Coördineringscomité Rijn


Monitoring van de ecologische en chemische toestand van oppervlaktewateren



Dovnload 125.34 Kb.
Pagina3/4
Datum25.08.2016
Grootte125.34 Kb.
1   2   3   4

2.Monitoring van de ecologische en chemische toestand van oppervlaktewateren

2.1 Algemeen

De KRW schrijft voor dat voor 2015 een “goede ecologische toestand” en een “goede chemische toestand” moeten zijn bereikt voor oppervlaktewater. Daartoe dienen de oppervlaktewateren te worden gemonitord en geëvalueerd of zij de in de KRW voorgeschreven doelstellingen bereiken.

De KRW vereist:


  • een stroomgebiedsbenadering waarmee alle significante belastingen van de wateren worden vastgesteld (bijv. afwenteling: stroomopwaarts en stroomafwaarts gerichte effecten van belastingen, zoals bijv. niet-passeerbare stuwen in het mondingsgebied die problemen opleveren voor de bovenloop of gecumuleerde verontreiniging in de benedenloop);

  • de toepassing van “biologische, hydromorfologische”, “fysisch-chemische en chemische kwaliteitselementen” ter beoordeling van de toestand van de wateren;

  • een beoordeling per watertype op basis van de vergelijking met een “referentietoestand”, opdat rekening wordt gehouden met het feit dat bijv. in de Alpenrijn andere, voor deze regio kenmerkende, leefgemeenschappen voorkomen dan in de Duitse Nederrijn;

  • de beoordeling in de vorm van een systeem met vijf niveaus voor de ecologische toestand en met twee niveaus voor de chemische toestand; bij een niet goede toestand zijn doelgerichte maatregelen noodzakelijk;

  • een integrale ecologische beoordeling van de wateren die niet alleen de gevolgen weerspiegelt van een bepaalde antropogene invloed, zoals de belasting door bepaalde verontreinigende stoffen, maar weergeeft hoe natuurlijk de wateren zijn. Op deze manier houdt de KRW rekening met het feit dat in grote delen van Europa de verontreiniging niet meer het kernpunt vormt in de bedreiging van aquatische leefgemeenschappen.

2.2 Informatie over alle gemeten kwaliteitselementen voor oppervlaktewateren (Bijlage V KRW: biologische, hydromorfologische, fysisch-chemische en chemische kwaliteitselementen)

Onderstaande aspecten spelen een rol bij de beoordeling van de ecologische toestand:




  • biologische kwaliteitselementen (visfauna, macrozoöbenthos, fytoplankton, fytobenthos en macrofyten);







  • algemene fysisch-chemische kwaliteitselementen, zoals bijv. temperatuur, zuurstofgehalte, nutriënten, pH-waarde of geleidbaarheid en chloride;




  • Een overschrijding van de kwaliteitsnorm bij de relevante verontreinigende stoffen specifiek voor het stroomgebied conform bijlage VIII KRW leidt ertoe dat het betreffende waterlichaam wordt ingeschaald in een lagere toestandsklasse. Deze klasse is vastgesteld op basis van de biologische kwaliteitselementen. Een aantasting van de fauna of flora in de wateren als gevolg van deze specifieke verontreinigende stoffen zal zich onmiddellijk of misschien pas jaren later doen gevoelen. Vandaar dat deze stoffen (zogenaamde Rijnrelevante stoffen zoals bijv. koper, diverse gewasbeschermingsmiddelen) apart worden bekeken bij de beoordeling van de ecologische toestand. Wanneer hier overschrijdingen van de vastgelegde milieukwaliteitsnorm worden vastgesteld, wordt de toestand op zijn hoogst als “matig” ingeschaald.

De chemische toestand van een oppervlaktewaterlichaam wordt vastgesteld aan de hand van de chemische kwaliteitselementen. In de KRW zijn daartoe lijsten opgemaakt van prioritaire en prioritaire gevaarlijke stoffen, dat wil zeggen van bijzonder problematische stoffen in bijlage X en de overige stoffen in bijlage IX. Voor deze stoffen komt het erop aan te controleren of de milieudoelstellingen in acht worden genomen.


In de zoute wateren wordt de monitoring voor de bepaling van de chemische toestand uitgevoerd binnen de territoriale wateren, terwijl de monitoring voor de bepaling van de ecologische toestand beperkt blijft tot de kustwateren, dat wil zeggen binnen de 1-mijlszone.

2.3 Onderzoek- en evaluatiemethodes

De resultaten van de monitoring en de beoordeling dienen betrouwbaar en voor het hele Rijnstroomgebied vergelijkbaar te zijn. Indien mogelijk moet hierbij het verband worden gelegd tussen enerzijds de waterbelastende factoren, zoals stuwen en stuwdammen, monotone hydromorfologie, nutriënten e.d. en anderzijds de vastgestelde toestand. Door middel van de evaluatie moet het mogelijk zijn concrete oorzaken van de belasting te achterhalen. Te dien einde worden aan de meetlocaties van het internationale Rijnmeetprogramma – zo veel mogelijk – afgestemde bemonsterings-, analyse- en evaluatiemethodes toegepast die ook medebepalend zijn voor de omvang van het onderzoek. Bij de biologische toestand- en trendmonitoring zullen allereerst nationale evaluatiemethodes worden toegepast. Zodra de monitoringsresultaten beschikbaar zijn, kunnen de nationale evaluatiemethodes, die zich meestal nog in de testfase bevinden, op elkaar worden afgestemd en eventueel worden aangepast.


Bij de beoordeling van de ecologische toestand van de hoofdstroom Rijn op basis van biologische kwaliteitselementen wordt uitgegaan van de visstand, de macrozoöbenthos (ongewervelde dieren zoals bijv. insectenlarven, schelpdieren, kreeften, enz.), het fytoplankton (vrij zwevende algen), het fytobenthos (met name vastzittende kiezelalgen) en de macrofyten (waterplanten met inbegrip van mossen, kranswieren en draadvormige groenwieren). In het kader van de beoordeling worden o.a. de soortensamenstelling en de abundantie in aanmerking genomen; als aanvulling daarop wordt bij macrozoöbenthos ook rekening gehouden met het aantal soorten dat gevoelig is voor verstoring, bij vissen met de leeftijdsopbouw en bij fytoplankton met de biomassa.
Bovendien zijn de algemene fysisch-chemische elementen een hulpmiddel bij de beoordeling van de ecologische toestand. Krachtens bijlage V KRW moeten deze kwaliteitselementen worden geëvalueerd.
Door vergelijking met de op EU-niveau vastgelegde milieukwaliteitsnormen (hieromtrent is een ontwerprichtlijn beschikbaar) wordt bij de beoordeling van de chemische toestand onderscheid gemaakt tussen twee toestandsklassen (goed, slecht).
Bij de fysisch-chemische en chemische nderzoeken wordt zowel rekening gehouden met de ervaringen uit bestaande kwaliteitsmeetprogramma´s van de ICBR alsook met de richtsnoeren en besluiten van de Europese Commissie en de EU-lidstaten die voortvloeien uit het gemeenschappelijke Europese implementatieproces.

2.4 Toestand- en trendmonitoring van de biologische kwaliteitselementen (rivieren, meren1, overgangswateren, kustwateren)

2.4.1 Keuze van de monitoringslocaties

Door de uitvoering van de toestand- en trendmonitoring op representatieve en relevante meetlocaties kan toezicht worden gehouden op supraregionale en regionale milieu- en beheersdoelstellingen. Deze monitoring vereist een vast, relatief grofmazig net van meetlocaties. De biologische, hydromorfologische, fysische-chemische en chemische elementen moeten hierbij worden onderzocht in hetzelfde waterlichaam, maar niet per se op dezelfde meetlocatie. De afzonderlijke meetlocaties moeten veeleer zo worden geselecteerd dat ze veelzeggend zijn voor de onderzochte parameter.


In het verleden, dat wil zeggen in de periode 1990 – 2000, zijn in het kader van het Rijnactieprogramma van de ICBR om de vijf jaar grondige biologische onderzoeken uitgevoerd volgens vergelijkbare criteria over de volledige lengte van de hoofdstroom Rijn. Deze onderzoeken zijn nu aangepast aan de bepalingen van de toestand- en trendmonitoring conform KRW. Voor de kwaliteitselementen “fytobenthos (kiezelalgen) en macrofyten (waterplanten e.d.)” is voor het eerst een toestand- en trendmonitoringsprogramma ontworpen. Het op internationaal niveau gecoördineerde deel van de biologische onderzoeken langs de hoofdstroom Rijn wordt aangevuld door de nationale biologische toestand- en trendmonitoring in de zijrivieren, meren, overgangs- en kustwateren (zie kaart 1).
Bij de opzet van het meetnet van de toestand- en trendmonitoring (deel biologie) langs de hoofdstroom Rijn is er op gelet dat voldoende rekening werd gehouden met alle geografisch verschillende Rijntrajecten (deels met verschillende referentietoestanden en verschillende soortensamenstelling) en met de relevante zijrivieren van de Rijn:


  • de ALPENRIJN vanaf de samenvloeiing van de Voor- en Achterrijn ter hoogte van Reichenau tot aan de uitmonding in het Bodenmeer;

  • de HOOGRIJN, een opeenvolging van stuwen in een voorheen snel stromend riviertraject;

  • de Duits-Franse BOVENRIJN, een door stuwen gereguleerd en gekanaliseerd traject dat stroomafwaarts van de stuwen een snel stromende waterloop wordt met talrijke oude takken en de toestroming van de Neckar en de Main;

  • de MIDDENRIJN na stroming door het Rijnse leisteengebergte en de toestroming van de Lahn en de Moezel;

  • de Duitse NEDERRIJN met het karakter van een laaglandrivier tot aan de splitsing in

  • de DELTA met zijn Rijntakken.

Bij de selectie van de onderzoekstrajecten in de hoofdstroom Rijn diende vooral rekening te worden gehouden met de criteria “variërende stroomsnelheden” en “toestroming van grote zijrivieren”. Ook de invloed van industriecentra moest in aanmerking worden genomen.


Alle lidstaten hebben in geselecteerde onderzoekstrajecten in de hoofdstroom omvangrijke inventarisaties van de fauna en de flora van de Rijn uitgevoerd in 2006 of zullen deze uitvoeren in 2007 om gebreken vroegtijdig vast te stellen en voor december 2008 het ontwerp van het beheersplan op te kunnen stellen. Zwitserland is geen lid van de EU, maar bemonstert ook diverse locaties in de Hoogrijn. Opdat een totaalbeeld van de hoofdstroom Rijn wordt verkregen, stelt Zwitserland – dat niet gebonden is aan de Kaderrichtlijn Water – deze gegevens vrijwillig ter beschikking.

Om een betrouwbare interpretatie van de resultaten op te kunnen stellen, vooral om veranderingen op korte termijn mee in aanmerking te nemen, werden ook – indien beschikbaar - gegevens van 2005 meegenomen c.q. zullen in 2007/2008 nog aanvullende onderzoeken plaatsvinden.


Op basis van de verkregen resultaten worden de onderzoeksprogramma´s op een later tijdstip aangepast en geoptimaliseerd voor de opzet van het tweede beheersplan.

2.4.2 Visfauna

Vooral de visfauna is een geschikte indicator voor de hydromorfologie in het hele stroomgebied (passeerbaarheid en habitats) met inbegrip van de passeerbaarheid en het netwerk van de hoofdstroom Rijn en zijn zijrivieren.


De controles vinden hier voornamelijk plaats door middel van elektrische visserij vanaf een schip en in de benedenloop in Nederland ook door middel van kor- en fuikvisserij. De noodzakelijke lengte van de meettrajecten en de vereiste grootte van de vangst varieert afhankelijk van het watertype en de visregio.
Om vergelijkbare resultaten voor de Rijn te verkrijgen wordt er – voor zover mogelijk – naar gestreefd de abundantiegegevens in de oeverstaten te harmoniseren.
Om een zo volledig mogelijk beeld te verkrijgen van de visfauna in de Rijn werd bij de evaluatie van de resultaten en de formulering van voorstellen ter verbetering van de situatie ook rekening gehouden met de onderzoeksresultaten omtrent vismigratie aan de waarnemingsstations van de vispassages Iffezheim en Gambsheim of aan andere voor het trekvisprogramma ingestelde vaste controlestations (bijv. Siegburg/Buisdorf). De waarnemingsstations van Iffezheim en Gambsheim worden tevens gebruikt om de goede werking van de vispassages te controleren.

Andere methodes kunnen, indien ze nuttig worden geacht, bij wijze van aanvulling worden toegepast, zoals bijvoorbeeld het gebruik van trek- en sleepnetten, evenals onderzoeken in het influent van koelwaterinstallaties van krachtcentrales.


In de overgangswateren wordt alleen de soortensamenstelling en de abundantie gemeten, en niet de leeftijdsopbouw. In Nederland vindt de monitoring voornamelijk plaats tussen april en september.

Er bestaat geen KRW-verplichting met betrekking tot de bemonstering van de visstand in de kustwateren.



2.4.3 Macrozoöbenthos

Macrozoöbenthos (ongewervelde dieren zoals bijv. insectenlarven, schelpdieren, kreeften, enz.) brengt vooral organische belastingen, alsmede morfologische gebreken en andere door gebruiksfuncties veroorzaakte gebreken aan het licht (bijv. uitzetting en verspreiding van neocoen, dat wil zeggen nieuwe, niet-inheemse soorten, door de scheepvaart).


De bemonstering vindt plaats tussen februari en oktober bij lage tot gemiddelde waterstand. Monsters kunnen zowel worden genomen vanaf de oever als in het volledige dwarsprofiel van de rivier met behulp van duikers, een duikerklok, een drijvende baggermachine of een schip met grijper.
De registratie van macrozoöbenthos gebeurt doorgaans op kwantitatieve wijze, zodat de abundantie van de afzonderlijke soorten kan worden uitgedrukt in individuen/m².

2.4.4 Fytoplankton

Fytoplankton (vrij zwevende algen) wordt onderzocht als indicator voor de trofische toestand vanaf de uitloop van het Bodenmeer.


Fytoplankton wordt zowel geïnventariseerd in de hoofdstroom Rijn alsook in de mondingsgebieden van de zijrivieren Aare, Neckar, Main, Nahe, Moezel en Lahn.

De planktonmonsters worden in de groeiperiode van maart c.q. april tot oktober minstens zes keer getrokken in het midden van de rivier (vanaf een schip) of in oeverstations waar het water zeer goed is gemengd. Bij de evaluatie van de monsters wordt het aantal cellen en het biovolume van elke soort bepaald en wordt het totale biovolume van het monster berekend voor elke meetlocatie (mm³/l).


Aangezien vooral het chlorofyl-a-gehalte uitermate geschikt is als maatstaf voor de biomassa, wordt ook dit gehalte tijdens de groeiperiode om de 14 dagen bepaald samen met andere belangrijke begeleidende parameters (afvoer, gehalte aan fosfor, aan zwevend stof en aan kiezelzuur).
In Nederland wordt in het kader van de KRW geen fytoplanktonbemonstering uitgevoerd in rivieren. Wel worden metingen verricht in meren, overgangs- en kustwateren. In het IJsselmeer en in overgangs- en kustwateren wordt chlorofyl-a maandelijks gemeten in het zomerhalfjaar (maart (voor de overgangs- en kustwateren) resp. april (voor het IJsselmeer) tot en met september).

2.4.5 Fytobenthos en macrofyten

Uit de bestudering van veel soorten fytobenthos – met name kiezelalgen – kunnen conclusies worden getrokken over het nutriëntengehalte in stromend water.

Vandaar dat in het onderzoeksprogramma voor fytobenthos de nadruk wordt gelegd op de registratie van kiezelalgen. Geregistreerd worden de soortensamenstelling en de relatieve abundantie (dominantie). In de overgangs- en kustwateren wordt fytobenthos niet bemonsterd.
Macrofyten (waterplanten met inbegrip van mossen, kranswieren en draadvormige groenwieren) brengen vooral de belasting van het sediment door nutriënten, de hydraulische belasting (bijv. golfslag) en morfologische gebreken aan het licht.

Aangezien verschillende soorten macrofyten verschillende habitats nodig hebben, werden zowel zones met traagstromende wateren (bijv. kribvakken, strekdammen) als zones met snelstromende wateren geselecteerd als onderzoekslocatie voor macrofyten. Als kennis over de macrofytenpopulaties in deze trajecten ontbrak, werden voor de voorselectie van potentiële kolonisatiegebieden luchtfoto´s geanalyseerd en werden ook bepaalde geschikte trajecten per boot verkend. Het onderzoeksprogramma steunt niet alleen op onderzoekslocaties die zijn gelegen in de Rijn zelf (hoofdstroom), maar ook in doorstroomde zijwateren (nevengeulen, oude takken). Deze gebieden kunnen een belangrijke rol spelen als potentiële zone voor herkolonisatie van de hoofdstroom Rijn.


De macrofytenpopulaties worden geïnventariseerd rekening houdend met de afvoeromstandigheden, dat wil zeggen bij gemiddelde tot lage waterstand, tussen medio juni en eind september.
In de overgangs- en kustwateren wordt de soortensamenstelling van waterplanten en draadvormige wieren gemeten alsmede de abundantie van waterplanten.

2.5 Toestand- en trendmonitoring van de hydromorfologische kwaliteitselementen (rivieren, meren2, overgangswateren, kustwateren)


Conform bijlage V KRW worden ook hydromorfologische kwaliteitselementen gemonitord.

De hydromorfologische kwaliteitselementen zijn:

• Hydrologisch regime (kwantiteit en dynamiek van de waterstroming, verbinding met het grondwater);

• Riviercontinuïteit;

• Morfologie (variaties in rivierdiepte en –breedte, structuur en substraat van de rivierbedding, structuur van de oeverzone).


De ongunstige hydromorfologische omstandigheden hebben ertoe geleid dat bij de inventarisatie van 2004 de hoofdstroom Rijn over bijna de volledige lengte werd aangewezen als kandidaat sterk veranderd water.
De hydromorfologische gegevens zijn niet alleen noodzakelijk als documentatie van bestaande belastingen en als hulp bij de beoordeling van de watertoestand, maar worden met name ook gebruikt bij de toetsing of de Rijn terecht is aangewezen als sterk veranderd water. Deze gegevens worden ook gebruikt om onderscheid te maken tussen een goede en zeer goede toestand van de wateren.
In de KRW wordt aanbevolen de hydromorfologie om de zes jaar te controleren. Afhankelijk van de situatie zijn grotere intervallen mogelijk.

2.5.1 Hydrologisch regime en getijdenregime

Hydrologische gegevens, zoals rivierwaterafvoer, verblijftijd in meren of golfslag in overgangs- en kustwateren, zijn opgenomen in nationale gegevensbanken en overeenkomstige publicaties. De afvoer in rivieren wordt continu gemeten. Diverse gebruiksfuncties (scheepvaart, waterkracht, bescherming tegen hoogwater, enz.) worden al sinds lang internationaal gecoördineerd. Aanvullende gegevens zijn in het kader van de toestand- en trendmonitoring van de KRW slechts zelden vereist.



2.5.2 Riviercontinuïteit

Stuwen en stuwdammen vormen een significante belasting voor de continuïteit van de Rijn en zijn zijrivieren en werden voor het hele waternet al vastgesteld in het kader van de inventarisatie. Deze informatie moet voortdurend worden geactualiseerd. Het volstaat als veranderingen worden gedocumenteerd die de beoordeling beïnvloeden (bijv. na de voltooiing van een migratievoorziening voor stroomopwaarts trekkende vissen). De kunstwerken en hun beoordeling hoeven niet op regelmatige tijdstippen te worden getoetst.



2.5.3 Morfologie

Binnen de KRW worden de morfologische kenmerken gemonitord die van belang zijn voor de ecologische functies van de wateren en de uiterwaarden. Voor rivieren zijn dit bijvoorbeeld variaties in de rivierdiepte en –breedte, structuur van de rivierbedding en oever.


De morfologie van de hoofdstroom Rijn werd geïnventariseerd in de jaren 2000 en 2001, ook al om te voldoen aan de bepalingen van de KRW. Daarbij werd een onderscheid gemaakt tussen drie compartimenten (bedding, oever en alluviale zone). Deze compartimenten werden ingedeeld in 5 kwaliteitsklassen. De eerste registratie van de ecomorfologische toestand van de Rijn was niet alleen een pure beoordeling en documentatie, maar had met name ten doel de basis te leggen voor toekomstige planologische beslissingen.

Over het geheel genomen documenteert het resultaat de grote ecologische tekorten die de morfologie langs de hele Rijn vertoont.


Voor de morfologische monitoring van meren zijn in het kader van de KRW bijv. diepte- en breedtevariaties en de structuur van de meeroever van belang. Voor de overgangs- en kustwateren worden de getijdenzones geïnventariseerd.

2.6 Toestand- en trendmonitoring van de fysisch-chemische en chemische kwaliteitselementen (rivieren, meren3, overgangswateren, kustwateren)

2.6.1 Keuze van de monitoringslocaties

Op basis van de uitvoering van de toestand- en trendmonitoring van de fysisch-chemische en chemische kwaliteitselementen wordt enerzijds een ondersteuning bij de beoordeling van de ecologische toestand van de oppervlaktewateren en anderzijds een beoordeling van de de chemische toestand van de oppervlaktewateren gegarandeerd en worden de mogelijke veranderingen van de waterlichamen op lange termijn geregistreerd. Dit gebeurt op representatieve meetlocaties die van belang zijn voor het stroomgebiedsdistrict.

De meetlocaties die zijn geselecteerd voor de toestand- en trendmonitoring zijn blijvend vastgelegd. Bij de selectie van de meetlocaties is indien mogelijk teruggegrepen op bestaande kwaliteitsmeetnetten. Daardoor is het ook mogelijk tendensen uit het verleden vast te stellen en wordt bovendien voldaan aan bestaande eisen die in andere EG-richtlijnen en internationale verdragen worden gesteld aan de rapportage. In het Rijngebied bestaan daarenboven de kwaliteitsmeetnetten van de ICBR en de IKSMS, die het hoofdbestanddeel zullen vormen van het meetnet voor de toestand- en trendmonitoring. De Rijnoeverstaten introduceren tevens andere belangrijke meetlocaties uit nationale meetnetten die sinds vele jaren operationeel zijn. Om dubbele metingen te voorkomen, werd de instelling van meetlocaties voor de toestand- en trendmonitoring aan de landsgrenzen afgestemd. De meetlocaties voor de toestand- en trendmonitoring van de fysisch-chemische en chemische kwaliteitselementen op kaart 2 zijn vastgelegd rekening houdend met hun relevantie voor het hele Rijnsysteem (deel A). Deze meetlocaties zijn dus geselecteerd uit de volledige groep van meetlocaties voor de toestand- en trendmonitoring.

Op ongeveer een kwart van de meetlocaties wordt de hoofdstroom gemonitord. Ten dele werden ook meetlocaties opgenomen aan zijrivieren met een stroomgebied dat duidelijk kleiner is dan 2.500 km², als was aangetoond of het vermoeden bestond dat deze wateren een significante invloed uitoefenen op de Rijn.


2.6.2 Keuze van de kwaliteitselementen

Om de omvang van de verontreiniging van de oppervlaktewaterlichamen te beoordelen, monitoren de Rijnoeverstaten de kwaliteitselementen die kenmerkend zijn voor de verontreiniging van het waterlichaam c.q. van de waterlichamen. Onderstaande kwaliteitselementen worden gemonitord om de effecten van deze verontreiniging te beoordelen:




  • De parameters die kenmerkend zijn voor de algemene fysisch-chemische kwaliteitselementen. Daarbij horen watertemperatuur, zuurstofgehalte, pH-waarde, geleidbaarheid en nutriënten alsmede zoutgehalte (overgangs- en kustwateren) en doorzicht (meren);

  • Verontreinigende stoffen die in significante hoeveelheden worden geloosd in het stroomgebied of in een deelstroomgebied; hieronder vallen ook de voor de Rijn relevante, specifieke verontreinigende stoffen voor de beoordeling van de ecologische toestand (bijlage VIII KRW). Relevant voor het hele internationale Rijndistrict zijn volgens de inventarisatie conform artikel 5 KRW naast ammonium met name de zware metalen chroom, koper en zink alsook arseen en de organische verontreinigende stoffen bentazon, chloortoluron, dichloorvos, dichloorprop, dimethoaat, mecoprop, MCPA, PCB, 2-chlooraniline en dibutyltin;

  • Alle prioritaire (gevaarlijke) stoffen (bijlage X KRW) en overige stoffen van bijlage IX KRW die (diffuus) worden geloosd in het stroomgebied;

  • Overige verontreinigende stoffen in andere EG-richtlijnen (bijv. nitraat);

  • Op geselecteerde meetlocaties worden de verontreinigende stoffen onderzocht die binden aan zwevend stof.

2.6.3 Vastlegging van de meetfrequenties

De toestand- en trendmonitoring wordt niet alleen uitgevoerd om toezicht te houden op regionale en supraregionale milieudoelstellingen, maar ook om de coherentie in de stroomgebiedsdistricten te waarborgen.

De meetfrequenties (zie onderstaande tabel) genoemd in de KRW vormen het minimum dat dient te worden aangehouden om te beantwoorden aan deze eis. Deze meetfrequenties voldoen echter op vele vlakken niet aan de eisen die zowel worden gesteld aan consistentie als aan betrouwbaarheid van de informatie en zijn niet geschikt voor elk monitoringsdoel. Wat dat betreft, worden in afwijking van deze minimumeisen uit de KRW op de afzonderlijke meetlocaties langs de Rijn en zijn zijrivieren voor elke parameter gepaste meetfrequenties en meetcycli vastgelegd die voldoen aan de eisen die de KRW stelt aan de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van de monitoringsresultaten. In aanmerking genomen worden daarbij het betreffende monitoringsdoel, het te meten kwaliteitselement en de eisen die worden gesteld aan de betrouwbaarheid van de door de staten c.q. Duitse deelstaten/regio´s te leveren informatie.
Het kan daarbij aanbeveling verdienen niet in hetzelfde jaar onderzoek uit te voeren op alle meetlocaties die deel uitmaken van de toestand- en trendmonitoring in een stroomgebiedsdistrict, een deelstroomgebied, c.q. een beheersgebied. Integendeel, de mate van betrouwbaarheid van de geleverde informatie kan gebaat zijn bij een spreiding in de tijd van de onderzoeken.
Het tijdstip van de metingen in een jaar wordt zo gekozen dat seizoenschommelingen c.q. extreem droge periodes of extreem hoogwater de resultaten zo min mogelijk beïnvloeden.

Tabel: Minimale meetfrequenties* en meetcycli voor de fysisch-chemische en chemische kwaliteitselementen.




Elementen

Rivieren

Meren (Bodenmeer, IJsselmeer)

Overgangs-water

Kustwateren

1-mijlzone

Noordzee

tot 12-mijlszone

Algemeen fysisch-chemische kwaliteitselementen

4 x / jaar; jaarlijks

4 x / jaar; jaarlijks

4 x / jaar; jaarlijks

4 x / jaar; jaarlijks

-

Verontreinigende stoffen specifiek voor het stroomgebied, bijlage VIII KRW

4 x / jaar, bij relevante emissies jaarlijks

4 x / jaar, bij relevante emissies jaarlijks

4 x / jaar, bij relevante emissies jaarlijks

4 x / jaar, bij relevante emissies jaarlijks

-

Stoffen uit bijlage IX en X KRW

12 x / jaar, bij relevante emissies jaarlijks

12 x / jaar, bij relevante emissies jaarlijks

12 x / jaar, bij relevante emissies jaarlijks

12 x / jaar, bij relevante emissies jaarlijks

12 x / jaar, bij relevante emissies jaarlijks

Overige verontreinigende stoffen met rapportageplicht op geselecteerde meetlocaties

conform de desbetref-fende rapportage-plicht

conform de desbetref-fende rapportage-plicht

conform de desbetref-fende rapportage-plicht

conform de desbetref-fende rapportage-plicht

-

* De meetfrequenties in rivieren, meren en overgangswateren dienen in principe zo te worden vastgelegd dat de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid voldoende groot zijn.

De toestand- en trendmonitoring in het werkgebied Alpenrijn/Bodenmeer is voor het Bodenmeer gebaseerd op de bestaande gegevens en lopende programma´s van de Internationale Commissie ter Bescherming van het Bodenmeer (IGKB). Daar de waterlichamen verschillende kenmerken vertonen, is de meetlocatie Fischbach-Uttwil aangewezen als toestand- en trendmonitoringsstation voor het waterlichaam Bodenmeer-Obersee en de meetlocatie Zellersee als toestand- en trendmonitoringsstation voor het waterlichaam Bodenmeer-Untersee.


2.7 Aanvullende monitoringsvoorschriften4 voor beschermde gebieden langs de grenzen of beschermde gebieden van gemeenschappelijk belang5


    • Drinkwateronttrekkingspunten (oppervlaktewater)

    • Beschermingsgebieden voor habitats en soorten (NATURA 2000)6

Wateren gelegen in beschermde gebieden dienen eventueel ook te worden meegenomen in het operationele monitoringsprogramma, wanneer op basis van de schattingen en de toestand- en trendmonitoring wordt vastgesteld dat deze gebieden de vastgestelde beheersdoelstellingen misschien niet halen.

Habitattypes die afhankelijk zijn van het water dienen met name te worden onderzocht voor wat betreft de effecten van eventueel noodzakelijke maatregelen langs of in de wateren. Als bijvoorbeeld de aanwezigheid van ooibossen of wetlands met kleinere kommen en poelen ertoe leidt dat een gebied wordt aangewezen als Natura 2000-gebied dan moet de invloed van de stromende wateren op deze leefgebieden mee in aanmerking worden genomen. In wetlands waarvan het bestaan afhangt van een grondwaterlichaam, zal eventueel een gedetailleerde inventarisatie moeten worden uitgevoerd, rekening houdend met de goede kwantitatieve (en chemische) toestand van het grondwater. Een inventaris van de planten- en diersoorten die typisch zijn voor uiterwaarden, zoals bijvoorbeeld amfibieën, watervogels en bevers, hoeft daarentegen niet te worden opgemaakt. Noodzakelijke afstemmingen hieromtrent gebeuren bilateraal of trilateraal op niveau B.




1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina