By Watchman Nee Preface



Dovnload 433.4 Kb.
Pagina11/34
Datum22.07.2016
Grootte433.4 Kb.
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   ...   34

Perhaps a certain brother has committed a serious fault. He needs to be severely reprimanded. This is no easy matter. Rather would we exercise our feelings of mercy than bring our feelings of anger into play, for the latter can fall into something else with the least carelessness. Thus it is not easy to be properly angry according to the will of God. However, one who knows the breaking of the outward man can deal severely with another brother without his own spirit being disturbed or God’s presence interrupted. He abides in God just as much in dealing with others as in prayer. Thus, after he has taken his brother to task, he can pray without any endeavor to retreat to God. We acknowledge that this is rather difficult; yet when the outward man is broken, such can well be the case.

Naar buiten treden en zich terugtrekken


Wanneer de uitwendige mens eenmaal verbroken is, blijft de geest van de mens vanzelf zonder onderbreking in Gods tegenwoordigheid. Wij zullen dit met een voorbeeld duidelijk maken. Twee jaar nadat een bepaalde broeder zich overgaf aan de Heer, las hij “De praktijk van Gods tegenwoordigheid” door broeder Lawrence. Na het lezen hiervan voelde hij zich bedroefd omdat het hem niet lukte zonder ophouden in de tegenwoordigheid van God te verkeren zoals broeder Lawrence. In die tijd had hij om het uur een afspraak om met iemand samen gebed te hebben. Waarom? Wel, in de Bijbel staat: “Bidt zonder ophouden” en daar maakten zij van: “Bidt ieder uur”. Iedere keer dat zij de klok het hele uur hoorden slaan, gingen zij bidden. Zij spanden zich tot het uiterste in om in te keren in de tegenwoordigheid van God, omdat zij voelden dat het niet mogelijk was om voortdurend Zijn tegenwoordigheid te handhaven.

Het was net alsof zij onder hun werk waren afgegleden en op deze wijze weer haastig moesten terugkomen bij God. Of ze hadden bij het studeren ongemerkt hun eigen gedachten gevolgd en moesten zich nu weer vlug afzonderen om in Gods tegenwoordigheid te zijn. Anders waren zij naar hun besef de gehele dag buiten die tegenwoordigheid. Zij baden vaak en brachten zondagen en halve zaterdagen in gebed door. Zo gingen zij twee of drie jaar verder, maar niettemin bleef de onrust. Als zij zich terugtrokken, verheugden zij zich in Gods nabijheid, maar zij verloren die weer als zij verder gingen. Natuurlijk is dit niet alleen hun probleem, zo is de ervaring van veel christenen. Dit wijst erop dat wij Gods nabijheid trachten vast te houden door middel van ons geheugen. Het besef van Zijn nabijheid wisselt al naar gelang van de werking van ons geheugen. Als wij eraan denken, is er dat besef van Zijn tegenwoordigheid en anders is het er niet. Dit is klinkklare onzin, want Gods nabijheid wordt in de geest ervaren en niet door ons geheugen.

Om dit probleem op te lossen, moeten wij eerst een andere zaak rechtzetten, namelijk die van het verbroken zijn van de uitwendige mens. Daar onze gevoelens, evenmin als onze gedachten, overeenstemmen met de natuur van God, kunnen zij niet worden ééngemaakt met Hem. Het evangelie van Johannes laat ons in hoofdstuk 4 het wezen van God zien. God is geest. Alleen onze geest heeft dezelfde natuur als die van God en kan daardoor voor eeuwig met Hem verenigd zijn. Als wij trachten Gods nabijheid te verkrijgen door onze gedachten erop te richten, dan zullen wij die nabijheid moeten missen als wij ons niet concentreren. En als wij onze gevoelens inschakelen om Gods tegenwoordigheid op te roepen, dan zal die verdwijnen zodra onze gevoelens verslappen. Soms zijn wij blij en dan houden wij dat voor de tegenwoordigheid van God. Als er dan een eind komt aan die blijdschap is Gods nabijheid verdwenen! Of wij nemen aan dat Hij bij ons is als wij treuren en wenen. Maar wij kunnen helaas niet ons hele leven tranen storten. Onze tranen zullen al gauw opgedroogd zijn en dan verdwijnt Gods tegenwoordigheid! Maar zowel onze gedachten als onze gevoelens zijn menselijke vermogens. Aan elke activiteit moet eens een eind komen. Als wij Gods tegenwoordigheid met activiteit trachten vast te houden, zal deze tegelijk met onze activiteit tot een einde komen. Gods tegenwoordigheid vereist een gelijkheid van aard en alleen de inwendige mens heeft dezelfde natuur als God; slechts door de inwendige mens kan Zijn tegenwoordigheid worden ervaren. Als de uitwendige mens leeft in activiteiten, dan kunnen deze de inwendige mens in onrust brengen. Dan is de uitwendige mens geen helper, maar een rustverstoorder. Wanneer de uitwendige mens verbroken is, geniet de inwendige mens vrede met God.

Onze geest is ons door God gegeven opdat wij aan Hem gehoor kunnen geven.

Maar de uitwendige mens reageert voortdurend op dingen om zich heen en berooft ons daardoor van Gods tegenwoordigheid. Wij kunnen niet alle dingen om ons heen negéren, maar wij kunnen wel de uitwendige mens laten verbreken.

Wij kunnen al die dingen om ons heen niet stilzetten, want al die miljoenen en miljarden dingen in de wereld vallen volkomen buiten onze macht. Als er maar iets gebeurt, zal onze uitwendige mens daarop reageren, zodat wij niet in staat zijn in vrede Gods aanwezigheid te ervaren. Zo komen wij tot de conclusie dat het ervaren van Gods tegenwoordigheid afhankelijk is van het verbreken van onze uitwendige mens. Als onze uitwendige mens door Gods genade verbroken is kan het volgende voor ons gelden: Gisteren waren wij één en al nieuwsgierigheid, maar vandaag is dat onmogelijk. Vroeger konden onze gevoelens gemakkelijk worden opgewekt, zowel de liefde, ons teerste gevoelen, als onze woede, een van de ruwste. Maar al komen er nu nog zoveel dingen op ons af, onze inwendige mens blijft onbewogen, de nabijheid van God blijft onveranderd en onze innerlijke vrede onaangetast.

Het wordt duidelijk dat het verbreken van de uitwendige mens de basis is om Gods tegenwoordigheid te ervaren. Broeder Lawrence had zijn werk in de keuken en de mensen schreeuwden als zij wat hebben wilden. Maar ondanks dat voortdurende gekletter van borden en bestek werd zijn inwendige mens niet in onrust gebracht. Bij al dat jagen en jachten in de keuken was hij zich net zo bewust van Gods nabijheid als hij dat was in rustig gebed. Hoe kwam dat? Omdat hij doof was voor geluiden van buitenaf en geleerd had in zijn geest gemeenschap te hebben en zijn zieleleven af te wijzen.

Sommigen hebben het gevoel dat hun omgeving zonder dergelijke afleidingen, zoals het gekletter van vaatwerk, moet zijn, willen zij Gods nabijheid te kunnen genieten. Hoe verder zij weg zijn van de mensheid, hoe beter zij Gods tegenwoordigheid zullen kunnen ervaren, denken zij. Wat een misverstand! Het probleem ligt niet in de uiterlijke omstandigheden en ook niet in de mensen, maar in henzelf. God zal ons niet van de vaat verlossen, maar van de weerklank die dit bij ons vindt! Als is er nog zoveel lawaai van buitenaf, ons innerlijk reageert daar niet op. Aangezien de Heer onze uitwendige mens verbroken heeft, kunnen wij het eenvoudigweg naast ons neerleggen. Prijs de Heer! Misschien hebben wij wel een scherp gehoor, maar door Zijn genade in ons leven worden wij totaal niet meer beïnvloed door de dingen die zich opdringen aan onze inwendige mens. Wij kunnen in dergelijke gevallen precies zo voor Gods aangezicht zijn als wanneer wij alleen in gebed zijn.

Wanneer de uitwendige mens eenmaal verbroken is, behoeven wij ons niet langer terug te trekken in God, want dan zijn wij bij voortduring in Zijn tegenwoordigheid. Dat is niet het geval met iemand, wiens uitwendige nog niet verbroken is. Na ieder karweitje moet hij weer terugkeren tot God, want voor zijn gevoel is hij van Hem afgedreven. Zelfs bij het werk van de Heer verliest hij Hem in wiens dienst hij staat, uit het oog. Daarom lijkt het maar het beste helemaal niets te ondernemen. Toch behoeven degenen, die God kennen, niet terug te keren, want zij zijn nooit weggeweest. Zij verheugen zich in Gods nabijheid als zij zich een dag afzonderen voor gebed en zij genieten die nabijheid op dezelfde manier als zij druk bezig zijn met alledaagse dingen.

Misschien is onze gewone ervaring wel, dat wij Gods nabijheid merken als wij werkelijk tot Hem naderen, maar zijn wij ergens druk mee bezig dan merken wij, dat wij op de een of andere manier zijn afgedreven, ook al zijn wij nog zo waakzaam geweest. Neem bijvoorbeeld eens aan dat wij bezig zijn het evangelie te prediken of dat wij trachten mensen op te bouwen. Na een poos willen wij neerknielen om te bidden, maar dan hebben wij het gevoel dat wij eerst moeten inkeren tot God. Op de een of andere wijze heeft ons spreken met mensen ons van God afgeleid en daarom moeten wij in het gebed eerst weer dichter tot Hem naderen. Wij zijn Gods nabijheid kwijtgeraakt en die moeten wij nu eerst weer terugvinden. Of misschien zijn wij bezig geweest met zoiets gewoons als het schrobben van de vloer. Nadat wij daar mee klaar zijn besluiten wij te bidden. En opnieuw hebben wij het gevoel dat wij een lange reis hebben gemaakt en dat wij moeten terugkeren. Wat moeten wij daarvan zeggen?

Het verbreken van de uitwendige mens maakt het onnodig dat wij terug moeten keren. Wij ervaren de tegenwoordigheid van God even goed in onze gesprekken als wanneer wij neerknielen in gebed. En als wij ons gewone werk verrichten, brengt ons dat niet af van God, zodat wij niet hoeven terug te keren.

Laten wij nu als voorbeeld eens een uiterste nemen. Toorn is het heftigste gevoelen dat een mens kan hebben. Maar de Bijbel verbiedt ons niet om toornig te zijn, want er bestaat toorn die niet verband houdt met zonde. “Weest toornig, maar zondigt niet”, zegt de Bijbel. Niettemin is de toorn zo sterk dat hij grenst aan de zonde. Wij vinden in Gods Woord niet: “Hebt lief, maar zondigt niet” of: “Weest zachtmoedig, maar zondigt niet”, omdat liefde en zachtmoedigheid ver van de zonde afliggen. Toorn echter ligt vlak bij de zonde.


Misschien heeft een bepaalde broeder een ernstige fout gemaakt en moet hij ernstig berispt worden. Dat is niet gemakkelijk. Wij zouden veel liever onze gevoelens van ontferming laten gelden dan onze gevoelens van toorn, want toorn kan zo licht plaatsmaken voor iets anders. Daarom is het niet gemakkelijk om echt toornig te zijn naar de wil van God. Maar iemand die weet wat het verbroken zijn van de uitwendige mens betekent, kan een andere broeder ernstig onderhouden zonder dat zijn eigen geest in onrust wordt gebracht of de nabijheid van God wordt onderbroken. Hij blijft daarbij in God, net zoals hij dat zou zijn als hij in gebed was. En wanneer hij zijn broeder onder handen genomen heeft, kan hij bidden zonder zich in te moeten spannen om tot God terug te keren. Wij geven toe, dat dit moeilijk is, maar als de uitwendige mens verbroken is, is dit toch echt mogelijk.



1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   ...   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina