Coördineringscomité Rijn


Monitoring van het grondwater



Dovnload 125.34 Kb.
Pagina4/4
Datum25.08.2016
Grootte125.34 Kb.
1   2   3   4

3.Monitoring van het grondwater

    1. Algemeen

De KRW schrijft voor dat in principe voor eind 2015 een “goede kwantitatieve toestand” en “een goede chemische toestand” moet worden bereikt voor grondwater. Daartoe dient het grondwater te worden gemonitord en geëvalueerd op de mate waarin de in de KRW voorgeschreven doelstellingen zijn bereikt.

De staten c.q. deelstaten/regio´s hebben het grondwater met het oog op onderzoek onderverdeeld in grondwaterlichamen, die ook kunnen worden samengevoegd tot groepen van grondwaterlichamen. De monitoring van het grondwater wordt principieel uitgevoerd in het bovenste watervoerende pakket, tenzij dieper liggende watervoerende pakketten door antropogene invloeden significant worden aangetast.

Een toestand- en trendmonitoring van de chemische toestand wordt principieel in elk grondwaterlichaam uitgevoerd. Een operationele monitoring wordt alleen uitgevoerd in de grondwaterlichamen die conform de inventarisatie en/of de toestand- en trendmonitoring zijn aangewezen als “at risk” of “mogelijk at risk”. Krachtens de KRW wordt voor de monitoring van de kwantitatieve toestand geen onderscheid gemaakt tussen toestand- en trendmonitoring en operationele monitoring.


Oostenrijk heeft de monitoringsmeetlocaties voor grondwater in deel B behandeld omdat er noch kwalitatieve noch kwantitatieve risico´s bestaan.
    1. Monitoring van de kwantitatieve toestand

De evaluatie van de kwantitatieve toestand wordt uitgevoerd voor elk grondwaterlichaam en bestaat uit de analyse van de ontwikkeling van de grondwaterstanden in ruimte en tijd, uit de meting van bronafvoeren en uit de opstelling van grondwaterbalansen.

Het grondwater heeft conform bijlage V KRW een goede kwantitatieve toestand bereikt indien het grondwater niet wordt uitgeput en er geen significante schade wordt toegebracht aan de terrestrische ecosystemen die rechtstreeks van het grondwaterlichaam afhankelijk zijn en aan bijbehorende oppervlaktewateren. Verder mogen geen effecten van intrusies van zout of andere verontreinigende stoffen worden vastgesteld.

      1. Keuze van de monitoringslocaties

Bij het opstellen van de nationale monitoringsprogramma´s voor de kwantitatieve toestand zijn de meetlocaties voor de grondwaterstand gelijkmatig verdeeld over het grondwaterlichaam, zodat ze zowel de door antropogene activiteiten verstoorde toestand als de ongestoorde toestand weergeven. Op deze wijze geven de meetlocaties een representatief beeld van de kwantitatieve toestand. In enkele gevallen, waar een meting van de grondwaterstand door de hydrogeologische omstandigheden onmogelijk is, bijv. in rotsgebieden, wordt op specifieke meetlocaties ook de bronafvoer gemeten.

Bij het selecteren van geschikte meetlocaties is niet alleen gekeken naar de representatieve ligging van de meetlocaties in het grondwaterlichaam. De afzonderlijke meetlocaties zelf moeten voldoen aan bepaalde voorwaarden. Daarbij gaat het naast bouwkundige voorwaarden, zoals bijv. een filtratie in het bovenste watervoerend pakket en de handhaving op lange termijn van een grondwatermeetlocatie, ook om eisen die worden gesteld aan de beschikbare meetreeksen. Waar mogelijk zijn die meetlocaties gekozen waarvan de meetreeksen zich uitstrekken over een zo lang mogelijke periode, zonder al te grote meetlacunes te vertonen.

Om te beoordelen of door het grondwater significante schade wordt toegebracht aan terrestrische ecosystemen die rechtstreeks van het grondwaterlichaam afhankelijk zijn –waarbij het vooral gaat om mogelijke kwantitatieve schade – dienen in eerste instantie terrestrische ecosystemen te worden geselecteerd waarbij het risico bestaat dat schade wordt aangericht. Vervolgens moet voor deze terrestrische ecosystemen, in overeenstemming met de belangen van de natuurbescherming, een monitoring worden uitgevoerd van de grondwaterstand. De meetlocaties moeten ook kleine variaties registreren in de waterstand van het terrestrische ecosysteem dat rechtstreeks van het grondwaterlichaam afhankelijk is, aangezien deze ecosystemen erg gevoelig reageren op veranderingen van de grondwaterstand.

Een representatieve selectie van de meetlocaties voor de kwantitatieve grondwatermonitoring in het Rijnstroomgebied wordt weergegeven op kaart 3.

In het kader van de deel A-rapportage brengt een aantal staten c.q. deelstaten/regio´s verslag uit aan de EU over alle meetlocaties die van belang zijn voor de beoordeling van de grondwatertoestand – zowel de kwantitatieve als de chemische toestand – andere rapporteren over een representatieve selectie van deze meetlocaties. De verschillende dichtheid van het meetnet kan verder worden verklaard door geografische omstandigheden – gebieden met los gesteente vertonen een hogere dichtheid dan rotsgebieden – en door de verschillende gebruiksfuncties van de grondwaterlichamen en de bedreiging van de grondwaterlichamen. In de grondwaterlichamen die volgens de inventarisatie “at risk” zijn, bijv. in de bruinkoolgebieden, is de dichtheid van het meetnet hoog. De gedetailleerde en omvangrijke rapportering gebeurt via de nationale, onderling van elkaar afwijkende rapportages.


      1. Te meten parameters en meetfrequenties

De parameter die wordt gebruikt bij de beoordeling van de kwantitatieve toestand is de grondwaterstand c.q. de drukhoogte bij afgesloten watervoerende lagen. Daarnaast bestaat ook de mogelijkheid de droogweerafvoer in de ontvangende wateren of de waterhoeveelheid van een bronafvoer te meten. Als in een grondwaterlichaam onvoldoende meetlocaties beschikbaar zijn of op basis van de meetresultaten geen afdoende evaluatie kan worden uitgevoerd, bijv. als de meetreeksen te kort zijn, dan kan als aanvulling op de metingen een grondwaterbalans worden opgesteld. De analyse van de waterbalans is een gepaste methode om de kwantitatieve toestand van het grondwaterlichaam te bepalen en wordt in veel staten en deelstaten toegepast naast de meting van de grondwaterstanden.

De meetfrequenties moeten voldoende hoog zijn voor een betrouwbare beoordeling van de kwantitatieve toestand, waarbij rekening wordt gehouden met variaties op korte en op lange termijn. Doorgaans is deze betrouwbaarheid gegarandeerd bij een meting met een minimumfrequentie van één keer per maand. De meeste staten c.q. deelstaten/regio´s houden zich aan deze meetfrequentie of meten vaker. Sporadisch worden ook meetlocaties opgenomen met een lagere meetfrequentie.

Voor grondwaterlichamen langs de grenzen moeten de meetlocatiedichtheid en de meetfrequentie voldoende hoog zijn om de richting en snelheid van de grondwaterstroming te kunnen schatten. De directe coördinatie aan de grenzen vindt plaats op niveau B en maakt derhalve geen deel uit van deze rapportage.


3.3 Toestand- en trendmonitoring van de chemische toestand


De toestand- en trendmonitoring van de chemische toestand heeft ten doel de reeds uitgevoerde beschrijving van alle grondwaterlichamen te controleren en natuurlijke of antropogene veranderingen van de grondwaterkwaliteit vast te stellen. Verder moet een chemische monitoring worden uitgevoerd voor grondwaterlichamen waarvoor langs de grenzen een coördinatie dient plaats te vinden, alsmede voor grondwaterlichamen waaruit dagelijks meer dan 100 m³ drinkwater wordt onttrokken. De monitoring van grondwater dat is bestemd voor de drinkwatervoorziening vindt in de staten c.q. deelstaten/regio´s los van de KRW al plaats op grond van wettelijke verplichtingen omtrent de monitoring van ruw water.

3.3.1 Keuze van de monitoringslocaties

De meetlocaties zijn gekozen afhankelijk van de belasting waaraan het grondwaterlichaam is blootgesteld. Vooral grondgebruik en de geografische kenmerken zijn van doorslaggevend belang. Voor elk grondwaterlichaam zijn voldoende monitoringslocaties geselecteerd om een samenhangend totaalbeeld van de chemische toestand van het grondwater te verkrijgen en tendensen op lange termijn in de concentraties van verontreinigende stoffen aan het licht te brengen. Met name voor grondwaterlichamen waarvoor langs de grenzen een coördinatie dient plaats te vinden zijn conform de KRW meetlocaties geselecteerd.

Voorschriften omtrent de inachtneming van een bepaalde meetlocatiedichtheid zijn niet gegeven. Veel staten c.q. deelstaten/regio´s hebben voor de toestand- en trendmonitoring ongeveer 3 – 4 meetlocaties per grondwaterlichaam ingesteld, waarbij de omvang van de grondwaterlichamen kan verschillen. Bij erg grote grondwaterlichamen neemt het aantal meetlocaties dienovereenkomstig toe. Meetlocaties die al jaren rapporteren aan de EU, zoals bijv. meetlocaties van het Europees Milieu Agentschap (EMA), zijn doorgaans opgenomen in het meetnet overeenkomstig de KRW.

Het meetnet voor de toestand- en trendmonitoring van de chemische grondwatermonitoring in het Rijnstroomgebied wordt weergegeven op kaart 4. Verschillende dichtheid in de meetnetten kan zoals bij het meetnet voor de grondwaterkwantiteit o.a. worden verklaard door geografische kenmerken en verschillende gebruiksfuncties. Een aantal staten c.q. deelstaten/regio´s heeft op grond van intensief bodemgebruik al sinds tientallen jaren een dicht monitoringsmeetnet opgebouwd.


      1. Te meten parameters en meetfrequenties

Bijlage V KRW schrijft voor dat in het kader van de toestand- en trendmonitoring onderstaande hoofdparameters dienen te worden gemonitord bij alle geselecteerde grondwaterlichamen:



  • zuurstofgehalte, pH-waarde, geleidbaarheid, nitraat, ammonium;

  • parameters waarvan de grenswaarden zijn vastgelegd op EU-niveau (nitraat, pesticides), aangezien deze parameters een criterium vormen voor de goede chemische toestand. Aanvullende bepalingen omtrent de omvang van de parameters zijn opgenomen in de dochterrichtlijn7 Grondwater, overeenkomstig artikel 17 KRW. De dochterrichtlijn schrijft voor grondwater onderstaande kwaliteitsnormen voor:

  • nitraat = 50 mg/l en

  • pesticides (individuele stof) = 0,1 µg/l en pesticides (totaal) = 0,5 µg/l;

  • parameters die op regionaal niveau van belang zijn.

De dochterrichtlijn bepaalt dat de lidstaten voor 22 december 2008 drempelwaarden in overweging moeten nemen voor bepaalde parameters. Volgens de dochterrichtlijn kunnen deze drempelwaarden niet alleen verschillen van land tot land, maar ook van regio tot regio.

Onderstaande stoffen waarvoor eventueel drempelwaarden moeten worden opgesteld, staan in bijlage II van de dochterrichtlijn en zijn bijgevolg relevant voor de toestand- en trendmonitoring:



  • arseen, cadmium, lood, kwik, ammonium, chloride, sulfaat, geleidbaarheid (als alternatief voor chloride en sulfaat), trichloorethyleen, tetrachloorethyleen.

In de meeste staten c.q. deelstaten/regio´s worden als aanvulling op de bovengenoemde parameters ook hoofdionen bepaald (natrium, kalium, ijzer, mangaan, sulfaat, chloride, magnesium, calcium en bicarbonaat). Dankzij deze minimale extra inspanning kan de analyse aan de hand van de ionenbalans kwalitatief worden beoordeeld.

De parameters die moeten worden gemonitord zijn in ieder geval de bovengenoemde parameters van de KRW en de dochterrichtlijn, voor zover ze relevant zijn, alsmede de parameters die conform de inventarisatie kenmerkend zijn voor een grondwaterlichaam. Voor zover van de gebruiksfuncties een grensoverschrijdend relevante invloed uitgaat, worden in langs de grenzen te coördineren grondwaterlichamen ook parameters onderzocht die van belang zijn voor de gebruiksfuncties van het grondwater. De directe coördinatie aan de grenzen vindt plaats op niveau B.

De monitoringsfrequenties van de toestand- en trendmonitoring zijn niet in alle staten c.q. deelstaten/regio´s hetzelfde. Een minimumfrequentie is niet voorgeschreven. De gekozen monitoringsfrequentie hangt vooral af van de te onderzoeken parameters, maar ook van de reeds verworven kennis over de grondwatertoestand, het type watervoerend pakket, de stroomsnelheid of de vastgestelde concentraties van verontreinigende stoffen. De omslachtige analyse van pesticides en de monitoring van drempelwaarden worden minder vaak uitgevoerd dan bijvoorbeeld nitraatonderzoeken. Vaak is dankzij jarenlange monitoring al veel kennis opgedaan over de grondwatertoestand. In dit geval kan, als er voldoende meetlocaties zijn, worden gekozen voor een lagere monitoringsfrequentie. Sommige staten c.q. deelstaten/regio´s koppelen de monitoringsfrequentie ook aan de hoogte van de gemeten concentraties van verontreinigende stof, dat wil zeggen vanaf een bepaalde concentratie wordt de monitoring geïntensiveerd.

Deze overwegingen in aanmerking genomen, gaan de gekozen monitoringsfrequenties, al naargelang van de parameter en de randvoorwaarden, van 2 keer per jaar tot een keer om de 6 jaar.


    1. Onderzoek- en evaluatiemethodes

Om betrouwbare en vergelijkbare meetresultaten te verkrijgen, moeten grondwatermeetlocaties voldoen aan bepaalde minimumeisen (bijv. m.b.t. de constructie, de kwaliteit van de beschikbare gegevens) en moeten uniforme voorwaarden worden gesteld aan bemonstering en analyse. In alle staten bestaan hieromtrent algemeengeldige standaarden, of het nu is op nationaal (bijv. DIN), Europees (CEN) of internationaal (ISO) niveau.

Bij de meting van de grondwaterstand of de chemische toestand van het grondwater wordt ten dele ook gebruik gemaakt van meetlocaties die niet onder de bevoegdheid van de nationale overheid vallen (bijv. meetlocaties van waterproducenten, waterorganisaties, gemeenten, privé-instellingen). In dat geval garanderen overeenkomsten dat ook deze meetlocaties en metingen de voorwaarden vervullen.

Na evaluatie van alle afzonderlijke meetlocaties, zowel voor wat betreft de grondwaterstand als voor de chemische toestand van het grondwater, is een overdracht van de meetresultaten op de totale oppervlakte van het grondwaterlichaam geboden, zodat de grondwatertoestand in het hele grondwaterlichaam kan worden geëvalueerd. Daarvoor bestaan diverse evaluatiemethodes. De belangrijkste bepalingen zijn opgenomen in de dochterrichtlijn Grondwater. Bij de evaluatie van grondwaterlichamen waarvoor langs de grens een coördinatie dient plaats te vinden, is het uitermate belangrijk dat de betrokken staten c.q. deelstaten/regio´s hun werkzaamheden op elkaar afstemmen. Dit doel dient o.a. ook het afstemmingsproces in het kader van de ICBR en de bilaterale afstemming in de werkgebieden op niveau B.


3.5 Aanvullende monitoringsvoorschriften8 voor beschermde gebieden langs de grenzen of beschermde gebieden van gemeenschappelijk belang9.

De KRW schrijft wat grondwater betreft geen aanvullende monitoringsvoorschriften voor beschermde gebieden voor. De meeste staten c.q. deelstaten/regio´s voeren in het kader van de grondwatermonitoring conform KRW geen aanvullende grondwatermonitoring uit voor beschermde gebieden. De beschermde gebieden (bijv. drinkwaterbeschermingsgebieden, FFH-gebieden) worden niettemin onderzocht, dankzij de stelselmatige grondwatermonitoring conform KRW.


De staten c.q. deelstaten/regio´s hebben op basis van wettelijke bepalingen omtrent de monitoring van ruw water een dicht monitoringsmeetnet opgezet waarin alle onttrekkingspunten van ruw water ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening een plaats hebben gekregen. Uit deze meetnetten worden representatieve meetlocaties uitgekozen voor de grondwatermonitoring conform KRW. Noodzakelijke afstemmingen hieromtrent gebeuren bilateraal op niveau B.


4.Conclusies


In deze rapportage wordt de coördinatie beschreven van de toestand- en trendmonitoringsprogramma´s in het volledige internationale Rijndistrict. De geschetste monitoring maakt deel uit van de in artikel 8 en bijlage V van de KRW beschreven monitoring als totaalconcept.
De resultaten van de coördinatie en de afgestemde monitoringsnetwerken die worden gepresenteerd in dit rapport, waarborgen in het hele stroomgebiedsdistrict de vergelijkbaarheid van de resultaten van

  • de beoordeling van de effecten van belastingen;

  • de beoordeling van veranderingen op lange termijn van de natuurlijke omstandigheden;

  • de beoordeling van veranderingen op lange termijn veroorzaakt door antropogene activiteiten.

Bovendien vormen de resultaten en de netwerken de basis voor de ontwikkeling van toekomstige monitoringsprogramma´s.
De monitoring conform KRW gaat uit van de gecoördineerde toestand- en trendmonitoringsprogramma´s die worden aangevuld en verfijnd door de nationale programma´s voor toestand- en trendmonitoring en, indien noodzakelijk, door de nationale programma´s voor operationele monitoring van de waterlichamen die gevaar lopen de doelstellingen niet te halen en door de nationale programma´s voor nader onderzoek. Deze rapportage moet dan ook in verband worden gebracht met de nationale monitoringsrapportages.


Kaarten

  1. Oppervlaktewater – Meetnet voor toestand- en trendmonitoring: Biologie

  2. Oppervlaktewater – Meetnet voor toestand- en trendmonitoring: Chemische en fysisch-chemische parameters

  3. Grondwater – Meetnet: Kwantiteit

  4. Grondwater – Meetnet voor toestand- en trendmonitoring: Chemie

1 Bodenmeer en IJsselmeer

2 Bodenmeer en IJsselmeer

3 Bodenmeer en IJsselmeer

4 Zie bijlage V, nr. 1.3.5 KRW.

5 Mochten er zulke beschermde gebieden zijn.

6 Ter verduidelijking: alleen waterhuishoudkundige belangen.

7 Richtlijn 2006/118/EG van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand

8 Zie bijlage V, nr. 1.3.5 KRW.

9 Mochten er zulke beschermde gebieden zijn.







1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina