Chemie derde graad tso



Dovnload 1.05 Mb.
Pagina4/17
Datum22.07.2016
Grootte1.05 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   17

      1. Virussen: bouw en voortplanting (U)

        LEERPLANDOELSTELLINGEN

        DIDACTISCHE WENKEN

        65

        Aan de hand van een typevoorbeeld, bouw en voortplanting van een virus bespreken. (U)

        Via het uitwerken van een typevoorbeeld kan men belangrijke verschillen tussen een bacterie en een virus wat bouw en voortplanting betreft duidelijk maken. Hieraan gekoppeld kan ook duidelijk gemaakt worden dat antibiotica tegen virussen niet werken.

      2. Onze afweer tegen micro-organismen (U)

  • Pathogeen vermogen van micro-organismen

  • Onze afweersystemen

  • Allergieën

  • Preventie en bestrijding van infecties


LEERPLANDOELSTELLINGEN

DIDACTISCHE WENKEN

66

Een inhoud geven aan de begrippen besmetting, infectie, pathogeen vermogen, virulentie en immuniteit. (U)

De begrippen worden aan de hand van concrete voorbeelden uitgelegd.

67

De afweersystemen waarover een organisme beschikt, omschrijven en schematisch voorstellen. (U)

Tegen vreemde stoffen die het lichaam binnendringen bezit het organisme een niet-specifiek en een specifiek afweersysteem, elk met hun typische witte bloedcellen.
Men kan wijzen op het falen van het immuunsysteem bij aids en op het feit dat virussen of bacteriën kunnen muteren, zodat het lichaam niet altijd een snelle en gepaste afweer kan opbouwen.
Men kan eveneens aanhalen dat het immunologisch systeem verantwoordelijk is voor de afstotingsverschijnselen bij orgaantransplantaties en dat men deze afstoting met bepaalde medicamenten (immuun suppressieve stoffen) kan onderdrukken.
Ook lichaamseigen cellen die ontaard zijn en niet meer naar behoren kunnen functioneren, kunnen ook door het afweersysteem vernietigd worden. Hierdoor krijgen kankercellen niet altijd de kans om hun, soms desastreus, werk te verrichten.
Hier kan wat ruimte gecreëerd worden om enkele klassieke bloedproeven uit te voeren.
Enkele suggesties vind je onder practicum 12 ‘Bloed en lymfe’

68

Het begrip allergie omschrijven. (U)

Allergie wordt omschreven als een overgevoeligheid van het immuunsysteem. De rol van histamine en het gevaar voor shock kunnen behandeld worden.

69

Methoden van preventie en bestrijding van infecties bespreken. (U)

Vaccinatie, serumtherapie, het correct gebruik van antibiotica … kunnen hier besproken worden.
Voor vaccinatie kan vanuit een historische context vertrokken worden (koepokvirus).

    1. Suggesties voor practica

  • Er moeten minstens 3 lesuren leerlingenpractica worden voorzien per leerjaar.

  • Indien meer dan 2 graadsuren ingericht worden, dan lijkt het wenselijk dat 1/3 van de beschikbare tijd aan leerlingenpractica (gespreid over de leerstof) besteed wordt.

Practicum 1: Microscopische studie van cellen

In een eerste microscopisch practicum is het wenselijk dat de bouw van een microscoop kort wordt herhaald en dat er aandacht besteed wordt aan het nauwkeurig instellen van een microscoop. Er kan bv. best eerst een geleide oefening gegeven worden op het gebruik van diafragma en condensor om een optimaal beeld te bekomen.


Uit het practicum kunnen leerlingen volgende inzichten afleiden:

  • planten en dieren zijn cellulair opgebouwd;

  • cellen hebben een zelfde bouwpatroon, maar kunnen onderling verschillen;

  • cellen van planten en dieren verschillen duidelijk van elkaar.

Verschillende microscopisch waarneembare celorganellen worden geobserveerd, benoemd en kunnen in een overzichtstabel genoteerd worden.

In de onderstaande tabel zijn enkele mogelijkheden van microscopie van cellen opgenomen, die het mogelijk maken verschillende celorganellen duidelijk te laten observeren.



Cel

celwand

cytoplasma-
stroming


cytoplasma

chloroplast

chromoplast

vacuole

kern

zetmeel

kristal

Rokvlies
rode ui

x













x

x







Vruchtvlees
sneeuwbes

x













x

x







Schroefwier

x







x




x

x







Kurk

x

























Aardappel

x



















x




Vruchtvlees tomaat

X










x













verdroogd buitenste rokvlies ui

X





















x


Eendekroos

X






















x

Mosblad

X




x

x
















waterpestblad

X

x

x

x
















meeldraadharen

ééndagsbloem



X

x





















Aangezien dierlijke cellen over het algemeen kleiner zijn dan plantaardige is directe observatie op levende dierlijke cellen niet eenvoudig. Cellen van het mondepitheel (binnenzijde van de wang) kunnen als voorbeeld genomen worden. In andere gevallen is het aangewezen gebruik te maken van vaste preparaten. Geschikte preparaten zijn een doorsnede door niermerg, speekselklieren, talgklier ...

Afmetingen van cellen kunnen bij benadering bepaald worden door gebruik te maken van een micrometeroculair, micrometerdekglaasjes of tabellen met de diameter van het microscopisch veld bij verschillende oculair- en objectiefvergrotingen.

Practicum 2: Submicroscopische structuur van cellen

Aan de hand van elektronenmicroscopische foto’s van celdelen wordt nagegaan hoe verschillende celorganellen opgebouwd zijn. Door metingen op de figuren kunnen, door rekening te houden met de gegeven (kwadratische) vergroting, de afmetingen van organellen (en hun delen) bij benadering bepaald worden.


Volgende organellen kunnen bestudeerd worden: kern, mitochondriën, chloroplasten, Golgi-apparaat, lysosomen, vacuolen, zetmeelkorrels, ruw en glad endoplasmatisch reticulum en ribosomen.
Foto’s en informatie van celorganellen kunnen gezocht worden op het internet, cd-rom of bestudeerd worden in boeken.

Practicum 3: Diffusie en osmose

  • Diffusie

Het fysisch verschijnsel diffusie kan onder andere met kaliumpermanganaat, methyleenblauw ... in water en met een open flesje parfum in lucht verduidelijkt worden. Je kan ook een filtreerpapier, doordrenkt met een fenolftaleïneoplossing, boven op een bekerglas met enkele ml ammoniakoplossing leggen.
Een hogere temperatuur stimuleert het diffusieproces.

  • Plasmolyse, deplasmolyse, osmose

Als smaakmaker om plasmolyse en deplasmolyse aan te tonen worden twee eieren, waarvan de schaal door azijnzuur werd verwijderd, in gedestilleerd water respectievelijk in een sterke zoutoplossing gebracht. Doorprikken geeft een ‘fonteintje’ bij het ei dat uit gedestilleerd water komt.
Plasmolyse en deplasmolyse van plantencellen kunnen vrij goed microscopisch geobserveerd worden door een rokvlies van een rode ui, de opperhuid van een kroonblad van een tuinpelargonium of meeldraadharen van de ééndagsbloem (Tradescantia) in een hypertone en daarna in een hypotone oplossing te brengen.
Door aardappelreepjes in milieus met verschillende concentraties te brengen, kan men de processen plasmolyse en deplasmolyse kwantitatief benaderen en de osmotische waarde van een cel bepalen.
Plasmolyse en deplasmolyse kunnen verklaard worden met het fysisch verschijnsel osmose.
Een celbegrenzing kan gesimuleerd worden door een dialysehuls (selectief permeabel); de vacuole met celsap kan als model nagebootst worden door bv. een glucoseoplossing die in de dialysehuls gebracht wordt en in een beker of maatcilinder in gedestilleerd water gehangen wordt. De turgor van de cel neemt toe en men kan afleiden dat wateropname door een 'cel' gebeurt door osmose.
Aansluitend hierbij kan het barsten van rode bloedcellen, pantoffeldiertjes … in gedestilleerd water vermeld worden. De osmotische waarde van celoplossing en celomgeving regelt de zin van het watertransport.

Practicum 4: Enzymen

  • Door een biureettest (xanthoproteïnetest, ninhydrinetest …) kan aangetoond worden dat enzymen eiwitten bevatten.

  • Verschillende factoren die de katalytische eigenschappen van enzymen beïnvloeden kunnen onderzocht worden: temperatuur, pH, denaturatie, inhibitoren … Dit kan gebeuren met ‘klassieke’ proeven waarbij de afbraak van zetmeel met amylase/pancreatine of de afbraak van eiwitten met pepsine onder verschillende omstandigheden kan gevolgd worden.
    Er kan eveneens gebruikgemaakt worden van real-time-metingen op pc: de afbraak van ureum door urease veroorzaakt een elektrisch meetbare verandering die door een geleidbaarheidsmeting met de computer te volgen is; de vertering van romige volle melk door lipase leidt tot de vorming van vetzuren die met behulp van een pH-sonde kan geregistreerd worden ...

  • Het beter verteerbaar maken van melk met behulp van geïmmobiliseerd lactase, het bereiden en het klaren van appelsap, de activiteit meten van met enzymen verrijkte wasmiddelen … illustreren dan de biotechnologische, economische en ecologische aspecten van enzymen.

Practicum 5: Fotosynthese

  • De basisexperimenten van het fotosyntheseproces zoals opname van CO2, vorming van O2 en zetmeel kunnen herhaald worden (cf. de eerste graad).

    Verschillende factoren die het fotosyntheseproces beïnvloeden kunnen nagegaan worden:



  • golflengte van het licht;

  • lichtsterkte;

  • temperatuur;

  • CO2-concentratie;



De snelheid van blauwkleuren in de indigokarmijnproef of het aantal gasbellen per tijdseenheid zijn een maat voor de fotosyntheseactiviteit. Er kan eveneens gebruikgemaakt worden van real-time-metingen op pc waar de O2-productie of de daling van de CO2-concentratie onder verschillende omstandigheden kan nagegaan worden.

  • Chloroplasten kunnen met sterke vergroting in een blad van waterpest onderzocht worden. Belichte en niet belichte bladeren van waterpest kunnen ontkleurd worden met ethanol 70 %. Door toevoeging van een druppel KI3 kan de aanwezigheid van zetmeel in de bladgroenkorrels van de belichte bladeren aangetoond worden of kunnen de katalytische eigenschappen van geïsoleerde chloroplasten via de Hill-reactie onderzocht worden
    Een stukje opperhuid van de onderzijde van een blad van prei, ééndagsbloem, Pelargonium … kan onderzocht worden op de aanwezigheid van huidmondjes. Met behulp van een dwarsdoorsnede van een blad (zelf gemaakt bijvoorbeeld met hulst of een handelspreparaat) kunnen verdere aanpassingen van het blad aan de fotosynthese afgeleid worden.

  • Met bladpigmenten kunnen volgende practica uitgevoerd worden:

  • extractie van pigmenten uit een blad;

  • scheiding van pigmenten in vetoplosbare en wateroplosbare componenten;

  • chromatografie van fotosynthesepigmenten;

  • bepalen van het absorptiespectrum van bladgroen met een spectrometer.

Practicum 6: Ademhaling en gisting

  • Bepalen van het ademhalingsquotiënt en het zuurstofverbruik.
    In erlenmeyers worden op vochtige watten respectievelijk zetmeelrijke zaden (bonen, tarwe ...) en olierijke zaden (koolzaad, vlas ...) te kiemen gezet. De erlenmeyers worden afgesloten met een stop waarin een glazen buis steekt. Het geheel wordt omgekeerd in een recipiënt met water gestoken. Men zorgt ervoor dat de vloeistofniveaus in de buizen even hoog staan.
    Door vergelijking met een opstelling zonder zaden wordt nagegaan welk volumeverschil er optreedt in de onderscheiden erlenmeyers.
    Waar het vloeistofniveau in de buis gelijk gebleven is, is er evenveel O2-verbruik als CO2- productie. Waar het vloeistofniveau gestegen is, overtreft het O2- verbruik de CO2- productie. Men bepaalt aldus V(O2) – V(CO2)

    Uit de reactievergelijking van de oxidatie van glucose en van een vetzuur met evenveel


    C-atomen, wordt afgeleid hoe groot het respiratorische quotiënt in beide gevallen is. Door de proefresultaten te vergelijken met de gegevens van de theoretische berekening wordt afgeleid welke energierijke verbindingen door de respectieve zaden geoxideerd worden.

    Men kan het respiratorische quotiënt ook uit de proef berekenen indien men proefopstellingen voorziet met KOH dat het gevormde CO2 absorbeert. Men leest dan de V(O2) af. Hieruit zijn dan V(CO2) en het respiratorische quotiënt te berekenen.

    Deze proeven kunnen eveneens uitgevoerd worden met dieren (bv. meelwormen, aardwormen, pissebedden ...).


In de literatuur kan de waarde opgezocht worden van het gemiddelde ademhalingsquotiënt van een mens. Hieruit kan geconcludeerd worden dat ook bij de mens de ademhaling waarschijnlijk deels op oxidatie van vetten berust.

Het O2-verbruik en het respiratorische quotiënt zijn ook door real-time-metingen op pc te bepalen.



  • Gisten en gisting
    Aan de hand van een aantal eenvoudige proeven kunnen gisten en gisting belicht worden. Het vermenigvuldigen door knopvorming kan waargenomen worden.
    Een preparaat van een bakkersgistsuspensie in een warme suikeroplossing kan met een druppel KI3 gekleurd worden.
    Een vitaalkleuring van gistcellen kan gebeuren door een gistsuspensie te kleuren met een druppeltje gebufferde waterige methyleenblauwoplossing van 0,01 %: dode gistcellen kleuren donkerblauw, verzwakte gistcellen lichtblauw en levende gistcellen blijven kleurloos.

    Met volgende proeven kan men een idee krijgen van de chemische reacties die tijdens de ademhaling van gistcellen plaatsvinden:



  • aard van het gas dat gisten tijdens de ademhaling in een anaëroob milieu produceren en de

  • invloed hierbij van de temperatuur;

  • type alcohol dat geproduceerd wordt;

  • sachariden die gisten kunnen verademen;

  • ...

Het is belangrijk de leerlingen er op te wijzen dat, waar enigszins mogelijk, een referentie-, blanco- en testproef moeten uitgevoerd worden. Het gebruik van een pc kan hier aanbevolen worden.

  • Alcoholische gisting
    Alcoholische gisting kan geïllustreerd worden bij bier- en wijnbereidingen. Wijn kan op een eenvoudige manier bereid worden uit rabarbersap of uit een ander fruitsap.
    Belangrijke aandachtspunten zijn:

  • aseptisch werken;

  • zuurconcentratie;

  • relatie suikergehalte-alcoholgehalte;

  • praktische en biochemische aspecten van het gistingsproces.

Het alcoholgehalte van de wijn kan worden berekend en de wijn kan gedestilleerd worden. Documentatie hierover is vrij gemakkelijk te bekomen via de handel, wijn- en bierverenigingen en de grote brouwerijen. Het is aan te raden de leerlingen zelf de documentatie te laten verzamelen. Ook een studiebezoek aan een brouwerij behoort tot de mogelijkheden.

    Practicum 7: DNA en celdelingen

    Reuzenchromosomen in de speekselklieren van larven van muggen en fruitvliegen


    Reuzenchromosomen zijn goed waar te nemen in de speekselklieren van Chironomus sp. of Drosophila sp. Vedermuglarven (Chironomus sp.) zijn praktisch het hele jaar door te koop in de aquariumhandel als levend visvoer. Het kweken van fruitvliegjes (Drosophila) levert weinig moeilijkheden op. De larven in het derde stadium (deze kruipen omhoog tegen de wand om te gaan verpoppen) zijn bruikbaar.
    De diertjes worden gedood in azijnzuur (45 %). De vedermuglarve wordt na het derde borstsegment dwars doorgesneden. De inhoud van het voorste deel wordt vanaf de kop naar buiten gedreven. De speekselklieren zijn twee kleine gelatineuze blaasjes aan weerszijden van de slokdarm.
    De fruitvlieglarve wordt bij de kop en het achtereind vastgenomen; er wordt getrokken tot de huid openscheurt. De kristallijn doorzichtige speekselklieren blijven aan de kop vastzitten.
    De speekselklieren worden gekleurd met orceïne-azijnzuur en nadien gewassen met azijnzuur 45 % zodat enkel het DNA fel gekleurd blijft. Tenslotte worden de speekselklieren geplet en onder microscoop onderzocht (squashtechniek).

  • Modelbouw van DNA
    In de handel zijn modelbouwpakketten van DNA te verkrijgen. Met wat creativiteit kunnen de bouwsteentjes van DNA zelf ontworpen worden. Interactieve simulaties over de structuur van DNA kunnen op internet gevonden worden.

  • Microscopie van mitose en meiose
    De studie van mitose kan gebeuren op een pletpreparaat van worteltoppen van een ui, die niet met groeiremmers werd behandeld. De bol wordt eerst enkele dagen vooraf geplaatst boven een bekertje of een bolglas met water. De worteltoppen worden liefst 's morgens afgeknipt; ze worden 1 minuut in een HCl-oplossing 1 mol/l bij 50° C gebracht zodat de cellen bij het squashen gemakkelijker kunnen gescheiden worden. HCl wordt weggespoeld en de worteltopjes van 2 à 4 mm worden geplet en gekleurd met karmijnazijnzuur of orceïne-azijnzuur.
    Vaste preparaten van zowel mitose als meiose zijn te verkrijgen in de handel.

Practicum 8: Voortplanting

  • Microscopie van voortplantingsorganen en voortplantingscellen
    Micropreparaten van testis en ovarium met follikels (uiteenlopende stadia) kunnen bestudeerd worden.
    Je kunt levende zaadcellen bekomen bij een veebedrijf waar kunstmatige inseminatie wordt toegepast. De frequentie van abnormale en normale zaadcellen kan bepaald worden.

Practicum 9: Erfelijkheid

  • Meten van variabiliteit en opstellen van een modificatiecurve
    Door waarnemingen op een organisme van dezelfde soort of delen ervan (aantal ribben bij kokkels, lengte van bladeren van een boom, lengte of massa van bonen, verschillen bij katten...) kan vastgesteld worden dat er onderlinge verschillen zijn.
    De metingen worden in klassen gegroepeerd, het klassengemiddelde wordt berekend en het aantal organismen in elke klasse wordt bepaald. De gegevens worden grafisch voorgesteld en de variabiliteit wordt beschreven en verklaard. Hier kan nuttig gebruikgemaakt worden van ICT.

  • Onderzoek van het overervingsmechanisme van tongrollen, daltonisme ...

  • Om het overervingsmechanisme van tongrollen, losse/vaste oorlel... na te gaan kunnen leerlingen op school een steekproef doen door bv. 100 leerlingen naar de aanwezigheid van een bepaald kenmerk te onderzoeken. Deze gegevens worden verzameld en het mogelijk overervingsmechanisme kan afgeleid worden. Die gegevens kunnen ook dienen als materiaal voor de berekening van de frequentie en de verspreiding van allelen in een populatie.

  • Voor het onderzoek van het overervingsmechanisme van daltonisme vertrekt men best van een stamboomanalyse. Vooral bij stamboomonderzoek is het belangrijk dat de leerlingen er op gewezen worden dat het niet volstaat slechts één hypothese te testen, ook al blijkt die in overeenstemming te zijn met de gegevens. Mogelijk kunnen gegevens uit dezelfde stamboom ook worden uitgelegd aan de hand van een ander overervingsmechanisme.

  • Kweken en kruisen van fruitvliegjes
    Fruitvliegjes (Drosophila) zijn geschikt voor het illustreren van de wetten van Mendel. Het kweken en het kruisen van het proefdier stelt weinig moeilijkheden, maar zuivere stammen worden best aangekocht. Ze vertonen een aantal erfelijke kenmerken die met het blote oog gemakkelijk vast te stellen zijn. De hele levenscyclus duurt ongeveer 12 dagen zodat in korte tijd meerdere generaties kunnen bestudeerd worden. Kruisingsgegevens kunnen statistisch verwerkt worden.

Practicum 10: Biotechnologie

  • Extractie van DNA
    De DNA-extractie kan gebeuren met uien, kiwi's … Aan 100 ml water voegt men 3 g keukenzout en 10 ml detergens toe. Versnipperde uien, kiwi’s … worden in het detergensmengsel gebracht, gedurende 15 minuten in een warmwaterbad van 60°C geplaatst en daarna 5 minuten gekoeld in ijswater. De uiensnippers worden gedurende 5 seconden gemixt. De kiwi's hoeven niet gemixt te worden. Het mengsel wordt gefilterd met een koffiefilter. Het filtraat vangt men op in een proefbuis. Voor ui is het aan te raden een spatelpuntje protease (bv. pepsine) aan het filtraat toe te voegen. Laat men nu voorzichtig ijskoude ethanol op het filtraat vloeien, dan zullen er op het scheidingsvlak plantenextract-ethanol dunne witte slierten van DNA gevormd worden. Een orceïne-azijnzuurkleuring bevestigt de DNA-extractie.

  • De polymerase-kettingreactie en DNA-sequencing kunnen in de klas gesimuleerd worden met papieren modellen. Alle werk- en instructiebladen zijn te vinden in syllabi van diverse navormingen.

  • DNA-elektroforese
    Behalve via interactieve animaties die men op internet kan vinden, kunnen DNA-stalen ook in het labo met elkaar door gel-elektroforese vergeleken worden. Het materiaal nodig voor de proef en de beschrijving van de proef zijn gratis bij VIB (www.vib.be) te bekomen.

  • Een aantal proeven in verband met biotechnologie (bv. geïmmobiliseerde gistcellen, genoverdracht door Agrobacterium tumefaciens vindt men onder http://eibe.info/ .
    Voor meer gesofisticeerde proeven kan men terecht op volgende website: www.roche-applied-science.com/labfaqs/ . Het boekje ‘Roche Applied Science – Lab Faqs’ kan bij de firma besteld worden.

  • Men kan ook een bezoek brengen aan gespecialiseerde labo’s en daar eventueel een practicum uitvoeren.

Practicum 11: Microbiologie

  • Kleuring en microscopie van bacteriën
    Men kan vertrekken van hooiculturen of van verse (levende yoghurt) om kleuringen uit te voeren. Men zou minstens een enkelvoudige kleuring (met bv. Loefflers methyleenblauw, kristalviolet) en een gedifferentieerde kleuring bv. de Gramkleuring moeten uitvoeren.
    Wanneer men een Gramkleuring uitvoert op verdunde yoghurt, contrasteren de blauwpaars gekleurde streptokokken en lactobacillen (beide Grampositieve bacteriën) tegen de rozig gekleurde eiwitcomplexen. Gramnegatieve bacteriën kunnen in een klinisch laboratorium verkregen worden.
    Bij onderzoek van tandflora met bv. een negatieve kleuring (met nigrosine of Oost-Indische inkt) kunnen soms spirillen waargenomen worden.
    Bacteriën worden bestudeerd met microscopen die uitgerust zijn met immersie-olie-objectieven.

  • Steriele voedingsbodems bereiden en beënten
    Door een petriplaat met een algemene voedingsbodem een 30-tal minuten aan de lucht bloot te stellen of in contact te brengen met een geldstuk, een bodemoplossing … en deze in een broedstoof gedurende één dag bij 37 °C te plaatsen, kan men aantonen dat de lucht, een geldstuk, de bodem ... voor een indirecte overdracht van micro-organismen zorgen. De begrippen voedingsbodem, kolonie en besmetting kunnen aangebracht worden. Men kan wat dieper ingaan op de soorten voedingsmedia. Deze kunnen onder meer ingedeeld worden volgens de aggregatietoestand en volgens de samenstelling (algemene, verrijkte, selectieve … media).
    Door voedingsbodems in contact te brengen met bv. vuile, gewassen, ontsmette ... vingers kan het belang van hygiëne en steriliteit (bv. in operatiekamer) aangebracht worden. Verschillende sterilisatietechnieken kunnen behandeld worden: autoclaveren, steriliseeroven, flamberen, ioniserende stralen en chemische desinfectantia.
    Verscheidene enttechnieken (gefractioneerde streepenting, vijfhoekenting ...) kunnen aangeleerd worden bij het maken van een microbiologische vergelijking tussen steriel water, leiding- en slootwater, bij het nagaan van het effect van pasteuriseren, steriliseren en UHT-behandeling van rauwe melk ...
    Uiteraard moeten de kiemen na groeibeoordeling vernietigd worden, voor ze bij het afval terechtkomen.

  • Factoren die de groei van bacteriën beïnvloeden
    Het effect van verschillende factoren op de groei van bacteriën kan men via een eenvoudige praktische oefening over voedselbewaring (of -bederf) illustreren. Men brengt telkens drie pas ontdooide diepvrieserwten in verschillende omstandigheden: in een koelkast, in een broedstoof (30°C), in gedestilleerd water, in een verdunde zoutoplossing, in een sterk geconcentreerde zoutoplossing, in een suikeroplossing, in azijn, in een NaNO2-oplossing ... Men vergelijkt na twee dagen de verschillende erwten en oplossingen. Wanneer er bacteriën groeien, is de oplossing troebel en zien de erwten er niet fris uit.
    Om de werking van ontsmettingsmiddelen te illustreren kan een proef opgezet worden gebaseerd op het principe van een antibiogram. Voedingsbodems worden dan geënt met een zuivere cultuur van bacteriën (bv. geïsoleerd uit lucht of grond of verkregen vanuit een klinisch laboratorium) waarop dan steriele schijfjes filtreerpapier gedrenkt in verschillende ontsmettingsmiddelen worden gelegd. Na twee dagen incuberen kan de eventuele remmende invloed uit de inhibitiezones afgelezen worden.
    Een 'echt' antibiogram wordt uitgevoerd met schijfjes filtreerpapier gedrenkt in verschillende antibiotica.

  • Sporenvorming bij bacteriën
    Sporenvorming kan men bekomen door sporenvormende reinculturen te laten verouderen (bv. door een tweetal weken te laten staan). Men kan dan eventueel een sporenkleuring uitvoeren. Men kan ook gebruik maken van Bactisubtil ( te verkrijgen in de apotheek): het is een gevriesdroogde cultuur van Bacillus subtilis die bij diarree kan ingenomen worden om de darmflora te herstellen.
    Het gevaar voor sporenvorming in de voeding (bij het terug invriezen van ontdooid voedsel) kan men gemakkelijk aantonen door diepvrieserwten die al gedurende 24 uur ontdooid zijn, te vergelijken met pas ontdooide diepvrieserwten. Men plet beiden in 5 ml steriel water en brengt dan 1 ml van de pas ontdooide en
    1 ml (100 maal verdund) van de 24 uur-erwten in een steriele voedingsbodem. Na twee dagen vindt men dan gemiddeld veel meer kolonies terug bij de 24 uur-erwten (zelfs al is de suspensie 100 maal verdund).

  • Bepalen van het aëroob kiemgetal
    Men kan de kwaliteit van bv. melk bepalen door na te gaan of er nog een aanvaardbaar aantal micro-organismen aanwezig is in de melk. Dit aantal kan men te weten komen door het kiemgetal te bepalen.
    Voor het bepalen van het aëroob kiemgetal gebruikt men best de telplaatmethode. Deze methode bestaat hierin dat een afgemeten hoeveelheid van het monster met geschikte voedingsbodem in een petrischaal gebracht wordt. Na incubatie bij een bepaalde temperatuur en gedurende een zekere tijd ontstaan afzonderlijke bacteriekolonies die met het blote oog kunnen geteld worden. Men gaat hierbij uit van de veronderstelling dat elke kolonie afkomstig is van het vermeerderen van één bacterie. Het aëroob kiemgetal is het aantal kweekbare bacteriën onder aërobe omstandigheden. Bacteriën die enkel kunnen leven in een anaëroob milieu worden niet geteld.
    Daar het aantal bacteriën in melk groot is, zal het opstellen van een verdunningsreeks noodzakelijk zijn.
    Een geschikte voedingsbodem voor het bepalen van het kiemgetal van melk is 'Milk Plate Count Agar'.

Practicum 12: Bloed en lymfe


1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   17


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina