Cirkelen om een centrum 35 Jaar interviewcollectie bij Stichting Film en Wetenschap



Dovnload 133.55 Kb.
Pagina1/3
Datum26.08.2016
Grootte133.55 Kb.
  1   2   3
Cirkelen om een centrum

35 Jaar interviewcollectie bij Stichting Film en Wetenschap
Mieke Lauwers
To tell a story is to take arms against the threat of time. The story preserves the teller from oblivion and erosion; the story builds the teller, his identity, the trace he will leave in time.

In order for the teller to recover himself from time, and to forward himself into time, the tale has to be preserved. This applies to individual as well as to collective tales: to the myths which shape the identity of the group as well as to the personal recollections which shape the individual's.
Alessandro Portelli1

In het najaar van 1996 verschijnt in de reeks SFW-Werkuit­ga­ven een inventari­satie van de totale serie interviewcollecties die bij Stichting Film en Wetenschap (SFW) is onderge­bracht.2 Een goede reden om terug te blikken op bijna 35 jaar collec­tie­vorming, die be­gin jaren zestig bij het Instituut voor Geschie­de­nis van de Rijksuniversiteit Utrecht een aanvang nam en vanaf 1970 tot op de dag van vandaag bij SFW wordt voortgezet. De collectie beslaat momenteel zo'n 1500 uur en omvat een kleine 1100 interviews met ruim 1050 personen. Zij bestaat voornamelijk uit materiaal dat is gemaakt ten behoeve van de (histori­sche) wetenschap en de journalis­tiek. Onder inter­views verstaan we hier overigens uitsluitend 'ruwe' interviews, basismateri­aal zonder coupures. Alle eventuele (meer of minder gemon­teerde) interviews die zich in de rest van de overigens aanzienlij­ke ­collectie van SFW bevinden, blijven dus buiten beschou­wing.

De interviewmethode en het gebruik ervan maakte in de onderhavige periode in Ne­derland belangrij­ke ontwikkelingen door, direct samenhangend met maat­schappelij­ke proces­sen die hun uitwerking ook op weten­schap en journalis­tiek niet misten. In die jaren ook werd het begrip oral history geïntroduceerd om de methode aan te duiden. Vanzelf­sprekend ope­reer­de SFW niet in een vacuüm en hoewel maar een beperkt deel van de grote hoeveelheid interviews die overal werd afgenomen in haar depots terecht kwam, lieten de externe ontwik­kelin­gen in dit opzicht haar niet onbe­roerd. Dat vond niet alleen zijn weerslag in de collectie zelf maar betekende tevens dat SFW regelmatig betrokken raakte bij pogingen vanuit met name de wetenschap om te komen tot een organisatorische basis voor de oral history prak­tijk in Nederland. In het hiernavolgen­de wordt bekeken hoe de wissel­wer­king tussen SFW en weten­schap en journalis­tiek enerzijds de vorming van haar interviewcollec­tie beïnvloedde en anderzijds haar rol bepaalde als onderdeel in de zoektocht die met tussenpozen werd onderno­men in de richting van een centrum voor oral history in Nederland.

Pionieren
Geluidsarchief

Het waren foto's die de directe aanleiding vormden voor de start van de interviewcollec­tie in 1962. R.L. (Rolf) Schuur­sma, medewerker van het Instituut voor Geschiedenis van de Rijks­universiteit Utrecht (RUU), las in de Haagse Post een serie vraaggesprekken met prominente Nederlanders. Het trof hem dat op de foto's die tijdens de interviews waren gemaakt en ter illustratie bij de artikelen waren afgedrukt, steeds een bandrecor­der zicht­baar was. Hij trok daaruit de voor de hand liggende conclusie dat er van de interviews bandopnamen waren gemaakt en vermoedde dat die wel eens meer interview­tekst zouden kunnen bevatten dan uiteindelijk in het weekblad terecht was gekomen. Hij nam contact op met de redactie en verzocht haar de mogelijk­heid te overwegen om de banden over te dragen.3 Het was de twee­de belangrijke stap in de ontwikkeling van het Historisch Ge­luidsarchief en de eerste in een reeks die zou leiden tot de huidige interview­collectie. Het Historisch Geluidsar­chief van de RUU was in 1961 opgericht door professor dr. C.D.J. Brandt, hoogleraar Nieuwste Geschie­de­nis­, met steun van de secretaris van de universiteit mr. J.H. des Tombe. Het werd onderge­bracht bij het Instituut voor Geschiede­nis met het doel om geluidsopnamen met betrekking tot de politieke, sociale en culturele geschiedenis van de moderne tijd te verzamelen en te docu­menteren. De historicus Schuur­sma, voor­ma­lig student-assistent van Brandt, werd aange­steld om het initiatief concreet gestalte te geven. Deze haalde in 1962 allereerst de oorspronkelijke opnamen van de zogeheten NRU-radiocollectie van het omroeparchief in Hilversum naar Utrecht. Met zo'n 16.000 grammo­foonplaten en 2.000 geluids­ban­den was de basis voor een archief Gesproken Woord gelegd.4 Met deze tastbare collectie in handen ontstonden in de loop van de jaren zestig hechte banden met de verwante organisatie Stichting Beeld- en Klank­documentatie. Uiteindelijk zouden beide instellingen in 1970 in de eveneens in Utrecht zete­lende SFW geïncorporeerd worden. Zo ontstond daar de nieuwe afdeling Docu­menta­tie, de directe voorloper van de tegen­woordi­ge Amsterdam­se SFW.5

Dat alles was echter nog verre toekomst toen Schuursma vroeg in de jaren zestig 'zijn' geluidsarchief opbouwde. Aanvankelijk zat het echter met de interviews nog niet mee. De correspondentie met de Haagse Post en ook die met Vrij Neder­land leverde welis­waar de bereidwillige medewerking van de respectieve redacties op maar de vereiste toestem­ming van de geïnterviewden bleef vaak achterwege. De toenmalige burgemeester van Amsterdam Van Hall, minister Cals en professor Vondeling hadden geen bezwaar tegen opname van hun gesprekken in het archief. Interviews echter met bisschop Bekkers, de schrijvers J.B. Charles, Theun de Vries en Hugo Raes en met de Belgische Minister van Staat Kamiel Huysmans zijn nooit in de interviewcollectie terechtgekomen.6 Een enkele maal stuitte de poging om een interview te bemachtigen al op de onwilligheid van de interviewer. Zo reageerde Rudy Kous­broek, die als Parijse correspondent voor de Haagse Post een interview had gemaakt met de Franse historici Lasierra en Plumyène, schrijvers van het toen net verschenen boek Les fascis­mes français, 1923-1963, niet op Schuur­sma's verzoek om medewerking.7 Schuursma kreeg al snel door dat de door hem gekozen weg een moeizame was; hij stopte er in 1964 in elk geval mee. Daarnaast reali­seerde hij zich reeds in een vroeg stadium dat interviews natuurlijk ook op een andere manier verzameld konden worden. Wat lag meer voor de hand dan ze zelf af te nemen? Het duurde echter nog even voordat het daar ook werkelijk van kwam, gehin­derd als hij aanvankelijk werd door tijdgebrek, de afwezigheid van adequate opname-appara­tuur en wat hij in zijn eerste brief aan de Haagse Post gebrek aan een goede 'ondervragings­tech­niek' noemde.8 Lang bleef dit echter niet duren. Toen bij het geluidsar­chief een Nagra-bandre­cor­der - een voor die tijd zeer handzaam opname-apparaat - werd aange­schaft, werd begonnen met het maken van eigen opnamen. Met zijn collega, de Utrechtse histori­cus Th.H.J. Stoelinga, inter­viewde Schuursma eind 1963 de voormali­ge buiten­landcorres­pondent van de NRC dr. M. van Blankenstein. De eerste van een reeks die nog zou vol­gen.

Eigen opnamen

Interviewen was voor journalisten dagelijks werk maar Schuur­sma was een historicus zonder journalistieke ervaring en bovendien stond hem een wetenschappe­lijke toepassing voor ogen, overeen­komstig zijn achter­grond en de doelstellin­gen van het geluidsar­chief. En oral history als een welbewuste methode voor historisch onderzoek was in Nederland een nog vrijwel onontgonnen terrein. Eind jaren veertig was de Amerikaanse historicus Allan Nevins, verbon­den aan de Columbia University in New York, begonnen om door middel van interviews systema­tisch de levensgeschiede­nis­sen vast te leggen van personen die een belangrijke rol hadden gespeeld in het politieke, economi­sche en culturele leven van de Verenigde Staten. Hij liep al veel langer met het plan rond maar pas de komst van de bandrecorder bracht de zaak in een stroom­versnel­ling.9 Nevins wordt algemeen als de vader van de moderne oral history be­schouwd en het door hem begonnen project is in­middels uitgegroeid tot een van de grootste oral history archieven ter wereld. Het duurde echter een tijd voor de mondelinge metho­de ook naar historici in Europa oversloeg.10 In Engeland drong het gebruik ervan in de loop van de jaren zestig door, zij het dat de na­druk daar niet zoals in de Verenigde Staten op het intervie­wen van prominente personen kwam te liggen maar dat de interviewtechniek vooral werd toegepast om de geschiedenis van 'gewone mensen' aan de vergetel­heid te ontrukken. En in deze laatste hoedanigheid werd de methode in Nederland pas in de jaren zeventig algemeen. Het Historisch Geluids­archief was er dus vroeg bij toen Schuursma in de jaren zestig op systematische wijze een serie interviews entameerde.

Het merendeel van de interviews in die eerste tien jaar werd door Schuursma samen met collega's en/of studenten van het Utrechtse Instituut voor Geschiedenis, waar­onder het geluidsar­chief per slot van rekening ressorteerde, afgenomen. Het gros van de interviews ging over de Tweede Wereldoorlog. Dit thema sloot goed aan bij de delen van de NRU-col­lectie die de Nederlandse radio uit de bezet­tingstijd en Radio Oranje betroffen maar belangrijker was dat juist in deze periode onder historici de belangstel­ling voor die oorlog sterk toenam, mede bevorderd door de in 1960 gestarte televisieserie De Bezet­ting van dr. L. de Jong. Verscheidene interviews werden afgenomen met aanhangers van fascistische en nationaal-socialisti­sche bewegin­gen in Nederland, zoals de leider van het Verbond van Dietsch Natio­naal-solidaris­ten (Verdina­so) Ernst Voorhoeve, de priester en aanhanger van Mussoli­ni's fascisme Wouter Lutkie, de extreem-rechtse Brabantse boeren­leider Bouwman en de NSB-er en leider van het Filmgilde van de Nederlandsche Kultuur­kamer, de cineast Jan Teunis­sen. Maar daarnaast werden ook vraagge­sprekken gehouden met zulke uiteenlo­pende personen als de journalist mr. J. Huijts, die in oorlogstijd hoofd­redacteur van de NRC was, en met verte­genwoor­digers van het Utrechtse verzet. Verder werd promi­nente Nederlan­ders als G.B.J. Hiltermann en Hilda Verwey-Jonker gevraagd waarom zij een stem pro of contra hadden laten horen bij de kwestie van de eventuele annexatie van Duitse gebiedsdelen direct na de oorlog. Overigens werden niet alle geïnter­viewden voor een gesprek benaderd vanwege een relatie met de oorlog. De lange serie interviews met dr. Willem Drees sr, die Schuursma samen met de Leidse hoogleraar politieke wetenschappen Daalder hield, behandelde diens gehele politie­ke leven vanaf zijn eerste kennismaking met het socialisme rond 1900 tot en met zijn minis­ter-presidentschap in de jaren vijftig. En zo ging de reeks gesprekken met professor H.W. Julius, hoogleraar Gezond­heids­leer en oprichter van Stichting Film en Wetenschap, over diens wetenschap­pelijke loopbaan vanaf de jaren twintig tot de jaren zeventig.11

Die brede, biografische aanpak was tekenend voor de manier waarop Schuursma en zijn collega's de inter­views vorm gaven. Waar mogelijk probeerden zij een groot deel van de levensge­schiede­nis van hun tegenspe­lers te behandelen om zodoende achter­gronden en motie­ven met betrek­king tot het hoofdon­der­werp van gesprek te verduidelij­ken. De inter­views met Huijts bijvoorbeeld startten met diens levens­loop voordat hij werd aange­steld als hoofdre­dac­teur van de NRC in 1940. Deze werkwij­ze lag de historicus Schuur­sma en zijn compa­nen ongetwij­feld beter dan de journalistie­ke aanpak van de weekbladen, die noodgedwongen kort van stof moesten zijn. Zij sloot ook aan bij de toen vigerende Ameri­kaanse benadering om zoveel mogelijk voor de toekomst vast te leggen voordat de personen in kwestie hun verhalen mee het graf in zouden nemen. Of zoals Schuursma het zelf zei tijdens een lezing in Duits­land: 'Diese Interviews sind hergestellt worden um spätere Historiker neues Material zu be­sorgen'.12 De grenzen tussen zoiets als een Ame­ri­kaanse en Engelse methode zouden echter pas later, tijdens de opkomende debatten over oral history in de jaren zeventig, getrokken worden.13 Alles wat toen niet bij de Engelse sociaal-historische en veel minder biografi­sche benadering aansloot heette Amerikaans. De laatste werd vereenzelvigd met élite-interviews. Nu is het moeilijk om in de Lutkies en Voorhoe­ves onder de geïnterviewden van het Histo­risch Geluidsar­chief de élite van de Nederlandse samenleving te zien. Ze waren echter wel de leiders van hun respectieve groeperingen. En als een élite-persoon wordt omschreven als 'someone of interest because of the position he or she holds, rather than because he or she is representati­ve or typical of a group'14, dan zouden zij welzeker tot de élite kunnen worden gerekend.



Bij het geluidsarchief werd niet in termen van een bepaalde methode gesproken. Het gebruik van de mondelinge methode stond nog in de kinderschoenen en van een breed interna­tionaal debat over het onderwerp was vooralsnog geen sprake. Wel waren de me­dewerkers bekend met de oral history activiteiten van Ben Sijes. Deze historicus en RI­OD-medewerker wordt wel beschouwd als de pionier van de mondelinge geschied­schrij­ving in Neder­land.15 Reeds in 1951 verscheen van zijn hand de neerslag van een onder­zoek naar de razzia van Rotterdam in november 1944, waarvoor hij in belangrijke mate was aangewe­zen op mondelin­ge getuigenissen omdat schriftelijke bronnen nauwelijks voorhan­den waren. En het weinige dat er was - hoofdzakelijk dagboekaanteke­ningen - gaf te weinig inzicht in de sociaal-psycho­logische implicaties van de situatie en juist daarin was Sijes geïnteres­seerd.16 Het jonge RI­OD was genoodzaakt open te staan voor nieuwe soorten bronnen­ betreffende de nog zo recen­te Tweede Wereldoorlog, voor het onderzoek waarvan het direct na mei 1945 was opgericht. Zo plaatste directeur L. de Jong in 1948 een verzoek in het smalfilm­tijd­schrift Het Veerwerk om beelden te verkrijgen die amateur­fil­mers mogelijk tijdens de oorlog geschoten hadden.17 De waarde­ring voor dit type on­conventi­onele bronnen­materiaal was in bredere kring echter nog minimaal. In 1963 werd er in Nijmegen voor het eerst een symposium aan gewijd. Brandt en Schuursma waren erbij. Brandt trad op als co-referent voor het onderdeel journalistiek; hij was al lang een enthousiast pleitbezorger van kranten als bron voor het bestuderen van de contempo­raine geschiedenis. En passant wees hij op het bestaan van het Historisch Geluidsar­chief en op het belang om iemand te kunnen hòren.18 Sijes brak een lans voor het gebruik van inter­views. In feite kwamen in zijn lezing alle ins en outs van de methode al aan de orde die in de jaren zeventig onderwerp van heftige debatten zouden worden: de kwestie van ob­jectivi­teit versus subjectiviteit, het probleem van de herinnering en het geheugen, de invloed van de interviewsituatie op het eindresultaat en de techniek van het interviewen zelf.19 Sail­lant detail is de manier waarop hij in de jaren veertig en vijftig zijn inter­views maakte: bij ontstente­nis van elektronische apparatuur fungeer­de een assistent als steno­graaf. Welbe­schouwd was Sijes' benadering een sociaal-historische en niet-biografi­sche. Ook in dit opzicht liep hij vooruit op de discussies in de jaren zeventig. In 1963 evenwel was hij nog een roe­pende in de woestijn. Het was te vroeg. Niette­min zal Schuursma zijn verhaal met enthousi­as­me begroet hebben. Een goede kans tenminste dat zijn twijfels over de 'onder­vra­gingstech­niek' door Sijes waren weggenomen. Aan het einde van dat jaar startte hij immers zelf. En hìj had wel een bandre­cor­der.

Geschiedenis van het gewone volk
Bestaande collecties

Toen in 1970 het Historisch Geluidsarchief van de universiteit was overgegaan naar de SFW en Schuursma hoofd was geworden van de aldaar gevormde afdeling Documentatie, werd de fakkel van het directe beheer door anderen overge­no­men. Voor de komende jaren zouden met name Joke Rijken en John Jansen een bepalende rol spelen bij het uit­breiden van de interview­collectie. Rijken was tijdens de RUU-periode al enige tijd de assistente van Schuursma ge­weest en was meeverhuisd naar SFW. John Jansen behoorde bij de boedel van die andere 'tak' die naar SFW was gekomen: de Stichting Beeld- en Klankdocu­mentatie. Sinds 1964 was hij bij deze instelling werkzaam als inventariseer­der van materiaal van het Nederlands Film­museum. Zo had hij in die periode, in overleg met Schuursma, een systeem van moeder­kaar­ten en trefwoordenkaarten opgezet.20 In de eer­ste jaren werden door Joke Rijken nog wel zelf interviews afgenomen, zij het dat dit lang niet meer zo vaak voorkwam als in de jaren zestig. Wel gebeurde het net als toen altijd in samenwerking met medewerkers en/of studenten van het Utrechtse Instituut voor Geschie­denis, overeenkom­stig de afspraak bij de over­dracht van het geluidsarchief van RUU aan SFW.21 In het begin ging dit ook nog betrekkelijk een­voudig. Rijken was zelf van die universiteit afkomstig, dus de lijnen waren kort. Ook inhou­delijk werd het beleid van het 'oude' geluidsar­chief nog even voortgezet. Zo werden er inter­views gemaakt met een aantal personen die in de laatste oorlogsfase een functie bij het Mili­tair Gezag in Zeeuws-Vlaanderen hadden bekleed of hier anderszins mee te maken hadden gehad. Daarnaast werden er, in opdracht van de hoogleraar Von der Dunk22, gesprekken opgenomen met mensen die tijdens de bezettings­jaren de leiding hadden gehad over het zoge­heten Philips-commando in het concentra­tie­kamp Vught. Er was echter ook een kentering zichtbaar in de benadering van het geluidsarchief. Al in 1970 interviewde Rijken samen met Jan Roes, medewerker van het Katholiek Documenta­tiecen­trum (KDC) in Nijmegen, H.J. Kuiper. Dat was een Westlandse tuinarbeider die jarenlang actief was in de Katholie­ke Arbei­ders­be­we­ging (KAB), bezoldigd bestuurder werd en eindigde als directeur van de Sociale Verzeker­ingsbank in Amsterdam. Dit interview gaf al iets te zien van de nieuwe richting die het geluidsar­chief in de jaren zeventig zou inslaan. Meer en meer reflecteerde de collectie de groeiende aandacht in Nederland voor de geschiede­nis en positie van de 'ge­wone man'. En Rijken zou de eerste jaren de drijvende kracht daarachter zijn.

Met de eigen opnamen was het echter snel gedaan. Het algemene beeld in die jaren zeventig is dat van het verwerven van bestaande collecties. Zo kwamen er inter­view­series over de Eenheidsvak­centrale (EVC) en over het ontwikkelings­beleid ten aan­zien van Surina­me. Een belangrijke aanwinst was verder het materiaal dat Salvator Bloemgarten had gemaakt in het kader van zijn promotie-onderzoek over de vakbondslei­der Henri Polak. Maar niet alleen wetenschappelij­ke interviews werden binnengehaald. Het meest opmerke­lijke aan deze periode is, naast de inhoudelijke omslag, de acquisitie van vele inter­viewcollec­ties die met journalistieke doeleinden werden gemaakt, met name voor televisie­do­cumen­taires. Het ge­luidsarchief toonde zich al vroeg bijzonder actief op dit terrein. Op 10 mei 1971 verzocht Joke Rijken Abraham de Swaan, maker van de VARA-­docu­mentaire Een boterham met tevreden­heid, schriftelijk de ruwe interviews die hij voor zijn program­ma had afgenomen, te deponeren bij het Historisch Geluidsar­chief van SFW. Het was tien dagen na uitzending en zij schreef: 'Wij zijn in Uw opna­men geïnteres­seerd omdat er nog veel te weinig bronnen­materiaal is over de geschiedenis van het grote leger der ónbekenden, in dit geval de onge­schoolde fabrieks­arbeider, terwijl juist inter­views, op de band vastgelegd, hierover veel infor­matie kunnen verschaffen'.23 De rol die Rijken speelde in de verschuiving van het belang­stel­lingsgebied bij de opbouw van de interview­collectie wordt hier eens temeer benadrukt. Hal­verwege de jaren zeventig echter verruilde zij haar baan bij het geluidsarchief voor een in het onderwijs. John Jan­sen vervolgde de door haar ingeslagen weg. Er kwamen steeds meer interviewseries ge­maakt als basis voor televisiedocumentaires, vooral historische documen­taires. De helft van de in de jaren zeventig bijeengebrachte collecties bestaat hieruit; een verhou­ding die daarna bij lange na niet meer gehaald zou worden. En ook hier lag de belang­stelling onmiskenbaar bij het vastleggen van de geschiedenis van de 'gewone man'.

Historische documentaire

Chris Vos bestempelt in zijn proefschrift Televisie en bezetting de jaren zeventig als de 'Gou­den Eeuw' van de historische documentaire.24 Niet alleen nam het aantal documen­tai­res op televisie enorm toe, ze verschilden inhoudelijk en visueel fundamenteel met die van de jaren daarvoor. De relatie tot het gezag, dat in de jaren vijftig nog onomstreden leek, was sterk veranderd. De 'ontvoogding', die als resultaat van de naoorlogse professi­onalise­ring en schaalvergroting in de loop van de jaren zestig zijn beslag kreeg, miste zijn uitwerking op de televisiejournalistiek niet. Een nieuwe, jonge generatie journalis­ten - aangetrok­ken vanwege de zendtijduitbreiding begin jaren zestig - wilde een in hun ogen meer serieuze en van de zuilen onafhankelijke televisie­journalistiek bedrijven. Ze weiger­den nog langer als de 'slippe­dragers' van de autoriteiten op te treden.25 Na de voltooiing van de 'emancipa­tie van de krul­lenjongen', zoals Frank van Vree dit proces in Omroep in Nederland betitelt, moesten de journalisten aan het einde van de jaren zestig opnieuw hun postie bepalen en vanuit een 'he­melbe­stormend optimisme' engageer­den vele van hen zich met uiteenlopende sociale en poli­tieke idealen.26 Dit kwam onvermijdelijk ook in de televisiedo­cumentaires tot uiting. De se­rie De Bezetting had in de jaren zestig, naast een opleving van de aandacht voor de Tweede Wereldoorlog, gezorgd voor een standaard voor op het gebied van de serieuze televisiedocu­mentaire. Een nieuwe, kritische generatie documentai­remakers echter zette zich af tegen de gerichtheid op de élite die uit De Jongs serie sprak en tegen het visueel statische karakter ervan.27 Zij verlegde haar aandacht naar de 'gewone man'. Ontwik­kelingen op het gebied van de filmtech­niek zorgden er voor dat tevens visuele experimenten mogelijk­ werden. Er waren handza­me 16mm-came­ra's op de markt gekomen, waarmee met een kleine ploeg op locatie gefilmd kon worden met synchroon geluid. Die wendbaarheid maakte dat de camera niet meer alleen als regis­trator fungeerde maar zelfstandig een vertellende rol kon vervullen. De invloed van de Ameri­kaanse 'direct cinema' en Franse 'cinéma vérité' stijl, die beide de mogelijkheden van de nieuwe technische ontwikkelingen hadden geëxploreerd, deed zich ook in Neder­land gelden, waar zij al gauw tot de 'VPRO-stijl' werd omgevormd.28 Maar die ontwik­ke­lin­gen hadden ook nog een onvoorzien gevolg: omdat bij de nieuwe opnametechniek het geluid met een (Nagra) bandrecor­der werd opgenomen, ontstond de mogelijk­heid om na de produktie van de film de complete geluidstapes apart in een archief onder te brengen.

Op deze wijze kwamen veel van de kritische en ambitieuze produkten van de 'Gouden Eeuw' van de histori­sche documentaire naar SFW, althans het interview­materi­aal. Het was begonnen met de reeds eerder vermelde documentaire Een boterham met tevre­denheid. Bestreken deze en die andere VARA-produktie Voor­waarts en niet vergeten (Hedda van Gennep, 1977) respectie­velijk het terrein van de (ongeschool­de) arbeid en de arbeidersbewe­ging, vele documentaires gingen toch weer over de Tweede Wereldoorlog. Het interviewmate­ri­aal van zulke toonaangevende produkties op dit gebied als Vastberaden, maar soepel en met mate... (Henk Hofland, Hans Keller, Hans Verhagen, 1974) en Geschie­de­nis van een plek (Armando, Hans Verhagen, 1978) werd in de loop van de jaren zeventig bij het geluidsarchief gedeponeerd. Philo Bregsteins documen­taires Dingen die niet voorbij­gaan (1970) over de historicus Presser en Op zoek naar Joods Amsterdam (1975) over joods Amsterdam vóór 1940 gingen welis­waar niet direct of niet alleen over die oorlog maar zijn onder­werpen hadden er niettemin alles mee te maken. En de documentaire serie De waar­heid ligt op het slagveld (1978) van Roelof Kiers en Jan Blokker over de rol van oor­logscorrespondenten in allerlei brandhaar­den op de wereld, kon ook niet om de Tweede We­reldoorlog heen. Slechts een enkele documentai­re over het voorma­li­ge Nederlands-Indië zat bij het materiaal, Indone­sia Merdeka! (1976) van Roelof Kiers, maar dat was een terrein dat pas in de jaren tachtig uitge­breider de aandacht zou trekken.

Op­vallend is het grote aantal interviews dat in deze periode per documen­taire werd gemaakt en dus bij SFW terecht­kwam. Bregstein hield voor zijn film over joods Amster­dam maar liefst 72 interviews en Hedda van Gennep interview­de voor Voor­waarts... zo'n 60 personen. Met 24 hield het team van Vastbe­raden... het nog relatief beschei­den. Dit waren aantallen die door geen enkele wetenschappe­r werden gehaald. Chris Vos noemt oral history één van de hoekstenen van de historische documentaire, door weten­schappers ook wel audio­visue­le geschied­schrij­ving genoemd. De geschiedenis wordt er­mee 'geperso­na­liseerd'.29 Vos legt het startpunt van de verbinding van nieuwe interview­technie­ken met de historische docu­mentaire nieuwe stijl bij Bregsteins Dingen die niet voorbij­gaan.30 Bregstein had de in­vloed onder­gaan van professor Presser, het onder­werp van zijn film, die al langer de waarde benadruk­te van 'ego-docu­menten' voor de geschiedschrij­ving. Hij dacht hierbij in de eerste plaats aan memoires, dagboeken, corres­pondentie etcetera waarvan hij in zijn magnus opus De Ondergang ook ruim gebruik had gemaakt. Bregstein koos de vorm om Presser onder de beelden van de film zijn eigen levensverhaal laten vertellen. Hier ging het echter nog maar één man. In de meeste ande­re documentaires werd gepoogd de gehele geschiedenis van een tijdvak grondig te analy­seren, een poging tot 'integrale geschied­schrijving' zoals Vos het noemt.31 De documen­taires waren daarom lang en grote hoeveel­heden mensen werden ge­nter­viewd om het beeld zo compleet mogelijk te krijgen. SFW kreeg het geluidsmateriaal van die monumen­ten van de audiovisuele geschied­schrij­ving uit deze periode binnen haar muren.



Uitwisseling van kennis

Eerder is gerefereerd aan de actieve rol die Joke Rijken speelde bij de acquisitie van inter­views. Tevens echter ontstond er al snel een wisselwerking tussen SFW en de pro­gram­mama­kers. Velen van hen kwamen bij de stichting over de vloer. Dit leidde er bij­voor­beeld toe dat SFW haar Nagra-bandrecorder uitleende en banden beschikbaar stelde aan Philo Bregstein ten behoeve van diens interviews voor Op zoek naar Joods Am­ster­dam, vanzelfsprekend met de afspraak dat het bespeelde materiaal later in het archief gedepo­neerd zou worden.32 Maar de filmers hadden voor hun produkties behalve inter­views ook historische beelden nodig, die zich in de depots van het Neder­lands Filmmu­seum (NFM) en het Filmarchief van de Rijks­voor­lich­tingsdienst (RVD) bevon­den. Bij SFW was het mogelijk te zien wat deze instellingen in huis hadden. Daar stond het kaart­systeem dat John Jansen in de jaren van de Stichting Beeld- en Klankdo­cu­men­tatie had opgebouwd met betrekking tot het NFM-materiaal. Daar­naast was de afdeling Documen­ta­tie op verzoek van de RVD begin jaren zeventig begonnen aan een vergelijk­baar docu­men­ta­tie­sys­teem voor het bij die dienst bewaarde materiaal. Men­sen als Hedda van Gen­nep, Marjolein de Vries en Marga Wolhuis kwamen de kaartenbakken raadplegen ter voorbereiding van Voor­waarts...; zij hoopten beelden over de socialistische beweging te vinden. Gerard Soeteman zocht filmmate­riaal voor zijn afleveringen van 58 Miljoen Nederlan­ders. Roelof Kiers was geïnteresseerd in de Japanse collectie van het NFM en in het Indië-materiaal van de RVD voor Indonesia Merde­ka!33



Niet alleen echter stonden de televisiemakers bij SFW aan de kaartenbakken maar tussen hen en de medewerkers van SFW ontstond ook een uitwisseling van kennis omtrent de vindplaatsen van materiaal. Zo gingen Van Gennep en de haren ook bij de vakbonden en de politieke partijen langs om te kijken of daar nog beeldmateriaal te vinden was. Als dat het geval bleek te zijn, dan werd het direct doorgegeven. De producente van de docu­men­taire Vastbe­raden... Maud Keus, die een belangrijk deel van het researchwerk hiervoor deed, kwam op het spoor van amateurmateriaal over voormalig Nederlands-Indië en liet SFW weten waar het zich bevond.34 Een en ander paste uitste­kend bij het streven van de stichting om in kaart te brengen wat er ooit in Nederland aan opdrachtfilms was gemaakt. Ze probeerde zelf uit diverse bronnen onbekende titels te vergaren. Gewa­pend hiermee konden ook de program­mamakers gerichter uitzien naar materiaal en SFW van het bestaan hiervan op de hoogte brengen. Iedereen hielp zo iedereen verder. De lijnen tussen SFW en de documentairema­kers of hun researchers waren dus kort; dat verklaart ook de amicale toon die soms uit correspon­dentie tussen SFW en de producenten spreekt. Een bewust beleid voor het opnemen van filmmateriaal had de stichting toen nog niet maar een geluidsar­chief had zij wel.35 Het ruwe interview­materiaal, waarmee de televie­makers na het afwerken van hun docu­mentaires toch niets meer konden doen, werd ge­makkelijk bij SFW gedepo­neerd. De documementairemakers waren zich bewust van de historische waarde ervan. Het moet voor hen dus van groot belang zijn geweest om hun basismate­riaal niet verloren te zien gaan. Waar mogelijk leverden zij dan ook lijsten met namen van de geïnterviewden, transcripties en dergelijke mee.


  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina