By Watchman Nee Preface



Dovnload 433.4 Kb.
Pagina14/34
Datum22.07.2016
Grootte433.4 Kb.
1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   ...   34

The Spirit’s Use of a Broken Outward Man


In His dealing with man, God’s Spirit never by-passes man’s spirit. Nor can our spirit by-pass the outer man. This is a most important principle to grasp. As the Holy Spirit does not pass over man’s spirit in His working in man, no more does our spirit ignore the outward man and function directly. In order to touch other lives, our spirit must pass through the outward man. Hence, when the latter’s strength is consumed by the many things in hand, God cannot do His work through us. There is no outlet for the human spirit nor for the Holy Spirit. The inward man cannot come forth because he is resisted and blocked by the outward man. That is why we have repeatedly suggested that this outward man must be broken.

The thing in hand is there before God begins to work. It does not belong to God, nor does it need His order, power, or decision to be carried out. It is not something under the hand of God but rather an independent action.

Before your outward man is broken you are occupied with your own things, walk in your own way, and love your own people. If God wants to use your love in loving the brethren, He must first break your outward man. This love of yours is thereby enlarged. The inward man must love, but he has to love through the outward man. If the outward man is occupied with the thing in hand, the inward is deprived of its proper channel for loving.

Again, when the inward man needs to use his will, he finds it is acting independently, already engaged by the thing in hand. To break our will, God must strike us a heavy blow until we prostrate ourselves in the dust and say, “Lord, I dare not think, I dare not ask, I dare not decide on my own. In each and every thing I need Thee.” In our being stricken, we must learn that our will is not to act independently. Only then is our will ready to be used by the inward man.

Without the cooperation of the outward man, the inward is most handicapped. Suppose a brother is going to preach the Word. He has a burden in his spirit. However, if he fails to find corresponding thoughts, he cannot release his burden and it will soon fade away. Even though the burden may permeate his whole spirit, all is futile if his mind is unable to communicate it.

We cannot bring men to salvation merely with the burden in our spirit; this must be expressed through our mind. The burden within must be coordinated with the mouth without. Without utterance it is impossible to make known to others the word of God. Man’s words are not God’s word, but the latter must be communicated by the former. When man has God’s words, God can speak; when he does not, God cannot speak. The trouble today is that our inward man is available to God, able to receive God’s burden, but our outward man is driven by such multitudinous, confusing thoughts from morning till night that our spirit can find no outlet.

Thus it is that God must crush our outward man. He breaks our will by taking away the things in our will’s “hand” so that it cannot act independently. Not that we have no mind, but that we do not think after the flesh, according to our wandering imaginations. Not that we are devoid of emotion, but that all our emotions are under the control and restraint of the inward man. This gives the inner man a will, a mind, and emotions that are usable. God wants our spirit to use our outward man in loving, in thinking, and in deciding. While it is not His thought to annihilate our outward man, we must receive this basic experience of being broken if we aspire to effectually serve God.

Until this happens, the inward and the outward man are at odds with each other, each acting independently of the other. When we are broken, the outward man is broader control of the inward, thus unifying our personality so that the shattered outward man may be a channel for the inward man.

Now it must be recognized that a unified personality may often characterize an unsaved person, but in this case the inward man is under control of the outward man. Though the human spirit exists, it is so beaten by the outward man that it can at best only raise some conscientious protests. The inward man is utterly dominated by the outward man.

However, after one is saved, it is God’s intention that he should experience a reversal of this order. As much as his outward man controlled the inward before he was saved, so now his inward man should hold absolute sway over the outward.


We can use bicycling as an illustration. On flat ground, we pedal the bicycle and the wheels roll along the road. Similarly, when our inward man is strong and the outward man is broken, we “pedal” and the “wheels” roll along the road. We can decide whether to continue or stop and how fast to go. In the case of a bicycle on a down slope however, the wheels rotate without any pedaling at all, for the road just seems to urge us along. In like manner, if our outward man is hard and unbroken, it will be like a bicycle coasting out of control down an incline. Should the Lord be gracious to us and level out the slope of our experience by breaking the outward man, so that he can no longer give counsel and make decisions independently, we shall be as those who are able to properly use their spirit.

Hoe de Geest een uitwendig verbroken mens gebruikt


Als Gods Geest met iemand bezig is, slaat Hij nooit diens geest over. Zo kan ook ónze geest nooit de uitwendige mens negéren. Het is heel belangrijk om dit principe vast te houden. Evenmin als de Heilige Geest de menselijke geest overslaat als Hij met iemand werkt, zo kan ook onze geest niet de uitwendige mens negéren en rechtstreeks functioneren. Onze geest moet door de uitwendige mens heen vloeien om met andere levens in contact te kunnen komen. Daarom kan God niet door ons werken als de kracht van die uitwendige mens verbruikt wordt door alles wat wij om handen hebben. De menselijke geest kan dan evenals de Heilige Geest niet naar buiten treden. De inwendige mens kan zich niet baanbreken, omdat de uitwendige mens hem in de weg staat. Dat is de reden waarom wij er zo dikwijls de nadruk op hebben gelegd, dat deze uitwendige mens verbroken moet worden.

Wij hebben al wat “om handen” vóór dat God begint te werken. Het komt niet van God en er is ook geen opdracht, geen beslissing of kracht van God voor nodig om het uit te voeren. Het is niet iets dat onder Gods hand is, maar meer een zelfstandige activiteit. Voordat uw uitwendige mens verbroken is, hebt u het druk met uw eigen zaken, u gaat uw eigen weg en uw liefde gaat uit naar hen die ú liefhebben. Als God uw vermogen tot liefhebben wil gebruiken om de broeders lief te hebben, moet hij eerst uw uitwendige mens verbreken.

Daardoor krijgt uw liefde een andere dimensie. De inwendige mens moet naar zijn aard liefhebben, maar door de uitwendige mens heen. Als de uitwendige mens bezig is met dat wat hij om handen heeft, ontneemt hij daarmee de inwendige mens het kanaal om die liefde te uiten. Wanneer de inwendige mens zijn wil moet gebruiken, zal hij merken dat die al zelfstandig optreedt en bezig is met wat hij om handen heeft. God moet ons zwaar treffen om onze wil te verbreken, totdat wij ons neerwerpen in het stof en zeggen: “Heer, ik durf niet meer zelfstandig te denken en te vragen, ik durf niet langer zelf te beslissen. In alles heb ik u nodig”. Als God ons zo onder handen neemt, gaan wij leren dat onze wil niet op zichzelf kan handelen. Dan pas is onze wil bereid gemaakt om door de inwendige mens gebruikt te worden.

Als de uitwendige mens niet samenwerkt met de inwendige mens, ondervindt deze een grote belemmering. Stel, dat een broeder het Woord gaat prediken. Hij draagt een last op zijn hart. Maar als hij er niet in slaagt de juiste gedachten te vinden, kan hij zich niet bevrijden van die last, waardoor deze spoedig zal verdwijnen. Zelfs wanneer die last zijn hele geest vervult, zal alles vergeefs zijn als hij die niet onder woorden kan brengen.

Wij kunnen geen zielen redden als wij alleen maar een last op ons hart dragen. Het is nodig dat wij daar ook uitdrukking aan kunnen geven. Die last die wij op ons hart dragen moet in dezelfde geest door ons uitgesproken kunnen worden. Wanneer wij ons niet uiten, kunnen wij onmogelijk aan anderen het Woord van God bekend maken. Mensenwoorden zijn niet Gods Woord, maar toch moet Gods Woord door mensen worden vertolkt. Als iemand Gods woorden heeft kan God door hem spreken; heeft hij die niet, dan kan God niet spreken. Het probleem vandaag ligt hierin dat onze inwendige mens wel ter beschikking staat van God en Zijn last kan ontvangen, maar dat ónze uitwendige mens van de ochtend tot de avond bloot staat aan zo onnoemlijk veel verwarrende gedachten, dat onze geest zich daardoor niet kan uiten.

Dáárom moet God onze uitwendige mens volledig verbreken. Hij breekt onze wil door die dingen weg te nemen waar onze wil zo mee bezig is, zodat deze niet meer zelfstandig kan handelen. Het is niet zo dat wij ons verstand niet mogen gebruiken, maar wij moeten niet meer denken naar het vlees en geleid worden door onze verbeeldingskracht, die onze gedachten doet afdwalen. Wij hebben wel een gevoelsleven, maar al onze gevoelens moeten worden beheerst en binnen de perken gehouden door de inwendige mens. Hierdoor krijgt de inwendige mens een wil, een verstand en een gevoelsleven, die door God gebruikt kunnen worden. God verlangt dat onze geest zich bedient van onze uitwendige mens om lief te hebben, te denken en te beslissen. Het is niet Zijn bedoeling om onze uitwendige mens uit te schakelen, maar dit proces van verbroken worden moet aan ons worden voltrokken, willen wij God werkelijk kunnen dienen.

Zolang dit niet gebeurt, zullen de inwendige en de uitwendige mens met elkaar in strijd zijn en zal de één onafhankelijk van de ander handelen. Als wij verbroken zijn, wordt de uitwendige mens onder beheersing van de inwendige mens gebracht, waardoor onze persoonlijkheid tot een eenheid wordt gemaakt; zó kan de verbroken uitwendige mens een kanaal zijn voor de inwendige mens.

Nu moeten wij onderkennen dat zo’n eengemaakte persoonlijkheid ook vaak iemand karakteriseert die niet behouden is, maar in dat geval wordt de inwendige mens beheerst door de uitwendige mens. De menselijke geest is wel aanwezig, maar wordt er zo onder gehouden door de uitwendige mens, dat hij hoogstens via het geweten enig protest kan aantekenen. De inwendige mens wordt volledig overheerst door de uitwendige mens.


Maar het is Gods bedoeling dat bij iemand, die behouden is, deze volgorde omgekeerd wordt. Zoals zijn uitwendige mens vóór zijn behoud de inwendige beheerste, zo moet zijn inwendige mens nu absolute heerschappij voeren over zijn uitwendige mens. Wij kunnen het fietsen als voorbeeld nemen. Op vlak terrein trappen wij de fiets voort en de wielen gaan over de weg. Maar bij het afgaan van een helling draaien de wielen al zonder trappen en dan lijkt het alsof de weg óns voort doet gaan. Zo is het ook als onze inwendige mens krachtig is en de uitwendige mens verbroken, dan “trappen” wij en de wielen gaan over de weg. Het is aan ons te beslissen of wij zullen verdergaan of stilhouden en hoe snel wij gaan. Maar als onze uitwendige mens sterk is en niet verbroken, is het alsof wij een helling afrijden en de fiets niet in onze macht hebben. Moge de Heer ons genadig zijn en die helling vlak maken door onze uitwendige mens te breken, zodat wij ons niet langer door hem laten rijden bij onze beslissingen. Pas dan kunnen wij op de juiste wijze onze geest gaan gebruiken.



1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   ...   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina