Concept-verslag van de vergadering van 27 november 2003 jk, december 2003



Dovnload 33.16 Kb.
Datum07.10.2016
Grootte33.16 Kb.




Agendapunt : B

Kenmerk : OC N/06



ONDERWERP :

Concept-verslag van de vergadering van 27 november 2003













JK, december 2003












Verslag van de vergadering van de Onderwijscommissie

gehouden op 27 november 2003 te ‘s-Gravenhage


Aanwezig


De heer Akkerman, de heer Van Beek (Dongen), mevrouw Blok-Melai, mevrouw Van Doorn, de heer Eigeman, de heer Helder, de heer Heijnen, de heer Van den Heuvel, de heer Van Kempen, mevrouw Klip-Martin, de heer Krol, mevrouw Laumans, de heer Lemmens, de heer Litjens, de heer Moens, de heer Munniksma (vz), de heer Netters, de heer Nota, de heer Slagter, de heer Van der Velde, de heer Veldhuis en mevrouw Vos-Brandjes.
Aanwezig van het bureau

Mevrouw Van Hulst, de heer Kleinhesselink (verslag), de heer Van Leijenhorst, de heer Linders en mevrouw Yurtsever.


Afwezig met bericht van verhindering

De heer Van Beek (Skarsterlân), de heer Bosch, mevrouw Depondt-Olivers, de heer Eisinga, mevrouw Van Heertum, mevrouw Looman-Struijs, de heer Oudkerk, de heer Van Rumund, mevrouw Van der Velden-Coolen, de heer Wijlands, de heer Van der Zwan en de heer Zwiers.



A. Opening en mededelingen



1. Mededelingen, ingekomen en verzonden stukken (OC M/11)

De heer Kleinhesselink meldt dat de minister van OCW binnenkort de resultaten van de monitor decentralisatie onderwijshuisvesting naar het parlement stuurt. Op basis van de macrocijfers kan worden geconcludeerd dat gemeenten gezamenlijk minder uitgeven dan zij ontvangen; inkomsten in 2002 € 1,2 miljard, uitgaven € 1,16 miljard. Het verschil is ondermeer verklaarbaar vanwege de toevoeging vanwege de onderwijskundige vernieuwingen (€ 45 miljoen) halverwege 2002. Naar onze mening doen gemeenten het goed; in de richting van het parlement zal dit echter toch een lastige boodschap zijn.


2. Vaststellen agenda

Geen wijzigingen.


3. Tweedaagse bijeenkomst 2004 (OC M/12)

De voorzitter geeft aan dat vanwege het VNG congres een andere datum voor de tweedaagse wordt voorgesteld: donderdag 27 mei 2004 en vrijdag 28 mei 2004.

De oorspronkelijk geplande vergaderdatum van 10 juni 2004 vervalt.

De commissie stemt in met de nieuwe data voor de tweedaagse.



B. Verslag vorige vergadering



Verslag van de vergadering van 18 september 2003 (OC N/05)

Het verslag wordt ongewijzigd vastgesteld.



C. Bespreekpunten



1. Toekomst onderwijsachterstandenbeleid (OC 02/11)

De voorzitter licht toe dat de € 100 miljoen bezuiniging vanaf 2005 op het onderwijsachterstandenbeleid gehandhaafd blijft, de bezuiniging van 2004 € 50 miljoen wordt via incidentele maatregelen gehaald. Na het hoofdlijnenakkoord leek de rol van gemeenten uitgespeeld, nu staat de gemeente weer op de kaart. De vraag is wel wat er met het lopende landelijk beleidskader (LBK) gaat gebeuren.

De heer Van Leijenhorst geeft aan dat er de afgelopen maanden intensief met OCW en de Tweede Kamer is gesproken. In het standpunt van de minister over de structurele bezuiniging van € 100 miljoen was geen beweging te krijgen. Wel is de minister van mening dat gemeenten niet weggecijferd moeten worden. In december zal de Tweede Kamer een Algemeen Overleg hebben naar aanleiding van de brief van de minister over de aanpak onderwijsachterstanden.

In het bestuurlijk overleg is van onze zijde aangegeven dat we problemen voorzien door de bezuinigingen tijdens het lopende LBK, daarnaast zullen de doelstellingen aangepast moeten worden.

De minister overlegt afzonderlijk met de koepelorganisaties voor het openbaar en bijzonder onderwijs, onder andere over de herziening van de gewichtenregeling. De VNG probeert in gesprek te blijven met de koepelorganisaties.
De commissie geeft aan teleurgesteld te zijn over de bezuinigingen door het kabinet.

Het eerste resultaat van de onderhandelingen lijkt positief, er is een significant verschil tussen het hoofdlijnenakkoord en de brief van de minister.

Door de bezuiniging zijn de doelstellingen van het LBK niet meer haalbaar, er is sprake van kapitaalvernietiging omdat het net goed begint te lopen op lokaal niveau. Het signaal zal moeten worden afgegeven dat gemeenten niet meer meewerken aan de monitor.
In de brief van de minister zit een aantal inconsistenties. Hoe verhoudt de bezuiniging op het onderwijsachterstandenbeleid zich tot het punt van de gemeentelijke regie en de samenhang in beleid zoals de Operatie Jong aangeeft?

De nieuwe benadering op onderwijsachterstandenbestrijding haalt dit beleid uit zijn context met de daarbij horende sociale en economische problemen. De optelsom van alle bezuinigingen maakt dat de effecten ervan telkens bij dezelfde groep terecht komen.


Het is belangrijk om aan de in de brief genoemde schakelfunctie invulling te geven, dit is de verbinding met het jeugdbeleid. Gemeenten moeten zelf aangeven dat de schakelfunctie van belang is en wat gemeenten hiermee willen en kunnen doen. We moeten goed nadenken over wat we kunnen waarmaken.
Er is grote behoefte aan duidelijkheid wat de bezuiniging nu voor scholen en gemeenten betekent. Er bestaat behoefte aan een handreiking over het proces en het vervolg gezien het nieuwe financiële kader. Aandacht wordt gevraagd voor de effecten op de werkvloer.
De voorzitter geeft aan dat er sprake is van een spagaat tussen enerzijds de bezuiniging van € 100 miljoen en anderzijds de gemeenten – binnen de nieuwe randvoorwaarden – toch goed te positioneren. De gesignaleerde inconsistentie kan slim benut worden om de gemeentelijke regierol uit te bouwen.

De aangekondigde bezuinigingen zullen zorgen voor een rem op de doelstellingen van het LBK.

De tweedaagse in mei 2004 kunnen we benutten om het dan voorliggende perspectief te beoordelen.

De heer Van Leijenhorst vult aan dat de cumulatie van maatregelen zorgelijk is. De minister geeft gemeenten een rol als het gaat om de schakelfunctie, zij moet hierover nog wel overeenstemming met het parlement bereiken. Hij roept de commissieleden op partijgenoten in de Tweede Kamer te benaderen om hen te overtuigen de rol van de gemeente overeind te houden.

De heer Linders geeft aan dat ook de VNG heeft gemerkt dat er grote onrust is in het veld. De doorstart van het onderwijsachterstandenbeleid wordt overschaduwd door de bezuiniging in 2005. Met de minister is afgesproken dat Rijk en VNG gezamenlijk goed communiceren. De minister moet de verantwoordelijkheid voor de bezuiniging voor eigen rekening nemen zodat niet de lokale bestuurder de dupe wordt. De VNG is met het ministerie in de slag over de voornemens en financiële consequenties in 2005. Binnenkort ontvangen gemeenten een ledenbrief over de stand van zaken, in het voorjaar van 2004 zullen we gemeenten opnieuw informeren.
2. Proeve van de jeugdagenda – Operatie Jong (OC 18/07)

De heer Linders meldt dat het laatste kabinet Kok is gestart met een lange termijn verkenning naar een integrale aanpak jeugdbeleid. De Proeve van de jeugdagenda is het eindresultaat van een interdepartementale discussie. In de dagelijkse praktijk wordt het bureau op dit moment geconfronteerd met 18 beleidsdirecties verspreid over 5 departementen die zich bezig houden met jeugdbeleid.


De commissie benadrukt dat het van belang is te constateren dat het schrijven van de ‘proeve van de jeugdagenda’ is gestart in een tijd dat er voldoende middelen waren. Nu is dat niet meer het geval, er zullen daarom keuzes moeten worden gemaakt. Er moet duidelijk zijn wat gemeenten zelf willen. Het is positief dat knelpunten door het rijk worden erkend. Er liggen dan ook kansen voor gemeenten; we zullen moeten streven naar verankering van de positie van gemeenten.

In de ‘proeve van de jeugdagenda’ ligt de nadruk op preventie, het is vreemd dat dan tegelijkertijd bezuinigd wordt op het onderwijsachterstandenbeleid.


Hoewel de positie en de rol van de provincie verduidelijking behoeft, is het van belang de samenhang die er nu al her en der bestaat tussen de provincie en gemeenten niet te verliezen.

Men reikt de suggestie aan het jeugdbeleid onder te brengen bij één departement.


De heer Linders geeft aan dat veel gesignaleerde knelpunten bekend zijn. De wijze waarop over de rol van de gemeente wordt gedacht is inconsistent. Er lijkt sprake van ‘oude wijn in nieuwe zakken’, toch is het strategisch niet handig om zo te reageren. We moeten het momentum aangrijpen om zaken aan te pakken en op te lossen. Wel heeft het Rijk onvoldoende de hand in eigen boezem gestoken op het punt van de bureaucratie. We zullen een reactie op Jong formuleren vanuit het lokale perspectief.

Ten aanzien van de rol van de provincie is het belangrijk om de positieve zaken niet af te breken; de provincie moet ruimte houden voor eigen beleid.


De heer Van Leijenhorst meldt dat 16 december 2003 de Operatie Jong openbaar gemaakt wordt. De opdracht aan het Rijk hierbij is meer integraal te gaan werken. Ook gemeenten worden betrokken bij de Operatie Jong.

De voorzitter vult aan dat gemeenten moeten kijken naar de ambities op lange termijn.


3. Kabinetsreactie adviezen Jeugdbeleid (OC 18/08)

Mevrouw Van Hulst geeft aan dat de kabinetsreactie helaas van weinig visie getuigd, zeker daar waar het de rol van de lokale overheid betreft. Wellicht is dit aan te duiden als vertrouwen in de lokale overheid, kijkend naar de verantwoordelijkheid van het rijk voor de richting van het jeugdbeleid is het bureau echter teleurgesteld over de kabinetsreactie. Op lokaal niveau is behoefte aan een koppeling tussen het peuterspeelzaalwerk en de voor- en vroegschoolse educatie (VVE). Wat blijft nog de doelstelling van VVE, nu het onderwijsachterstandenbeleid onder druk staat? Zij acht het van belang om als lokale overheid zelf het lokale krachtenveld in beeld te brengen en een eigen visie te ontwikkelen.


De commissie geeft aan meer visie verwacht te hebben van de rijksoverheid. De lijn die de ministeries kiezen is vooral gericht op onderzoek en projecten; tegelijkertijd laat men de daadwerkelijke versterking op lokaal niveau verdwijnen.

Het is van belang scherp neer te zetten dat kinderopvang geen taak voor gemeenten meer is. De tussenschoolse opvang vormt daarbij wel een knelpunt, zeker in relatie tot het arbeidsmarktbeleid dat gemeenten voeren.

Van het bureau wordt verwacht dat zij zich richt op de (lokale) knelpunten en komt met handreikingen om de lokale ontwikkelingen te ondersteunen.
Mevrouw Van Hulst benadrukt dat het bureau van mening is dat het aan het lokale niveau is om keuzes te maken. Het bureau richt zich in eerste instantie op het wegnemen van knelpunten die de lokale keuzes in de weg staan.

Voor de kinderopvang blijft de VNG aangeven dat er geen rol meer is voor gemeenten. In de zomer van 2004 komt het bureau met een handreiking over het peuterspeelzaalwerk.

De heer Van Leijenhorst meldt dat er een goede relatie is met het ministerie van OCW, met VWS is dit minder. Ten aanzien van de Operatie Jong hebben wij het rijk aangeven behoefte te hebben aan een geschikt moment om te reageren, dan zal de VNG zich nader positioneren.
De voorzitter concludeert dat de pluriformiteit tussen gemeenten moet blijven bestaan, aandacht moet blijven voor VVE en het peuterspeelzaalwerk.
4. Beeldvorming over gemeenten op het terrein van jeugdbeleid (OC 18/09)

De heer Linders licht de notitie toe.

De voorzitter meldt dat het rapport betrekking heeft op de jaren 1998-2001. Hij vraagt de commissie of zij het ‘Haagse beeld’ herkend? Zijn er suggesties de beeldvorming te veranderen?
De commissie merkt op dat in het rapport vooral gekeken is naar bestaande rapporten en nota’s van gemeenten. Er gebeurt echter veel meer, concrete activiteiten van gemeenten zijn niet belicht. Binnen het jeugdbeleid wordt veel tijd en energie gestoken in de 15% van de jeugd die een probleem vormt, over de 85% waarmee het goed gaat wordt niet gesproken.

De gemeenten worden geconfronteerd met het gegeven dat jongeren vooral concrete zaken geregeld willen zien; zij zitten niet te wachten op een (nieuwe) nota of een jaar uitstel omdat er onvoldoende middelen zijn.

Het is van belang de gemeentelijke doelstellingen ‘smart’ te formuleren. Uitgangspunt moet zijn de wijkgerichtheid en het participeren van de jeugd. De Operatie Jong biedt handvaten voor de invulling van positie van gemeenten.
De heer Linders geeft aan dat de jeugd niet snel positief is over het (lokaal) jeugdbeleid. Het bureau bekijkt of er in het verlengde van het project lokaal jeugdbeleid iets gedaan kan worden. Nu de regierol van gemeenten onder vuur ligt is dit echter lastig.

De heer Van Leijenhorst vult aan dat er aandacht nodig is voor de interne afstemming bij gemeenten.


5. Kinderopvang – ontwikkelingen en de gemeentelijke taken onder de Wet Basisvoorziening Kinderopvang (OC 19/12)

Mevrouw Van Hulst meldt dat het wetsvoorstel na het kerstreces in de Tweede Kamer behandeld gaat worden, de planning wordt daarmee weer erg krap. Zij constateert inconsistentie in het rijksbeleid: enerzijds wordt kinderopvang neergezet als arbeidsmarktinstrument, anderzijds als een instrument waar gemeenten lokaal doelgroepen met toeleidingstrajecten naar de arbeidsmarkt mee kan bedienen. De middelen voor het doelgroepenbeleid zijn echter te gering om nieuwe doelgroepen op te kunnen vangen. De financiën blijven een probleem, het bureau is voorstander van een monitor om de omvang van de doelgroepen scherp te krijgen.


De commissie geeft aan dat de inzet zou moeten zijn het streven naar een complete wet, zonder verplichting tot aanvullend doelgroepenbeleid door de gemeenten. Afbakening van doelgroepen blijft namelijk een probleem, er zal de neiging zijn het aantal en de omvang van de doelgroepen te laten uitdijen. Probleem in de praktijk zal echter zijn dat er doelgroepen zijn waar de gemeente iets mee moet, een budget hiervoor is toch wel nodig.

Daarbij zal het verdwijnen van de gemeentelijke rol ten aanzien van het doelgroepenbeleid op lokaal niveau sociale gevolgen hebben. Vanuit dat perspectief is er toch veel voor te zeggen voor een gemeentelijke bemoeienis met het doelgroepenbeleid. Gemeenten moeten hierin een autonome bevoegdheid krijgen.

Als gemeenten vanuit de wet een rol krijgen in het doelgroepenbeleid moet goed gekeken worden naar uitvoeringslasten bij gemeenten.
Bij de bepaling van de kwaliteit van de kinderopvang moet ook gekeken worden naar de pedagogische visie en het beleid van de ondernemer.

Gemeenten moeten geen inhoudelijk beleid wensen te voeren via het grondbeleid. In voorliggende notitie is het daarom beter te spreken van ruimtelijke ordeningsbeleid.

De positie van de tussenschoolse opvang en de rol van de gemeente daarbij is niet duidelijk.
Mevrouw Van Hulst antwoordt dat gemeenten geen rol meer hebben bij de tussenschoolse opvang, sinds kort ontvangen schoolbesturen hiervoor zelf de middelen.

Zij geeft aan dat het een lastig dilemma blijft of er wel of geen gemeentelijk doelgroepenbeleid moet zijn. Het ministerie heeft onlangs het aantal doelgroepen uitgebreid, maar er zijn nog doelgroepen die niet onder de wet vallen, zoals de mantelzorg.

Rondom de rol van de pedagogische visie van een ondernemer loopt een intensief traject in het kader van de kwaliteitstoets. Uitgangspunt is hierbij toch de markt, alleen de basisvoorwaarden moeten worden geregeld.
De voorzitter geeft aan dat de behandeling van het wetsvoorstel nog loopt.

Hij concludeert dat er voor gemeenten gestreefd moet blijven worden naar een complete lijst met doelgroepen. Gemeentelijk beleid moet autonoom zijn, waarbij een hardheidsclausule bij kan dragen aan oplossingen bij specifieke knelpunten.



D. Informatiepunten



1. Voorwaarden voor optimalisering van de inburgering (OC 07/02)

Geen opmerkingen.


2. Jeugd en Veiligheid - Problematiek Antillengemeenten (OC 18/06)

Geen opmerkingen.




E. Rondvraag


De heer Van Leijenhorst meldt dat het bureau bezig is met een heroriëntatie op de taken van de vereniging. Onder het motto ‘Focus op Voorsprong’ zijn er vier strategische thema’s benoemd die richting geven aan de koers van de VNG in de komende jaren: externe oriëntatie, belangenbehartiging, dienstverlening en benchmarking.
De voorzitter sluit de vergadering om 12:40 uur.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina