College 2 Empirische cyclus Meetinstrumenten / dataverzamelingsmethoden



Dovnload 82.89 Kb.
Datum27.08.2016
Grootte82.89 Kb.

Colleges Onderzoeksmethodologie

Aantekeningen colleges Onderzoeksmethodologie


Docent: H.J. Vos

College 2

Empirische cyclus


Meetinstrumenten / dataverzamelingsmethoden

Enige wetenschappelijke achtergrond:

- Een universele uitspraak kan worden weerlegd/gefalsificeerd door een enkelvoudige uitspraak (paradigma shift?)

- Er wordt vaak geëist dat theorieën falsificeerbaar zijn. Dit betekent dus dat er logisch denkbare waarnemingsuitspraken zijn die in strijd zijn met de theorie.


- Als dit zo is dan is de theorie gefalsificeerd. Kritisch rationalisme van Karl Popper: absolute kennis bestaat niet. Een goede theorie is falsificeerbaar. Tegenstander van Popper is onder andere Kühn. Debat duurt nog steeds voort.
- Falsificeren van theorieën is niet eenvoudig.

Theorie volgens A.D. de Groot (Nederlands methodoloog)

Een theorie is een samenhangend stelsel van oorzaak-gevolg relaties die toetsbaar zijn.

Theorie volgens David Dooley

- Theories state suspected relations among concepts

- Concepts are abstract aspects of reality
- Good theories have coherence, logic and internal consistency
- Good theories run the risk of being wrong (Kritisch-rationalisme)

Criteria om theorieën te beoordelen

- Logische samenhang

- Overeenstemming met data
- Falsificeerbaar
- Algemeenheid
- Parsimonie
- Relevantie

Nomothetische vs. Idiografische benadering

- Nomothetisch benadering (generaliserend)


Probeert algemene patronen te ontdekken die voor verschillende personen op verschillende tijdstippen en verschillende plaatsen gelden (kwantitatieve benadering)
- Idiografische benadering (specifiek)
Probeert geen algemene patronen te ontdekken, maar poogt alleen uitspraken te doen over individuele personen op een zeker tijdstip en op een zekere plaats (kwalititatieve benadering).
Exogeen construct: De oorzaak wordt niet uitgelegd in het model. De gemeten vorm noem je

een onafhankelijke variabelen want ze worden niet veroorzaakt door

variabele in het model.

Endogeen construct: Er leiden pijlen naar het model wat betekent dat ze worden uitgelegd in het

model. Het is een afhankelijke variabele.



Reciproce causaliteit: De causaliteit gaat beide kanten op. Academische prestatie zorgt voor

goedkeuring in de groep. En goedkeuring in de groep zorgt voor betere

prestaties.

Indirecte causaliteit: De causaliteit loopt via een derde, intervenierende variabele. Zo zorgt

acceptatie van volwassenen (bijv. ouders en leraren) voor meer

goedkeuring in de groep (3e variabele) wat weer zorgt voor betere

prestaties.



Fasen onderzoek

Dooley


Hypothese: Concrete voorspelling die uit de theorie wordt afgeleid”



Inductie Formuleren van algemene uitspraken op basis van specifieke


bevindingen.
Deductie Afleiden van specifieke veronderstellingen vanuit algemene theorie.
(Operationaliseren Indicatoren opstellen vanuit de constructen)
Hypothese toetsing Uitvoeren van het onderzoek.

Feedback Terugkoppeling naar inductieve fase om de theorie te ondersteunen


of te reviseren (nieuw onderzoek).
Empirische cyclus van A.D. De Groot
Hypothese: uitspraak over samenhang tussen concepten op abstract niveau.”
Observatie

  • Verzamelen van info op systematische manier kan deel uitmaken van de observatie.

  • Vrijheid van ontwerp

  • Theorie begint vaak met zien van bekende feiten in nieuw verband.

  • Replicatie onderzoek

  • Neem kennis van literatuur


Inductie

  • Hypothese omvormen tot concrete en falsificeerbare voorspelling

  • Operationaliseren van begrippen

  • Keuze PPN

  • Keuze onderzoeksopzet + procedure

  • Herhaalbaarheid

  • Voorspelling moet betrekking hebben op nieuw materiaal. Dus niet theorie toetsen op de gebruikte steekproef.


Deductie

Nieuw materiaal gebruiken. Let op: het is niet waar dat gegevens binnen elke theorie passen. Een theorie is immers falsificeerbaar binnen de sociale wetenschappen.


Toetsing

Theorie komt niet uit. Wat zijn de mogelijke verklaringen?




  • Hypothese/theorie klopt niet?

  • Waarnemingsuitspraak klopt niet?

  • Voorspelling niet correct afgeleid uit theorie?

  • Beschrijving initiële condities klopt niet of niet bekend?

Voorbeeld hiervan is het torenargument van Copernicus. Baan Uranus in strijd met Newton’s theorie? Nee, dit is de ontdekking van Neptunus.

Aanpassing van de theorie is mogelijk, echter is ad hoc aanpassing niet gewenst.
Feedback


  • Bepaling waarde uitkomst in wijder verband dan hypothese.

  • Evaluatie gaat vaak over in Observatie (Empirische cyclus).

---------------------------------------------------------------------------------------------






Drie soorten meetinstrumenten



  1. Obtrusive versus unobtrusive. Is de persoon zich wel of niet bewust van de meting.

  2. Reactivity: brengt het meten van de variabele verandering teweeg in de te meten persoon?

  3. Verbaal versus non-verbaal (verbaal is ook tekst!)

De dreiging van ‘methods effects’ (twee metingen geven hetzelfde resultaat vanwege gedeelde methodes) maken het wenselijk om meer dan één meetinstrument te gebruiken voor één construct. Metingen kunnen als volgt worden gecategoriseerd:



Obtrusive


De persoon die gemeten wordt is zich hiervan bewust


Unobtrusive


Persoon (‘subject’) weet niet dat hij gemeten wordt

Verbaal


Geschreven of gesproken berichten

Interview


Projectieve test (Rorschach)

Vragenlijst/ enquête

Intelligentietest

Persoonlijkheidstest


Inhoudsanalyse


Procesanalyse




Non verbaal

Fysiologische metingen

Gedragsobservatie (soms)

Gedragsobservatie (soms)


Sporen


Archieven


Deze indeling is gemaakt vanwege reactivity: gedragsverandering vindt plaats door het meetinstrument. Dit is een dreiging voor de validiteit van het onderzoek. Reactivity hangt onder andere af van het onderwerp (gevoelig of niet), maar ook van het meetinstrument zelf:



  • Bij verbale meetinstrumenten heb je eerder te maken met reactivity, omdat mensen verbaal gedrag beter onder controle kunnen houden dan non-verbaal gedrag.

  • Als de persoon zich er niet van bewust is dat hij gemeten wordt (unobstrusive) zal reactivity ook niet snel optreden.



Verbaal/ obstrusive



Interview


De meeste interviews vallen in de verbalen, obtrusive cell. De aanwezigheid van een onderzoeker kan antwoorden sterk beïnvloeden.


Projectieve testen


Een (interview) techniek die achterhaalt hoe mensen reageren op ambigue stimuli (twijfelachtige). Er is een minimale begeleiding van de onderzoeker en ze kunnen zelf aangeven wat ze in de stimuli zien. De techniek gaat er vanuit dat respondenten hun onbewuste gedachten en gevoelens projecteren. Bijv. woordassociaties, zinnen afmaken en expressieve testen zoals teken een persoon test of inktpatronen. In vergelijking met zelf rapportage is er het voordeel dat er een relatief lage reactivity is omdat respondenten niet weten wat het gewenste antwoord moet zijn. Het nadeel is dat deze techniek niet erg betrouwbaar en valide is, omdat de interpretatie zeer subjectief is. Bovendien heb je sterk te maken met de tijdelijke mood van de respondent.


Vragenlijsten/ enquêtes


Een zeer gestructureerd interview met iedere vraag met dezelfde woorden gesteld en in dezelfde volgorde. De combinatie van de vragen (items) zorgt voor meer betrouwbaarheid dan de vragen afzonderlijk. Het nadeel is dat vragen verkeerd geïnterpreteerd kun. worden

Stappenplan vragenlijst (DeVellis)



  1. Definieer construct

  2. Genereer een item pool

  3. Doe een pilot test

  4. Afname en itemanalyse

  5. Valideren en normeren


Persoonlijkheidstesten

Emoties, motivaties overtuigingen en waarden van de respondent worden achterhaald.
Verbaal/ unobstrusive
Inhoudsanalyse

Analyseert de woorden die iemand heeft geschreven. Bijv. de beleefdheidsstrategieën die worden gebruikt in handboeken.


Procesanalyse

De studie van taal, zoals geluidskwaliteit, pauzes en woordgebruik (zonder naar de letterlijke betekenis te kijken).

Non verbaal/ unobstrusive
Observaties van non-verbaal gedrag
Sporen zoeken

Bijv. kijken of mensen huisafval scheiden na geven voorlichtingsfolder. Bijv. analyse hoe vaak schilderijen bekeken worden in een museum door de slijtage van de vloer te meten (groot risico voor Error, omdat er bijvoorbeeld grote slijtage kan zijn omdat het schilderij naast de wc hangt).


Archieven

Statistieken van de overheid over sociale instituten. Mensen weten hiervan niet dat dit gebruikt gaat worden voor een bepaald onderzoek. Het voordeel is dat er vaak gegevens zijn over de gehele populatie en dat ze vaak betrouwbaar en valide zijn. Bijv. nagaan hoe vaak iemand een boek heeft geleend bij de bibliotheek of geboortecijfers achterhalen.

College 3



Onderzoeksontwerpen en validiteitsbedreigers

Kluger Hans: Advertentie in Militarwochenblatt (28-6-1902). Hij beweerde dat het paard de Duitse taal spreekt, rekent als dertienjarige, onderscheidt kleuren en geometrische figuren.


Zijn beweringen worden weerlegd doordat het paard op minimale bewegingen reageert en op suikerklontjes. Dit is een voorbeeld van proefleidersverwachtingen.

Dit is een voorbeeld van one-group-posttest-only X O


X= Behandeling
O= Observatie
R= Randomisatie

Dit is een pre-experimenteel design met veel interne validiteitbedreigers.

Notaties design:
X1 ……. Xn Behandelingen
O1 …….. On Observaties
----------------- Niet-aselekte groepen
R Aselecte groepen
M Matching (op achtergrondvariabele)
Rij groep
Kolom tijdstip

Pre-experimentele ontwerpen

1. Één-groeps-voor-en-nameting

O1 X O2

Doel van dit experiment is om vast te stellen of er een oorzakelijk verband is tussen de onafhankelijke en afhankelijke variabele. De interne validiteit is zeer laag.

Interne validiteit: Is het bij dit ontwerp moeilijk om aan te tonen dat bij deze proefpersonen in deze onderzoeksomgeving deze behandeling X invloed heeft gehad op deze O.


Als gemiddelde score op de nametingen significant hoger is dan zou dit kunnen komen door X, echter zijn er een aantal alternatieve verklaringen mogelijk (interne validiteitsbedreigers).

1. Geschiedenis / History: invloed van andere gebeurtenissen dan X die gelijktijdig optreden (buiten het experiment.
2. Autonome veranderingen / maturation.
3. Test Reactivity. Afname van voormeting beïnvloedt nameting (attitudes.. dieet etc..)
4. Instrumentatie. Bij nameting wordt een ander instrument gebruikt dan bij nameting (ook vloer en plafond effecten kunnen optreden).

1. Regressie naar het midden. Extreme scores op de voormeting schuiven naar het midden op de nameting.

2. Uitval / Mortality.




2. Achterafvergelijking-met-bestaande-groepen

X O1
-------------


- O2

- Niet gerandomiseerd

- Moeilijk te interpreteren

- Testeffecten hebben geen invloed meer omdat er geen pre-test is.

Interne validiteitsbedreigers:

Tijd

- Testeffecten spelen geen rol meer

- Geschiedenis beter gecontroleerd dan bij vorige design als beide groepen in gelijke omstandigheden zitten.

- Maturatie zelfde als bij geschiedenis.

- Instrumentatie onder controle.

- Regressie naar het midden beter gecontroleerd.

- Selectieve/experimentele uitval: is mogelijk als in beide groepen de uitval kwalitatief verschillend is.


Groep (oplossing: Randomiseren)


  • Selectie effecten. Verschillen op nameting worden verklaar door verschillen op voormeting. Beducht zijn op creaming (op zoek naar vrijwilligers)

  • Selectie-by-time-interaction. Verschil in groeisnelheid wordt verklaard door initiële verschillen.

Volunteer bias:




  • vaak meer onderwijs genoten

  • Vaak hogere sociale status

  • Betere intellectuele vaardigheden

  • Grote behoefte aan sociale waarneming

  • Socialer ingesteld


Samenvatting interne validiteitbedreigers pre-experimentele ontwerpen



  1. History

  2. Maturation

  3. Test reactivity

  4. Instrumentation

  5. Selection

  6. Moratality

  7. Regression to the mean

  8. Selection-maturation-interaction

Experimentele ontwerpen

Interne validiteit van alle experimentele ontwerpen is relatief hoog. Hoger dan veldexperimenten. Geen contaminatie-effecten.

Toch zijn deze experimenten niet perfect. Lage externe validiteit en mogelijk effect op experimentele construct validiteit (interactie proefleider-proefpersonen).


1. Achteraf vergelijking met controlegroep

X O1

R

- O2



Als scores in O1 significant verschillen van O2 dan zijn er twee mogelijke verklaringen:


  1. Toeval. (Fout van de eerste soort)

  2. Significant verschil.

Met statistische toetsen kan worden bepaald of verschillen tussen beide condities dermate groot zijn dat stelling 1 verworpen kan worden.


2. Voor-en-na-meting-met-controlegroep (als je weinig vertrouwen hebt in R)

O1 X O2
R

O3 - O4

Voordeel:Door de verschillen van O2-O1 en O4-O3 te bekijken kan er toe leiden dat er met grotere kans het effect van X opgespoord wordt (onderscheidingsvermogen neemt toe).


Nadeel: Mogelijk treedt effect X alleen op bij opnemen pre-test. Voorbeeld: bewust worden van afvallen tijdens experiment. Externe validiteit is hier in het geding.

Wanneer neem je een pre-test op?




  1. Bij twijfel over randomisatie (bij heterogene populatie of weinig ppn)

  2. Interactie met beginpositie

  3. Als er een individuele beslissing genomen moet worden.

  4. Bij longitudinaal onderzoek (selectieve mortaliteit). Checken of de verdeling nog in stand is.

  5. Bij niet-aselecte toewijzing.

  6. Plafond of vloer aanwezig.

Wanneer niet?


- Bij te verwachten testeffecten (zie voorbeeld afvallen – bewustwoording)

  • Remedie. Voortoets correleert met natoets (engelse toets)

  • Bij reeds lopend programma

  • Tijd/Geld

Vb testeffect: O1 neg. Vragenlijst. X Computerles O2 negatieve houding. O4 positieve houding. Verschil komt dus niet meer door behandeling maar door pre-test.



3. Solomon four-group design

O1 X O2


O3 - O4
R

X O5


- O6
Combinatie van beide echte experimenten.

Dit design maakt het mogelijk om pre-test effecten op te sporen en te erkennen dan wel uit te sluiten. Dit kan als O1 en O3 gelijk zijn en O5 en O6. Verschil in O2 en O4 kan dan verklaard worden door behandeling icm met voormeting. Duidelijke bedreiger voor de externe validiteit dus.

Nadeel: veel proefpersonen nodig.

Matching (blocking en gekoppelde paren)

- Idee: meet ;e;en of meer storende variabele en zorg ervoor dat in experimentele en controlegroep ongeveer dezelfde scores op deze variabelen voorkomen.



  • Maak paren onderzoekseenheden met dezelfde score op een pre-test.

  • Dit is een sterk design omdat de groepen uitwisselbaar zijn.

  • Als matching op een verstandige manier wordt gedaan kan het effect van X op O met grotere kans worden vastgesteld.

Nadelen:


  • Wat zijn relevante variabelen?

  • Matching-regressie effecten (Peschar)

Experimentele construct validiteit
Experimenten zijn vaak sterk qua interne validiteit, echter niet altijd op exp. Construct validiteit en externe validiteit.
Definitie: Is behandeling (of verschil tussen behandelingen van groepen) een goede weergave van bedoelde exogene variabele geweest? Meet je dus wat je wilt meten?

1. Proefleidersverwachtingen:

- Rattenexperiment



  • Pygmalion in the classroom

  • Rosenthal fotobeoordelingsexperiment

  • Self-fullfilling-prophecy

  • CDT

Rosenthal/Pygmalion effect op basis van foto beoordelingsexperiment. Conclusie is dat verwachtingen van de proefleider effect hadden op score van de respondenten.


Hoe verminder je proefleidersverwachtingen?



  • Naïeve experimenter (kent hypothese niet).

  • Blinder proefleider

  • Standaardisatie

  • Canned experimenter (Bijv. instructies op video/tape)


2. Demand characteristics
Kan gedrag zijn van proefleider of de omgeving.

Voorbeelden:



  • Hawthorne effect. Fabrieksarbeiders voelden zich speciaal doordat ze onderzocht werden en gingen zo ook harder werken.

  • Novelty effect

  • Sociale wenselijkheid (gevoelige onderwerpen)

  • Evaluation apprehension. Mensen zijn gevoelig voor autoriteit (Milram).

  • Placebo effect.

Hoe is dit effect te verminderen?

1. Placebo in controlegroep / Dubbel blind experiment

2. Experiment verborgen houden voor proefpersonen (Ethiek in het geding)

3. Doel onderzoek verborgen houden.
3. contaminatie effecten in de controlegroep
2 vormen:


  • Compensatory contamination. Kandidaten gaan mogelijk zelf op zoek naar therapie. Rivaliteit in de controlegroep kan ook een rol spelen.

  • Exaggerating contamination. Bijvoorbeeld demoralisatie vanwege verschillen in de behandeling.


Externe validiteit en generaliseerbaarheid.

Naar wie, waar, wat en wanneer kunnen we de resultaten generaliseren.


Dimensies volgens Dooley:

  • Andere personen / doelgroepen

  • Andere omstandigheden

  • Andere tijdstippen

In het algemeen: laat onderzoek zoveel mogelijk lijken op situaties waarnaar je wilt generaliseren (o.a. heterogeniteit).


In literatuurstudies / meta-analyses wordt geprobeerd algemene conclusies te formuleren op meerdere studies.

College 4

Betrouwbaarheden, validiteit, surveys en steekproefmethoden.





Algemeenheden
Verschillende meetniveaus:


  • Nominaal (Man/Vrouw). Alleen modus interessant

  • Ordinaal (Mavo/Havo/Vwo) (Cijfersysteem)

  • Interval . Constante meeteenheid (IQ)

  • Ratio. Bevat absoluut nulpunt.

Betrouwbaarheid = Voor welk deel berusten verschillen de geobserveerde scores op echte niet-toevallige verschillen.


Validiteit = In welke mate geven verschillen in geobserveerde scores systematische/echte verschillen weer waarin we geïnteresseerd zijn.
Een lage betrouwbaarheid impliceert een lage validiteit. Betrouwbaarheid is een voorwaarde voor validiteit, maar garandeert deze niet. Je kan bijvoorbeeld ook een verkeerd construct meten (W).
Betrouwbaarheid

Klassieke testtheorie: X = T + E.


Betrouwbaarheid = 1 – ( Σ2e / Σ2x )

P = Σ2x - Σ2e = Σ2T

P=1 als E =0

P=0 als E =1 (alleen maar error)


Betrouwbaarheid verhogen kan door middel van:


  • Duidelijke formuleringen

  • Standaardisatie van belang

  • Testverlenging

  • Heterogene populatie

  • Norm >0.8?

Spearman Brown betrouwbaarheid verhogen:


Kp oud Kp oud

Pnieuw = ----------------------- = -----------------------

Kpoud + 1- P oud 1 + (K – 1) P oud

Spearman Brown toetsverlenging

P gewenst 1 – P oud

K = -------------- X ( ------------- )

P oud 1 – P gewenst

Meten / schatten van betrouwbaarheid kan via de volgende wegen:


1. Interitem betrouwbaarheid (consistentie)

Interitem betrouwbaarheid schat of items consistent zijn met elkaar (correleren). De betrouwbaarheid hangt af van de consistentie tussen items en de lengte van de test (het aantal items). In een split half methode en een even-oneven methode deel je de test in tweeën en correleer je de ene helft met de andere helft. Hiervoor moet je genoeg items hebben. Een meer gebruikte methode is de gemiddelde correlatie van ieder item met elk ander item. Het nadeel is dat het de betrouwbaarheid meet van ieder item afzonderlijk en niet het groter geheel (en dat is betrouwbaarder). Cronbach’s coëfficiënt alpha meet de gemiddelde betrouwbaarheid van items en het aantal items van een test.




2. Test - retest betrouwbaarheid (stabiliteit)


Je geeft de test twee of meer keer aan respondenten. Gelijke uitkomsten kunnen dienen als bewijs voor de stabiliteit en de kwaliteit van het meetinstrument zelf. Het nadeel is dat respondenten hun antwoorden kunnen herinneren en hetzelfde zullen antwoorden om dezelfde score te krijgen. Daarnaast kunnen er verschillen ontstaan door maturation: respondenten weten meer door natuurlijke groei (rijping).

3. Parallel test betrouwbaarheid (stabiliteit)


Je doet eenzelfde soort test maar net iets anders. Ook hier is het risico van maturatie/ ontwikkeling.

Split half betrouwbaarheid

Cronbach’s alpha KR-20 (tussen 0 en 1)






Stappenplan Cronbach’s alpha berekenen:




  1. Gemiddelde uitrekenen (je wilt immers naar de variantie)

  2. Toetsvariantie uitrekenen S2X

  3. Itemvariantie uitrekenen S2I

  4. Formule invullen

Voorbeeld itemvariantie item 1 = (5-4)2 + (6-4)2 ……… / k -1


Voor elk item bereken je het gemiddelde en hiermee bereken je de variantie. De varianties van alle items tel je bij elkaar op en die worden gedeeld door k-1.
Eigenschappen Cronbach’s Alpha:


  • Wordt vaak gebruikt voor betrouwbaarheid

  • Alpha meet de interne consistentie

  • Proportie variantie wordt verklaard door het construct.

  • Cronbach’s Alpha kan ook worden berekend aan de hand van de covariantiematrix (variatie op de formule)

Gevolgen van onbetrouwbare meetinstrumenten




  1. Validiteit in het geding (betrouwbaarheid is immers een voorwaarde)

  2. Verkeerde beslissingen

  3. Regressie naar het midden (X= T + E)

  4. Minder snel verschillen te ontdekken tussen Experimentele en controle groep te ontdekken.

  5. Onderschatting van echte correlatie.



Toets- en itemanalyse

Normen voor tests



P-waarde is optimaal halverwege raadkans en 1.

Item-test correlatie – Samenhang/correlatie tussen score op een item en score op de test.

Rit moet positief zijn. Bij negatieve Rit (hoogscores hebben item fout, laagscores hebben item goed) twijfelen aan formulering o.i.d. Bij negatieve Rit dien je het item te verwijderen.
Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid
Cohen’s Kappa



Enkele opmerkingen:


1). verw. fractie < Cohen’s kappa < geobs. fractie (geldt niet altijd!)

2). geobs. fractie = verw. fractie -> Cohen’s kappa = 0


(niet beter dan zoals verwacht op grond van toeval)

3). geobs. fractie = 1 -> Cohen’s kappa = 1 (voll. overeenstemming)

4). geobs. fractie < verw. fractie > Cohen’s kappa < 0 (slechter dan kans)

5). k > 0.75: excellent; 0.40 < k < 0.75: redelijk tot goed;


k < 0.40: zwakke overeenstemming;

6). Meer dan 2 observatoren: neem het gem. van alle ‘pairwise’ kappa’s.



Validiteit
Naast toevallige fouten (E) kunnen er ook niet toevallige fouten optreden:

B= Bias (bijvoorbeeld systematisch verkeerd meetinstrument gebruiken)

E = B + Er

W = Verkeerde construct gemeten (door response style / response set )

E = W + Er
X = T+B+Er of X = T+W+Er


  1. Criterium validiteit. Vindt vaak gelijktijdig plaats. Wordt gebruikt om scores met elkaar te vergelijken (assessments. Hoe presteer je in het rollenspel en hoe op de IQ-test)




  1. Inhoudsvaliditeit (zijn alle dimensies opgenomen)




  1. Begripsvaliditeit

  1. Factor analyse (om ééndimensionaliteit na te gaan)

  2. Convergente en divergente validiteit

  3. Correlatie met andere begrippen

  4. Groepsverschillen




  1. Indruksvaliditeit

(De Groot: Instrumenteel nomethetisch onderzoek: Construct moet ingebed zijn in de theorie. Dit moet ook in het instrument terugkomen. Dus als de theorie een uitspraak doet over A,B en C dan moet dit ook in het instrument terugkomen.)


Surveyonderzoek

Bekende vormen van dataverzameling:


- cross-sectionele dataverzameling


(één tijdstip, dwarsdoorsnede / transversaal / ’snapshot’)
- longitudinale dataverzameling
(twee of meer tijdstippen, wordt gebruikt bij tijdreeksen):
1. panel: zelfde populatie en zelfde steekproef (vaste groep)
(bijv. consumenten -en smaakpanels, soms in de vorm van focusgroepen:
iedere herhaling van het interview noemt men soms een wave, bij een
two-wave panel study wordt hetzelfde interview dus twee keer afgenomen).
2. trend: verschillende populaties en verschillende steekproeven (bijv. studie-attitudes / periodiek peilingsonderzoek);
3. cohort: zelfde populatie en versch. steekproeven (meestal gedefinieerd o.b.v. geboortejaar, bijv. ontwikkelingsstudies).


Stappenplan bij uitvoeren survey:


  • Formuleren van centrale onderzoeksvraag

  • Nagaan of survey geschikte onderzoeksmethode is.

  • Kiezen van type survey

  • Keuze van medium

  • Vragenlijst formuleren

  • Registratie van antwoorden beslissen

  • Pilot-study

  • Populatie en steekproefmethode kiezen

  • Data analyse en verslag schrijven

Vertekeningen in survey

Random error



  • Sampling error

  • Onbetrouwbaarheid meetinstrument

Bias


  • Sample bias

  • Data collection bias

    • Observation bias (sociaal wenselijkheid/formulering)

    • Nonobservation bias (non-respons)

Bij constructie vragenlijst, houdt rekening met:




  • Vermijd Compound items

  • Vermijd (dubbele) ontkenningen

  • Begrijpelijke vragen

  • Leg het doel uit.

  • Gebruik Randomized response.

  • Afwisselen pos. En neg.

  • Variëren in intensiteit

  • Vermijd sturende vragen

  • Vermijd feitelijke vragen


Kanssteekproeven en niet-kans-steekproeven

Kanssteekproeven (‘probability sampling’; zie ook H. 3 van M&M):


  • Enkelvoudige aselecte steekproef (EAS): gelijke kans om te worden getrokken [Terzijde: aselect kiezen  aselect toewijzen (aan condities)]

  • Systematische steekproeven (ieder nde element van een steekproefkader)

  • (Proportioneel) gestratificeerde steekproef (kies aantal respondenten voor ieder stratum in verhouding tot de grootte van het stratum; oversampling)

  • Clustersteekproeven (‘trossteekproeven’); bestaande groepen, bijv. wijken

  • Meerstaps (getrapte) steekproeven (‘multistage sampling’); volgende slide

Niet-kans steekproeven:




  • ‘Convenience sampling’ (‘gemaksteekproeven’ / ‘haphazard sampling’)

  • ‘Purposive sampling’ (‘doelsteekproeven’)

  • Quota steekproeven

  • Sneeuwbal steekproeven (‘snowball sampling’; gebruik sleutelinformanten)

  • Sequentiële steekproeven




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina