Commentaar bij de zesde leesbijeenkomst op 02. 05. 2000 Objectieve en fenomenale tijd



Dovnload 7.43 Kb.
Datum27.08.2016
Grootte7.43 Kb.
Commentaar bij de zesde leesbijeenkomst op 02.05.2000
Objectieve en fenomenale tijd.

De tijd is voor Husserl meer dan de kantiaanse vorm van de zintuiglijkheid of mogelijkheid tot aanschouwing. Op grond van de absolute tijd, waarin de objecten van de werkelijke ervaring hun plaats vinden, is het mogelijk objecten te individueren en te identificeren. In de quasi-modus geldt hetzelfde voor de fantasie. De objectieve ‘wereldtijd’ is verder de mogelijkheidsvoorwaarde voor de aanschouwelijke eenheid binnen het positionele bewustzijn (waarneming en herinnering). De fenomenale tijd, of de tijd van de bewustzijnsstroom, verleent aan alle belevenissen van het ik een plaats in de bewustzijnsstroom.

Enerzijds is er dus een objectieve tijd, of een wereldtijd, die de objecten absoluut en objectief in de tijd plaatst, anderzijds een fenomenale of bewustzijnstijd, waarin de belevenissen als belevenissen een absolute plaats in de tijd krijgen ten opzichte van elkaar (als ‘voor’ en ‘na’). Ook de fantasiebelevenissen hebben die fenomenale tijdsbepalingen, maar niet de objectieve plaats in de tijd. De objectieve tijd is dus wel een gemeenschappelijke maatstaf voor de waarneming en de herinnering, maar niet voor de fantasie.

De objectieve tijd maakt het mogelijk een onderscheid tussen waarneming, herinnering en fantasie te maken. De mogelijkheidsvoorwaarde tot een eenheid in de aanschouwing ligt echter in de fenomenale tijd van de bewustzijnsstroom. “Ist also die Einheit nicht eine solche der Gegenständlichkeiten, so kann sie nur eine Einheit der die Gegenständlichkeiten konstituierenden Erlebnisse1, der Wahrnehmungs-, Erinnerungs- und Phantasieerlebnisse sein.”

In de bewustzijnsstroom is alles gedateerd, door zijn plaats in de objectieve tijd. Fantasieobjecten kunnen niet op die wijze gedateerd zijn, maar enkel ten opzichte van andere bewustzijnsinhouden.

Het aanvaarden van een objectieve tijd, leidt tot de vraag naar de meest fundamentele tijdsvorm. Bij Husserl lijkt de fenomenale tijdsorde zich te enten op de objectieve tijd, veel eerder dan omgekeerd. De objecten van het bewustzijn presenteren zich in de fenomenale tijd als objecten die thuishoren in een objectieve wereldtijd. Die ‘externe’ tijdsorde doet vermoeden dat wat de prikkel uitoefent vanuit de objectieve wereldtijd binnenkomt in de fenomenale tijd, of dat de orde van de fenomenale tijd objecten in de objectieve tijd dient te veronderstellen.

Is die vorm van realisme niet vreemd voor Husserl? Wellicht is hier een veel verdergaande analyse nodig van welke vorm van realisme bedoeld wordt. Bovendien moet men zich afvragen of het mogelijk zou zijn een systeem op te zetten waarin men zich kan toestaan geen onderscheid te maken tussen fantasie en werkelijkheid. De kosten daarvan zouden wel eens kunnen opwegen tegen die van een realisme.2 Bovendien spreekt Husserl niet in termen van adequaatheid tussen voorstelling en werkelijkheid, zoals in het geval van een correspondentietheorie van de waarheid.
De herinnering.

In de herinnering is er wel sprake van een activiteit, maar niet in de zin van een spontaniteit van het ik. De activiteit is zeer beperkt. Iemand kan wel pogingen doen om zich iets te herinneren, maar het eigenlijke herinneringsverloop is gegrond in de passieve associatie. Een willend en sturend ik komt niet aan bod bij het tot leven wekken van de dode, teruggezonken werelden. Het feit dat een terug tot leven wekken in de herinnering mogelijk is, doet opnieuw freudiaans aan: er is een inscriptiesysteem met sporen. De vrije associatie in de kuur rekent bovendien precies op de afwezigheid van een spontaan en willend ik: de superstructuur mag de associatie niet leiden. Zoals Freud, werkt Husserl met hiërarchische niveaus. Ook bij Husserl zal er een actief (of in Husserls termen, een ‘spontaan’) ik aan bod komen (cf. Freuds structuur van Es, Ich en Über-ich). Pas in het tweede deel, waarin het predicatieve denken wordt behandeld, zal op de besproken onderlagen een werkelijk actieve, spontane superstructuur komen.




1 Husserl, Erfahrung und Urteil, Felix Meiner, 1972, p. 205.

2 Zie ook Freud, bij wie het onderscheid tussen hallucinatie en niet-hallucinatie voor het organisme een kwestie van overleven is.








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina