Code: Naam Leerling



Dovnload 210.54 Kb.
Pagina1/4
Datum20.08.2016
Grootte210.54 Kb.
  1   2   3   4
Elektrisch Booglassen


Code:
Naam Leerling:……………………………….

Inhoudsopgave:

Blz.

1. Elektrisch Booglassen 3



1.1 Smeedlassen of smeden 3

1.2 Puntlassen 3

1.3 Autogeen of vlambooglassen 3

1.4 CO2 Lassen 4

1.5 Elektrisch booglassen 4

1.6 Voorbewerken 4


2. Lassen 6

2.1 Hitte 6

2.2 Schadelijke straling 6

2.3 Elektrische stroom 7

2.4 Schadelijke dampen en gassen 7
3. Belangrijkste begrippen. 8

3.1 Boogtrekken 8

3.2 De Booglengte 9

3.3 De vlamboog 9

3.4 De toevoer beweging 10

3.5 De voortloopbeweging 11

3.6 De zwaaibeweging 11

3.7 De stroomsterkte 12

3.8 De elektrodestand 12

3.9 Verpakking van elektroden 12

3.10 Rutiel elektroden 15

3.11 Basis elektroden 15

3.12 Codering/eigenschappen elektroden 16
4. Lassen van staalconstructies 18

4.1 Voor- en nadelen 19

4.2 Smeltlassen 19

4.3 Druklassen 19

4.4 Lasprocessen 20

4.5 Handlassen met beklede elektroden 21

4.6 MIG/MAG Lassen 23

4.7 Lassen onder poederdek 25

4.8 TIG Lassen 27

4.9 Autogeen lassen 28


5. Lasposities 30

5.1 Lasonderzoek 32

5.2 Lasnaadvormen 34

5.3 Voorbewerken van de lasnaad 36

5.4 Krimp 36

5.5 Hechtlassen 39

5.6 Inbranding 44
1. Elektrisch Booglassen
Lassen betekent  "verbinden" van metalen delen. Onder inwerking van warmte en/of druk ontstaat een vloeibare of deegachtige toestand. Die zacht geworden metalen delen ‘smelten’ in elkaar. Er zijn heel veel lasmethoden. We zullen er enkele noemen:
Smeedlassen of smeden

Puntlassen

Autogeen lassen of vlamlassen

CO2 lassen

Elektrisch booglassen

Deze methoden komen kort aan de orde.




1.1 Smeedlassen of smeden

Bij smeedlassen wordt het staal in een vuur tot 1000 C verhit. 

De deegachtige metalen delen worden met hamerslagen aan elkaar gesmeed. 

Dit werd vroeger door de smid gedaan.

 


1.2 Puntlassen

Puntlassen pas je toe bij dunne materialen. 

In de auto-industrie zie je robots die metalen onderdelen aan elkaar (punt)lassen. Twee stiften drukken de platen tegen elkaar. Dan gaat er eventjes een enorm hoge stroom door die platen. Door de elektrische stroom ontstaat er een grote hitte en smelten de beide onderdelen aan elkaar.



1.3 Autogeen lassen

(vlamlassen)

Dit gebeurt met een

Brander en 2 gasflessen.





1 gasfles met zuurstof 



1 gasfles met acetyleen.

De vlam van 3000 C geeft voldoende hitte om een klein oppervlak tot smelten te brengen. 

Deze lasbrander gebruik je voor





Verwarmen van staal



doorsnijden van staal



lassen van staal


1.4 CO2 lassen

Dit is elektrisch lassen met daaraan toegevoegd een CO2 gas.

Een onbeklede draad op een haspel wordt naar het laspistool gevoerd. Het CO2 gas uit de fles gaat ook naar de lastang.

Het CO2 gas verdrijft de omgevingslucht. 

Zonder bescherming kun je geen goede las maken.
1.5 Elektrisch booglassen

Bij het lassen raak je met de elektrode het werkstuk aan. Op deze manier maak je een verbinding met de werkstukkabel. De stroom kan nu van de elektrode naar het werkstuk en werkstukkabel terug naar het lastoestel. Als je de lastang met de elektrode iets boven het werkstuk houdt, blijft er een vonk overspringen. In de vlamboog is het 7000 C. Het staal smelt, de elektrode smelt af en de lasverbinding is gemaakt. 



1.6 Voorbewerken.

Om te kunnen lassen moet je het werkstuk voorbewerken.

Dit kan zijn:

Op maat zagen,ontroesten,slijpen,afbramen,doorslijpen

Deze voorbewerkingen kun je uitvoeren met een slijpmachine of met een haakse slijpmachine.

Dit zijn gevaarlijke machines die je met de nodige voorzichtigheid moet bedienen. 



Als je een slijpmachine gebruikt, moet je beschermende maatregelen nemen:

Draag altijd een veiligheidsbril

1 mm vrije ruimte tussen slijpsteen en leunspaan

Oogbeschermingsglas en vonkenvanger goed afstellen

 

Als je een haakse slijpmachine gebruikt, moet je denken aan:

Draag altijd een veiligheidsbril

Houd de slijpmachine altijd met twee handen vast. Bij het aanzetten wil de slijpmachine rechtsom draaien door het op gang komen van de schijf. Op zo’n moment kan hij uit je handen schieten. Daar zijn al vaak ernstige ongelukken mee gebeurd.

Als je klaar bent moet je de slijpmachine met beide handen vasthouden, totdat de schijf stil staat. Leg dan pas de slijpmachine weg.

Bij het afbramen of slijpen kunnen vonken brandgaten of zelfs brand veroorzaken.

Gebruik voor het doorslijpen een dunne schijf (4-6 mm) en voor het afbramen een dikke schijf (6-8 mm).

Zorg dat de schijf niet klem gaat zitten. De schijf vliegt dan aan stukken.

Ga nooit afbramen met een doorslijpschijf.



2.Lassen

Op onderstaande tekening zie je wat er precies gebeurt als je aan het lassen bent.


De elektrode bestaat uit een kerndraad (1) en de bekleding(2). Tijdens het lassen smelt er telkens een stukje elektrode-einde (3) er vanaf. Dit gedeelte is vloeibaar en wordt bedekt met vloeibare slak (4). Het uiteinde van de elektrode heeft een kelk(10), die ervoor zorgt dat de vlamboog (5) met de overgaande druppel (12) op het werkstuk (6) worden gericht. Deze vlamboog geeft een hoge temperatuur zodat ook het werkstuk (6) smelt en veroorzaakt een smeltbad (7).

Het smeltbad met de toegevoegde druppels vormen een lasrups die bestaat uit gestolde metaal (13) en gestolde slak(8) en nog vloeibare slak (9).

De slak (4,8 en 9) en het beschermende gas (11) moeten ervoor zorgen dat het vloeibare metaal afgeschermd wordt van de lucht (vooral zuurstof en stikstof). Deze hebben namelijk een slechte invloed bij het ontstaan van een goede las.

We noemen dit: elektrisch booglassen.

Waar moet je jezelf tegen beschermen?

Je ziet op de tekening  welke gevaren er schuilen bij het lassen.





hitte



verschillende schadelijke stralingen



elektrische stroom



schadelijke dampen en gassen

Tegen al deze gevaren moet je je beschermen tijdens het lassen.
2.1 Hitte

Als je last is de temperatuur aan het uiteinde van de elektrode zo hoog, dat het ijzer gaat smelten. De temperatuur van de vlamboog is zelfs 7000 C. Zorg ervoor dat er geen brandbare stoffen in de buurt staan. Zeer vluchtige stoffen (benzine) of gassen (propaan) kunnen explosiegevaar opleveren. In de werkruimte moet een brandblusser aanwezig zijn.


2.2 Schadelijke stralingen

Bij het lassen zul je ontdekken, dat er fel licht vrijkomt.

Dit felle licht bestaat uit :



Zichtbaar licht



Ultraviolet licht



Infrarood licht

Dat licht mag niet rechtstreeks in je ogen schijnen. Omdat je moet zien wat je doet tijdens het lassen, moet je het licht filteren. Daarvoor moet je in de laskap of lashelm een donker glaasje gebruiken. Een glaasje met nummer 10 laat net zoveel licht door alsof je normaal om je heen kijkt. Voor gevoelige ogen zijn er nog lasglaasjes met nummer 11 of 12, die iets meer filteren. Een spatglas  beschermt het dure lasglas.

Lashelm    Laskap

Er komt tijdens het lassen ook nog onzichtbaar licht vrij:





ultraviolet licht



infrarood licht

Het ultraviolette licht is gevaarlijk voor de ogen en de huid. Als je zonder oogbescherming naar het lassen kijkt, kan het ultraviolette licht het hoornvlies beschadigen. Deze beschadiging noemen we lasogen. Ook moet je de huid zoveel mogelijk beschermen. Doe je dat niet dan zul je merken, dat je verbrandt, net als in de zon.
2.3 Elektrische stroom

Bij het lassen krijg je te maken met een stroomsterkte tussen de 40 en 200 ampère. Je last daarbij met een stroomspanning van ± 22 volt. Bij het verwisselen van de elektrode is de open spanning ± 75 volt. Onder vochtige omstandigheden is dat gevaarlijk. Een spanningsverlagingsrelais verlaagt de open spanning naar 42 volt en dit is ongevaarlijk.

Verder moet het lastoestel veilig zijn, dat houd in dat het toestel aan de volgende eisen moet voldoen.



Het lastoestel moet geaard zijn. Als de buitenkant van het toestel onder stroom staat gaat de stroom door de aardedraad naar de aarde en kun je zelf niet onder stroom komen te staan wanneer je het toestel aanraakt.



De aansluiting van de draad met 220 volt of 380 volt moet afgeschermd zijn.



De open spanning van een goed toestel is ongeveer 70 volt. Dit is de spanning tussen werkstukklem en lasstang als je niet last. Bij werkzaamheden onder natte omstandigheden moet er een lasrelais (spanningsverlagingsrelais) ingebouwd zijn.   


2.4 Schadelijke dampen en gassen

Bij het lassen smelt de elektrodebekleding en er ontstaan gassen. Deze gassen zijn minder gezond. Bij het lassen aan gegalvaniseerde (zinklaag) constructiedelen (zoals fietsenstaanders of een stalinrichting) komen giftige gassen vrij.

Om het inademen van deze lasdampen te voorkomen kun je:



De rook boven het laswerk wegzuigen en naar buiten afvoeren (bronafzuiging)



De rook uitfilteren door een speciaal filter. De lucht blijft dan in de lasruimte.



Ventileren.


Moet je aan een trekker of auto lassen dan is het verstandig om de klemmen van de accupolen los te nemen. Ook moet je de draden van de wisselstroomdynamo los maken. De dynamo en de accu kunnen anders stuk gaan.




3. Dit hoofdstuk leert je de belangrijkste begrippen van het booglassen met beklede elektroden:



het boogtrekken



de booglengte van de vlamboog



de toevoerbeweging



de voortloopbeweging



de zwaaibeweging



de stroomsterkte



de elektrodestand


3.1 Boogtrekken

Vóór je begint met lassen moet je:





de goede elektrode kiezen



de goede stroomsterkte instellen op het lasapparaat



je werkstuk klaar maken. Dat kan zijn voorbewerken of schoonmaken.

Hierna kun je gaan lassen.

Het begin van het lassen is: het boogtrekken.

Boogtrekken is: het ontsteken van de vlamboog.

De vlamboog is het felle licht tussen de elektrode en het werkstuk.



Hoe moet je de vlamboog ontsteken ?

- je strijkt met de elektrode over het werkstuk.

Je moet dat met een korte beweging doen.

Het is net zoals je een lucifer aanstrijkt.

- ná het aanstrijken trekje de elektrode iets terug.

Je ziet nu een fel licht.

Dat felle licht is de vlamboog.

Zo heb je de vlamboog ontstoken.

Fout is:  de elektrode tegen het werkstuk aandrukken. Je krijgt dan géén vlamboog. De elektrode komt vast te zitten aan het werkstuk. Dat heet ook: het vastvriezen van de elektrode.  

Vastvriezen is: de elektrode zit vastgeplakt aan het werkstuk.

3.2 De booglengte

De vlamboog ontstaat door de elektrode aan te strijken. Nu moet de vlamboog in stand blijven. Als de vlamboog niet in stand blijft krijg je een ruwe las. De las wordt niet mooi. De las wordt niet vlak.

Hoe kun je de vlamboog in stand houden ?



Dat doe je door steeds de goede afstand te kiezen tussen de elektrode en het werkstuk.

De afstand tussen de elektrode en het werkstuk is: - de booglengte.

De booglengte is dus de lengte van de vlamboog. Hoe weet je wat de goede booglengte is. De booglengte moet zo groot zijn dat: de bekleding van de elektrode het smeltbad net niet raakt.

Er is niet één vaste booglengte. Elke soort elektrode heeft een andere booglengte nodig. De goede booglengte leer je door veel te proberen. De goede booglengte ontdek je in de praktijk. In het begin maak je fouten. Dat is niet erg. Je leert de juiste booglengte door veel doen.


3.3 De vlamboog

De vlamboog ontstaat door het boogtrekken. De vlamboog bestaat uit elektrische vonken. De stroom van de elektrode gaat door de vlamboog naar het werkstuk en terug naar het lasapparaat. De vlamboog kan doven (uitgaan) als de booglengte te groot is. Wat moet je weten van de vlamboog. 

De vlamboog:



heeft een temperatuur van ongeveer7000' C. 



zendt boogstraling uit:



felle lichtstralen



infrarode stralen



ultraviolette stralen




Wat gebeurt er door de vlamboog ?

De vlamboog is erg heet: 7000 graden Celsius. Door de hoge temperatuur van de vlamboog smelten de kerndraad en de bekleding af in druppels. Het afsmelten gebeurt aan de punt van de elektrode. Het metaal, dat van de elektrode afsmelt heet het lasmetaal.

Door de vlamboog wordt ook Als je last in een lasnaad, wordt het metaal in de lasnaad vloeibaar.

Op het werkstuk ontstaat het smeltbad. De druppels lasmetaal uit de elektrode vallen in het smeltbad.



Het smeltbad koelt af terwijl je last. Na de afkoeling krijg je de lasverbinding.

Dus: - door de hitte smelt de elektrode af.


  • door de hitte ontstaat een smeltbad op het werkstuk.


3.4 De toevoerbeweging

Bij het lassen smelt de punt van de elektrode af. De bekleding en de kerndraad smelten. Het lasmetaal valt in druppels in het smeltbad. De elektrode wordt dus korter. Maar de booglengte moet gelijk blijven. De afstand tussen elektrode en werkstuk moet gelijk blijven. Dus moet je de elektrode naar het werkstuk toe bewegen.

Dat heet: de toevoerbeweging.(Een ander woord is: de aanvoerbeweging).

Met de toevoerbeweging breng je de elektrode naar het werkstuk toe. Zo hou je de booglengte hetzelfde. Zo hou je de vlamboog in stand. 




3.5 De voortloopbeweging

De lasser beweegt de elektrode in de lasrichting. De lasrichting is de richting waarin de lasnaad loopt.



Dit heet de voortloopbeweging. De lasser bepaalt zelf hoe snel hij de voortloopbeweging doet. Hij bepaalt dus zelf de voortloopsnelheid. Waarop moet hij letten bij de voortloopbeweging ? Hij moet er op letten dat de bekleding de slak net niet raakt. Bij een goede voortloopbeweging krijg je: een goede las, een goede inbranding en een goede samensmelting van het lasmetaal en het moedermetaal. Een verkeerde samensmelting geeft plakfouten. Een plakfout is: het lasmetaal plakt op het moedermetaal. Er is dan geen goede verbinding ontstaan. Daarom heten plakfouten ook wel bindingsfouten.
3.6 De zwaaibeweging

De toevoerbeweging is: de beweging naar het werkstuk toe. De voortloopbeweging is: de beweging in de richting van de lasnaad. Er is een derde beweging, die je soms moet doen. Dat is: de zwaaibeweging. De zwaaibeweging is een heen en weergaande beweging met de elektrode. De zwaaibeweging gebeurt steeds dwars op de lasrichting. Daarom heet dit ook: een zig-zag-beweging.



Hoe breed moet de zwaaibeweging zijn ?

de zwaaibeweging maximaal 4x de dikte van de elektrode.

Dus als je een elektrode hebt van 4mm dik, mag de zwaaibeweging 

4 x 4 = 16 mm zijn.



  1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina