezonden militairen moeten worden gekeken en daarmee snijdt Olsthoorn (2009) meteen het grote probleem aan. Militairen die twijfelen aan de juistheid van hun gedrag zullen vermoedelijk niet willen meewerken aan dit onderzoek om de kans op juridische vervolging te voorkomen. Daarmee bestaat de kans dat de resultaten van een dergelijk onderzoek worden gekleurd.


Kennelijk is het niet zo eenvoudig om moreel competent te zijn of te worden. Volgens Olsthoorn (2009) begint in Nederland de jarenlange aandacht voor het onderwerp militaire ethiek zich nu uit te betalen. Hij maakt daar wel enkele aantekeningen bij. Zo wordt opgemerkt dat er een kloof bestaat tussen hen die het lang model officiersvorming bij de Nederlandse Defensie Academie (FMW/NLDA) volgen en alle andere militairen. De in 2007 ingevoerde gedragscode heeft die kloof nog eens versterkt door nog meer de nadruk te leggen op de ethiek op de werkvloer om zo een veiliger en prettiger werkomgeving voor het defensiepersoneel te verkrijgen. De zinsnede ‘respect voor de lokale bevolking’ is verdwenen uit de gedragscode en wordt daarmee niet langer onder de aandacht gebracht van de grootste groep militairen. Bij de FMW/NLDA is echter wel aandacht voor de ethiek met betrekking tot de omgang met de lokale bevolking.
De constatering dat het ethiekonderwijs in Nederland voor diverse categorieën militairen van elkaar verschilt, betekent het een en ander voor de moral leadership agency, dat beoogt dat de volgers het morele gedachtegoed – dus ook met betrekking tot de omgang met de lokale bevolking - van de leiders overnemen en internaliseren. Officieren met hun vorming bij de FMW/NLDA, moeten hun morele gedachtegoed over omgang met de lokale bevolking overbrengen op de onderofficieren en die moeten dit gedachtegoed vervolgens weer overbrengen aan de laagste rangniveaus. Dat is een lange en omstandige weg en het is ook maar de vraag of alle officieren geschikt zijn de rol van moral agent op zich te nemen. Immers de FMW/NLDA hebben doorlopen en meer en uitgebreider ethiekonderwijs hebben genoten dan de meeste onderofficieren, houdt geenszins in dat de officier daarmee ook moreel competent is. Het omgekeerde is ook waar, onderofficieren die weinig ethiekonderwijs hebben genoten, kunnen op andere wijze toch morele competentie hebben. Met de moral leadership agency in het achterhoofd is het gewenst binnen de Nederlandse krijgsmacht zoveel mogelijk moral agents te hebben, die het morele gedachtegoed uit kunnen dragen. Bosch en Wortel (2009) schrijven over ethiekonderwijs waarin het versterken van de morele competentie centraal staat en waarvan de doelgroep primair bestaat uit onderofficieren. Weliswaar bestaat de doelgroep voor deze Verdiepingscursus Militaire Ethiek (VME) voornamelijk uit onderofficieren die zich bezighouden of gaan bezighouden met ethiekonderwijs. Een uitgangspunt van de VME is, dat een ieder die zich professioneel bezighoudt met militair ethiekonderwijs, zelf als instrument en voorbeeld dient en daarmee als moral agent optreedt. Een kanttekening is hierbij op zijn plaats, de doelgroep voor deze intensieve en langdurige verdiepingscursus laat dus grote groepen onderofficieren die geen rol vervullen binnen het ethiekonderwijs, buiten beschouwing. Uitgangspunten van het ethiekonderwijs in deze verdiepingscursus zijn de deugdenethiek, de Socratische (vragende) houding en het bewerkstelligen van een proces van levend leren. Onderzoek zou moeten uitwijzen in hoeverre officieren die de FMW/NLDA hebben doorlopen, onderofficieren die de VME hebben gevolgd en militairen die alle andere vormen van ethiekonderwijs binnen de krijgsmacht hebben gevolgd, met elkaar verschillen in morele competentie. Overigens geldt hier hetzelfde als voor het internationale onderzoek waar Olsthoorn (2009) over schrijft, de doelgroep zou uit militairen met uitzendervaring moeten bestaan en daar kleven bezwaren aan.
De vraag of generaal Dallaire (2003) destijds baat zou hebben gehad bij ethiekonderwijs als voorbereiding op zijn commando van UNAMIR kan hier gesteld worden. Hij heeft vooraf aan de voorbereiding voor zijn commando nooit deelgenomen aan een geplande bijeenkomst waarbij geanticipeerd kon worden op mogelijke morele vragen en dilemma’s die hij tegen zou kunnen komen. Oefenen met ethische vraagstukken en dilemma’s, daarover praten en zogenaamde what-if scenario’s doorspreken, zoals dat nu meer en meer gebeurt in het ethiekonderwijs, zijn in zijn geval nooit aan de orde geweest. Uiteraard kon Dallaire zich bij de Verenigde Naties in New York voorbereiden, door daar met diverse functionarissen te spreken, maar ethische vraagstukken zijn in die besprekingen nooit aan de orde geweest. Ook in zijn militaire vorming tijdens de Koude Oorlog werd hij binnen de Canadese krijgsmacht op geen enkele wijze voorbereid op de tragische morele dilemma’s waarmee hij in Rwanda geconfronteerd werd. Wat dit betekent heeft voor het psychisch letsel dat hij tijdens zijn commando heeft opgelopen, is nu vele jaren later niet meer te duiden. Het antwoord op de vraag of militair-ethische vorming een verschil had gemaakt voor de mate van zijn psychisch letsel zal altijd wel onbeantwoord blijven.
De rol van de persoonlijkheid

In zijn proefschrift illustreert Rademaker (2009) dat trauma in de jeugd kan bijdragen aan een verhoogd risico op post traumatische stress stoornis (PTSS) en andere stress-stoornissen in het volwassen leven. Daarnaast werd in zijn studie geaccentueerd dat ervaringen in de kindertijd verstrekkende gevolgen kunnen hebben op de persoonlijkheidsontwikkeling. Neuroticisme een omschrijving voor negatieve emotionaliteit of negatieve affectiviteit werd door Rademakers in een steekproef onder Libanon veteranen gevonden als een voorspeller voor PTSS. Andere factoren behalve neuroticisme die van invloed zijn: coping (de manier waarop iemand omgaat met problemen en gebeurtenissen, alsmede omgaat met hevige gedachten of gevoelens), hardiness (gehardheid), optimisme, sociale steun en interne locus of control (de mate waarin iemand de oorzaken van wat hem overkomt bij zichzelf of juist buiten zichzelf zoekt). Neuroticisme lijkt volgens Bartone (2008) een grote rol te hebben gespeeld bij het immorele gedrag van gevangenisbewaarders tegenover hun Irakese gevangenen in de Abu Ghraib gevangenis. In het bijzonder drie vormen van neuroticisme zouden destijds in 2003 een rol hebben gespeeld. Hij noemt boosheid/vijandigheid (de neiging om boosheid, frustratie en verbittering te ervaren), impulsief (snel gefrustreerd en geen rem op impulsen) en kwetsbaarheid (de neiging om snel de hoop op te geven, passief en paniekerig in nood of bij stressvolle gebeurtenissen). Rademakers laat ook zien dat zowel temparament als karakter in verband kunnen worden gebracht met PTSS en andere stoornissen. De onderzoeken van Bartone en Rademakers tonen aan dat het lastig is voorspellingen te doen over individuele militairen en de gevolgen voor hun geestelijke gezondheid, wanneer zij geconfronteerd worden met tragische dilemma’s. Om dat wel te kunnen doen is er een compleet inzicht nodig in de persoonlijkheid van alle individuele militairen en dat is niet voorhanden. Selectie vooraf aan indiensttreding en ook met enige regelmaat gedurende de loopbaan van de militair zou daar een rol in kunnen spelen.


De rol van de situatie- en contextfactoren.

Ook situatie- en contextafhankelijke factoren kunnen een rol spelen in de morele gedragingen van militairen. Een voor de hand liggend en bekend voorbeeld van deze factoren is het uit 1971 stammende Stanford prison experiment van Zimbardo. Deze selecteerde 24 manlijke studenten en liet hen de rol van gevangenisbewaarder of die van gevangene spelen. Al snel toonden een aantal van de gevangenisbewaarders sadistisch gedrag tegenover de gevangenen, die zich dat veelal lieten welgevallen. Zimbardo heeft het experiment vroegtijdig beëindigd omdat hij en zijn collega’s schrokken van de intensiteit waarmee de studenten hun rol vervulden. Volgens Zimbardo (2008) was het deviante gedrag van de studenten te wijten aan de situatie waarin zij geplaatst waren. Een recenter voorbeeld van dergelijke situationele factoren in een vergelijkbare situatie, maar deze keer geen experiment, geeft Bartone (2008) wanneer hij schrijft over het immorele gedrag van een aantal militairen die de functie van gevangenisbewaarder bekleedden in de Amerikaanse gevangenis Abu Ghraib in Irak. In april 2004 werd wereldwijd bekend op welke afschuwelijke wijze Irakese gevangenen door hen werden gemarteld en vernederd gedurende hun detentie. Bartone (2008) analyseert waarom ogenschijnlijk normale Amerikaanse militairen overgaan tot het martelen en vernederen van de gevangenen, waarover zij de zorg hadden. Hij komt tot de volgende situatie- en contextfactoren:

(1) er was op alle hiërarchische niveaus onduidelijkheid over wie de leidinggevenden waren;

(2) er was sprake van laisse-faire leiderschap, dat veel weg had van ‘doe maar wat’;

(3) gebrek aan training, veel van de militairen hadden geen idee van hoe met gevangen moest worden omgegaan, laat staan dat ze ooit van de Conventie van Genève hadden vernomen;

(4) totaal gebrek aan discipline;

(5) geen erkenning voor de gevaarlijke en ongewone omstandigheden waaronder de militairen moesten werken;

(6) en als laatste de enorme werkstress als gevolg van personeelstekorten, lange dagen, nauwelijks vrije tijd en maanden achtereen nachtdiensten draaien.

Er zijn nogal wat bedreigingen wanneer het gaat om de vraag of een moreel competente militair zich na afloop van de betrokkenheid bij een tragisch moreel dilemma, waarbij hij of zij gevoelens van pijn en schuld ervaart, buoyancy zal tonen. Allereerst dient de militair met behulp van het ethiekonderwijs zich de bovengenoemde aspecten van moreel verantwoord handelen, zoals verwoord door Verweij (2009), Rest(1986) en Van Iersel (2002) eigen te hebben gemaakt. Dat betekent dat hij of zij de morele dimensie van situaties moet herkennen, vervolgens een adequaat oordeel moet kunnen vellen, op basis daarvan moet kunnen handelen en zich willen en kunnen verantwoorden. Zoals eerder is aangegeven is morele blindheid of morele onverschilligheid van militairen niet acceptabel in een democratische samenleving.

Vervolgens moet hij of zij deelnemen aan een geplande voorbereiding vooraf aan de uitzending, met daarin aandacht voor morele vragen en dilemma’s die zich mogelijk kunnen voordoen. Of de militair dan na al die inspanning al of niet moreel competent is moet gemeten worden. Het meten van morele competentie is niet eenvoudig. Daar komt bij dat situatie- of contextfactoren een grote rol spelen bij het morele gedrag van militairen in de militaire praktijk, deze kunnen er toe leiden dat militairen die van zichzelf denken dat zij moreel competent zijn, immorele gedragingen gaan vertonen. Het goede nieuws is dat door deze situatie- en contextfactoren te onderkennen hun invloed tegen gegaan kan worden. Als laatste speelt de persoonlijkheid een rol en die is lastig te beïnvloeden, hooguit kan er rekening mee worden gehouden bij een toekomstige functievervulling. Op de vraag hoe moral buoyancy kan worden bereikt is daarmee geen eenvoudig antwoord te geven. Dat neemt niet weg dat het de moeite waard is hier verder onderzoek naar te doen, want de ingrijpende psychische schade die militairen oplopen als gevolg van de confrontatie met tragische morele vragen en dilemma’s is aanzienlijk.



Samenvatting
Met haar concept veerkracht of resilience heeft Verweij in 2009 een deugd toegevoegd aan de vier kerncompetenties op het gebied van morele vorming van militairen die Van Iersel in 2002 noemde. Deze vier kerncompetenties zijn afgeleid van het Four Component Model van Rest (1986) dat zich voordoet bij mensen wanneer zij ethisch verantwoord gedrag willen vertonen. Verweij beschrijft de door haar geïntroduceerde deugd als de veerkracht of resilience die de militair in staat stelt in moreel opzicht een ingrijpend (tragisch) moreel dilemma of een ingrijpend moreel/ethische kwestie ook als zodanig te ervaren. Daarnaast moet de militair in staat zijn de gevoelens van pijn en wellicht ook van schuld een plaats kunnen geven in zijn of haar leven, zonder hier blijvende psychische schade van te ondervinden. Het artikel is op zoek naar een kernachtig begrip voor de deugd zoals zij die omschrijft. Aan de hand van een drietal gevalsbeschrijvingen en literatuuronderzoek wordt met de metafoor van een boei, de door Verweij geïntroduceerde deugd kernachtig samengevat met buoyancy. Het bijzondere belang van buoyancy voor militaire leiders wordt nog eens onderstreept door te wijzen op het feit dat zij als moral agent moeten optreden. Het antwoord op de vraag hoe buoyancy bij militairen kan worden bereikt blijkt complex en situatieafhankelijk te zijn en vraagt om nader onderzoek.

Literatuur
Baarda, T. van, & Verweij, D. (2009). Hoofdstuk 1 Militaire Ethiek – een algemene inleiding. Concept vertaling. Reader Verdiepingscursus Militaire Ethiek 8-10 september; 22-24 september; 6-8 oktober 2009
Bartone, P. (2006). Resilience Under Military Operational Stress: Can Leaders Influence Hardiness?. Military Psychology, 2006, 18 (suppl.), 131-148
Bartone, P. (2008). Lessons of Abu Ghraib: Understanding and Preventing Prisoner Abuse in Military Operations. Defense Horizons, 64(08), 1-8
Berg, C. van den, & Verweij, D. (2004). Ethiek in de Koninklijke Landmacht: de vorming tot moreel competente militairen van ‘spijkerbroek’ tot veteraan. In: Baarde, T. van, Iersel, A. van, & Verweij, D. (red.), Praktijkboek Militaire Ethiek – Ethische vraagstukken, morele vorming, dilemmatraining. Budel: Damon, p. 157-179
Blumenfeld, L. (2007). The Sole Survivor. Washington Post, June 11, 2007
Bosch, J., & Wortel, E. (2009). Versterking van de morele competentie – De verdiepingscursus militaire ethiek. Militaire Spectator, 178(9), 471-486
Coleman, S. (2009). The Problems of Duty and Loyalty. Journal of Military Ethics, 8(2), 105-115
Dallaire, R. (2003). Shake hands with the devil: the failure of humanity in Rwanda. Toronto, Canada: Random House
Foot, P. (1978). Virtues and Vices and Other Essays in Moral Philosophy. Berkeley and los Angeles, USA: University of California Press
Giffey, T. (2004). Veteran of Iraq war now opposes conflict. Eau Claire Leader-Telegram, December 7, 2004
Hannah, S., Lester, P., & Vogelgesang, G. (2005). Moral Leadership: Explicating the Moral Component of Authentic Leadership. In: Gardner, W., Avolio, B., & Walumbwa, F. (eds.), Authentic Leadership Theory and Practice Origins, Effects and Development – Monographs in Leadership and Management volume 3. Amsterdam: Elsevier, p. 43-81
Iersel, A. van (2002). Militaire ethiek en dilemmatraining. In: Iersel, A. van, & Baarda, T. van (red.), Militaire ethiek – Morele dilemma’s van militairen in theorie en praktijk. Budel: Damon, p. 257-280
Lucas, G. (2009). This Is Not Your Father’s War – Confronting the Moral Challenges of “Unconventional” War. Journal of National Security Law & Policy, vol. 3:329, 329-340, http://www.jnslp.com/read/vol3no2/_06_LUCAS%20Master%2012%2008-25-09.pdf, geraadpleegd 09-09-2010
Luthar, S,. & Cicchetti, D. (2000). The construct of resilience: Implications for interventions and social policies. Development and Psychopathology, 12 (2000), 857-885
Meijer, M. (2009). Morele vraagstukken en de geestelijke gezondheid van uitgezonden militairen. Nederlands Militair Geneeskundig Tijdschrift, 62(9), 169-172
Naylor, S.D. (2007). Surviving SEAL tells story of deadly mission. Navy Times, June 25, 2007
Olsthoorn, P. (2009). Onderwijs in de militaire ethiek. Carré, 4-2009, 25-27
Oser, F., & Reichenbach, R. (2005). Moral Resilience - The Unhappy Moralist. In: Edelstein, W., & Nunner-Winkler, G. (eds.), Advances in Psychology 137 – Morality in Context. Amsterdam: Elsevier, p. 203-224
Oser, F., Schmid, E., & Hattersley, L. (2006). The ‘Unhappy Moralist’ Effect: Emotional Conflicts between Being Good and Being Succesful. In: Verschaffel, L., Dochy, F., Boekaerts, M., & Vosniadou, S. (eds.), Instructional Psychology: Past, Present, and Future Trends: Sixteen Essays in honour of Erik De Corte. Amsterdam: Elsevier, p. 149-166
Rademaker, A. (2009). Personality and Adaptation to Military Trauma. Proefschrift ter verkrijging van de graad van doctor aan de Universiteit van Utrecht, uitgesproken op 30 oktober 2009, Utrecht
Rest, J. (1986). Moral Development. Advances in Tesearch and Theory. New York – London: Praeger Publishers
Robinson, P., Lee, N. de, & Carrick, D. (2008). Ethics Education in the Military. Aldershot, United Kingdom: Ashgate Publishing Limited
Sherman, N. (2010). The Untold War. Inside the Hearts, Minds and Souls of our Soldiers. New York: W.W. Norton & Company, Inc
Summers, D., et al. (eds.) (2003). Longman Dictionary of Contemporary English. Harlow, Essex, England: Pearson Education Limited
Verweij, D. (2005). Het belang van militaire ethiek voor de krijgsmacht. Carré, 7/8-2005, 28-30
Verweij, D. (2009). Denken in Dialoog – Ethiek en de militaire praktijk. Militaire Spectator, 178(1), 15-25
Zimbardo, Ph. (2008). The Lucifer Effect. Understanding How Good People Turn Evil. New York: Random House





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina