Code: Naam Leerling



Dovnload 210.54 Kb.
Pagina4/4
Datum20.08.2016
Grootte210.54 Kb.
1   2   3   4

Radiografisch onderzoek

(röntgenonderzoek, in het Engels: RT - "Radiographic Testing")

Bij radiografisch onderzoek wordt een bron, die röntgenstraling kan uitzenden, geplaatst aan de ene zijde van het te onderzoeken materiaal. Aan de andere zijde van het materiaal wordt een plaat met fotografisch materiaal opgesteld. Vervolgens wordt de film belicht door de straling van de bron. De intensiteit van de straling wordt kleiner, doordat het door het staal heenmoet. Op plaatsen waar minder staal aanwezig is, bijvoorbeeld door een onvolkomenheid in het materiaal, zal de intensiteit minder afnemen en zullen zich donkere plekken aftekenen op de film.

Een praktisch nadeel van radiografisch onderzoek is dat in verband met de schadelijke straling de omgeving afgezet moet worden gedurende het onderzoek. In een constructiewerkplaats kan dit storend zijn.


Vaak wordt radiografisch onderzoek voorgeschreven, omdat er wordt gedacht, dat dit het beste systeem is. Dit is maar ten dele waar. Een voordeel van radiografisch onderzoek is, dat het resultaat op een foto kan worden bekeken. Een groot nadeel van radiografisch onderzoek is echter, dat dichtgedrukte scheuren en scheuren loodrecht op het stralingsoppervlak niet worden waargenomen.
Aan lasonderzoek moeten geen hogere eisen worden gesteld dan noodzakelijk. Door ondeskundigheid van de directievoerende partij komt dit toch wel eens voor.

Toelaatbare lasfouten

Vaak worden hoogwaardige (offshore) lassen gekeurd volgens ASME- of AWS-normen. Voor statisch belaste constructies zijn minder zware eisen noodzakelijk. In Nederland wordt vaak de SG-publicatie Toelaatbare lasfouten - statisch, uitgave juni 1979 gehanteerd. Deze publicatie wordt in bestekken vaak voorgeschreven.
In de NEN-EN 1090-deel 1 (1997) staat voorgeschreven dat de afnamecriteria in de projectspecificatie moeten worden omschreven.

Mogelijke lasfouten zijn:





Mogelijke lasfouten

bindingsfout

(b)

onvoldoende hechting tussen las- en moedermateriaal;
het moedermateriaal is onvoldoende gesmolten

gasholtes

(g)

insluitingen van gas

gaskanaal

(gk)

een kanaal in de las, waardoor het gas is ontsnapt

randinkarteling

(r)

op de overgang tussen moedermateriaal en gestolde las
is het moedermateriaal weggesmolten, waardoor dit
lager ligt dan het omringende moedermateriaal

negatieve hoekinbranding

(nh)

een hoeklas die niet geheel in de hoek ligt

onvolledige doorlassing

(o)

het materiaal is niet over de gehele dikte samengesmolten

ondermaat

(dn)

de las ligt dieper dan het moedermateriaal

overdikte

(dp)

de las ligt hoger dan het moedermateriaal

overvloeiing

(ov)

de las ligt over het moedermateriaal heen

slakinsluitsels

(sl)

slakmateriaal, dat door de las is ingesloten

scheur

(s)

scheur in warmte-beïnvloede zône of in lasmateriaal

Scheuren en bindingsfouten zijn volgens de SG-publicatie niet toegestaan. Gasholten en slakinsluitsels op beperkte schaal zijn geen aanleiding tot afkeuring.

Over lassen is intussen zoveel bekend, dat het lasonderzoek soms uitloopt op hobbyisme. Het andere uiterste is, dat er onredelijk hoge eisen worden gesteld aan de lassen.
5.2 Lasnaadvormen

In NEN-ISO 2553 (1994) - "Las- en soldeerverbindingen - Symbolische weergave op tekeningen." worden de volgende lasnaadvormen onderscheiden:





I-naad; materialen koud tegen elkaar (a)



V-naad, platen enkelzijdig afgeschuind over gehele dikte (b)



Y-naad, de voorbewerking is niet geheel door de plaat heen (c en f)



halve V-naad (e) en halve Y-naad (d), slechts één van beide platen is voorbewerkt



X-naad, platen dubbelzijdig afgeschuind (g en h); bij de ongelijkzijdige X-naad is de voorbewerking van de ene zijde niet gelijk aan de voorbewerking van de andere zijde, bijvoorbeeld omdat één kant boven het hoofd gelast moet worden en één kant onder de hand gelast kan worden (i)



K-naad, slechts één van de platen is voorbewerkt (l en m)



U-naad, toegepast bij dikke platen (V-naad zou te veel lasinhoud geven) (j en k).


Lasnaadvormen volgens de norm NEN-ISO 2553.


Bij enkelzijdig handlassen met elektroden kunnen I-naden worden toegepast tot een materiaaldikte van 2 mm. Bij tweezijdig lassen wordt tot 4 mm materiaaldikte voldoende doorlassing bereikt. Bij het OP-lassen kan de I-naad worden toegepast tot een materiaaldikte van 14 mm.
Bij MIG-lassen is niet zo'n grote V-naad vereist als bij elektrodenlassen, omdat de lastoorts kleiner is. Dit heeft als voordeel, dat de lasinhoud geringer is en dat er minder warmte wordt ingebracht.

De combinatie van materiaalsoort, materiaaldikte, laspositie en laslocatie bepaalt in het algemeen het lasproces. Daarna wordt de naadvorm gekozen, die bij het lasproces past.



5.3 Voorbewerking van de lasnaad

Lasnaden moeten worden voorbewerkt. Er zijn verspanende en niet-verspanende technieken beschikbaar.

Verspanende technieken zijn technieken waarbij er materiaal wordt weggehaald of weggeschraapt.

Voorbeelden van verspanende technieken zijn:



Zagen.
Soms kan het materiaal van de juiste voorbewerking worden voorzien door het te zagen. Dit lukt gewoonlijk alleen bij hoeklassen en I-naden.

Schaven.
Schaven wordt bij zware constructies als sluizen en bruggen regelmatig toegepast. In lichte werken als constructies voor gebouwen wordt deze techniek weinig toegepast. Technisch is schaven een uitstekende oplossing, maar het is vaak te duur.

Frezen.
Frezen gebeurt gewoonlijk met een handfreesmachine. Het is een nauwkeurige en economische methode.

Slijpen.
Slijpen is duur en minder nauwkeurig, doch door de geringere investering wordt het slijpen van laskanten toch frequent toegepast.

Draaien.
Draaien is tijdrovend en nauwkeurig, het wordt toegepast bij ronde werkstukken, zoals pijpen met een geringe diameter en een relatief korte lengte.
 

Niet-verspanende technieken bij lasnaden zijn:



Knippen.
Knippen wordt toegepast bij dun materiaal. Door te knippen ontstaan er haarscheurtjes. Daarom stelt de norm NEN-EN 1090-deel 1 (1997), dat de geknipte kanten geheel moeten worden versmolten tijdens het lassen.
NEN-EN 1090-deel 1 is de opvolger van de bekende VVSG 83 (Voorschriften voor het Vervaardigen van Staalconstructies voor Gebouwen - NEN 2009: 1983).
Snijden.
Onder snijden wordt verstaan: het met de acetyleenbrander maken van een brandsnede. Het brandsnijden kan zowel met de hand als met een machine worden uitgevoerd. Snijden is een goede en relatief goedkope manier van lasnaadvoorbewerking.

Naast de lasnaadvorm is het ook van belang, dat de naad goed schoon is. In of nabij de naad mogen geen verf, vet, vuil of oxydes voorkomen.


5.4 Krimp

Het verschijnsel krimp van staal is met veel mystiek omgeven. Hoewel berekenen van het krimpgedrag niet eenvoudig is, kan men met enig denkwerk veel voorspellen. In deze paragraaf wordt er eerst ingegaan op de theoretische achtergrond, vervolgens op de praktische gevolgen van krimp. Ook worden de vier krimpregels geïntroduceerd.



Temperatuureffecten

Net als andere materialen heeft staal de eigenschap, dat het bij verwarmen uitzet en bij afkoelen krimpt. Anders dan bij andere materialen, blijkt het bij staal zo te zijn, dat het na verhitting boven 700° C meer krimpt dan het oorspronkelijk was uitgezet. Hierdoor is een stuk staal, dat boven 700° C verhit is geweest, na afkoeling kleiner dan voor de verhitting.




Eerste krimpregel

Lassen worden vloeibaar gelegd, vervolgens stollen ze en koelen ze af. De las zal hierdoor krimpen. De eerste krimpregel luidt daarom:

Alle gestolde lassen zijn kleiner (korter, smaller en dunner) dan de oorspronkelijke, voorbewerkte naad.

 

Dat staal krimpt als het afkoelt, is al heel lang bekend. De smid maakte hier vroeger al gebruik van bij het van stalen banden voorzien van wagenwielen. Deze banden werden in warme toestand pas om het wiel gemaakt, waarna deze door krimp klem om het wiel kwamen te zitten. Als je deze band door zou zagen, zou de doorgezaagde band niet meer om het wiel passen; er zou een spleet over blijven.



Krimpvervorming van een lasnaad.

Vervorming of spanning

Als twee stukken plaat met een V-naad aan elkaar worden gelast, zullen deze platen na afkoeling niet meer exact in elkaars verlengde liggen. De bovenkant van de V, waar meer lasmateriaal is ingestopt, krimpt meer dan de onderkant. Hierdoor draaien de platen ten opzichte van elkaar.
Deze vervorming had bijvoorbeeld tegengegaan kunnen worden door de platen op een dikke moederplaat vast te hechten. Het staal zou dan ook graag willen krimpen, maar dit wordt verhinderd. Bij deze manier van werken treden echter grote spanningen op in het staal.

Samengevat: ingespannen lassen (lassen met verhinderde vervorming) geven weinig vervorming, doch veel spanning. Vrijliggende lassen geven weinig spanning, maar veel vervorming.


Het is het beste om zo te lassen, dat krimp vrij kan optreden en geen storende invloed heeft.



Krimpsoorten

Er wordt een drietal soorten krimp onderscheiden:



Diktekrimp
Doordat een las in de dikterichting krimpt, ontstaat de zogenaamde diktekrimp.
Diktekrimp is in de praktijk niet merkbaar en wordt gewoonlijk verwaarloosd.

Lengtekrimp is krimp evenwijdig aan de lasnaad. Lengtekrimp kan nooit vrij optreden. Dit wordt belemmerd doordat het omliggende moedermateriaal de oude lengte wil behouden.
Dit heeft de volgende effecten:
bij dikke platen zal de lengteverandering worden tegengehouden; hierdoor zal er veel spanning optreden (trekspanning in de las en drukspanning in het omliggende moedermateriaal)

dunne platen zullen gaan plooien langs de lasnaad, omdat het dunne moedermateriaal de vervorming niet kan tegenhouden (er zal geringe spanning optreden, maar de vervorming is groot)

bij asymmetrisch liggende lasnaden, bijvoorbeeld een hoeklijn op een IPE, ligt de lasnaad niet in het zwaartepunt. Het korter worden van de lasnaad leidt ertoe dat het profiel kromtrekt. Dit kan worden voorkomen door kettinglassen (onderbroken lassen) toe te passen. Toepassing van kettinglassen heeft echter consequenties voor de conservering. Het optreden van lengtekrimp is niet of nauwelijks te beïnvloeden. Er moet in het ontwerp rekening mee worden gehouden.

Dwarskrimp kan gewoonlijk gemakkelijk optreden. Waar zich het meeste lasmateriaal bevindt, zal de meeste krimp optreden. Door dwarskrimp treedt er ter plaatse van V-naden een hoekverdraaiing op. Het verschijnsel dwarskrimp is ook goed waar te nemen bij een plaat, die is verstijfd met profielen (bijvoorbeeld een scheepshuid). De verstijvingen zullen zich aftekenen aan de niet verstijfde zijde.


Krimp - in het bijzonder dwars- en lengtekrimp is vaak bron van discussie tussen de opdrachtgever en de constructeur/aannemer. Het is aan te bevelen, dat de opdrachtgever al in het ontwerpstadium wordt gewezen op de consequenties van het ontwerp.

Invloed begintemperatuur op krimp

Proefondervindelijk is gebleken, dat de afkoelsnelheid geen invloed heeft op krimp, de begintemperatuur echter wel!
De tweede krimpregel luidt:

Een hoge begintemperatuur leidt tot weinig krimp, een lage begintemperatuur leidt tot veel krimp.

Men kan een hoge begintemperatuur bereiken door voor te verwarmen en ook door tussen het lassen van de lagen slechts kort te pauzeren. Deze beide maatregelen hebben een gunstige invloed op krimpeffecten.

Invloed van het aantal lagen op krimp

Als er lassen met weinig lagen worden toegepast, treedt er minder krimp op. Ook vanuit dit oogpunt is het belangrijk om de vooropening niet te groot te kiezen. Een onnodig grote vooropening leidt tot meer lagen en daardoor tot meer krimp.
Een andere manier om minder lagen toe te passen is om ervoor te zorgen, dat alles onder de hand kan worden gelast. Hiermee moet reeds in de ontwerpfase en in de werkvoorbereiding rekening worden gehouden.
Deze bevindingen leiden tot de derde krimpregel:

Veel lagen geven veel krimp en weinig lagen geven weinig krimp.

Invloed van plaatdikte op krimp

Al in de paragraaf krimpsoorten werd de vierde krimpregel besproken:

Dunne platen geven veel krimpvervorming en weinig krimpspanning; dikke platen geven veel krimpspanning en weinig krimpvervorming.

 
Invloed van walsspanningen op krimp

Walsspanningen beïnvloeden de krimp. Het is moeilijk om hierover een voorspelling te doen, daar de walsspanningen in het algemeen niet bekend zijn.

Invloed van warmte-inbreng op krimp

Hoe minder warmte er wordt ingebracht in het materiaal, hoe minder de krimpvervorming zal zijn. Om deze reden hebben de lasprocessen met weinig warmte-inbreng een gunstige invloed op de krimpeffecten.

Krimpproeven

Soms wordt er voor het lassen een krimpproef gedaan om inzicht te krijgen in de krimpvervorming, die zal optreden. Een krimpproef heeft alleen zin als alle omstandigheden zorgvuldig worden nagebootst. Onder andere het lasproces, het elektrodetype, de laspositie, de plaatdikte, het aantal lagen, de vervormingsmogelijkheden, de stroomsterkte, de voorwarmtemperatuur moeten exact gelijk zijn aan de werkelijke situatie.

Schaarwerking door krimp

Als twee platen met een V-naad over een grote lengte aan elkaar worden gelast, zal er schaarwerking optreden. Bij schaarwerking komen de twee platen naar elkaar toe en drukken de vooropening dicht of nog extremer: de platen schuiven als de benen van een schaar over elkaar heen. Dit verschijnsel wordt veroorzaakt door dwarskrimp en lengtekrimp van de lassen.

Theoretisch is het mogelijk om de platen taps open te leggen, zodat door het krimpen precies de goede vooropening ontstaat. In de praktijk zal deze methode echter nooit het gewenste resultaat opleveren.


In de praktijk wordt er dus een andere methode toegepast om schaarwerking tegen te gaan. De platen worden, alvorens ze af te lassen, op regelmatige afstanden aan elkaar verbonden door middel van hechtlassen.


5.5 Hechtlassen

De afstand van de hechtlassen hangt af van de stijfheid van de plaat. Bij dikke platen zijn minder hechtlassen nodig dan bij dunne platen. Daarnaast is het van invloed hoe goed de aan elkaar te verbinden delen op elkaar passen. Als er geforceerd moet worden om een goede vooropening te krijgen, zijn er meer hechtlassen nodig.


Ook hechtlassen veroorzaken krimp. Een voordeel hiervan is, dat met hechtlassen de vooropening van de las gestuurd kan worden. Als de hechtlassen gelast worden naar het nog te hechten plaatdeel toe, wordt de vooropening kleiner. Wordt de hechtlas gelegd van het nog te hechten plaatdeel af, dan wordt de vooropening groter.
Het is belangrijk om de hechtlassen niet te klein te kiezen. Als gevolg van de krimpeffecten kunnen er in de hechtlassen zeer grote krachten optreden. Bovendien moet men er voor zorgen, dat de plaats waar de hechtlas gelegd wordt, goed schoon is. Veel (bijna) ongelukken zijn te wijten aan het losspringen van hechtlassen!

Lasvolgorde

Verspringend lassen

Optredende krimpspanningen als gevolg van het lassen kunnen beïnvloed worden door de lasvolgorde. Eén methode is het verspringend lassen. Hierbij wordt eerst één elektrode opgelast. Met de volgende las wordt begonnen op een afstand van twee keer de afstand die met één elektrode wordt gelast. Er wordt nu gelast in de richting van de eerder gelegde las. Na afloop resteert er een opening ter grootte van één opgelaste elektrode. Met de volgende las wordt nu weer begonnen op een afstand van twee opgelaste elektroden zodat weer een opening van één opgelaste elektrode overblijft. Nadat het hele werkstuk op deze manier gelast is, worden de openingen dichtgelast.



Verspringend lassen is een methode om de schaarwerking als gevolg van krimp te ondervangen.

Teruglopend lassen

Een eenvoudigere manier is het teruglopend lassen. Hierbij wordt eerst één elektrode opgelast. Met de volgende las wordt begonnen op een afstand van één opgelaste elektrode vanaf de eerste las. De tweede las wordt in de richting van de eerste las gelegd, zodat deze (als de elektrode op is) exact aansluit op de eerste las. De derde las sluit teruglopend aan op de tweede enzovoort. Als er in het midden wordt begonnen, kunnen bij langere naden twee lassers tegelijk volgens dit systeem werken.



Teruglopend lassen.

Asymmetrische lassen

In de paragraaf over krimp is al besproken, dat het leggen van asymmetrische lassen tot kromme profielen kan leiden. Bij platen met een asymmetrische las treedt hetzelfde verschijnsel op. Om deze reden moet bij plaatdelingen zoveel mogelijk worden gekozen voor een symmetrische ligging van de lassen.


Niet zo: maar zo:


Als asymmetrische profielen worden samengesteld door middel van lassen kunnen er zich krimpproblemen voordoen.

De volgende middelen kunnen ertoe bijdragen dat een min of meer recht eindresultaat wordt verkregen:

Voordat het lassen begint, kan aan de plaat een kromming worden gegeven. Als deze kromming juist is geschat, zal het eindresultaat recht zijn. Het inschatten van de juiste kromming is echter niet eenvoudig.

Als er twee identieke werkstukken in elkaars spiegelbeeld op elkaar worden geklemd of aan elkaar gehecht, dan zullen zij tegengesteld willen vervormen. Doordat zij op elkaar geklemd zitten kan deze vervorming niet optreden en zullen de werkstukken min of meer recht blijven. Het gevolg is wel, dat er in dit geval krimpspanningen ontstaan.



Het op elkaar klemmen van twee werkstukken teneinde krimpvervorming tegen te gaan.

Meerdere parallelle lasnaden

Als een plaat wordt opgebouwd uit meerdere - bijvoorbeeld vier - stroken, dan worden eerst de stroken twee aan twee aan elkaar gelast. Zo wordt er altijd aan symmetrische delen gelast, waardoor de krimpvervorming het minst zal optreden. Als de plaat is opgebouwd uit een oneven aantal stroken, dan lukt dit niet. In dat geval moet er voor de oplossing worden gekozen, die zo dicht mogelijk hierbij ligt.



Meerdere parallelle stroken worden gelast tot één plaat.

Dwarsnaden

Als er in een plaat dwarsnaden (ook wel stuiknaden genoemd) in combinatie met langsnaden voorkomen, moeten eerst de dwarsnaden worden gelast. In dwarsnaden zal immers dwarskrimp optreden. Als platen eerst door langsnaden zijn verbonden, kan de dwarskrimp niet meer vrij optreden. In dat geval zullen er grote spanningen en/of vervormingen in de plaat optreden.



Lasvolgorde bij versprongen dwars- en langsnaden.

Plaatliggers

Vaak wordt bij plaatliggers gekozen voor versprongen stuiken om niet alle lasnaden in dezelfde doorsnede te hebben. Dit is alleen goed, als de afzonderlijke platen eerst (met lassen in de dwarsnaden) op de juiste lengte worden gemaakt, waarna uit deze platen (met lassen in de langsnaden) de ligger wordt samengesteld.


Wordt de plaatligger echter uit delen gemakkt, die later - bijvoorbeeld op montage - aan elkaar worden gelast, dan is dit een slechte oplossing. In de stuiknaden zal er dwarskrimp optreden, die verhinderd wordt door de lassen in de langsnaden. Hierdoor zullen er in de ligger grote spanningen optreden.

Indien de stuiken in flenzen en lijven zich wel op dezelfde plaats bevinden, is het van belang, dat eerst de dikke platen (meestal de flenzen) worden gelast en pas daarna de dunne (de lijven). Dikke platen zullen immers meer krimp vertonen dan dunne. Er dient rekening mee te worden gehouden, dat als gevolg van krimp in de gelaste naden de vooropening van de nog te lassen naden kleiner wordt.



Bij stuiklassen van ongelijke plaatdiktes moet eerst de dikke plaat worden gelast.

Lassen van kokers

Het niet op de juiste wijze lassen van uit platen opgebouwde kokerprofielen kan tot grote problemen leiden. Door de torsiestijfheid van een koker is het erg moeilijk om een krom getrokken koker weer recht te maken. Het lassen van kokers moet daarom met zeer veel zorg gebeuren. Er mag nooit naad voor naad worden gelast. Het is het beste om afwisselend een stukje (elektrode) te lassen aan iedere naad van de koker. In de volgorde van de naden moet men zoveel mogelijk afwisseling brengen.

Uit het oogpunt van economie in de productie zal vaak eerst het bodemgedeelte met twee zijwanden en eventueel schotten en tenslotte het deksel erop worden gelast. Omdat hierbij asymmetrisch wordt gelast, zal er krimpvervorming optreden. Van geval tot geval moet worden bekeken of deze vervorming te accepteren en/of beheersbaar is.

Lasvolgorde van het uit plaat lassen van kokers.

Richten

Ondanks alle inspanningen kan het toch nodig zijn, dat er na het lassen gericht wordt.



Hiervoor kunnen de volgende methoden worden toegepast:
Mechanisch richten, waaronder wordt verstaan: het slaan met de hamer, het strekken met Thermisch richten, dat wil zeggen een plek warm maken en deze laten afkoelen. Het warm maken kan met de brander of door het leggen van een dummy lasrups op de plaats, die te ruim is. Door dit verhitten boven 700° C treedt er blijvende krimp op, waardoor het werkstuk gericht wordt vijzels of takels, de toepassing van een richtbank of toogbank

Met name het richten met de brander is precies werk. Er kunnen gemakkelijk problemen ontstaan, doordat de vervorming anders uitpakt dan verwacht. Let op: Niet alle staalsoorten mogen thermisch worden behandeld, omdat deze dan hun (sterkte)eigenschappen zouden kunnen verliezen.

Invloed van krimpspanningen

Staal is van karakter vergevingsgezind: het kan vloeien. Krimpspanningen zullen in het algemeen van weinig invloed zijn op de mechanische eigenschappen van de constructie, behalve als er kerven of scheuren zijn. Deze kunnen onder invloed van krimpspanningen groter worden.

In de apparatenbouw - bij hoge of juist lage temperatuur en bij hoge druk - dienen de restspanningen te worden geëlimineerd. Dit gebeurt door middel van gloeien bij ongeveer 650°C.
Voor de bouw is gloeien een kostbare bewerking, want er moet vaak een mobiele gloeioven komen (op een vrachtauto of binnenvaartschip of in een tent). Er moet voor worden gewaakt, dat spanningsarm gloeien nodeloos wordt voorgeschreven.

Bewerken van constructies met krimpspanningen

Het mechanisch bewerken (schaven, frezen) van constructies met krimpspanningen, kan tot onaangename verrassingen leiden. Door de bewerking verdwijnt een gedeelte van het materiaal, daarmee ook de spanning en het mechanisch evenwicht op die plek. Als gevolg hiervan kan de constructie vervormen.

Parallellen met andere vormen van verhitten.

Vervorming, zoals bij lassen, kan ook optreden bij andere vormen van verhitten. Hiermee moet bij het ontwerp en in de productiefase rekening worden gehouden. Een voorbeeld hiervan is de schaarwerking, die optreedt bij het branden van platen. Bij het branden van platen wordt om deze reden met twee parallel lopende branders gewerkt. Zelfs als één rand van de plaat door de rand van de moederplaat gevormd had kunnen worden!

Parallel brandsnijden ter voorkoming van krimpvervorming.

Lasbegrippen

Stompe las

Bij een stompe las zijn de materialen over de volledige dikte samengesmolten. De term "stompe las" heeft dus niets te maken met de hoek van de voorbewerking.

Niet-stompe las

Bij een niet-stompe las blijft er een (eventueel dichtgedrukte) spleet bestaan tussen de op elkaar gelaste delen. Veelal zal er bij hoeklassen sprake zijn van niet-stompe lassen en bij V-naden van stompe lassen. Dit is echter niet per definitie zo.
5.6 Inbranding

Inbranding is de mate, waarin het moedermateriaal, doordat het is gesmolten, onderdeel van de las is geworden. Vaak wordt de inbranding uitgedrukt in millimeters, waarmee de dikte van het gesmolten moedermateriaal wordt bedoeld.

Warmte-beïnvloede zone

De warmte-beïnvloede zone (ook wel HAZ genoemd, van de Engelse term "Heat Affected Zone") is dat deel van het materiaal, dat onder invloed van de toegevoerde warmte een structuurverandering heeft ondergaan.

Tegenlas

De tegenlas is de las, die soms aan de onderzijde van een V-naad wordt gelegd. Bij goed schoongutsen sluit deze tegenlas de kans op onvoldoende doorlassing uit. Er is voldoende doorlassing als de delen over de gehele dikte volledig aan elkaar zijn gelast.


Tegenlassen is echter niet altijd mogelijk, bijvoorbeeld bij buizen, die een te kleine diameter hebben om aan de binnenzijde te worden gelast.


Lassen lesstof




1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina