Congregatie voor de Geloofsleer



Dovnload 99.53 Kb.
Pagina1/3
Datum17.08.2016
Grootte99.53 Kb.
  1   2   3

StuCom0042

Congregatie voor de Geloofsleer

Verklaring
‘Dominus Iesus’
over het uniek karakter en de heilbrengende universaliteit van Jezus Christus en de Kerk

Inleiding
Alvorens naar de hemel op te stijgen heeft Jezus de Heer aan zijn leerlingen de opdracht gegeven om het evangelie aan de gehele wereld te verkondigen en alle volkeren te dopen: “Trek heel de wereld door om aan elk schepsel de goede boodschap te verkondigen. Wie tot geloof komt en gedoopt wordt, zal gered worden, maar wie niet tot geloof komt, zal veroordeeld worden” (Mc 16, 15-16).
“Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde. Ga, en maak alle volkeren tot leerling; doop hen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest, en leer hun alles onderhouden wat Ik jullie geboden heb. Weet wel, Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voleinding van de wereld” (Mt 28,18-20; vgl. Lc 24,46-48; Joh 17,18.20. 21; Hnd 1,8).

De universele zending van de Kerk vindt haar uitgangspunt in het gebod van Jezus Christus, en wordt in de loop der eeuwen verwezenlijkt door de verkondiging van het geheimenis van God, Vader, Zoon en heilige Geest en van de menswording van de Zoon, als heilbrengende gebeurtenis voor heel de mensheid. De fundamentele inhoud van de christelijke geloofsbelijdenis wordt als volgt verwoord: “Ik geloof in één God, de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde, van al wat zichtbaar en onzichtbaar is. En in één Heer, Jezus Christus, eniggeboren Zoon van God, vóór alle tijden geboren uit de Vader. God uit God, licht uit licht, ware God uit de ware God. Geboren, niet geschapen, één in wezen met de Vader, en door wie alles geschapen is. Hij is voor ons, mensen, en omwille van ons heil uit de hemel neergedaald. Hij heeft het vlees aangenomen door de heilige Geest uit de Maagd Maria en is mens geworden. Hij werd voor ons gekruisigd, Hij heeft geleden onder Pontius Pilatus en is begraven. Hij is verrezen op de derde dag, volgens de Schriften. Hij is opgevaren ten hemel: zit aan de rechterhand van de Vader. Hij zal wederkomen in heerlijkheid om te oordelen levenden en doden en aan zijn rijk komt geen einde. Ik geloof in de heilige Geest die Heer is en het leven geeft, die voortkomt uit de Vader en de Zoon; die met de Vader en de Zoon tezamen wordt aanbeden en verheerlijkt; die gesproken heeft door de profeten. Ik geloof in de ene, heilige, katholieke en apostolische Kerk. Ik belijd één doopsel tot vergeving van de zonden. Ik verwacht de opstanding van de doden en het leven van het komend rijk. Amen.”1


2. Door alle eeuwen heen heeft de Kerk het evangelie van Jezus verkondigd en getrouw van Hem getuigd. Toch is aan het einde van het tweede millennium deze opdracht nog lang niet voltooid.2 Bijgevolg is Paulus’ hartenkreet over de missionaire opdracht van alle gedoopten meer dan ooit ook nu van toepassing: “Dat ik het evangelie predik, is voor mij niets om me op te beroemen: ik kan niet anders. Wee mij als ik het evangelie niet verkondigde!” (1Kor 9,16). Vandaar de bijzondere zorg van het Magisterium om de zending van de Kerk tot verkondiging van het evangelie te stimuleren en te ondersteunen, vooral met betrekking tot de religieuze tradities van de wereld.3

In een open en positieve kijk op de waarden waarvan deze tradities getuigen en die ze de mensheid aanbieden, stelt de Verklaring van het Concilie over de betrekkingen van de Kerk met de niet-christelijke godsdiensten: “De katholieke Kerk verwerpt niets van datgene wat in deze godsdiensten waar en heilig is. Met oprechte eerbied beschouwt zij die gedrags- en leefregels, die voorschriften en leerstellingen die, hoewel in veel opzichten verschillend van hetgeen zijzelf houdt en leert, toch niet zelden een straal weerspiegelen van die Waarheid welke alle mensen verlicht.”4 In dezelfde lijn voortgaand maakt de Kerk bij haar opdracht om Jezus Christus, “weg, waarheid en leven” (vgl. Joh 14,6), te verkondigen tegenwoordig ook gebruik van de interreligieuze dialoog. Deze is absoluut niet een vervanging van de missio ad gentes, maar begeleidt die veeleer, vanwege dat “mysterie van eenheid” dat “impliceert, dat alle mannen en vrouwen die verlost zijn, ondanks al hun verschillen participeren aan hetzelfde heilsgeheim in Jezus Christus krachtens zijn Geest”.5 Deze dialoog, die deel uitmaakt van de missionaire opdracht van de Kerk,6 vraagt dat men een houding heeft van wederzijds begrip en kennis van elkaar waarbij men elkaar wederzijds verrijkt, in gehoorzaamheid aan de waarheid en met eerbiediging van de vrijheid.7


3. Uit de praktijk van de dialoog tussen het christelijk geloof en de andere religieuze tradities, zowel als uit het zoeken naar een dieper verstaan van de theoretische basis van deze dialoog, komen nieuwe vragen naar voren; men moet deze onder ogen zien door nieuwe wegen van onderzoek op te gaan, door voorstellen naar voren te brengen en gedragsvormen te suggereren die om zorgvuldige onderscheiding vragen. De voorliggende Verklaring wil de bisschoppen, theologen en alle christengelovigen herinneren aan bepaalde wezenlijke elementen van de christelijke leer, die het theologisch onderzoek zouden kunnen helpen om geleidelijk tot oplossingen te komen die met het geloofsgoed overeenstemmen en een antwoord kunnen geven op de uitdagingen van de hedendaagse cultuur.

Gezien haar doelstelling heeft deze Verklaring het karakter van een uiteenzetting, waarin niet gestreefd wordt naar een systematische behandeling van de kwestie van het uniek karakter en de heilbrengende universaliteit van het mysterie van Jezus Christus en de Kerk, noch naar het bieden van oplossingen voor kwesties die door theologen vrij besproken worden. De Verklaring wil veelmeer opnieuw de leer van het katholieke geloof hierover uiteenzetten, waarbij tegelijk wordt gewezen op bepaalde fundamentele problemen waarop nog dieper zal moeten worden ingegaan, en enige onjuiste of dubbelzinnige opvattingen worden weerlegd. Zo grijpt de Verklaring terug op hetgeen in voorafgaande documenten van het Magisterium werd voorgehouden, en wil ze opnieuw waarheden verkondigen die tot het geloofsgoed van de Kerk behoren.


4. Het voortbestaan van de missionaire verkondiging van de Kerk wordt in onze tijd in gevaar gebracht door relativistische theorieën, die de religieuze pluraliteit niet alleen de facto maar ook de jure (of principieel) willen rechtvaardigen. Ze beschouwen bepaalde waarheden als achterhaald, zoals bijvoorbeeld het definitief en volledig karakter van de openbaring van Jezus Christus, de natuur van het christelijk geloof in vergelijking met het geloof in andere godsdiensten, het geïnspireerd karakter van de boeken van de heilige Schrift, de eenheid in één persoon van het eeuwige Woord en Jezus Christus, de eenheid van het heilsbestel van het vleesgeworden Woord en de heilige Geest, het uniek karakter en de heilbrengende universaliteit van het mysterie van Jezus Christus, de universele heilsbemiddeling van de Kerk, de onmogelijkheid om het koninkrijk van God, het koninkrijk van Christus en de Kerk van elkaar te scheiden, hoewel deze wel onderscheiden zijn, het bestaan van de éne Kerk van Christus in de katholieke Kerk.

Deze theorieën berusten op bepaalde vooronderstellingen van wijsgerige of theologische aard die het verstaan en aanvaarden van de geopenbaarde waarheid bemoeilijken. We noemen er enige: de overtuiging dat zelfs door de christelijke openbaring de waarheid over God niet te vatten of uit te spreken valt; de relativistische houding tegenover de waarheid, met als gevolg dat hetgeen voor sommigen waar is, voor anderen niet waar zou zijn; de radicale tegenstelling die men poneert tussen de logische mentaliteit in het Westen en de symbolische wijze van denken in het Oosten; het subjectivisme van degene voor wie de rede de enige bron van kennis is, en die daarom “steeds minder in staat is naar omhoog te zien om tot de waarheid van het ‘zijn’ te durven komen”,8 de moeilijkheid om in de geschiedenis de aanwezigheid waar te nemen en te verstaan van definitieve en eschatologische gebeurtenissen; het aan de menswording van het eeuwige Logos in de tijd ontzeggen van haar metafysische dimensie, waarbij deze menswording louter tot een verschijning van God in de geschiedenis wordt teruggebracht; het eclecticisme van hen die bij het theologisch onderzoek gedachten overnemen die aan uiteenlopende filosofische en religieuze stromingen ontleend zijn, zonder zich te bekommeren om hun innerlijke samenhang, noch om de vraag of ze met de christelijke waarheid te verenigen zijn; tenslotte, de tendens om de heilige Schrift te lezen en uit te leggen buiten de traditie en het Magisterium van de Kerk om.

Uitgaande van zulke vooronderstellingen die met verschillende nuances door sommigen als stelligheden en door anderen als hypotheses worden aangenomen, worden theologische uitspraken ontwikkeld waardoor de christelijke openbaring en het mysterie van Jezus Christus en de Kerk hun karakter verliezen van absolute en universele heilswaarheid, of er wordt daarop minstens een schaduw van twijfel en onzekerheid geworpen.

I De openbaring van Jezus Christus volledig en definitief
5. Als remedie tegen deze relativistische mentaliteit, die meer en meer veld wint, moet allereerst opnieuw gesteld worden dat de openbaring van Jezus Christus definitief en volledig is. Men dient namelijk vast te geloven dat de volheid van de goddelijke waarheid geopenbaard is in het mysterie van Jezus Christus, vleesgeworden Zoon van God, die “de weg, de waarheid en het leven” is (Joh 14,6). “Niemand kent de Zoon behalve de Vader, en niemand kent de Vader behalve de Zoon, en ieder aan wie de Zoon Hem heeft willen onthullen” (Mt 11,27); “Niemand heeft God ooit gezien, maar de eniggeboren God, die rust aan het hart van de Vader, Hij heeft Hem doen kennen” (Joh 1,18); “Want in Christus woont lijfelijk de godheid in heel haar volheid, en in Hem, die het hoofd is van alle heerschappijen en machten, bent u vervuld van die volheid” (Kol 2,9-10).

Trouw aan het woord van God leert het Tweede Vaticaans Concilie: “Door deze openbaring verschijnt ons in Christus, die tegelijk de Middelaar en de volheid van de gehele openbaring is, de meest innerlijke waarheid, zowel over God als over het heil van de mens.”9 En verder: “Jezus Christus dus, het vlees geworden Woord, als ‘mens tot de mensen gezonden’, spreekt Gods eigen woorden (Joh 3, 34) en volbrengt het heilswerk dat de Vader Hem te doen heeft gegeven (vgl. Joh 5,36; 17,4). Hij dus, die zegt: wie mij ziet, ziet de Vader (vgl. Joh 14,9), vervult de openbaring, brengt haar tot voltooiing en bekrachtigt haar met goddelijk getuigenis door geheel zijn tegenwoordigheid en verschijning, door woorden en werken, door tekenen en wonderen, vooral echter door zijn dood en glorievolle opstanding uit de doden en tenslotte door de zending van de Geest der waarheid ... Deze christelijke heilsbedeling, die immers het nieuwe en definitieve verbond is, zal nooit voorbijgaan en er is geen nieuwe publieke openbaring te verwachten vóór de glorievolle verschijning van onze Heer Jezus Christus (vgl. 1 Tim 6,14; Tit 2,13).”10

De encycliek Redemptoris missio herinnert de Kerk dan ook aan de opdracht het evangelie te verkondigen als de volheid van de waarheid: “In dit definitieve Woord van zijn openbaring heeft God zich op de meest volledige wijze doen kennen; Hij heeft aan de mensen gezegd wie Hij is. Deze definitieve zelfopenbaring van God is het fundamentele motief waarom de Kerk krachtens haar natuur missionair is. Zij moet het evangelie verkondigen, dat wil zeggen de volheid van de waarheid die God ons over zichzelf heeft doen kennen.”11 Alleen de openbaring van Jezus Christus “introduceert in onze geschiedenis een universele en laatste waarheid die het verstand van de mens ertoe prikkelt nooit stil te blijven staan”.12
6. Het is dus strijdig met het geloof van de Kerk te stellen dat de openbaring van Jezus Christus beperkt, onvolledig en onvolmaakt zou zijn, en complementair aan de in andere religies aanwezige openbaring. De diepste grond van deze bewering is gelegen in de overtuiging dat de waarheid over God door geen enkele historische godsdienst in volle omvang en volledigheid te vatten is of aan het licht gebracht kan worden, en bijgevolg ook niet door het christendom noch zelfs door Jezus Christus.

Een dergelijk standpunt gaat regelrecht in tegen de voornoemde geloofsuitspraken volgens welke het heilsgeheim van God volledig en definitief in Jezus Christus geopenbaard wordt. Ofschoon de woorden, werken en heel het historisch bestaan van Jezus als menselijke werkelijkheden beperkt zijn, is hun bron de goddelijke Persoon van het vleesgeworden Woord, “waarlijk God en waarlijk mens”;13 in zich bezitten ze dus het volledig en definitief karakter van de openbaring van Gods heilswegen, ook al blijft de diepte van het goddelijk mysterie in zich transcendent en onuitputtelijk. De waarheid over God wordt niet teniet of tekort gedaan wanneer ze in mensentaal onder woorden wordt gebracht. Ze blijft daarentegen uniek, volledig en definitief, want Hij die spreekt en handelt is de vleesgeworden Zoon van God. Daarom vraagt het geloof te belijden dat het vleesgeworden Woord in zijn gehele mysterie, vanaf zijn menswording tot aan zijn verheerlijking, weliswaar in deelname aan de Vader, de werkelijke bron en vervulling is van heel de heilsopenbaring van God aan de mensheid,14 en dat de heilige Geest die de Geest is van Christus, deze “volle waarheid” (Joh 16,13) zal leren aan de apostelen en door hen aan de Kerk van alle tijden.


7. Het passende antwoord op de goddelijke openbaring is de “ ‘gehoorzaamheid van het geloof’ (Rom 1,5; vgl. Rom 16,26; 2Kor 10,5-6), waardoor de mens zich vrijelijk geheel aan God toevertrouwt, door ‘volledige onderdanigheid van verstand en wil jegens de openbarende God’ te bewijzen en vrijwillig in te stemmen met de door God geschonken openbaring”.15 Het geloof is een genadegave: “Om dit geloof te kunnen geven, is de voorkomende en helpende genade van God nodig en de innerlijke bijstand van de heilige Geest, die het hart moet bewegen en tot God bekeren, de ogen van de geest openen en ‘aan allen smaak geven om met de waarheid in te stemmen en erin te geloven’.”16

De gehoorzaamheid van het geloof brengt de aanvaarding met zich mee van de openbaring van Christus, waarvoor God die de Waarheid zelve is, borg staat:17 “Het geloof is op de eerste plaats een zich persoonlijk bekennen van de mens tot God; het is tegelijkertijd, en hiermee onlosmakelijk verbonden, de vrije instemming met geheel de waarheid die God geopenbaard heeft.”18 Als “gave van God” en “bovennatuurlijke deugd, door Hem ingestort”19 voert het geloof tot een dubbele aanhankelijkheid: aan God die openbaart, en aan de waarheid die Hij openbaart, vanwege het vertrouwen dat gesteld wordt in Hem die spreekt. Om die reden “moeten wij in niemand anders geloven dan in God, de Vader, de Zoon en de heilige Geest”.20

Men dient goed vast te houden aan het onderscheid tussen geloof in theologische zin en de innerlijke overtuiging bij de andere religies. Het geloof is de genadevolle aanvaarding van de geopenbaarde waarheid “die toegang verleent tot het mysterie en het verstaanbaar maakt”.21 De innerlijke overtuiging bij de andere religies is daarentegen dat geheel van ervaringen en overpeinzingen, menselijke schatten van wijsheid en religieus gevoelen, waarover de mens bij zijn zoeken naar waarheid in zijn relatie met het Goddelijke en Absolute heeft nagedacht en die hij heeft doorleefd.22

Dit onderscheid wordt in het huidige denken niet altijd voor de geest gehouden, hetgeen tot gevolg heeft dat het geloof in theologische zin, de aanvaarding namelijk van de door de Ene en Drie-ene God ge-openbaarde waarheid, gelijkgesteld wordt met de innerlijke overtuiging bij de andere religies, welke een nog naar de absolute waarheid zoekende religieuze ervaring is, en waaraan nog de aanvaarding ontbreekt van God die zich openbaart. Dit is een van redenen voor de tendens om de verschillen tussen christendom en de andere religies te verkleinen of zelfs op te heffen.


8. Ook wordt de hypothese naar voren gebracht dat de heilige geschriften van andere religies geïnspireerde betekenis zouden hebben. Ongetwijfeld moet worden erkend dat in feite bepaalde elementen uit deze teksten talrijke mensen in de loop der eeuwen, in het verleden zo goed als in het heden, in staat stelden om in hun leven de religieuze relatie met God te voeden en in stand te houden. Zoals hierboven reeds werd vermeld, stelt het Tweede Vaticaans Concilie bij het beschouwen van de gedrags- en leefregels, de voorschriften en leerstellingen van de andere religies dat deze “hoewel in veel opzichten verschillend van hetgeen zijzelf (de Kerk) houdt en leert, toch niet zelden een straal weerspiegelen van die Waarheid welke alle mensen verlicht”.23

De traditie van de Kerk gebruikt echter de aanduiding ‘geïnspireerde geschriften’ alleen voor de canonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament, in zoverre deze onder ingeving van de heilige Geest zijn geschreven.24 Het Tweede Vaticaans Concilie grijpt in de dogmatische Constitutie over de goddelijke openbaring op deze traditie terug en leert: “De volledige boeken van het Oude Testament zowel als van het Nieuwe Testament, met al hun delen, houdt onze heilige moeder de Kerk krachtens apostolisch geloof voor heilig en canoniek, omdat zij, onder ingeving van de heilige Geest geschreven (vgl. Joh 20,31; 2Tim 3,16; 2Pe 1,19-21.3,15-16), God tot auteur hebben en als zodanig aan de Kerk zijn overgeleverd.”25 Deze boeken “leren onwankelbaar, trouw en zonder dwaling de waarheid die God omwille van ons heil in de heilige geschriften heeft willen doen optekenen”.26

Maar aangezien God alle volkeren in Jezus Christus tot zich wil roepen en hun de volheid van zijn openbaring en liefde wil mededelen, “laat Hij niet na op vele wijzen tegenwoordig te komen, niet alleen in de afzonderlijke individuen maar ook in de volkeren, door middel van hun geestelijke rijkdommen, waarvan de godsdiensten de belangrijkste en wezenlijke uitdrukking zijn, ook al bevatten zij ‘leemten, onvolkomenheden en dwalingen’ ”.27 Vandaar dat de heilige boeken van de andere religies die in feite het bestaan van hun aanhangers voeden en richting geven, de elementen van goedheid en genade die zij bevatten, ontvangen van het Christusmysterie.

II De vleesgeworden Logos en de heilige Geest in het heilswerk
9. In het huidige theologische denken wordt Jezus van Nazaret vaak gezien als een bijzondere historische figuur, die begrensd is en het goddelijke openbaart op een wijze die niet exclusief maar complementair is aan andere openbarings- en heilsgestalten. Het Onbegrensde, Absolute, laatste Mysterie van God zou zich zo laten zien onder verschillende gedaanten en in vele historische figuren, waarvan Jezus van Nazaret er één zou zijn. Nog concreter: volgens sommigen zou Hij een van de vele gezichten zijn die de Logos in de loop der tijden heeft aangenomen om zijn heilswerk aan de mensheid te verrichten.

Als rechtvaardiging van de universaliteit van het christelijk heil enerzijds, en anderzijds van het gegeven dat er vele religies zijn, wordt daarom gesuggereerd dat er een heilsbestel zou zijn van het eeuwige Woord, dat ook buiten de Kerk zou gelden en daarmee niets te maken zou hebben, én een heilsbestel van het vleesgeworden Woord. Het eerste zou een grotere universele waarde hebben dan het alleen tot christenen beperkte tweede, waarin echter de tegenwoordigheid van God vollediger zou zijn.


10. Deze stellingen zijn geheel in strijd met het christelijk geloof. Men moet immers vast geloven in wat het geloof leert, dat namelijk Jezus van Nazaret, zoon van Maria, en Hij alleen, de Zoon en het Woord is van de Vader. Het Woord dat “in het begin bij God was” (Joh 1,2) is degene die “vlees is geworden” (Joh 1,14). In Jezus, “de Messias, de Zoon van de levende God” (Mt 16,16), “woont lijfelijk de godheid in heel haar volheid” (Kol 2,9). Hij is “de eniggeboren God, die rust aan het hart van de Vader” (Joh 1,18), zijn “geliefde Zoon, in wie wij de bevrijding hebben ... Want in Hem heeft heel de volheid willen wonen om door Hem alles met zich te verzoenen en vrede te stichten door het bloed, aan het kruis vergoten, om alle wezens in de hemel en op aarde door Hem te verzoenen” (Kol 1,13-14.19-20).

Trouw aan de heilige Schrift en met afwijzing van onjuiste en beperkende interpretaties definieert het Eerste Concilie van Nicea plechtig haar geloof in “Jezus Christus, eniggeboren Zoon van God, dat wil zeggen geboren uit het wezen van de Vader, God uit God, licht uit licht, ware God uit de ware God, geboren niet geschapen, één in wezen met de Vader door wie alles geschapen is wat er is in de hemel en wat er is op aarde, die omwille van ons mensen en omwille van ons heil is nedergedaald en het vlees heeft aangenomen, mens is geworden, heeft geleden en de derde dag is verrezen, is opgevaren ten hemel, zal komen oordelen de levenden en de doden”.28 In navolging van de leer der kerkvaders beleed ook het Concilie van Chalcedon “onze Heer Jezus Christus als een en dezelfde Zoon: dezelfde is volkomen in de godheid en dezelfde is volkomen in de mensheid, dezelfde waarlijk God en waarlijk Mens ..., één van wezen met de Vader naar zijn godheid en dezelfde één van wezen met ons naar zijn mensheid ..., vóór de eeuwen naar zijn godheid geboren uit de Vader, en in de laatste dagen voor ons en omwille van ons heil (geboren) naar zijn mensheid uit de maagd Maria, de moeder van God”.29

Het Tweede Vaticaans Concilie zegt dan ook dat Christus, de nieuwe Adam, “‘beeld van de onzichtbare God’ (Kol 1,15), de volmaakte mens is, die de godsgelijkheid van de kinderen van Adam, die door de eerste zonde was misvormd, heeft hersteld. ... Als een onschuldig lam heeft Hij vrijwillig zijn bloed gestort en daarmee voor ons het leven verdiend; in Hem heeft God ons met zichzelf en met elkaar verzoend en ons aan de dienstbaarheid aan duivel en zonde ontrukt, zodat ieder van ons met de apostel kan zeggen: de Zoon van God ‘heeft mij liefgehad en zichzelf voor mij overgeleverd’ (Gal 2,20).”30

Hieromtrent heeft Johannes Paulus II uitdrukkelijk verklaard: “Het is in strijd met het christelijk geloof om een scheiding in te voeren tussen het Woord en Jezus Christus. ... Jezus is het mens geworden Woord, een enkele en ondeelbare persoon. ... Christus is niemand anders dan Jezus van Nazaret en deze is het Woord van God dat mens is geworden voor het heil van allen. ... Terwijl wij alle soorten gaven gaan ontdekken en waarderen, vooral de geestelijke rijkdommen die God aan ieder volk heeft uitgedeeld, mogen wij ze niet losmaken van Jezus Christus, die in het centrum van Gods heilsplan staat.”31

Het is dus in strijd met het katholieke geloof een scheiding te maken tussen het heilshandelen van de Logos als zodanig en het heilswerk van het mensgeworden Woord. Door de menswording komen alle heilshandelingen die het Woord van God verricht altijd tot stand in eenheid met de menselijke natuur, die Hij heeft aangenomen voor het heil van alle mensen. Het enige, in zowel de goddelijke als de menselijke natuur handelend subject is de enige persoon van het Woord.32

Onverenigbaar met de leer van de Kerk is dus de theorie die aan de Logos als zodanig in zijn godheid een heilswerken toeschrijft dat zou worden uitgeoefend “over zijn mensheid heen” en “daarbuiten om”, zelfs na de menswording.33


11. Zo dient men ook vast te geloven aan de leer van het geloof dat er slechts één door de Ene en Drie-ene God gewild heilsbestel is. Bron en kern van dit heilsbestel is de menswording van het Woord, middelaar van Gods genade in de schepping- en verlossingsorde (vgl. Kol 1,15-20), alles onder één hoofd samenbrengend (vgl. Ef 1,10), “onze wijsheid geworden, onze gerechtigheid, onze heiliging en verlossing” (1Kor 1,30). Het Christusmysterie heeft een intrinsieke eenheid, vanaf de eeuwige uitverkiezing in God tot aan de wederkomst: “In Hem heeft Hij (de Vader) ons uitgekozen, al voor de grondlegging van de wereld, om heilig en vlekkeloos voor Hem te staan in liefde” (Ef 1,4); “In Hem hebben wij ook ons erfdeel ontvangen, daartoe voorbestemd door de beslissing van Hem die alles tot stand brengt naar zijn wilsbesluit” (Ef 1,11); “Want wie Hij (de Vader) tevoren heeft gekend, heeft Hij ook tevoren bestemd om gelijkvormig te zijn aan het beeld van zijn Zoon, opdat deze de eerstgeborene zou zijn onder vele broeders. Wie Hij heeft voorbestemd, heeft Hij ook geroepen. Wie Hij riep, heeft Hij gerechtvaardigd, en wie Hij rechtvaardigde, heeft Hij verheerlijkt” (Rom 8,29-30).

Trouw aan de goddelijke openbaring bevestigt het Magisterium van de Kerk dat Jezus Christus de universele middelaar en verlosser is: “Het Woord van God, waardoor alles is gemaakt, is zelf mens geworden, zodat Het als de volmaakte Mens allen kon redden en alles in zich recapituleren. De Heer ... is het die de Vader van de doden deed opstaan, verhief en aan zijn rechterhand deed plaatsnemen, Hem aanstellend tot Rechter over levenden en doden.”34 Deze heilsbemiddeling impliceert ook het uniek karakter van het verlossende offer van Christus, de eeuwige hogepriester (vgl. Heb 6,20; 9,11; 10,12-14).

  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina