'Crisis of verdrag?' Inleidingen van het rondetafelgesprek over de uitbreiding en institutionele verdieping van Europese Unie, Nederlands Gesprek Centrum, 11 november 2002, Felix Meritis



Dovnload 77.21 Kb.
Pagina1/3
Datum17.10.2016
Grootte77.21 Kb.
  1   2   3
'Crisis of verdrag?'

Inleidingen van het rondetafelgesprek over de uitbreiding en institutionele verdieping van Europese Unie, Nederlands Gesprek Centrum, 11 november 2002, Felix Meritis

Op 11 november 2002 vond in het Felix Meritis te Amsterdam een besloten rondetafelgesprek van het NGC plaats over de uitbreiding en institutionele verdieping van de Europese Unie. Wetenschappers, politici, ambtenaren en journalisten namen deel aan het gesprek. De heer dr A. Peper zat de bijeenkomst voor. Vier sprekers, drs D.A. Benschop (voormalig staatssecretaris Europese Zaken), prof.dr B.A.G.M. Tromp (hoogleraar politicologie RUL), drs F. Timmermans (Tweede Kamerlid PvdA en lid van de Europese Conventie) en E. van Middelkoop (voormalig Tweede Kamerlid ChristenUnie) hielden een inleiding, waarna er ruimschoots tijd was voor een plenaire discussie.

Het thema van het eerste deel van de bijeenkomst kan in een notendop als volgt worden omschreven: binnen afzienbare tijd worden een aantal landen onderdeel van de Europese Unie. De institutionele verankering van die uitbreiding brengt de nodige problemen met zich mee. Hoe staat het met de democratie in het zich ontwikkelende Europa? Wil Europa geen ambtenarenstaat worden, dan zullen niet alleen bestuurders en burgers met elkaar moeten communiceren, maar ook burgers onderling. Is de voorgenomen uitbreiding aan de orde geweest in het publieke debat? Heeft de uitbreiding voldoende maatschappelijk en politiek draagvlak?

In het tweede deel van het rondetafelgesprek komt de institutionele verdieping van de Europese Unie aan bod. Opereren Europese bestuurders in het luchtledige door het ontbreken van toereikende institutionele bevoegdheden? Is een federaal Europa als sluitstuk van het integratieproces wenselijk? Doordat het publieke en juridische apparaat en de media niet meebewegen met deze politieke veranderingen, ontstaat een vacuüm voor wat betreft media, meningsvorming en democratie. Hoe kunnen politiek, democratie en maatschappij zich aanpassen aan de geschetste ontwikkelingen?

De heer Benschop gaat in zijn inleiding in op de voordelen en noodzaak van de uitbreiding van de Europese Unie met tien nieuwe landen. De heer Tromp verwoordt in zijn inleiding de argumenten van de tegenstanders van de uitbreiding. Na de pauze behandelt Conventielid F. Timmermans de zogenoemde blauwdruk van Giscard en hij bepleit een vergaande verdieping en vernieuwing van de institutionele bevoegdheden van Europese democratische organen. Euroscepticus E. van Middelkoop waarschuwt in zijn inleiding voor de nadelen van een federalistisch Europa. Hieronder is opgenomen een weergave van de vier inleidingen.


Drs D.A. Benschop

1.De uitbreiding

Laat ik beginnen met deze stelling: de uitbreiding moet gebeuren. Er zijn hiervoor twee redenen aan te dragen: allereerst vanwege de stabiliteit in Europa. De huidige Europese Unie heeft politieke en maatschappelijk stabiliteit bereikt in het westelijk deel van Europa. In Midden en Oost Europa ziet men gevaren, onzekerheden en bronnen van instabiliteit zowel tussen landen als binnen landen, bezien vanuit de specifieke context van bijvoorbeeld Joegoslavië en de Balkan. Hier speelde zich gedurende de afgelopen decennium de grote Europese tragedie af. Tegelijkertijd hebben ook Polen en ander landen van Oost Europa een zeer bewogen geschiedenis, zelfs letterlijk met grenzen die heen en weer geschoven zijn.


Ik denk dat de Europese Unie het beste recept is om stabiliteit te brengen in Midden en Oost Europa. Binnen andere organisatievormen en concepten zoals de NAVO, het machtsevenwicht en het Westfaalse systeem is de mate van integratie zoals die in Europa bestaat, niet te verwezenlijken. Dat geldt ook de effecten op de politieke stabiliteit binnen een land. Die ervaring van Europa is ook een van de redenen voor het ontstaan van de kloof tussen Europa en de Verenigde Staten. Wij zijn in de vijftig jaar sinds de oprichting van de Europese Gemeenschappen gewend geraakt aan het delen van soevereiniteit en het vertrouwen op wet- en regelgeving. We zijn zo gepokt en gemazeld binnen Europa in het denken op een supranationaal niveau dat het soms moeilijk voorstelbaar is dat het in de rest van de wereld niet in dezelfde mate het geval is, zelfs niet in de Verenigde Staten. Die ervaring in het delen van de soevereiniteit, in het vertrouwen op supranationaliteit, het vertrouwen op internationale samenwerking op basis van recht en regels en toezicht, heeft geleid tot een grote, bijna mentale, kloof tussen Europa en de Verenigde Staten.
De tweede reden om de uitbreiding van de Europese Unie een warm hart toe te dragen, zijn de economische voordelen. Deze voordelen zijn er niet alleen voor de landen die hoge kosten hebben en de onzekerheid dragen. In de landen die sociale problemen hebben, zal de aanpassing kosten met zich meebrengen, vooral voor bepaalde groepen in de bevolking. Die landen bijten nu door die zure appel heen en we kunnen ze daarbij helpen door ze lid te laten worden van de Europese Unie. We kunnen ervoor zorgen dat het systeem dat eerder een positief effect had tussen Noord en Zuid Europa nu ook tussen West en Oost Europa gaat werken in termen van economische ontwikkeling. Ik denk dat alle partijen daar baat bij hebben.
Ik zie drie risico's bij dit geheel. Deze risico's moeten onder ogen worden gezien, maar elk op zich mogen niet tot afstel leiden. Het eerste risico is de vraag of die tien landen waar we het over hebben ook echt klaar zijn. Ze zijn nu nog niet helemaal klaar. De verwachting is dat ze in 2004 in voldoende mate orde op zaken hebben. De Europese Commissie houdt dit proces nauwlettend in de gaten. Halverwege volgend jaar wordt de voortgang weer bekeken. Er is een tweejarige periode ingebouwd, dus als die landen lid zijn in 2004 dan heeft de Commissie extra bevoegdheden om in te grijpen als er iets mis gaat op het gebied van de voedselveiligheid, de concurrentieverhoudingen of de interne markt.
Al met al, als wordt gekeken naar hoe ver de kandidaat lidstaten zijn, de waarborgen die worden ingebouwd, dan denk ik dat de uitbreiding een verantwoord risico is. Er is geen garantie dat er niet een keer iets mis zal gaan. Het lidmaatschap bouwt zich namelijk op. De Schengen beslissing over de open grenzen moet nog worden genomen nadat die landen lid zijn geworden, er zijn niet zomaar open grenzen. De EMU beslissing is er daarnaast een die nog moet volgen. De Commissie heeft die waarborg genomen voor de eerste periode na toetreding van de landen. De uitbreiding van de Europese Unie met tien Midden- en Oost Europese landen is niet honderd procent wit of honderd procent zwart, zeker gelet op de hoeveelheid inbreukprocedures van de Commissie tegen bestaande lidstaten. Eerlijkheidshalve moet worden toegegeven dat Nederland ook corruptie kent, we hebben immers ook een bouwenquête. In de kandidaat lidstaten is een voldoende mate van sociale, economische en politieke ontwikkeling. Er kan op vertrouwd worden dat het lidmaatschap geen onoverkomelijke problemen zal opleveren. De risico's moeten we niet veronachtzamen, maar er is geen reden om het niet door te laten gaan.
Het tweede risico zit in de instituties, de bestuurlijke vormgeving van de Unie. Over de bestuurbaarheid zal ik in het kader van de Conventie nog iets zeggen. Het derde risico zit in de uitgaven en dan met name de landbouwuitgaven. De vraag is in hoeverre dat systeem nog veranderd kan worden vooruitlopend op de uitbreiding. Het is een groot gevecht geweest en het liep met een sisser af in Brussel op de Europese top. Ik vind dat daar geen goede overeenkomst is gesloten. Besloten werd de uitgaven vanaf 2006 te bevriezen en er mag nog maar één procent bij. Dat is minder dan de inflatie, dus het werd enigszins verkocht als een Nederlands succes. Maar toen ik het een keer beter las, zag ik dat die afspraak alleen maar betrekking heeft op de verplichte landbouwuitgaven, dat wil zeggen op categorie 1a. Het gevolg daarvan is dat de inkomensteun wel iets afgebouwd zal worden. Waarschijnlijk gebeurt dit iets sneller dan al was voorzien, maar een werkelijke trendbreuk is het niet. Bovendien blijft het tweede deel van de landbouwuitgaven, categorie 1b; het plattelandsbeleid, volledig open staan en daarover is dus geen afspraak gemaakt. Dit was nou juist in de ogen van veel voorstanders van een groot landbouwbudget de mooie communicerende vaten. Er zit dus in die afspraak een enorme lek, voor wat betreft de omvang van de landbouwuitgaven in de toekomst. Als dat wordt afgezet tegen een bescheiden degressiviteit in de inkomenssteun is het niet iets om over te juichen. Bovendien hebben we vanuit Nederlands perspectief niet zoveel aan het plattelandsbeleid, want dat speelt nauwelijks in Nederland, zeker niet als we het platteland gaan volbouwen.
Kortom: de uitbreiding houdt wel risico's in en die moeten onder ogen worden gezien. Maar de Europese Unie moet worden uitgebreid, het is zo ver, de kans ligt er, de mogelijkheid is er. Het alternatieve scenario, een verder uitstel van het grote politieke probleem in de kandidaat-lidstaten zal ons veel meer het hoofd breken. Er ontstaan dan veel meer zorgen, veel meer interventies straks op allerlei mogelijke manieren en het zal ons ook veel meer geld gaan kosten.

2.Ontstaan van een politieke unie.

De uitbreiding gaat gepaard met een kwalitatieve sprong, een verandering in het bestuurlijke karakter van de Europese Unie. Dat aspect maakt het geheel onzeker voor de bestaande lidstaten. Na het Europa van de boeren, het Europa van de interne markt en zelfs het Europa van de muntunie, betreden we nu het Europa van de politieke unie. Dat is een term die in Nederland eigenlijk weinig is gebruikt en waar we moeite mee hadden. Maar het is nu wel aan de orde. En het verandert het karakter van de integratie verregaand. Het Europese arrestatiebevel, een Europese defensiemacht, de oorlog tegen Irak, Europese politiesamenwerking, de Kyotoquota, begrotingstekorten; het is een rijtje ontwikkelingen die dit veranderende karakter van de Europese Unie onderstreept. In deze context is een politieke unie wezenlijk. Het is een wezenlijke vorm van nationale soevereiniteit, die nu in meer of mindere mate Europees aan bod komt. Dat is toch een essentieel verschil met het Europa van de interne markt. Als het over de lengte van vrachtwagens gaat is dat toch echt iets anders, dan wanneer het over begrotingstekorten of arrestatiebevelen of dergelijke zaken gaat. Dus op dat vlak zit een enorme vooruitgang op dit moment. In andere jaren is die aanloop genomen. Het karakter van het Europese integratieproces is veranderd, en dat heeft te maken met de realiteiten van internationale afhankelijkheid, met mondialisering, de Europese positie en de reflectie die dat in de Europese hoofdsteden op gang heeft gebracht. Kortom, een politieke unie is onafwendbaar.



3.Debat over democratie in Europa

Die politieke unie moet een democratie zijn of ze kan niet ontstaan en voortbestaan. Het vraagstuk van de democratie is daarmee cruciaal geworden in het debat over de bestuurlijke inrichting van Europa. Europa werd heel vaak gelegitimeerd en verklaard vanuit het perspectief van de functionele legitimiteit. Doet het beestje de truc? Levert de interne markt voordelen op? Worden de regels nageleefd? Ik denk dat voor de vraagstukken die nu aan de orde zijn, de toepassing van de functionele legitimiteit niet voldoende is. Het is wel altijd de basis. Want als Europa niet presteert, dan heb je er weinig aan, er moet iets gebeuren. Maar het ontstaan en voortbestaan van de Europese democratie is wezenlijk en veroorzaakt een verschuiving van de vraagstelling in het debat. De toekomst van het Europese bestuur wordt in de Conventie besproken.


De klassieke communautaristen zijn enigszins op het verkeerde been gezet in dat debat. Of ze hebben zich op het verkeerde been laten zetten. Bijvoorbeeld: waarom is een Europese Commissie van benoemde technocraten meer democratisch dan de Europese Raad van door parlementen of kiezers gekozen regeringsleiders en presidenten? Ik kan dat niet uitleggen, maar het komt ook doordat de argumentatie voor de Commissie voorkomt uit overwegingen van efficiency en effectiviteit. Dergelijke overwegingen van bestuurbaarheid komen niet voort uit het veld van de democratie. Dus: wie heeft wie gekozen, hoe wordt verantwoording afgelegd, hoe wordt de openheid georganiseerd? Wat hebben nationale parlementen in te brengen, wat hebben burgers en kiezers in dat opzicht in te brengen? Deze vragen openen een heel nieuw discussieveld, waarin bijvoorbeeld de relatie tussen de Commissie en het parlement aan bod komt. Die discussie zou volledig moeten worden gevoerd, want het debat vindt niet plaats in termen van het afleggen van politieke verantwoording. Wat bijvoorbeeld aan bod zou moeten komen is het vraagstuk over een Europees referendum; hoe kunnen nationale parlementen beter controleren of bevoegdheden wel of niet naar een Europees niveau overgeheveld moeten worden? Deze vragen hebben betrekking op dat democratische aspect en ik denk dat de klassieke communautaire benadering daarvan op problemen stuit op dit moment.
Die klassieke benadering lijkt in de minderheid te zijn in het debat over de toekomst in de Conventie. Dat heeft niet alleen met machtsverhoudingen te maken, maar ook met de vraagstelling. Want wat is eigenlijk aan de orde en waar komen de antwoorden vandaan? Dit is toe te lichten aan de hand van een van de hoofdpunten van dit moment, bijvoorbeeld de vraag wie wordt mister Europe? Die race lijkt wel gelopen te zijn in de zin dat het een door de Europese Raad aangewezen persoon, een regeringsleider of oud-regeringsleider gaat worden die het voor twee en een half of vijf jaar gaat doen. De kandidaturen van Blair en Aznar circuleren al. Dit is eerlijk gezegd een geweldige klap voor de Commissie. Een heel nieuw figuur als het gezicht van Europa is gecreëerd naast de Europese Commissie en ik denk dat daar, in termen van de positie van de Commissie, een nederlaag wordt geleden. Er was een alternatief model denkbaar, maar daar is te weinig en te laat steun voor opgebouwd. Het zou namelijk een direct gekozen commissievoorzitter kunnen zijn. Deze voorzitter zou een andere bron van legitimiteit nodig hebben, want dat is nodig gezien de positie van Europa. Die voorzitter zou worden gekozen door het Europese Parlement of zelfs rechtstreeks door de burgers. Het zou een uniek mandaat op Europees niveau creëren. Een tegenwicht tegen dat van de Europese Raad. De commissievoorzitter zou de Europese Raad kunnen voorzitten.
Dat is een leuke gedachte, maar het zal niet gebeuren. Ik denk wel dat er nagedacht moet worden wat nou eigenlijk de andere kant van de afspraak moet zijn, als die voorzitter van de Europese Raad er komt zoals dat zich momenteel het geval lijkt. De Duitsers hebben al aangegeven dat er dan wel voor moet worden gezorgd dat de Commissie goed blijft functioneren. Een suggestie mijnerzijds: als de Europese Raad zelf zorgt voor een voorzitter, dan zou het een overweging kunnen zijn de Europese Commissie alle andere raden te laten voorzitten. Daarmee voorkom je het probleem van het roulerend voorzitterschap. Je zou de Commissie daarin een grotere stem kunnen laten hebben. De commissievoorzitter blijft dan nog wel een enigszins problematisch figuur. Maar het voordeel van een dergelijke constructie is dat de Commissie op het punt van zijn kerncompetenties weer de zaak in handen heeft. Ik denk dat de Britten daar ook gevoelig voor kunnen zijn. Die zijn aan de ene kant erg voor een 'mister Europe', maar aan de andere kant zijn ze ook gevoelig voor de competenties die de Commissie heeft op het gebied van de interne markt, handel, competitie en staatsteun. We moeten er voor waken dat deze competenties van de Commissie te zeer verloren gaan. Het is van belang dat wat er is bereikt op het gebied van de interne markt en alles wat daar bij hoort, te behouden. Er dient over nagedacht te worden hoe er met de Europese Commissie wordt omgegaan, als die mister Europe er komt vanuit de Europese Raad.

4.De crisis

Ik verwacht dat het een keer goed misloopt de komende tijd. Het is twee keer net niet fout gegaan. De eerste keer was het Ierse referendum, de tweede was de Nederlandse regering. Die was over Europa gevallen als het niet over de LPF was gevallen. Het had een andere politieke situatie opgeleverd. Ze waren 'saved by the bell' wat dat betreft. Wat er nu allemaal speelt rond de Conventie en de uitbreiding, ik denk dat het een keer gaat botsen. Die Conventie kan wat mij betreft maar twee uitkomsten hebben: het wordt een nieuw volledig verdrag. Giscard heeft zijn blauwdruk daarvoor al bijna klaar en hij zal machtspolitiek aanwenden om het erdoor te drukken. Dat was bij het Handvest voor de Grondrechten al het geval, bij de laatste vergadering werden ook niet meer alle vingers gezien. Dat zal ook hier zeker gaan gebeuren.


Of, de tweede mogelijkheid, het eindigt in een crisis. Het is een verdrag of een crisis. Ik denk niet dat een Conventie, in tegenstelling tot regeringsvertegenwoordigers, alleen in staat is om een grijs gebied van uitruilen - jij een beetje dit, ik een beetje dat - voor elkaar te krijgen. Dus dat is tegelijkertijd de kracht en de zwakte van de Conventie. Het zal me niks verbazen als dat met een grote knal midden volgend jaar wel of niet tot stand komt. We zullen meer mini-crisisjes meemaken. Dat heeft te maken met de politieke democratie in een politieke unie. Het betekent dat er ook iets niet gaat gebeuren de komende jaren. Er bestaat een lineair beeld van het Europese integratieproces. De doelstelling staat zo in het verdrag: een 'ever closer union'. Maar op het moment dat nationale parlementen, en soms ook de burgers via parlementaire verkiezingen, via referenda, of via andersoortige democratische vormen, meer invloed gaan krijgen, dan is het duidelijk dat er op bepaalde momenten iets ook niet kan gebeuren, dat plannen geen doorgang vinden. Maar goed, dat is de prijs die betaald moet worden. Het hoort bij de fase waarin de Europese Unie momenteel verkeert. In die zin is democratie risicovol.

5.Nederland

Tot slot, een paar opmerkingen over Nederland. Onder Paars is het Nederlandse belang in de Europese Unie explicieter aan de orde gekomen. Dat lag natuurlijk aan de netto betalingspositie, zoals die begin negentiger jaren is ontstaan. Het had op de gesprekspartners in Europa wel een verfrissend effect. Zij redeneren vanuit hetzelfde uitgangspunt en ze vonden het irritant dat wij ons belang verstopten in de moraal of in het recht, zoals dat gebeurt sinds Hugo de Groot. Dat we er openlijk over praatten, dat had een positief effect. De grootste kunst is, en ik denk dat daar het probleem van het afgelopen en misschien ook het volgende kabinet lag, dat het alleen maar spannend en werkzaam is als je deze openheid combineert met een vorm van ambitie. Expliciet praten over belangen, dat hoort bij Europa. Europa is namelijk niet gebaseerd op het ontkennen van belangen, maar op het verwerken daarvan. Maar dan wel gecombineerd met veel ambitie met betrekking tot de doelstellingen van de Europese Unie en met betrekking tot wat Nederland binnen Europa wil bereiken.


Het laatste regeerakkoord was op het punt van de Conventie zeer teleurstellend. Slechts één zinnetje: we wachten af wat er gaat gebeuren, welke voorstellen er gedaan gaan worden. Ik vind dat voor Nederland, voor onze traditie, voor onze omvang, voor wat we zijn, voor wat we pretenderen, wat we kunnen of gekund hebben, echt onder de maat. Het is niet alleen beschamend in termen van hoe we eigenlijk zouden moeten zijn en hoe we presteren, maar ook beschamend in termen van het Nederlandse belang. Want we hebben een vreemde positie binnen Europa. De afgelopen jaren hebben we ook geparticipeerd in de discussie over hoe groot of hoe klein we nou precies zijn. We stellen wel wat voor in termen van omvang op verschillende gebieden, maar we hebben niet de mogelijkheid, zowel door die omvang als door onze traditie, om machtspolitiek te spelen, zoals de grote lidstaten die voeren. Dus we zijn genoodzaakt een andere invalshoek te kiezen. Met een Germanisme zou ik dat 'kwaliteitspolitiek' willen noemen. Het heeft te maken met ideeën, mensen, vooruit weten te kijken, actief zijn, partnerships en coalities bouwen. Dit vergt een enorme inzet en activiteiten op het Europese niveau. De kat uit de boom kijken heeft dan geen zin.
Na het debat over groot of klein, ben ik tot de conclusie gekomen dat de Nederlandse positie samengevat kan worden met 'zo groot als mogelijk en zo klein als nodig'. Voor mij kwam de vraag toen naar voren: hoe goed zijn we? Die vraag zou centraal moeten staan binnen de Nederlandse organisatie van het Europese beleid, binnen de Nederlandse diplomatie en het Nederlandse netwerk binnen Europa. De ideeën, de kwaliteit van de ideeën, de mensen die dat moeten doen, dat weegt voor een land als Nederland zwaar. Ik ben bang dat met de trend die nu is ingezet, die de Volkskrant samenvatte met: 'Nederland wordt kleiner', dat je daar aan toe kan voegen dat we ook niet beter worden als we deze politiek voortzetten. En dan verspelen we onze reputatie en kennis in de Europese arena. We moeten op de voorbank willen zitten. Dat kan ook. Zelfs na de uitbreiding. We zijn nu de zesde van vijftien landen, straks zijn we de zevende van vijfentwintig. Onze relatieve positie binnen de Europese Unie blijft in tact, het blijft hetzelfde. We kunnen het spel niet bepalen en we kunnen een Frans-Duitse afspraak in Brussel niet verhinderen of wezenlijk anders maken. Het gaat om het subtiele verschil tussen de vraag of Nederland deel is van en betrokken bij het Europese integratieproces of de vraag of Nederland de wens heeft daar invloed op uit te oefenen. Dat geldt ook voor de Conventie en voor het verdrag dat opgesteld gaat worden. Nederland kan zitten, kijken en wachten, maar dan krijgen we nog veel meer scènes zoals we die nu hebben gehad. We zitten te kijken hoe de VVD 'nee' zegt en het CDA toch maar 'ja'. Maar het is nou juist de kunst om invloed uit te oefenen voordat anderen de besluiten hebben genomen.
Prof. dr B.A.G.M.Tromp

1.Inleiding

Toen we deze conferentie organiseerden, dachten we dat het formaat van een discussie met een voor- en een tegenstander van de uitbreiding heel aantrekkelijk was. Maar toen stuitten wij op het probleem dat deze benadering niet leidde tot een uitgesproken tegenstander van de uitbreiding. Ik werd toen voor eenzelfde dilemma gesteld als vorig jaar toen er een debat werd georganiseerd aan mijn faculteit, waarbij er een voor- en tegenstander van de monarchie aan het woord moesten komen. Er was niemand die de monarchie wilde verdedigen. Dat heb ik toen maar gedaan.

Bij dit onderwerp zal ik nog eens proberen tegenargumenten aan te dragen voor een stelling waar ik het mee eens ben. Ik zal proberen de argumenten tegen uitbreiding die ik in Nederland ben tegengekomen, hier op een rijtje te zetten, zonder dat ik mezelf daarmee identificeer.

2.Kosten en nadelen

De eerste reeks punten gaat over de kosten en de nadelen van de uitbreiding. Tegenstanders stellen dat we nu weer, net als bij het ontstaan van de Europese Akte tien jaar geleden, en als met de invoering van de euro, te horen krijgen dat er geweldige economische voordelen zijn voor iedereen, in het bijzonder voor Nederland. Zij twijfelen hier ernstig over. Wat betreft die eerdere voorbeelden zijn de economische voordelen heel wat lager uitgevallen dan in die tijd werd gepropageerd.


Het volgend punt dat de tegenstanders naar voren brengen is het feit dat de positie van Nederland, als grootste netto betaler, na uitbreiding eigenlijk aanmerkelijk zal toenemen, zonder dat er enig aanwijsbaar voordeel tegenover staat. Het argument dat die voordelen een toename van stabiliteit in Europa inhouden, weerleggen tegenstanders door er op te wijzen dat toetreding van deze landen ook een aantal factoren van instabiliteit in Europa introduceren. Om een voorbeeld te noemen: zolang de kwestie Cyprus niet is opgelost, krijgt Europa er een verschrikkelijk probleem bij, in plaats van dat de situatie wordt gestabiliseerd. En er ontstaat instabiliteit op een ander niveau: de toetreding van tien nieuwe lidstaten zal betekenen dat de vrije toegang van criminele organisaties uit de toetredende landen gemakkelijker wordt dan in de huidige situatie. De evaring heeft geleerd dat van het systeem van open grenzen toch altijd meer wordt geprofiteerd door niet legitieme actoren, dan voor degene voor wie het is bedoeld.
  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina