Charles Dickens (1812-1870) en zijn ‘Kerstlied in proza’



Dovnload 22.57 Kb.
Datum21.08.2016
Grootte22.57 Kb.
Charles Dickens (1812-1870)

en zijn ‘Kerstlied in proza’
Een paar jaar geleden, in 2008, verscheen over Dickens een boek met de titel: ‘De man die Kerstmis uitvond’. Akkoord, een bewust uitdagende titel. Maar zeker is het in elk geval dat zijn “Kerstlied in proza”uit het jaar 1843 een ongekende invloed heeft gehad op de wijze waarop het kerstfeest werd, en ook in onze tijd nog wordt gevierd. En dat niet alleen in Engeland.

Op 15 en 16 december a.s., dit jaar mede naar aanleiding van het 200-jarig jubileum van Dickens’ geboorte, herleeft zo de 19de eeuwse Engelse stad in volle glorie in het centrum van Deventer/Nederland. Daar komen ruim 900 personages uit de beroemde boeken van deze Engelse schrijver tot leven: van Oliver Twist tot Scrooge, van Mr. Pickwick tot Christmas Carol Singers, van weeskinderen tot dronkaards, van kantoorklerken tot deftige lieden. Dat Dickens-festijn lokt er jaarlijks blijkbaar meer dan 100.000 bezoekers.
Overpeinzingen aangaande sterfelijkheid
In het Voorwoord op haar recente Dickens-biografie (*) schetst Claire Tomalin een scène waarmee ze leven en werk van Dickens wil typeren – een welkome correctie op een Dickenscultus die zich veelal tevreden stelt met het propageren van een bedenkelijke retromode. Genomen is de scène uit een essay van Dickens met de afstandelijke titel: “Enige overpeinzingen aangaande sterfelijkheid, in zijn nog steeds lezenswaardige bundel ‘De onzakelijke reiziger’. In dat essay van 16 mei 1863 beschrijft Dickens zijn optreden , begin januari 1840, als lid van een volksjury. “Wij waren op de lijst der gezworenen geplaatst om een onderzoek in te stellen naar de dood van een wurm van een kind. Het was de oude ellendige geschiedenis. Of de moeder zich aan het minder zware misdrijf schuldig had gemaakt de geboorte te verheimelijken, dan wel of zij het zwaardere misdrijf had gepleegd het kind te doden, was de vraag welke wij moesten beantwoorden. Wij moesten haar een van beide dingen ten laste leggen.
Het ongelukkige jonge schepsel dat slechts weinige dagen geleden een kind ter wereld had gebracht, werd voor ons gebracht die op onze paardenharen stoelen waren gezeten. Ik herinner me hoe hard haar meesteres voor haar was (ze was een meisje voor alles), en met welk een wrede vasthoudendheid dit stuk deugd haar ongunstige getuigenis nog eens zo zwaar maakte. Ten zeerste getroffen door het jammeren van het geheel alleen op de wereld staande weeskind, waagde ik het de getuige een paar vragen te stellen, welke, naar ik hoopte, een antwoord zouden brengen dat de zaak een gunstige wending zou kunnen geven. Zij gaf die wending zo weinig gunstig als het maar zijn kon, doch het werkte iets goeds uit, en de lijkschouwer, die op edelmoedige wijze geduldig en humaan was, wierp een sterk bemoedigende blik in mijn richting. Wij kregen een nieuwe gunstige wending door een volgende getuige. Bij dat. stadium van de zaak deed ik wederom erg mijn best, er van overtuigd zijnd dat er reden voor was. En tenslotte besloten wij, tot het minder ernstige misdrijf dat slechts de geboorte was verheimelijkt. Het arme verlaten schepsel, dat gedurende onze beraadslagingen buiten het vertrek was gebracht, en nu binnen werd geleid om de uitspraak te horen, viel toen voor ons op haar knieën, onder de plechtige verklaring dat wij gelijk hadden - welke verklaring een der treffendste was welke ik ooit heb gehoord - en werd bewusteloos weggebracht. Ik zorgde er voor dat er enige bijzondere aandacht aan haar werd geschonken toen zij in de gevangenis zat, en ook dat er voor haar verdediging een raadsman aanwezig was toen haar zaak voor de Old Bailey kwam. Haar vonnis was mild, en haar geschiedenis en gedrag hebben uitgewezen dat dit goed is geweest…”

Talloos zijn de voorbeelden in Dickens’ lijvige boeken waarin hij het opneemt voor mensen die door medemensen tot slachtoffer worden gemaakt. Het is bekend hoe ook Dickens zelf, als kind, de dupe en het slachtoffer is geweest van ergerlijke sociale toestanden. Toen zijn vader, met zijn familie, in de gevangenis was terechtgekomen, omdat hij de rekeningen van de bakker niet meer kon betalen, werd Charles – als twaalfjarige – verplicht zijn schoolopleiding te onderbreken en te gaan werken, tien uur per dag, in een Londense schoenpoetsfabriek. Voor de ramen van die fabriek, aan de boorden van de Theems, zat hij met leeftijdgenoten dozen te vullen met schoensmeer en etiketten te plakken.. Heel zijn verdere leven heeft Dickens geleden onder de vernederende situatie uit zijn kindertijd. Aan zijn vriend en eerste biograaf John Forster vertelt hij hierover: "Het komt mij wonderlijk voor hoe men mij op zo'n jeugdige leeftijd aan mijn lot overliet…Je hoorde de ratten in troepen uit de kelders de trap op komen...er was een klein afgesloten hokje waar ik mijn werk zat te doen. Ik moest over de potten schoensmeer eerst een stukje ge-olied en daarover een stukje blauw papier leggen en ze dan beide vastbinden met een touwtje, zodat het eindproduct er uitzag alsof het recht uit de apotheek kwam. Wanneer ik aldus een aantal potten bewerkt had moest ik op ieder een gedrukt etiket plakken…'
Die tijd van trieste ervaringen was tevens een tijd waarin Dickens, heel jong nog, het bonte Londense stadsleven en de eigen wereld van allerhande volksfiguren leerde observeren – een onuitputtelijke inspiratiebron voor zijn latere literaire werk. Men heeft uitgerekend dat in zijn boeken de wisselende avonturen van wel 889 personages worden opgeroepen. In dat verband schrijft G.K. Chesterton: “Hij was de wegbereider voor al zijn personages. In welke uithoeken van de stad zijn karakters ook mochten rondkruipen, Dickens was daar vóór hen geweest. Hoe wild ook de gebeurtenissen, die hij verhaalde alsof ze buiten hem om geschied waren, ze konden niet wilder zijn dan de dingen die in zijn binnenste waren omgegaan. Hoe vreemd ook een Dickensfiguur zijn mag; ze kan moeilijk vreemder zijn dan Dickens zelf. Het hele geheim van zijn geschriften op latere leeftijd ligt besloten in die stille jaren, waarvan geen geschreven woord bestaat”.
Manchester : de schoorsteenpijp van Europa
In de eerste helft van de negentiende eeuw kende Engeland, eerder dan andere Europese landen, de geboortepijnen van de industriële revolutie. Centrum van die beginnende industrialisering was Manchester en omgeving. In het jaar 1685 telde die stad nog maar 6000 inwoners, in 1843 waren het er meer dan 400.000. Vanaf 1842 verbleef er ook gedurende enkele jaren de jonge Friedrich Engels (1820-1895). Diens vader, eigenaar van een katoenfabriek in Manchester, had zijn rebelse telg vanuit Duitsland naar Engeland doen komen ‘om hem mores te leren’. Het onvoorziene nevenaffect van die straf was de publicatie in 1845 van ‘De Toestand van de Arbeidersklasse in Engeland’, gebaseerd op persoonlijke waarnemingen van de jonge Friedrich ter plaatse. In 1848 werd hij mede-auteur van ‘Het Communistisch Manifest’ samen met Karl Marx, en later steunde hij dezelfde Marx financieel bij de voorbereiding en de publicatie van Het Kapitaal (1867).
In het theoretisch debat rond sociale en politieke revolutie heeft Dickens zich nooit gemengd. Hij toonde in feite meer interesse voor geld, voor reizen, voor huizen zo groot als kastelen, dan voor het visioen van een sociale revolutie. Politiek was niet zijn ding: “Schrijven is mijn beroep, mijn bezigheid en mijn plezier”.Maar in heel zijn literaire werk is wel telkens weer de aanklacht te horen tegen de ravages van de maatschappelijke evolutie in zijn tijd. In het 5° hoofdstuk van zijn boek ‘Moeilijke tijden’ (1854) schetst hij een beeld van de industriële stad zoals hij die in het Engeland van zijn dagen leerde kennen: “Een stad is het van machines, van hoge schoorstenen waaruit eindeloze rookslangen opstijgen. Door de stad loopt een zwart kanaal en een rivier die paars kleurt door slecht riekende verf. Hoge gebouwen staan er, met talloze ramen waaruit dag en nacht schurende geluiden opklinken, en waar de piston van de stoommachine eentonig op en neer gaat als het hoofd van een olifant in staat van melancholische verdwazing. Er zijn brede straten die alle lijken op elkaar en vele kleine straten die nog meer op elkaar lijken. En daar wonen mensen die ook op elkaar lijken, die allen in- en uitgaan op hetzelfde uur, met hetzelfde geluid op dezelfde vloer, om hetzelfde werk te doen, en voor wie elke dag dezelfde is als gisteren en als morgen, en elk jaar in niets verschilt van het jaar dat voorbij is of van het jaar dat volgt…”
Een Kerstlied in proza
Op 5 oktober 1843 was Dickens in Manchester uitgenodigd als gastspreker op een benefietavond ten voordele van een lokale technische school, iets wat hij ook al voor een tiental andere sociale projecten in Londen had gedaan. Zo spaarde hij tijd noch moeite om met het geld van een rijke dame, Miss Coutts, een opvangtehuis voor prostituees , Urania Cottage, op te richten en gedurende 12 jaar zorgzaam te beheren. Ook had hij toen reeds een vijftal boeken gepubliceerd, waaronder ‘The Pickwick Papers’ en ‘Oliver Twist’, indirecte aanklachten tegen sociale mistoestanden allerhande.
In Manchester was het dat hij het plan opvatte van zijn Kerstlied in proza. Geen revolutionair pamflet stond hem voor ogen, eerder – zoals hij schreef in het Voorwoord – “een Spookachtig boekje dat de geest oproept van een Idee, die mijn lezers niet boos zal maken, op het jaargetijde of op mij.” In zes weken was hij klaar met zijn boek. Het werd op luxueuze wijze uitgegeven, in tegenstelling met zijn vroegere werk dat als feuilletons in goedkope maandbladen was gepubliceerd. Het verscheen 19 december 1843 op 6000 exemplaren. Vóór Kerstmis was het reeds uitverkocht. In elk volgend kerstseizoen, vanaf 1844 tot en met 1868 - met slechts één uitzondering in 1849 - zou Dickens een kerstverhaal publiceren. Maar het eerste, zijn Christmas Carol in Prose, bleef het halen in populariteit , ook nog in de huidige televisietijd.
“Dickens’ methode om ons een figuur voor ogen te stellen,” schrijft Godfried Bomans, “is fundamenteel anders dan die door huidige romanciers wordt aangewend. De moderne romanschrijver verplaatst zich in het gedachteleven van zijn personen. Hij kruipt in hun huid en leeft hun bewustzijnsleven mee. Hij laat ze als het ware ‘hardop denken’. Dickens deed dit zelden. En als hij het deed, was hij meestal vervelend. Wat hij wèl deed, was ons zijn personen zichtbaar maken. Hij liet ze hun neus snuiten, lopen, zitten, opstaan, praten, lachen, hun keel schrapen en door een lorgnet kijken. Hij beschreef hoe ze eruit zagen: wat voor hoed ze op hadden, hoe de kleur van hun jas was, de stand van hun benen en de manier, waarop ze een glas punch dronken. Dickens maakte ‘typen’. Wij weten eigenlijk niets van het gedachteleven van zijn personages, althans niet direct. Maar wij weten precies wat ze gaan doen. Nergens wordt ons de ‘ziel’ van Micawber in David Copperfield beschreven. Maar wij kennen nauwkeurig de snit, de kleur en het aantal knopen van zijn reusachtig, gebloemd vest en daardoor weten wij alles van het verrukkelijke hart, dat daarachter klopt…”
Ebenezer Scrooge
Een Kerstlied in proza vertelt de geschiedenis van een vrek, Ebenezer Scrooge, die in het begin van het verhaal als volgt wordt beschreven: “Wat was hij een uitzuiger, die Scrooge! Een knijpende.wringende, schrapende, graaiende, hebzuchtige, oude zondaar. Hard en scherp als vuursteen, waaruit nooit enig staal een flinke vonk had geslagen, heimelijk, eenzelvig, en eenzaam als een oester. De koude, die in hem was, verstijfde zijn trekken, verscherpte zijn puntige neus, rimpelde zijn wangen, verstramde zijn gang, maakte zijn ogen rood, zijn dunne lippen blauw en sprak bijtend uit zijn snerpende stem. Vorstige rijm lag op zijn hoofd, op zijn wenkbrauwen en om zijn ongeschoren kin. Hij droeg zijn vriestemperatuur overal met zich mee: in de hondsdagen maakte hij zijn kantoor al ijs en hij deed die kou geen graad ontdooien met Kerstmis.
Warmte kon hem niet verwarmen en winterweer deed hem niet kleumen. Geen wind blies guurder dan hij, geen neerjagende sneeuw was meer op haar doel gericht, geen slagregen onverbiddelijker voor elke smeekbede. Slecht weer had geen vat op hem. De hevigste regen, sneeuw en hagel, noch buien van regen en sneeuw tegelijk, konden er zich op beroemen slechts één ding op hem voor te hebben. Zij kwamen dikwijls nog wat mild neer, en dat deed Scrooge nooit. Niemand hield hem ooit op straat staande om met opgewekt gezicht te vragen: 'Beste Scrooge, hoe gaat het toch met je? Wanneer kom je eens langs?' Geen bedelaar vroeg hem ooit om een aalmoes…Maar wat kon Scrooge dat schelen? Dat was juist wat hij wenste…”
De op één na beroemdste kerstvertelling ter wereld”

Zwarter kan de typering van het hoofdpersonage nauwelijks zijn. Spanning in het verhaal brengt Dickens verder aan met het oproepen van drie geesten of spoken. En in contrast daarmee schildert hij het uitbundige feest van de vrolijke familie Cratchit op kerstavond. Daarmee zijn er literaire elementen genoeg voorhanden om er een model-kerstverhaal mee uit te bouwen. Nodig daartoe is dan wel de hand van een woordartiest als Dickens. Niet zozeer wàt hij verhaalt is belangrijk, maar wel de wijze waarop hij gebeurtenissen tot leven wekt – veelal met het stijlmiddel van de overdrijving. Zonder zijn literaire kwaliteiten en dat steeds weer gehanteerde stijlmiddel, zou Dickens niet meer geweest zijn dan een goedkope feuilletonschrijver. Dat hij echt méér is geweest, zullen we ook nu nog kunnen ontdekken bij het lezen van zijn latere romans en van zijn uitvoerige essays of reportages in ‘De onzakelijke reiziger”.



In zijn opstel “De op één na beroemdste kerstvertelling ter wereldvat Godfried Bomans samen – en ook hij mijdt de overdrijving niet:

“De charme van het verbodene brengt een element van geheimzinnigheid, van lichte huiver, ook wanneer de auteur een beunhaas is. Ziedaar de reden, waarom zeer ontwikkelde, ja, kieskeurige mensen regelmatig 'thrillers' lezen. En hier zijn we meteen aan de kolossale prestatie van Dickens: hij beschreef in zijn Kerstlied in proza een bekeringsgeschiedenis alsof het een thriller was. Door het oproepen van spoken, duisternis, mist, een oud huis en geluiden die uit de kelder opstijgen, suggereert hij de atmosfeer van het ontzettende, het adembenemende. En het adembenemende blijkt te zijn een slecht mens, die goed wordt. Voelt de lezer zich bedrogen? Neen. Want dit is adembenemend. Dit is zó adembenemend, dat God zelf daarvoor is mens geworden. Heel de bedoeling van de gebeurtenis in Bethlehem is geen andere, dan om dit avontuur te bewerken. En heel de zin van ons verblijf op aarde is geen andere, dan om deze thriller een happy ending te geven. Wij zijn allen Ebenezer Scrooges, voortdurend bezocht door geesten en voortdurend twijfelend aan hun bestaan.

Heeft Dickens de betekenis van zijn boodschap zó gewild? Of liever, schreef hij met de vooropgezette bedoeling, als hierboven uiteengezet? Neen. De waarheid is, dat hij dit meesterwerk schiep met geen ander verlangen dan om geld te verdienen. Zijn laatste boek op dat moment, Martin Chuzzlewit , was financieel een mislukking geworden en Dickens wilde, door deze nieuwe vertelling in eigen beheer uit te geven, er met één slag bovenop komen. Slaagde hij hierin? Wederom neen. En tot zijn grote woede. Wij staan hier voor de komische paradox, dat Scrooge in één nacht een onbaatzuchtig mens wordt, terwijl Dickens, na de rekening van het batig saldo ontvangen te hebben, op 10 februari 1844 aan zijn vriend Forster schreef: “Gisteravond kreeg ik de verkoopcijfers van mijn Christmas Carol en ik heb de hele nacht geen oog dichtgedaan. Schoften zijn het, die uitgevers! Een smerige tweehonderd pond is al, wat ze me gestuurd hebben! Maar ik zal 't ze betaald zetten, de ellendelingen! Kom zo spoedig mogelijk hier, ik beef van woede . . .”

Harry Gielen



Uit: Het Teken, dec. 2012

Bronnen:
Charles Dickens, Kerstverhalen en Kerstvertellingen (I en II) , Het Spectrum, z.d.

Idem, De onzakelijke reiziger, Het Spectrum, z.d.

Claire Tomalin, Charles Dickens. A Life, Penguin Books, 2011

Godfried Bomans, Dickens, waar zijn uw spoken?, Elsevier, 1972






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina