Conjunctivitis



Dovnload 19.24 Kb.
Datum07.10.2016
Grootte19.24 Kb.

Conjunctivitis


FK 2003 Blz. 673-688
Oorzaken:

  • Mechanische prikkeling (stofdeeltjes, corpora aliena);

  • Chemische middelen;

  • UV-licht (zonnen, wintersport);

  • Traanfunctiestoornissen (verandering in hoeveelheid en samenstelling van het traanvocht).

  • Infectie:

    • Bacterieel: (muco)purulent exsudaat, de meest voorkomende verwekker is Staphylococcus aureus, daarna pneumo- en streptokokken (ook wel Haemophilus influenza en bij uitzondering gonorrhoe en chlamydia).

    • Viraal: waterig exsudaat, meestal licht tot matig, maar een adenovirus is heftig en besmettelijk.

  • Allergisch: waterig exsudaat, bekende allergenen.

Een chronische infectieuze conjunctivitis wordt meestal veroorzaakt door een blepharitis. Pathogene stafylokokken komen vanaf de ooglidrand in de conjunctivale zak.

Allergie: jeuk en tranenvloed.

Acute allergische conjunctivitis (AAC);

Seizoengebonden allergische conjunctivitis (SAC): kort of gehele seizoen;

Niet-seizoengebonden allergische conjunctivitis (PAC): zonder directe koppeling met bv. pollen;

Conjunctivitis door contactallergie: bv. contactlensgebonden allergie;

Vernale conjunctivitis (VKC);

Atopische keratoconjunctivitis (AKC).

Bij de laatste drie vormen treedt nooit allergische rhinitis op.

Bij een allergie zullen mestcellen in het slijmvlies geactiveerd worden en bijdragen tot een ontstekingsreactie. Antihistamincia-oogdruppelpreparaten bevatten Histamine-H1-receptorantagonisten en heffen de werking van histamine op.


Behandeling met antimicrobiële middelen als druppels in het oog of antiseptica als oogwassing. Meestal zal in eerste instantie geen conjunctivakweek zijn uitgevoerd of is de uitslag nog niet bekend. Er moeten dan antimicrobiële middelen worden gebruikt tegen de meest voorkomende verwekkers: stafylokokken en bij voorkeur ook tegen pneumo- en streptokokken. Door lokaal gebruik kan resistentie toenemen. Bij fusidinezuur en tetracyclinen lijkt resistentie bij herhaald gebruik niet op te treden. Bij voorkeur een antimicrobieel middel dat zo weinig mogelijk lokale en algemene bijwerkingen geeft. Overgevoeligheid is veel voorkomende bijwerking. Een opgetreden overgevoeligheidsreactie kan worden geïnterpreteerd als het voortduren van een infectie (oppassen!). Bij infectie of irritatie van het oog of de slijmvliezen mogen geen contactlenzen worden gedragen.

Behandeling




Middelen


Bacteriële conjunctivits:

  • Aminoglycosiden: gentamicine, neomycine en tobramycine

    • Voordeel: breed werkingsspectrum;

    • Nadeel: streptokokken nauwelijks gevoelig, sensibilisatie en mogelijke (kruis)resistentie en –overgevoeligheid tussen aminoglycosiden onderling.

  • Neomycine wordt niet meer gebruikt vanwege sensibilisatie, (kruis)resistentie en (kruis)overgevoeligheid.

  • Aminoglycosiden worden beschouw als ‘reserve’ antibiotica.

  • Bacitracine en gramicidine: tegen grampositieve bacteriën, vaak in combinatie.

  • Quinolonen: ciprofloxacine, norfloxacine en ofloxacine:

    • Voordeel: breed werkingsspectrum, o.a. stafylokokken, streptokokken en Pseudomonas aeruginosa.

    • Nadeel: eventueel onderlinge resistentie, de penetratie van norfloxacine in kamerwater isonvoldoende bij diepere ooginfecties.

Quinolonen worden beschouwd als ‘reserve’ antibiotica.

  • Chlooramfenicol:

    • Voordeel: breed werkingsspectrum, o.a. stafylo-, strepto- en pneumokokken, goed doordringen in voorste oogkamer en werkzaam tegen minder pathogene kiemen.

    • Nadeel: zelden aplastische anemie (verworwen overgevoeligheid), daarom beperken tot maximaal twee weken.

  • Fusidinezuur:

    • Amal werkingsspectrum tegen voornaamste verwekkers (stafylokokken en streptokokken);

    • Zelden sensibilisatie.

  • Trimethoprim:

    • Voordeel: bacteriostatisch en breed werkingsspectrum.

    • Nadeel: toegenomen resistentie, minder werkzaam bij (muco)purulente vormen van bindvliesontsteking.

  • Tetracycline:

    • Voordeel: breed werkingsspectrum (grampositieve en –negatieve micro-organismen en chlamydia), zelden sensibilisatie.

    • Nadeel: beperkte houdbaarheid.

  • Antivirale middelen: aciclovir en trifluridine

    • remmen DNA-synthese Herpes simplex-virus.

  • Povidon-jood.

Allergische conjunctivitis:

Wanneer allergische conjunctivitis samengaat met rhinitis kan worden volstaan met (nasale) behandeling van de rhinitis. Wanneer acute symptoombehandeling nodig is, dan hebben oogdruppels met antihistaminica de voorkeur.


  • Cromoglicaat: vooral werkzaam op bindweefselmestcellen, maar ook slijmvliesmestcellen (en beïnvloed chemotaxis, activatie, degranulaite en cytotoxiciteit van neutrofielen, eosinofielen en monocyten).

  • Nedocromil: bij falen van cromoglicaat, want duidelijkere werking op de slijmvliesmestcellen (niet-seizoensgebonden conjunctivitis). Niet gebruiken <6 jaar.

  • Azelastine, emedastine, ketotifen, levocabastine en olopatadine: antihistaminica die lokaal toegediend de acute symptomen van seizoensgebonden allergische conjunctivitis snel doen verminderen.

Bij rhinitis: neusdruppels/ neusspray

  • Cromoglicaat:

    • Kort werkzaam, dus 4-6 maal per dag;

    • Wanneer na zes weken geen effect, dan geen zin meer;

    • Bijwerkingen komen nauwelijks voor.

  • Azelastine/ levocabastine. Geen terfenadine, omdat deze soms (levensbedreigende) cardiale effecten hebben bij gelijktijdig gebruik van erytromycine of oraal gebruik van ketoconazol en itraconazol.

  • Corticosteroïd;

  • Beclometason;

  • Flunisolide.

Op basis van kosten.

Cromoglicaat, azelastine en levocabastine werken niet bij een verstopte neus. Dan ook decongestivum toevoegen, zodat ze de slijmvliezen kunnen bereiken.

Wanneer meerdere organen betrokken, dan orale antihistaminica (clemastine is goedkoopste).

Zwangerschap/ lactatie


Antivirale middelen (m.u.v. aciclovir) worden vermeden.

Kinderen


Bij een pasgeborene met hevige conjunctivitis (of volwassene met onverwacht heftig verloop) moet men rekening houden met gonokokken- of chlamydia-infectie.

Gonokokken:

spoelen en reinigen met fysiologisch zout en penicilinedruppels (50000 IE/ml) +

systemische penicilinetherapie (amoxyciline?).

Chlamydia:

tetracycline-oogdruppel +

eventueel oraal erytromycine of tetracycline.
Langdurig gebruik van corticosteroïdspray bij kinderen wordt ontraden (remming van neusbotgroei).

Samenvatting


Algemeen:

  • Dragen van contactlenzen ontraden;

  • Alvorens starten met antimicrobiële therapie, eerst andere oorzaken uitsluiten;

  • Oogdruppels en in water oplosbare geneesmiddelen verdienen de voorkeur. Voor nachtelijke toepassingen en bij een blepharitis is een oogzalf of ooggel aangewezen;

  • Antimicrobiële middelen niet langer dan één a twee weken toedienen (resistentie en sensibilisatie).


Bacteriële conjunctivitis (of blepharitis)

Fusidinezuur, tetracycline of chlooramfenicol: meest voorkomende verwekkers (stafylokokken en streptokokken, zelden sensibilisatie, weinig problemen bij frequent gebruik.

Blepharitis: fusidinezuur (ooggel).

Conjunctivitis:



  • Tetracycline (breed spectrum);

  • Chlooramfenicol (gevaar bloeddyscrasieën);

  • Fusidinezuur (alleen ooggel).

Chlamydia:

  • tetracycline-oogdruppels;

  • eventueel oraal erytromicine of tetracline.

Gonokokken:

  • Spoelen en reinigen met fysiologisch zout en penicilinedruppels +

  • Systemische penicilinetherapie.

  • Quinolonen en aminoglycosiden zijn ‘reserve’ antimicrobiële middelen.

Viraal:


  • Herpes:

  • aciclovir (selectiever, effectiever en minder toxisch);

  • trifluridine.


Allergische conjunctivitis

Seizoengebonden allergische conjunctivitis:



  • Cromoglicaat;

  • Nedocromil.

  • Allen nuttig als profylaxe, dus vóórdat allergenen zijn gevormd. Bij een voortdurende SAC is het wel nuttig, omdat nieuw gevormde mestcellen worden onderdrukt.

Niet-seizoengebonden allergische conjunctivitis:

  • Cromoglicaat;

  • Nedocromil.

Als profylaxe.

Acute geïsoleerde seizoengebonden allergische conjunctivitis:



  • Levocobastine;

  • Azelastine.

Verschillen zijn gering, dus op basis van kosten.

SAC + rhinitis:



  • Cromoglicinezuur;

  • Azelastine/ levocabastine.

  • Corticosteroïd;

  • Beclometason;

  • Flunisolide.

  • Eventueel oraal antihistamine: clemastine.





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina