Cao apg groep tot 1 april 2014 cao inhoudsopgave



Dovnload 0.55 Mb.
Pagina15/24
Datum20.08.2016
Grootte0.55 Mb.
1   ...   11   12   13   14   15   16   17   18   ...   24

Overgangsbepalingen bij hoofdstuk 7 Werk en privé

APG’ers behouden het recht op vakantie-uren en het (huidige en toekomstige) recht op seniorenverlof en/of leeftijdsverlof conform het gestelde in de cao APG.


Werknemers van Cordares behouden het (huidige en toekomstige) recht op leeftijdsverlof en/of aanspraken op basis van de regeling “arbeidstijd oudere werknemers” conform het gestelde in de Cordares cao. Tevens behouden zij het recht op de bestaande vakantie-uren (te weten: 200 uren op basis van een voltijd dienstverband).
APG’ers, die op grond van de overgangsmaatregel gebruik maken van de seniorenregeling, kunnen conform het gestelde in artikel 52 van de cao APG verlofuren gebruiken in het kader van de seniorenregeling.
APG’ers waarop de cao APG van toepassing was wordt in plaats van de Bevrijdingsdag 5/7 (i.v.m. zaterdag en zondag) van een dag bijgeschreven bij het individuele verlof. In de toekomst zal een nader te bepalen waarde worden ingezet voor het flexbudget.
APG’ers waarop de cao APG van toepassing was, behouden het recht op betaald ouderschapsverlof met toepassing van het gestelde in artikel 50 van de cao APG, zulks voor de kinderen geboren vóór 21 oktober 2013 (binnen 42 weken na 31 december 2012).
Op APG- en Cordares werknemers blijven (tot de invoering van de vitaliteitsregeling en/of het flexbudget) de per 31 december 2012 eventueel voor hen geldende regels met betrekking tot de levensloopregeling onverkort van toepassing.
Cordares werknemers behouden onder verrekening van de bijdrage als genoemd in hoofdstuk 7, artikel 12 van deze cao de levensloopbijdrage waarop zij, o.g.v. de Cordares aanspraak hadden. In de toekomst zal 0,65% ingezet worden voor het flexbudget, alsdan geldt voor hun het gestelde in Hoofdstuk 7, artikel 12.
Voor APG’ers vervangt de vitaliteitsbijdrage van hoofdstuk 7, artikel 12 van deze cao de Toeslag Hoofdlijnenakkoord VPL als gesteld in artikel 38b cao APG.
In afwijking van het gestelde in artikel 12 van hoofdstuk 7 van deze cao hebben APG’ers, in dienst op 31 december 2012, die geboren zijn vóór 1 januari 1950 én die vanaf 1 april 1997 zonder onderbreking werknemer zijn in de zin van het FPU-reglement (art. 4, lid 1 jº lid 3 van dat reglement) geen recht op de vitaliteitsbijdrage.
De thans bestaande cao à la carte bij APG en de keuzemogelijkheden arbeidsvoorwaarden bij Cordares worden (tot de invoering van een geharmoniseerde regeling) voortgezet. Dit voor zover mogelijk binnen de betreffende cao en toepasselijke wet- en regelgeving (hierbij kan onder meer gedacht worden aan het vervallen van de spaarloonregeling per 1 januari 2012 en het vervallen van de ATV-dagen bij Cordares).

Overgangsbepalingen bij hoofdstuk 8 Bijzondere vergoedingen


De gewenningstoeslag, waarop werknemers recht hebben op grond van de cao APG, blijft gehandhaafd met toepassing/inachtneming van het gestelde in bijlage VI van de cao APG.
Werknemers waarop de cao APG van toepassing was, die op grond van de cao APG recht zouden hebben op een gratificatie i.v.m. het 12 ½ jarige jubileum ontvangen deze jubileumgratificatie indien zij op uiterlijk 31 december 2014 dit jubileum bereiken, dit berekend overeenkomstig het gestelde in de cao APG.

Voor APG’ers die op 31 december 1995 in dienst waren van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (hierna: ABP) en waarop de overgangsmaatregel in verband met de privatisering van het ABP en de oprichting van de USZO van toepassing is, geldt als diensttijd voor de jubileumgratificatie de diensttijd die op 31 december 1995 als diensttijd voor het ambtsjubileum in aanmerking werd genomen.


Cordares werknemers die op grond van de cao Cordares recht zouden hebben op een jubileumgratificatie van twee maanden bij het 40 jarig dienstjubileum, ontvangen een bruto jubileumgratificatie van twee maanden indien zij op uiterlijk 31 december 2014 hun 40 jarig dienstjubileum bereiken.
Werknemers die o.g.v. de cao APG of cao Cordares recht zouden hebben op een afscheidsgratificatie, ontvangen die afscheidsgratificatie als zij vóór 31 december 2014 de dienst verlaten, conform het gestelde in de voor hun geldende cao.
Werknemers waarop de cao APG van toepassing was en die op 31 december 2012 een toeslag hebben op grond van het gestelde in artikel 39 lid 6, artikel 40, artikel 41 leden 3 en 4 en artikel 43 in de cao APG, behouden deze toeslag(en) met inachtneming van het gestelde in deze artikelen.

Overgangsbepalingen bij hoofdstuk 9 Ziekte en arbeidsongeschiktheid

APG- respectievelijk Cordares werknemers die op 31 december 2012 arbeidsongeschikt zijn wegens ziekte, blijft het gestelde ter zake ziekte en arbeidsongeschiktheid in de voor hen per 31 december 2012 geldende cao’s, van toepassing voor de duur van de ziekteperiode. Dit met uitzondering van de geldende, dwingendrechtelijke wettelijke bepalingen omtrent ziekte en vakantie (bijvoorbeeld opbouw van verlof tijdens ziekte).



Overgangsbepalingen bij hoofdstuk 12 Beëindiging dienstverband

Voor APG’ers geldt het gestelde in hoofdstuk 12, artikel 2, lid 4 van deze cao niet. Voor hen blijft het gestelde in artikel 25, lid 2 van de cao APG (geen cumulatie van opvolgende werkgevers) van toepassing.


Voor APG’ers die op 31 december 2012 in de bemiddelings- of mobiliteitsfase zitten, blijft het gestelde in artikel 4 en artikel 9 lid 1 van Bijlage X van de cao APG onverkort van toepassing. Voor hun geldt het gestelde in punt 6 van onderstaande “Overgangsregeling bovenwettelijke ontslaguitkeringen” niet.

Overgangsregeling bovenwettelijke ontslaguitkeringen

Voor werknemers waarop de cao APG van toepassing was, geldt in geval van eervol onvrijwillig ontslag het volgende.


4.1.Deze overgangsmaatregel is alleen van toepassing op de werknemers waarop de “Regeling preventie, re-integratie en bovenwettelijke aanspraken bij werkloosheid” (cao APG bijlage X, zie bijlage 4 bij deze cao) van toepassing is.

4.2.De duur van de bovenwettelijke ontslaguitkering (aanvulling op de WW-uitkering en de aansluitende uitkering) wordt op 1 januari 2013 vastgesteld en bevroren.

4.3.Vanaf de datum vaststelling duur van de bovenwettelijke aanspraak vindt geen opbouw meer plaats.

4.4.Op 1 januari 2013 wordt het dagloon, dat de grondslag is voor de bovenwettelijke ontslaguitkering, bepaald en bevroren.

4.5.De vastgestelde duur en grondslag worden aan de werknemer schriftelijk meegedeeld en maakt daarmee deel uit van de individuele arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer.

4.6.Op de datum van ontslag wordt, met toepassing van het gestelde in de huidige “Regeling preventie, re-integratie en bovenwettelijke aanspraken bij werkloosheid”, het recht bepaald met dien verstande dat het gestelde in artikel 4 (mobiliteitsfase) én de in artikel 9, lid 1 (cao APG Bijlage X, bijlage 4 bij deze cao) genoemde vermindering van de duur van de aansluitende uitkering met 3 jaar niet meer van toepassing zijn.

4.7.Als op grond van de reden van ontslag geen recht is op een aansluitende uitkering maar wel recht op een WW-uitkering is er recht op de aanvulling op de WW-uitkering. De grondslag voor de aanvulling is de grondslag als bedoeld onder punt 4.

4.8.Als er op grond van de reden van ontslag recht is op een WW-uitkering en op een aansluitende uitkering, dan heeft men recht op de aanvulling op de WW-uitkering en daarna op de aansluitende uitkering. De totale duur van de bovenwettelijke uitkering is de duur als bedoeld in punt 2 van deze overgangsregeling.

4.9.Bij ontslag zonder recht op WW vervalt op de datum ontslag het recht op bovenwettelijke ontslaguitkering.

4.10.Het recht komt tot uitkering met toepassing van het gestelde in de “Regeling preventie, re-integratie en bovenwettelijke aanspraken bij werkloosheid” (cao APG bijlage X).

4.11.Er is geen recht op bovenwettelijke ontslaguitkering vanaf de 65-jarige leeftijd.

4.12.Vanaf de datum einde opbouw van de bovenwettelijke ontslaguitkering (1 januari 2013) heeft men, bij niet te verwijten onvrijwillig ontslag, recht op een uitkering ineens met toepassing van de kantonrechtersformule. Voor de berekening van de factor A (= het aantal gewogen dienstjaren) gelden de dienstjaren vanaf de datum, dat de opbouw van de duur van de bovenwettelijke ontslaguitkering eindigt (1 januari 2013).

4.13.Inkomen uit arbeid of bedrijf, de WW-uitkering, de bovenwettelijke ontslaguitkering en de uitkering ineens op grond van de kantonrechtersformule kunnen gezamenlijk of apart niet hoger zijn dan het gederfd inkomen tijdens de uitkeringsperiode.

4.14.Op de datum ontslag kan de werknemer kiezen of voor de bovenwettelijke ontslaguitkering, zoals bepaald in de punten 1 tot en met 11, aangevuld met een uitkering ineens zoals bepaald in punt 12 of voor de uitkering ineens krachtens de kantonrechtersformule over de volledige diensttijd doorgebracht bij APG Algemene Pensioen Groep N.V., Loyalis N.V. en/of APG Investment Services N.V. en diens voorgangers als genoemd in artikel 1 onder c van de “Regeling preventie, re-integratie en bovenwettelijke aanspraken bij werkloosheid” (bijlage X bij de cao APG).

4.15.Indien bij ontslag gekozen wordt voor alleen een uitkering ineens krachtens de kantonrechtersformule geldt, dat die uitkering niet hoger kan zijn dan het gederfd inkomen tot de AOW-gerechtigde leeftijd. Daarbij zal rekening worden gehouden met de pensioenopbouw op grond van het pensioenreglement ABP en de door de werknemer te bekostigen voortzetting van de pensioenopbouw door de kosten daarvan te verrekenen met de inkomsten uit WW.

4.16.De kantonrechtersformule, die geldt voor de beëindigingvergoeding in het Sociaal Plan is van toepassing tot en met 30 juni 2015.



1   ...   11   12   13   14   15   16   17   18   ...   24


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina