By Watchman Nee Preface



Dovnload 433.4 Kb.
Pagina27/34
Datum22.07.2016
Grootte433.4 Kb.
1   ...   23   24   25   26   27   28   29   30   ...   34

What Is a Revelation?


The Scripture we have been considering continues thus: “And there is not a creature unapparent before him; but all things are naked and laid bare to his eyes, with whom we have to do.” Here the Lord gives us the standard or criterion for dividing. What constitutes a revelation by the Holy Spirit? How much must we see before it is a revelation? Heb. 4:13 can help us answer this. Revelation enables us to see what God sees. All things are naked and laid bare before Him. Any covering is upon our own eyes, not God’s. When God opens our eyes that we may know the intent of our heart and the deepest thought within us in the measure that He Himself knows us, this is revelation. As we are naked and laid bare before Him, so are we before ourselves as we receive revelation. This is revelation: for us to be allowed to see what our Lord sees.

Should God be merciful to us and grant us even a small measure of revelation, so that we can see ourselves as we are seen by Him, we shall immediately be smitten to the ground. We need not try to be humble. Those who live in the light cannot be proud. It is only while dwelling in darkness that we can be proud. Outside of God’s light men can be arrogant and haughty; but under the revelation of the light they can only prostrate themselves before Him.

As you proceed it becomes more evident that it is extremely difficult to explain this matter of dividing the natural from the spiritual, the outward from the inward. Only as there is revelation is the problem solved. Whenever you are enabled to discern the thoughts and intents of your heart, you can be sure your soul and spirit are being divided.

If you desire to be used by God, sooner or later you will let the light shine upon you. You will turn to Him and say: “O God, I am absolutely unreliable. I do not know whom I am accusing, nor what sin I am confessing. Only in Thy light am I able to know.” Before you receive enlightenment you may say you are a sinner, but you lack a sinner’s contrition; you may think you hate yourself, but you have no real sense of self-abhorrence; you may say you deny yourself, but the feeling of abnegation is missing. Once the light comes, the surface covering is pulled away and the “real” or “original” is revealed. What an unveiling to see I only love myself; to see I am deceived, and cheating the Lord; to see I do not love Him. This light shows you what you are and what you have been doing. Henceforth you will have the inner knowledge of what belongs to self. Without this judgment by the light, you cannot even imitate, but now as the light of God judges, spirit and soul are divided; imitation is impossible.

What the Lord does is to pierce into our inner man with a penetrating light. It may happen while we are listening to a message, or praying by ourselves, or fellowshipping with others, or even walking alone. This incomparable light shows us how much belongs to ourselves. It reveals to us that scarcely anything that proceeds from ourselves is from the Lord. In conversation, in activities, in works, in zeal, in preaching, in helping others, in every field of life how all pervading is our self. Yet once our hidden self is brought to light, our condemnation of the outward man will be spontaneous. On subsequent occasions, whenever it expresses itself we will instantly regret it and judge it. It is only after such enlightenment that we are able to divide the spirit and soul. We will henceforth live before the Lord with our spirit released. It is pure now, and offers no difficulty to the Lord.

Thus the dividing of spirit and soul depends upon enlightenment; that is, we are able to see as God sees. Just what does God see? He sees what we do not see. We are blind to what is of ourselves, thinking it is of God while actually it is not. What we professed to be good, by that light we now condemn. What we considered as right, we now reject. What passed for spiritual we now recognize as soulish. And what we thought was of God we now know to be of self. We confess: “Lord! Now I come to know myself. I have been blind for twenty or thirty years, and I did not realize it. I have not seen as Thou hast seen.”

Such a seeing delivers you from the dead weight of self. Seeing is His dealing. The word of God is effective, for it enlightens you to the casting off of the outward man. It is not that after you have heard the word of God you gradually change yourself, as if seeing is one step and casting off another. No, enlightenment is itself a casting off; the two occur simultaneously. As soon as the light strikes, the flesh is dead. No flesh can live in that light. The moment one comes into the light he prostrates himself. The light has dried up his flesh. Beloved, this is effectiveness. Indeed the word of God is living and operative. God does not speak and then wait for you to produce. His word is effective in your life.

May the Lord open our eyes to see the importance of the discipline of the Holy Spirit and His revelation. These two join hands in dealing effectively with our outward man. Let us look to God for His grace to enable us to place ourselves under His light and to be so enlightened as to bow before Him, acknowledging: “Lord, how foolish and blind I have been all these years in mistaking what flows from me as coming from Thee. Lord, be merciful to me!”


Wat is een openbaring?


Het Schriftgedeelte waar wij mee bezig zijn, gaat aldus verder: “En geen schepsel is voor Hem verborgen, want alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem voor wie wij rekenschap hebben af te leggen”. Hier geeft de Heer ons de maatstaf of de toets voor die scheiding. Wat houdt een openbaring van de Heilige Geest in? Hoeveel moeten wij zien eer het een openbaring is?

Vers 13 kan ons helpen deze vragen te beantwoorden. OPENBARING STELT ONS IN STAAT TE ZIEN WAT GOD ZIET. Alle dingen liggen open en ontbloot voor Hem. Als er een bedekking is, is die bij ons en niet bij God. Als God onze ogen gaat openen zodat wij de overleggingen van ons hart en de diepste gedachten leren kennen naar de mate waarin Hij ons kent, dan is dat openbaring. Zoals alles van ons voor Hem open en ontbloot ligt, zo zien wij ons zelf nu ook als wij openbaring hebben ontvangen. Dit is openbaring: dat wij kunnen zien wat onze Heer ziet. Zou God ons genadig zijn door ons een weinig openbaring te geven, zodat wij onszelf kunnen zien zoals Hij ons ziet, dan zullen wij onmiddellijk ter aarde worden neergeworpen. Wij behoeven niet te proberen om nederig te zijn. Zij die in licht leven, kunnen niet trots zijn. Dat kunnen wij alleen maar als wij in de duisternis leven. Buiten Gods licht kunnen mensen wel aanmatigend en hooghartig zijn, maar onder de openbaring van het licht kunnen zij zich alleen maar voor Hem neerbuigen. Wanneer u verder gaat op Gods weg, gaat u ook meer zien, dat het bijzonder moeilijk is om uit te leggen wat deze vaneenscheiding van het natuurlijke en het geestelijke, van het uitwendige en het inwendige, precies is. Slechts wanneer er openbaring is, wordt het probleem opgelost. Wanneer u in staat bent de overleggingen en de gedachten van uw hart te onderscheiden, kunt u er zeker van zijn dat uw ziel en geest vaneen worden gescheiden. Als het uw verlangen is om door God gebruikt te worden, zult u zich vroeg of laat door dit licht laten bestralen. Dan zult u zich tot Hem wenden en zeggen: “O God, Ik ben volstrekt onbetrouwbaar. Ik weet niet wie ik beschuldig, noch welke zonde ik belijd. Slechts in uw licht kan ik het weten”. Voordat u verlicht bent, kunt u misschien wel zeggen dat u een zondaar bent, maar het berouw van een zondaar hebt u niet. U kunt wel denken dat u uzelf haat, maar u hebt er geen idee van wat het is een afkeer van uzelf te hebben. U kunt wel zeggen dat u uzelf verloochent, maar u weet er nog totaal niets van. Maar als het licht eenmaal komt, is het alsof er iets weggenomen wordt waardoor het “echte” of “oorspronkelijke” openbaar wordt. Wat een onthulling te moeten ontdekken dat ik alleen mijzelf liefheb, in te zien dat ik ben misleid en de Heer heb bedrogen, te moeten zien dat ik Hem helemaal niet liefheb. Dit licht laat u zien wie u bent en wat u hebt gedaan. Voortaan zult u innerlijk weten wat tot uw eigen ik behoort. Zonder dit oordeel door het licht kunt u iets zelfs niet nadoen, maar nu Gods licht oordeelt, worden geest en ziel gescheiden en is het onmogelijk om te doen alsof.

De Heer schijnt dus met Zijn doordringend licht in onze inwendige mens. Dat kan plaatsvinden terwijl wij naar een boodschap luisteren, alleen bidden, gemeenschap hebben met anderen of zelfs als wij alleen een wandeling maken. Dit weergaloze licht laat ons zien hoeveel er van onszelf is. Het openbaart ons dat er in ons nauwelijks iets van de Heer is. In ons spreken, in onze activiteiten, bij ons werk, in onze ijver, als wij prediken of anderen helpen - op alle terreinen van ons leven overheerst ons eigen ik. Maar wanneer ons verborgen ik eenmaal in het licht is gebracht, zullen wij vanzelf de uitwendige mens veroordelen. Als deze zich later opnieuw laat gelden, zullen wij het ogenblikkelijk betreuren en hem veroordelen. Pas nadat wij zo verlicht zijn, zullen wij geest en ziel kunnen scheiden. Vanaf dat ogenblik zullen wij met een vrijgemaakte geest voor het aangezicht van de Heer leven. Die geest is nu zuiver en levert de Heer geen moeilijkheden meer op.

Zo hangt dan het vaneenscheiden van geest en ziel af van verlichting, dat wil zeggen dat wij kunnen zien zoals God ziet. Maar wat ziet God dan? Hij ziet wat wij niet zien. Wij zijn blind voor hetgeen van onszelf is en denken dat het van God is, terwijl dat in werkelijkheid niet zo is. Wat wij voorheen als goed aanmerkten, veroordelen wij nu door dat licht. Wat wij eerst als juist beschouwden, verwerpen wij thans. Wat vroeger voor geestelijk doorging, onderkennen wij nu als zijnde van de ziel. En datgene, waarvan wij dachten dat het van God was, blijkt van onszelf te zijn en dat weten wij nu. Wij belijden: “Heer! nu pas leer ik mijzelf kennen. Ik ben twintig of dertig jaar lang blind geweest, maar ik heb het niet beseft. Ik heb niet gezien zoals Gij ziet”.

Als wij eenmaal zien zoals de Heer, worden wij bevrijd van de dodelijke last van ons eigen ik. Doordat Hij Zijn werk doet in ons zien wij. Het Woord van God is krachtig want het verlicht ons zodat wij de uitwendige mens afleggen.

Het is niet zo dat u uzelf nadat u Gods Woord gehoord hebt langzamerhand gaat veranderen, alsof het zien één stap is en het afleggen een volgende. Neen, verlicht worden is afleggen. Deze twee gaan altijd samen. Zodra Zijn licht ons treft, komt het vlees in de dood. In dit licht kan geen vlees leven. Op hetzelfde ogenblik dat iemand in het licht komt, werpt hij zich terneder. Het licht heeft de bronnen van zijn vlees opgedroogd.

Geliefden, dit is doeltreffend. Het Woord van God is inderdaad levend en krachtig. God spreekt niet om dan te wachten of u iets opbrengt. Zijn Woord brengt iets tot stand in uw leven. Moge de Heer onze ogen openen om in te zien hoe belangrijk de tuchtiging van de Heilige Geest en Zijn openbaring zijn. Deze beide gaan samen om op afdoende wijze af te rekenen met onze uitwendige mens.

Laten wij opzien tot God om de genade te ontvangen waardoor wij ons in Zijn licht kunnen stellen en zó verlicht te worden dat wij ons voor Hem buigen en erkennen: “Heer, wat ben ik al deze jaren dwaas en blind geweest door ten onrechte te denken dat datgene wat uit mijzelf voortkwam van U was. Heer, wees mij genadig!”.




1   ...   23   24   25   26   27   28   29   30   ...   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina