Criteria kindermishandeling (Definities en grada­ties per sub­type) Overgenomen uit: Jan C. M. Willems



Dovnload 147.55 Kb.
Datum22.08.2016
Grootte147.55 Kb.




Criteria kindermishandeling

(Definities en grada­ties per sub­type)

Overgenomen uit:
Jan C. M. Willems, Wie zal de Opvoeders Opvoeden? Kindermishandeling en het Recht van het Kind op Persoonswording, T.M.C. Asser Press, Den Haag, 1999, Bijlage 3, pp. 1038-1062


1. Typering
Operationalisering kindermishandeling (schen­ding van het kernrecht van het kind op minimale persoonswording) in zes vormen met elk vijf ernst­fac­to­ren; definities per vorm, criteria en voor­beelden per ernstfac­tor.1
2. Bron/vertaling
In deze studie [Wie zal de Opvoeders Opvoeden? Kindermishandeling en het Recht van het Kind op Persoonswording, T.M.C. Asser Press, Den Haag, 1999] is afwisselend verwezen naar de criteria van (beter: in) cicchetti/toth dan wel van barnett e.a.2 De verant­woor­delijkheid voor de ver­taling van deze criteria (uit het Engels) berust bij de au­teur.3
3. Subtypen (vormen van kindermishandeling)
A. Lichamelijke mishandeling;

B. Sexueel misbruik (sexuele kindermishandeling);

C. Lichamelijke verwaarlozing: onvoldoende fysieke zorg (met be­trek­king tot de lichamelij­ke en geestelijke gezondheid);

D. Fysieke verwaarlozing: onvoldoende fysiek toezicht;

E. Emotionele maltraitering: psychische mishandeling, emotioneel mis­bruik, affec­tieve verwaar­lozing en normatieve/pe­da­gogische ver­waarlo­zing (on­voldoende grenzen, struc­tuur, disci­pline­ring);

F. Normatieve en educatieve maltraitering (morele corrum­pering en school­verzuim).


4. Gradaties (ernstfactoren)
Vanuit een ontwikkelingsperspec­tief,4 dat is (naar de terminologie van deze studie vertaald) vanuit een oog­punt van (gemid­deld te verwachten) bedreiging van de mini­male per­soons­wor­ding (ont­wikkeling van minimale ratio­nali­teit, mo­rali­teit en au­thenticiteit), lopen deze als volgt op:

1  =  ‘licht’ (minst ernstig);

2  =  ‘matig’ (tamelijk ernstig);

3  =  ern­stig;

4  =  zeer ern­stig;

5  =  (bijna) ‘fataal’ (meest ernstig).


A. Lichamelijke mishandeling5
Definitie

Van lichamelijke [kinder]mishandeling is sprake wanneer de verzor­ger of op­voeder van het kind c.q. degene die voor het kind verantwoorde­lijk is [hierna kortheidshalve: de ouder], het kind lichamelijk verwondt anders dan ten gevol­ge van een ongeluk. Onder verwonden wordt niet verstaan het (doen) ver­richten van door cultu­rele tradities voor­geschreven licha­me­lijke ingrepen zoals de be­snij­­denis [van jongetjes6] en het aanbrengen van gaatjes in het oor. (...)

Een kind opsluiten of vastbinden valt onder emotionele maltraite­ring. Als het kind daarbij evenwel verwondingen oploopt (bijvoorbeeld door touw ver­oorzaakte brandplekken), vallen die verwondingen onder li­cha­melijke mis­han­deling en het opsluiten of vastbinden onder emotionele maltraite­ring. (...) Lichamelijke verwondingen die direct samenhangen met sexuele hande­lingen (bijvoorbeeld vaginale of rectale scheurtjes), vallen onder sexueel misbruik. Verwondingen ten gevolge van pogingen het kind te dwingen tot [het dulden van of deelnemen aan] sexuele han­delingen (bij­voorbeeld slaag of brandplek­ken), vallen zowel onder li­cha­melijke mis­handeling als onder sexueel misbruik.
Gradaties (criteria en voorbeelden)
1. (‘Licht’)

 De ouder heeft tijdens een afstraffing op het lichaam van het kind niet ernstige vlekken toegebracht; er zijn geen vlekken op het hoofd of op de nek.

 De ouder heeft het kind geslagen; er zijn geen verdere aanwijzingen.

 Het kind heeft niet aan een ongeluk te wijten verwondingen opgelopen; er zijn onvoldoende details om de juiste ernstfactor te bepalen.

 De ouder heeft het kind geslagen met de vlakke hand of met een voor­werp dat meestal alleen niet ernstige plekken nalaat (bijvoorbeeld een roe, een zachte riem, een liniaal of een plat voorwerp); het kind heeft plekken op of lager dan de schouders.
Voorbeelden

• Het kind hield een blauwe plek op de arm over na met de vlakke hand geslagen te zijn.

• Niet ernstige blauwe plekken op het achterwerk van het kind [bleven zichtbaar] na een afstraffing met een riem.
2. (‘Matig’)

 De ouder heeft bij enige afstraffing op het lichaam van het kind vele of vrij ernstige plekken toegebracht [het kind is ‘voor straf’ bont en blauw geslagen].

 De ouder heeft het kind geslagen met een voor­werp dat meestal vrij ernstige plekken nalaat (bijvoorbeeld een haarborstel, een riem met gesp, een electrisch snoer), of heeft het kind geschopt of met de volle vuist ge­stompt met achter­lating van plekken op het lichaam van het kind lager dan de nek.
Voorbeelden

• Het kind had striemen op de rug na met een haarborstel geslagen te zijn.

• Het kind zat onder de rode vlekken na met een elec­trisch snoer te zijn geslagen.
3. (Ernstig)

 De ouder heeft vlekken teweeggebracht op het hoofd, het ge­zicht of de nek van het kind (bijvoorbeeld een blauw oog).

 De ouder heeft het kind dermate ruw behandeld dat ernstige blauwe plekken of niet ernstige verwondingen ontstonden (de huid was open­gescheurd waarbij bijvoor­beeld hechtingen nodig waren of eenvoudige me­dische behan­deling).

 De ouder heeft niet ernstige brandwonden (bijvoorbeeld met een siga­ret) op het li­chaam van het kind veroorzaakt.


Voorbeelden

• De hand van de ouder stond in de nek van het kind nadat dit was vast­gegrepen.

• Het kind had een blauw oog na in het gezicht gestompt te zijn.

• Kleine ronde brandplekken op de handen van het kind bleken met siga­retten te zijn toegebracht.


4. (Zeer ernstig)

 De ouder heeft het kind geslagen met een voorwerp (bijvoorbeeld een honk­bal­knuppel of een telefoontoestel) dat meestal ernstige verwondin­gen veroor­zaakt (bijvoorbeeld vrij ernstige verscheuringen, tweedegraads ver­brandin­gen, bot­breuken of hersenschudding), of heeft het kind tegen de muur gegooid, zonder dat de opgelopen verwondingen tot ziekenhuis­opname leidden (...).

 De ouder heeft het kind pogen te verstikken of te smoren zonder dat eerste hulp noodzakelijk was.

 De ouder heeft ernstige (tweedegraads) brandwonden op het li­chaam van het kind ver­oorzaakt zonder dat ziekenhuis­opname noodzakelijk was.

 De ouder heeft verwondingen toegebracht die in een ziekenhuis moes­ten worden behandeld, bijvoorbeeld op de eerstehulpafdeling, maar die niet tot een zie­ken­­huisopname van 24 uur of langer leidden (bijvoorbeeld voor hechtingen, vanwege breuken of vrij ernstige verstuikingen).
Voorbeelden

• Het kind was geslagen met een plank met spijkers; het had blauwe plek­ken en snijwonden.

• Het kind werd van de trap gegooid en brak een arm.

• De ouder had het kind ernstige brandwon­den toegebracht; het werd be­handeld op de eerstehulpafdeling.


5. (‘Fataal’)

 De ouder heeft het kind een verwonding toegebracht die tot zieken­huis­op­name leidt (bijvoorbeeld ernstige en/of meervoudi­ge brandwon­den, inwendige verwondingen) en/of tot blijvende fysie­ke schade of tot verminking of misvor­ming (bijvoorbeeld [afstraffingen] die resulteren in hersenbeschadi­ging, zware lit­te­kens, kreupelheid).

 De ouder heeft het kind een dodelijke verwonding toegebracht.
Voorbeelden

• Het kind werd in brand gestoken met zware brandwonden en blijven­de mis­vorming als gevolg.

• Het kind verbleef een week in het ziekenhuis wegens inwendige ver­wondingen en tekenen van het door-elkaar-geschudde-baby-syndroom.
B. Sexueel misbruik7
Definitie

Van sexueel misbruik [sexuele kindermishandeling] is sprake wanneer de verzor­ger of op­voeder van het kind [hierna kortheidshalve: de ouder] of iemand anders die voor het kind verant­woorde­lijk is, sexueel contact met het kind heeft, of poogt te hebben, ter bevrediging van de sexuele gevoe­lens van de betrokken volwassene en/of uit geldelijk gewin. Bij sexueel misbruik verwijst ouder of ‘verantwoordelijke volwassene’ naar enig ge­zins­lid of [huis]vriend die een [vertrouwens]band met het kind heeft of in een gezagsrelatie tot het kind staat (bijvoorbeeld de oppas). (...)

De sexuele handelin­gen met het kind kunnen onder fysieke of psy­chi­sche dwang plaatsvinden. Uit de ouder ernstige dreige­menten, dan is er zowel van emotionele maltraite­ring als van sexueel misbruik sprake. Zo­als onder li­chamelijke mishandeling is aangegeven, vallen li­cha­melijke verwondingen die di­rect samenhangen met sexuele hande­lingen (bijvoor­beeld vaginale of rectale scheurtjes), onder sexueel misbruik. Ver­wondin­gen ten gevolge van pogingen het kind te dwingen tot sexuele han­delin­gen (bij­voorbeeld slaag of brand­plek­ken), vallen zowel onder li­cha­melijke mis­handeling als onder sexueel misbruik.
Gradaties (criteria en voorbeelden)
1. (‘Licht’)

 De ouder stelt het kind bloot aan expliciete sexuele prikkelingen of hande­lingen zonder dat hij of zij het kind er direct bij betrekt.


Voorbeelden

• De ouder laat het kind pornografisch materiaal zien.

• De ouder belet niet dat het kind getuige is van sexuele handelingen.

• De ouder praat in het bijzijn van het kind expliciet over sex zonder pe­da­go­gische bedoelingen, bijvoorbeeld over de sexuele activiteiten of fan­tasieën van de ouder(s); het kind kan dit vrijelijk aanhoren.



2. (‘Matig’)

 De ouder vraagt het kind rechtstreeks om sexueel contact.

 De ouder toont zijn of haar geslachtsdelen aan het kind om aan zijn of haar gerief te komen of met de bedoeling het kind sexueel te prikkelen.
Voorbeelden

• De ouder vraagt het kind om een sexuele relatie aan te gaan zonder dat het tot lichamelijk contact komt.

• De ouder vraagt het kind toe te kijken terwijl hij zich masturbeert.
3. (Ernstig)

 De ouder betrekt het kind bij wederzijdse sexuele aanrakingen of laat zich om aan zijn gerief te komen, door het kind aanraken.

 De ouder raakt het kind aan om aan zijn gerief te komen.
Voorbeelden

• De ouder streelt het kind totdat hij klaar komt.

• De ouder betrekt het kind bij wederzijdse masturbatie.
4. (Zeer ernstig)

 De ouder probeert sexueel bij het kind binnen te dringen of dringt daad­wer­ke­lijk bij het kind binnen; dit omvat coïtus, orale sex, anale sex of andere vormen van [penetratie8].



Voorbeelden

• De ouder valt het kind sexueel lastig.

• De ouder heeft sexuele gemeenschap met het kind of onderneemt po­gingen daartoe.

• Het kind heeft een geslachtsziekte; [het kind is nog zeer jong en] er zijn geen gegevens over sexuele contacten be­kend.

• Een moeder heeft orale sex met haar zoon.
5. (‘Fataal’)

 De ouder heeft onder dwang gemeenschap met het kind of dringt on­der dwang op andere wijze sexu­eel bij het kind binnen­. Dwang omvat het vast­houden, vast doen houden of vastbinden van het kind teneinde het sexu­eel te benaderen. Dwang omvat tevens het gebruik van wapens, fy­siek geweld en fysieke overweldiging van het kind met de uitdrukkelijke bedoeling om zich aan het kind sexueel te bevredigen. [Zie ook onder de definitie van lichamelijke mis­handeling.]

 De ouder prostitueert het kind; hieronder valt ook het ge­bruiken of uitbe­steden van het kind voor pornografische doeleinden, alsmede het toestemming geven aan en aanmoedigen of dwingen van het kind tot het verrichten of ondergaan van sexuele handelingen met c.q. van derden.
Voorbeelden

• De ouder bindt het kind vast op het bed en verkracht het kind. (...)

• De ouder houdt het kind onder schot en verkracht het anaal.9

• De ouder dwingt het kind mee te doen aan opnames voor kinderporno­gra­fische films.

• Op uitnodiging van de ouder hebben andere volwassenen sexuele om­gang met het kind.
C. Lichamelijke verwaarlozing: onvoldoende fysieke zorg10
Definitie

Van lichamelijke verwaarlozing/onvoldoende fysieke zorg is sprake wan­neer de verzor­ger of op­voeder van het kind c.q. degene die voor het kind verantwoorde­lijk is [hierna kortheidshalve: de ouder], niet in staat of be­reid is tot het ver­schaffen van minimale zorg ten aanzien van de lichame­lijke noden van het kind. Bij gezinnen onder de armoedegrens is er al­leen sprake van lichamelijke ver­waarlozing als niet of onvoldoende wordt voorzien in de lichame­lijke noden van het kind ten gevolge van de on­macht of onwil van de ouder(s) gebruik te maken van maatschappelijke voorzieningen [zoals bijstand en aanvullende of andere voorzieningen] voor het welzijn van kinderen. (...)

Onvoldoende fysieke zorg betreft het niet of onvoldoende voorzien in de lichame­lijke noden van het kind op één of meer van de volgende gebie­den:

a. [voeding] ─ het kind geschikt voedsel geven;

b. [kleding] ─ zorgen voor schone, aan de weersomstan­digheden aan­ge­paste en niet te ruim of te strak zittende kleding;

c. [onderdak] ─ zorgen voor geschikt onderdak;

d. [bezoek aan arts, tandarts en psycholoog/psychiater] ─ zorgen voor geschikte medische, tandheelkundige en gees­telijke ge­zondheidszorg;

e. [hygiëne] ─ zorgen voor voldoende hygiëne.


Gradaties (criteria en voorbeelden)
Toelichting/waarschuwing

[Ook hier geldt dat de ernstfactoren op gemiddelde bedreigingen van de per­soons­wording zien en derhalve in individuele gevallen soms (met het oog op de vraag of in een bepaald gezin opvoedingshulp moet worden op­gelegd) naar be­ne­­den of bo­ven dienen te worden bijge­steld.11]


1. (‘Licht’)

 De ouder zorgt niet dat er eten in huis is voor de vaste maaltijden; het kind (onder de 10 jaar) moet vaak zijn eigen eten klaarmaken en/of mist geregeld maaltijden door ouderlijke nalatigheid.

 De ouder zorgt niet voor kleren die voldoende schoon zijn en die het kind vrijlaten in zijn bewegingen (bijvoorbeeld de kleren zijn zoveel ma­ten te klein dat het kind zich niet vrij kan bewegen, of zoveel maten te groot dat het kind gere­geld struikelt of moeite heeft de kleren aan of op te hou­den).

 De ouder zorgt niet voor een schoon huis; afval wordt niet verwijderd, de af­was zit vol korsten, de vloeren en andere oppervlakken zijn smerig; er hangt in huis een onaangename, doordringende geur, afkomstig van afval en vuil.

 De ouder heeft verschillende afspraken voor het kind met arts of tand­arts laten lopen (...); het kind krijgt niet alle vereiste inentingen (...).

 De ouder houdt een licht gedragsprobleem waar [bevoegde derden] op hebben gewezen, niet in de gaten (bijvoorbeeld het kind vertoont be­paal­de ge­drags­symptomen zonder dat zijn sociaal functioneren of zijn schoolpres­ta­ties er ernstig onder lijden).

 De ouder zorgt niet dat het kind schoon is; het kind wordt onregelma­tig ge­baad, de haren worden zelden gewassen; het kind poetst bijna nooit zijn tanden, er is sprake van tandbederf of tandverkleuring.

Voorbeelden

• Een kind van 9 jaar kookt verschillende keren per week omdat de ou­ders sla­pen [ten gevolge van nachtdiensten, dronken­schap enzovoorts].

• Het kind heeft altijd kleren aan die veel te strak zitten.

• De ouder ondertekent geen schoolrapporten waarin melding wordt ge­maakt van gedragsproblemen.

• Het kind is vuil en krabt geregeld op zijn hoofd met klittend haar.

• De kleren van het kind zijn vuil en stinken naar urine.


2. (‘Matig’)

 De ouder zorgt niet altijd dat er eten in huis is; vaak is er geen eten in huis en twee tot drie keer per week worden achtereen twee of meer maaltij­den over­ge­sla­gen; de ouder geeft het kind 24 uur niets te eten.

 De ouder zorgt niet dat het kind kleren draagt die in overeenstemming zijn met de weersomstan­digheden (het kind draagt bijvoorbeeld dunne kleding in de winter).

 De ouder beseft terdege dat het huis vol kakkerlakken en ander onge­dierte zit, maar doet er niets aan.

 De ouder zorgt niet voor geschikte slaapgelegenheid voor het kind (er zijn bijvoorbeeld geen bedden of matrassen, of de matrassen zijn vuil en klam van urine of ander vocht dat schimmelvorming bevordert).

 De ouder zorgt er niet voor dat doktersadvies voor de behandeling van een niet ernstige ziekte of infectie stipt worden opgevolgd (voor­ge­schre­ven medi­cijnen voor een lichte infectie worden bijvoorbeeld niet toege­diend, chronisch haarluis wordt niet behandeld).

 De ouder verschoont niet regelmatig de luiers van de baby; vaak heeft de baby uren­lang vuile luiers aan, de baby heeft luiereczeem.
Voorbeelden

• Dagenlang loopt een kind bij licht vriesweer naar school in een dun jasje en zonder muts of handschoentjes.

• Een maatschappelijk werkster kwam een aantal keren op bezoek terwijl er geen eten was, de kinderen vertellen dat zij twee of drie keer per week tussen de mid­dag niet eten [en] zonder warm eten naar bed gaan.

• Bij het kind is een oorinfectie vastgesteld, maar de ouder dient de voor­ge­schreven antibiotica niet consequent toe.


3. (Ernstig)

 De ouder zorgt niet voor regelmatige maaltijden, maaltijden worden stelsel­matig overgesla­gen; vier keer of vaker per week krijgt het kind ten­minste twee keer achter elkaar niets te eten.

 De ouder zorgt niet dat het gezin kan rekenen op vast onderdak; hij/zij doet bij­voorbeeld geen moeite om bij­stand of huur­subsi­die te krij­gen of te behouden met als ge­volg dat [doordat de huur niet tijdig is betaald] het gezin het huis uit moet of zeven dagen of langer het recht op een uitke­ring ver­liest.

 De ouder raadpleegt geen dokter of volgt doktersadvies niet op bij ta­melijk ernstige gezondheidsklachten (het kind heeft bijvoorbeeld hart­klachten maar de ouder veronachtzaamt voorzorgsmaatregelen, of er wordt niets gedaan aan een nogal ver­hoogd lood­gehalte in het bloed), of de ouder speelt zelf voor dok­ter (de ouder geeft het kind bij­voorbeeld, zon­der doktersad­vies, een kalme­rend middel om het onder controle te hou­den).

 De ouder zorgt er niet voor dat therapie wordt afgemaakt die het kind of het gezin ondergaat wegens psychische of gedragsproblemen van het kind, terwijl deze problemen de omgang van het kind met leeftijd­genoot­jes of zijn school­prestaties nadelig beïnvloeden.

 De ouder doet niets aan een ongezonde woonsituatie, geregeld blij­ven voed­sel­resten of afval liggen, er zijn ratten of het huis zit vol onge­dierte zonder dat daar iets aan wordt gedaan.

 De aanstaande moeder brengt de gezondheid van haar ongeboren kind in gevaar door alcohol  of drugsgebruik12 tijdens de zwanger­schap,13 er zijn geen aan­toon­bare foetale alcohol  of drugssympto­men [ontwennings­verschijnselen].
Voorbeelden

• De kinderen krijgen vaak niet te eten; de afgelopen maanden zijn ge­mid­deld vier keer per week twee maaltijden achter elkaar overgeslagen.

• Het gezin is het huis uit gezet omdat de ouder zich niet aan de uitke­rings­voorwaarden hield en ook geen andere regelingen trof om de huur te betalen; het gezin had twee weken geen vast onderdak.

• De [moeder] was tijdens de zwangerschap verschillende keren dronken.

• Het kind komt op school met een ontstoken wond; ondanks aanwijzin­gen van de schoolarts blijft de wond etteren.

• Een maatschappelijk werker treft bij elk huisbezoek een janboel aan; keuken­tafel, gootsteen en aanrecht zijn bedekt met vuile vaat en voedsel­resten; ratten snuffelen in kapotte vuilniszakken bij de voordeur.

• Het kind is in therapie wegens ernstige emotionele problemen, de ou­der heeft het kind al zes weken niet meer naar de therapie ge­stuurd.
4. (Zeer ernstig)

 De ouder heeft niet voor geschikt onderdak gezorgd (bijvoorbeeld voor vol­doende verwarming tijdens de winter; of het gezin woont in een auto omdat er niet actief naar een huis is gezocht); langdurig verandert er niets.

 De ouder verwaarloost het huishouden zodanig dat er een extreem on­ge­zonde woon­situatie is ontstaan (in de woonkamer ligt urine en ont­las­ting).

 De ouder zoekt geen medische hulp of houdt zich niet aan me­dische aanwij­zin­gen bij mogelijk levensgevaarlijke ziekte of verwonding van het kind (het kind wordt bijvoorbeeld niet naar de eerste hulp gebracht bij een ernstige bloe­ding, derdegraads verbranding of schedelbreuk [onge­acht of deze door de ouder zelf is veroorzaakt]).

 De ouder geeft het kind zo slecht te eten dat het kind niet aankomt, of niet nor­maal groeit zonder dat daarvoor natuurlijke oorzaken zijn aan te wijzen.
Voorbeelden

• De kinderen wonen in een onverwarmd huis omdat de ouders niet voor ver­warming hebben gezorgd; in de winter kwamen de kinderen met be­vrie­zings­verschijnselen naar school.

• Het kind was door een auto overreden en liep daarbij een botbreuk en ernstige snijwonden en kneuzingen op; op school klaagt het kind over pijn en zegt dat de ouders hem niet naar het ziekenhuis wilden bren­gen.
5. (‘Fataal’)

 De ouder geeft het kind zo slecht te eten of verzorgt het kind dermate slecht dat dit ernstige lichamelijke gevolgen heeft, zoals ge­wichts­­ver­lies bij een zuige­ling, ernstige ondervoeding of kunstmatige wegkwij­ning (non­organic failure-to-thrive).

 De [moeder] heeft tijdens de zwangerschap misbruik van alcohol of drugs ge­maakt in een mate die heeft geleid tot de geboorte van een kind met foetaal alco­hol­syndroom of met ontwenningsverschijnselen.14

 De ouder heeft de gezondheidstoestand van het kind zo grof verwaar­loosd dat het kind is overleden of blijvend invalide is doordat het geen of niet tijdig me­dische hulp kreeg (bijvoorbeeld bij ondervoe­ding of uit­dro­ging).

 De ouder zoekt geen deskundige hulp voor levensgevaarlijke emotio­­nele pro­blemen van het kind (bijvoorbeeld bij zelfmoordpogingen of po­gin­gen tot dood­slag).
Voorbeelden

• Het kind wordt geboren met heroïneverslaving.

• Een arts constateert dat het kind ernstig ondervoed is.

• De ouder wordt ervan in kennis gesteld dat het kind zelfmoordge­dach­ten heeft geuit, doch onderneemt niets om de veiligheid van het kind te verzekeren.


D. Fysieke verwaarlozing: onvoldoende fysiek toezicht15
Definitie

(...) Van fysieke verwaarlozing/onvoldoende fysiek toezicht is spra­ke wan­neer de verzor­ger of op­voeder van het kind c.q. degene die voor het kind ver­ant­woor­de­lijk is [hierna kortheidshalve: de ouder], geen ge­schikte voorzorgs­maatregelen neemt om de veiligheid van het kind bin­nens  en bui­tens­huis te ver­zekeren overeen­komstig de aard en de ont­wikkeling van het kind. Tot het onvol­doende verzekeren van de veilig­heid van het kind door de ouder wordt zowel gerekend toestaan dat het kind wordt bloot­gesteld aan ge­vaarlijke situa­ties (bij­voorbeeld goedvin­den dat het kind op onvei­li­ge plaatsen speelt, goedvinden dat het kind met iemand meegaat van wie bekend is dat hij gewelddadig is), als na­la­ten zich vooraf op de hoogte te stellen van situ­a­ties die gevaarlijk voor het kind zouden kunnen zijn (bij­voorbeeld niet informeren naar de ach­tergrond of ge­schiktheid van de oppas, niet informeren naar waar het kind uithangt).

Op vier ge­bieden kunnen ouders de fysieke veiligheid van hun kinderen in gevaar bren­gen:

a.) Toezicht ─ nalaten maatregelen te nemen om er voor te zorgen dat het kind zich op veilige wijze bezighoudt. Aangezien de kans op on­gelukken stijgt met het aantal uren dat het kind zonder toezicht wordt gela­ten, liggen de ernst­factoren op dit vlak hoger naar ge­lang de duur van het ontoereikende toezicht. [Waar­schuwing: Uiteraard zijn de aan­gege­ven periodes per ernst­factor betrek­kelijk: de criteria dienen ook hier dus voorzichtig ─ dat wil zeggen: voorzichtig vanuit het persoonswordings­be­lang van het kind ─ te worden gehan­teerd.16]

b.) Omgeving ─ nalaten te verzekeren dat het kind op een veilige plaats speelt. Een onhygiënische of anderszins ongezonde (woon)omge­ving valt on­der lichamelijke verwaarlozing/onvoldoende fysieke zorg. Bij de onder­havige vorm (fysieke verwaarlozing/onvoldoende fysiek toezicht) gaat het om een omgeving, zowel binnens  als buitenshuis, die direct fy­siek gevaar voor het kind ople­vert, zoals de aanwezigheid van glasscher­ven, onbeveiligde stopcontacten of elec­trische bedrading, giftige chemi­caliën en [in de VS of bij politieagenten in Neder­land] vuurwapens.

c.) Vervangende zorg ─ niet zorgen voor oppas of opvang bij afwe­zig­heid, ziekte of ernstige overspannenheid van de ouder. Onvoldoende vervan­gende zorg omvat ook gevallen waarin er niet voor noodzakelijk extra toezicht wordt ge­zorgd, ge­val­len waarin ouders zich er niet van ver­gewis­sen dat oppas­sers ook in staat zijn voldoende toezicht op het kind uit te oefenen, ge­val­len waar­in ou­ders de veiligheid van het kind niet vol­doende in de ga­ten kunnen hou­den omdat zij beneveld zijn door alcohol of drugs, en het geval dat ouders psychiatrische problemen heb­ben die het zeer on­waarschijnlijk maken dat zij tot voldoende toezicht op hun kinderen in staat zijn (zoals wanen of hallucinaties).

d.) Ontwikkelingsniveau van het kind ─ geen rekening houden met het ontwikkelingsniveau van het kind bij het zorgen voor passend toe­zicht ter ver­zekering van zijn veiligheid. [In het algemeen hangt het ontwikke­lingsniveau van het kind samen met zijn leeftijd. Hoe jonger het kind, hoe meer en inten­siever toezicht noodzakelijk is.] Ook kinderen met een achtergrond van gevaar­lijk, impulsief of ‘onvolwassen’ gedrag vergen [meer en] intensiever toezicht. [Gebrekkig toezicht leidt in deze gevallen tot een hoge­re ernstfactor, zulks ter discretie van de beoordelaar.] (...)

Kortom [de ernstfactoren hangen samen met] de tijd dat het kind zonder toezicht was, de mate van gevaar in de directe omge­ving, de aan­wezigheid, ge­schiktheid en feitelijke mogelijkheden van op­passers en het ontwikkelingsniveau van het kind, welke verschillen in elk individueel geval.


Gradaties (criteria en voorbeelden)
1. (‘Licht’)

 De ouder oefent onvoldoende toezicht uit of regelt on­voldoen­de ver­vangend toe­zicht gedurende korte tijd (bijvoorbeeld min­der dan drie uur), er is geen di­recte bron van gevaar in de omgeving van het kind.


Voorbeelden

• Een kind van acht jaar wordt dagelijks enkele uren alleengelaten.

• Kinderen onder de zes spelen zonder toezicht buiten of worden ’s mid­dags over­­ge­laten aan de zorg van een kind van acht. (...) (Met betrekking tot het kind van acht is van emotionele maltraitering sprake voor zover het [geregeld/ chro­nisch] met een te grote verantwoordelijkheid wordt belast.)

• Kinderen worden overgelaten aan de zorg van een oppas met twijfel­achtige ge­schikt­heid (bijvoorbeeld een kind onder de twaalf of een licht invalide bejaarde).


2. (‘Matig’)

 De ouder oefent geen toezicht uit of regelt onvol­doende ver­vangend toe­zicht gedurende langere tijd (ongeveer drie tot acht uur), er is geen direc­te bron van gevaar in de omgeving van het kind.

 De ouder oefent gedurende korte tijd (minder dan drie uur) geen toe­zicht uit terwijl de kinde­ren spelen op een onveilige plaats.

 Een kind met problematisch gedrag (impulsief, hyperactief enzovoorts) krijgt on­voldoende toezicht.


Voorbeelden

• Het kind wordt overdag geregeld alleengelaten zonder dat er een ou­der of oppas in de buurt is.

• Een kind van acht moet enkele uren op de baby passen. (...)

• Een kind mag zonder toezicht spelen op een onveilige plaats (bij­voor­beeld op een plek waar glasscherven liggen, of in een kelder of garage waar chemicaliën staan, electrisch gereedschap of een oude ijs­kast).

• Een kind krijgt weinig toezicht en veroorzaakt problemen met de buren.
3. (Ernstig)

 De ouder oefent geruime tijd (bijvoorbeeld ongeveer acht tot tien uur) on­vol­doende toezicht uit.

 De ouder laat het kind langere tijd (on­geveer drie tot acht uur) spelen op een onveilige plaats.
Voorbeelden

• Het kind is ’s nachts alleen thuis (gedurende zo’n acht tot tien uur).

• Een kind van zes moet na school alleen buiten blijven: de deur zit op slot, de ouder komt pas ’s a­vonds thuis.

• Het kind wordt langere tijd overgelaten aan de zorg van een niet be­trouwbare oppas (bijvoorbeeld iemand die drinkt of nooit oplet, of de ouder maakt zich niet druk om de betrouwbaarheid van de oppas).


4. (Zeer ernstig)

 De ouder oefent langdurig geen toezicht uit (bijvoorbeeld ’s avonds en ’s nachts of andere perioden van ongeveer 10 tot 12 uur aaneen).

 De ouder laat het kind spelen op een zeer gevaarlijke plaats (er is een grote kans dat het kind zal worden overreden, uit een raam valt, zich ver­brandt of ver­drinkt).

 De ouder oefent [kortere of langere tijd] geen toezicht uit over een kind dat geregeld destruc­tief of ge­vaarlijk gedrag vertoont (zoals brand­stichting, zelf­moord­pogin­gen).


Voorbeelden

• Een kind van lagere-schoolleeftijd wordt ’s nachts alleengelaten.

• Het kind mag spelen langs de snelweg of op het dak van een vervallen gebouw of onbe­woonbaar verklaarde woning.

• Het kind mag meegaan met een ouder die gewelddadig jegens kinderen is (geweest), die kinderen sexueel (heeft) misbruikt, of aan wie een con­tactver­bod is opgelegd.


5. (‘Fataal’)

 De ouder oefent langer dan een half etmaal onvoldoende toezicht uit.

 De ouder brengt het kind in een levensgevaarlijke situatie of neemt geen maat­regelen om te voorkomen dat het kind in een levensgevaarlijke situatie be­landt.
Voorbeelden

• Een peuter wordt 24 uur alleengelaten.

• Het kind wordt het huis uit gejaagd zonder dat er elders onderdak is geregeld.

• De ouder [in de VS, of een Nederlandse politieagent] bewaart een gela­den vuur­wapen op een plaats waar het kind bij kan.

• Een peuter speelt zonder toezicht bij een zwembad. (Dit wordt voor een peuter levensgevaarlijk geacht wegens het hoge aantal verdrinkingen op deze leeftijd.)
E. Emotionele maltraitering (pathogene zorg)17
Definitie

[Bij wijze van definitie wordt hieronder allereerst aangegeven wat de es­sentie van emotionele maltraitering is; dit is bij deze vorm van bij­zonder belang omdat emotionele maltraitering als substraat van alle vormen van kinder­mishandeling kan worden beschouwd (1). Mede met het oog daar­op worden vervolgens enkele af­bake­ningscriteria ten opzichte van andere subtypen vermeld (2).]


1. Emotio­nele basisbe­hoeften

In toenemende mate is men het erover eens dat vrijwel alle vormen van mishandeling, misbruik en verwaarlozing negatieve emotionele/psycho­logische boodschappen over­brengen naar de slachtoffers er­van. Dienten­ge­volge kan elke vorm van maltraitering (mishandeling, misbruik en ver­waar­lozing) als emo­tionele maltraitering worden be­schouwd. [Toch wordt emo­tionele maltraitering als aparte categorie vermeld.] De meeste geval­len die tot deze categorie behoren, worden gekenmerkt door de aanhou­den­de of extreme frustratie van elementaire emotionele behoeften van het kind. Hieronder valt ook het hande­len of nala­ten van ou­ders waar­van de schadelijkheid gelegen is in de ongevoeligheid voor het ont­wikke­lings­niveau van het kind [te veel of te weinig van het kind vra­gen of ver­wach­ten, het kind overbelasten of juist betutte­len]. De elemen­taire emo­tio­nele behoeften [emotio­nele basisbe­hoeften] van het kind bestaan uit, doch zijn niet beperkt tot:

a.) Psychische veiligheid en geborgenheid ─ de behoefte aan een ge­zins­omgeving zonder excessieve vijandigheid en geweld, alsmede [in de allereerste plaats] de behoefte aan een beschikbare en stabiele hechtings­figuur. Het gaat hier­bij dus niet om een fysiek veilige omgeving, zoals bij de vorige categorie (fy­sieke verwaarlozing/onvoldoende toezicht), maar om een veilig gezinskli­maat, om interper­soon­lijke veiligheid. (...)

b.) Acceptatie en respect [in zijn waarde gelaten worden, op de juiste waarde geschat worden] ─ de be­hoefte aan positieve beje­ge­ning (aan een ‘welwil­lende blik’) en de afwe­zigheid van een excessief negatie­ve of on­rea­lis­­tische be­oorde­ling van het kind, gezien zijn ontwik­kelings­niveau.

c.) Toenemende autonomie en duidelijke grenzen [ruimte/begeleiding en leiding/disciplinering] ─ de behoefte de omgeving te onderzoeken en contacten te leggen buiten het gezin, en de be­hoefte aan individuatie [geleidelijke/ge­fa­seerde losmaking en zelfstandigwording] zon­der verlies van ouderlijke accepta­tie en bin­nen de door de ouders gestel­de gren­zen en geboden structuur, voor zo­ver daarbij geen verant­woorde­lijkheden wor­den opgelegd die niet pas­sen bij de ont­wikke­lingsfa­se noch onno­dige be­perkingen worden ge­steld.18
2. Afbakening/overlapping

Sommige handelingen/nalatigheden vallen uitsluitend onder emotionele mal­trai­te­ring, andere val­len zowel onder emotionele maltraite­ring als onder ande­re vormen van kindermishandeling. In onduidelijke (over­lap­pings)­geval­len kunnen de volgende afbakeningscriteria dienst doen:

a.) Een grijs gebied tussen emotionele maltraite­ring en lichamelij­ke mis­handeling betreft het opsluiten of vastbinden van een kind. Om­dat opsluiten of vastbinden [emotionele basisbehoeften] van het kind onder­mijnt, rekenen we het tot emotionele maltraite­ring. Als het even­wel tot ver­won­dingen leidt (bij­voor­beeld door touw veroorzaakte brand­plek­ken), valt het geheel onder zowel emo­tio­nele maltraite­ring als li­cha­melij­ke mishan­deling.

b.) Een tweede grijs gebied betreft bedreigingen met de dood [of met verminking of verwonding]. Als ouders kinderen angst aanjagen door het uiten van bedreigingen of het maken van dreigende gebaren, valt dat onder emotionele mal­traite­ring. Brengen zij het kind daadwerkelijk ver­wondingen toe, dan is er sprake van li­cha­melij­ke mishan­deling.

c.) Als er aanwijzingen zijn dat het kind fysiek bedreigd is of dat er psy­chische dwang is uitgeoefend teneinde sexuele betrekkingen met het kind aan te gaan, is er sprake van zowel sexueel misbruik als emotio­nele maltraite­ring (...).19

d.) Het is van groot belang te onderscheiden tussen emotionele maltraite­ring en lichamelijke/fysieke verwaarlozing in gevallen van verla­ting. Als een ouder een kind verlaat, maar toezicht en verzorging heeft geregeld (de ouder laat het kind bijvoorbeeld achter bij familie zonder adres achter te laten), is dat emo­tionele maltraite­ring. Als het kind ech­ter volledig alleen wordt achtergelaten, zonder dat er iets geregeld is qua toezicht en verzorging, dan is er sprake van èn lichamelijke verwaarlo­zing (onvoldoende fysieke zorg) èn fysieke verwaarlozing (onvoldoende fysiek toe­zicht) èn emotionele maltraite­ring.

e.) Als een jong kind voor een nog jonger kind moet zorgen zon­der dat er (voldoende) toezicht van een ouder is, dan is er niet alleen spra­ke van fysieke verwaarlozing/onvoldoende fysiek toe­zicht ten aanzien van beide kinderen dan wel van het jongste kind, maar ook van emotio­nele mal­trai­te­ring ten aanzien van het kind dat met een te grote verant­woor­delijk­heid wordt belast.


Gradaties (criteria en voorbeelden)
1. (‘Licht’)

 De verzor­ger of op­voe­der [hierna kortheidshalve: de ouder] verwacht of eist ge­regeld dat het kind te veel [of te weinig] verantwoordelijkheid draagt (bij­voorbeeld dat een kind van schoolgaande leeftijd de belang­rijkste ver­zorger van de jon­gere kinderen is (...)).

 De ouder ondermijnt de relatie van het kind met belang­rijke anderen (maakt bijvoorbeeld herhaaldelijk minachtende opmerkin­gen over de an­dere ouder).

 De ouder kleineert het kind vaak of maakt het belachelijk (noemt het kind ‘dom’, ‘een femel’, ‘een slapjanus’).

 De ouder veronacht­zaamt of negeert het aandacht vragen van het kind (de ouder reageert bijvoorbeeld in het algemeen niet op het huilen van de baby of op de pogingen tot contact van een ouder kind).

 De ouder disciplineert het kind door middel van intimidatie of bang­makerij.


Voorbeelden

• De ouder verwacht dat haar zoon van 10 jaar de verantwoordelijk­heid op zich neemt voor de verzorging van de baby.

• De ouder laat de baby langdurig huilen in de wieg terwijl zij aan het tele­foneren is.

• De ouder toont geen belangstelling voor de prestaties van het kind.


2. (‘Matig’)

 De ouder staat geen vriendschappen met leeftijdgenootjes toe [klasge­nootjes van het kind mogen bijvoor­beeld nooit thuis komen spelen of zijn niet wel­kom].

 De ouder manoeuvreert het kind in een rol-om­kering [het kind wordt verant­woordelijk gesteld voor en wordt geacht tege­moet te komen aan de emo­tionele noden van de ouder].

 De ouder dwars­boomt de zich ontwikkelende gevoelens van rijpheid en ver­antwoor­delijk­heid van het kind [klein houden, infantiliseren].

 De ouder ver­werpt, ver­onacht­zaamt of is zich niet bewust van de be­hoefte van het kind aan genegen­heid en res­pect [positie­ve en liefde­vol­le interactie ont­breekt bijvoorbeeld chronisch].20

 De ouder stelt het kind bloot aan extre­me, zij het niet geweld­dadige hu­we­lijks­con­flicten.


Voorbeelden

• De ouder is in extreme mate passief en is niet in staat tegemoet te ko­men aan de behoefte aan aandacht van het kind; voor zover er interactie is, is deze van de kant van de ouder hardvochtig en kritisch.

• De ouder wil dat het kind na school thuis blijft omdat de ouder een­zaam is en behoefte heeft aan gezelschap.

• De ouder schreeuwt geregeld tegen de andere ouder, gilt of is grof en bele­di­gend jegens de andere ouder in aanwezigheid van het kind.

• De ouder maant een kind van vier jaar luiers te blijven dragen hoewel het kind fy­siek en psychisch in staat is het toilet te gebruiken.
3. (Ernstig)

 De ouder geeft de kinderen de schuld van huwelijks  of gezinsconflic­ten [‘de kin­deren zijn de oorzaak van de (chronische) echtelijke ruzies/van de (dreigen­de) echtscheiding’].

 De ouder stelt het kind ongepaste of excessieve eisen en brengt aldus een gevoel van ontoerei­kendheid en tekortschieten bij het kind teweeg [het kind is bijvoorbeeld verantwoorde­lijk voor het sussen en beslechten van de ouder­lijke ruzies (excessief en ongepast) maar wordt tegelijk ge­acht partij te kiezen voor één van beide ouders/de dominante ouder/beide ouders (on­gepast)].

 De ouder dreigt op ernstige en overtuigende wijze het kind (fysiek) te verwon­den.

 De ouder betitelt het kind op minachtende wijze (noemt het kind een ‘slet’ of een ‘hoer’ [bijvoorbeeld na het eerst sexueel mis­bruikt te hebben] of ‘waar­deloos’ [bijvoorbeeld na teleurstellingen wegens ongepaste ver­wachtingen].

 De ouder bindt het kind vast aan handen en voeten gedurende enkele uren (bij­voorbeeld ongeveer 2 tot 5 uur), het kind wordt niet alleen ach­tergelaten.

 De ouder stelt het kind bloot aan extreem, onberekenbaar en/of on­ge­past ge­drag [zoals geweldpleging tegenover gezinsleden, gewelddadi­ge drift­buien/ex­plo­sies, hysteri­sche uitvallen en an­der ern­stig neurotisch, psychotisch of para­noïde ge­drag dat voor het kind angstaanjagend is].

 De ouder legt een patroon van [geprojecteerde] negativi­teit en vij­andig­heid aan de dag tegen­over het kind [voegt het kind geregeld toe dat het niets kan, niet deugt, altijd alleen aan zich­zelf denkt, altijd alleen zijn eigen zin doet, altijd bij­bedoe­lingen heeft enzo­voorts].


Voorbeelden

• De ouder schreeuwt en vloekt constant tegen de kinderen en geeft hen scheld­namen.

• De ouder verwerpt de kinderen, zij worden voortdurend afgewezen.

• De ouder dreigde het kind dat hij het uit het raam zou gooien.


4. (Zeer ernstig)

 De ouder dreigt het kind met zelfmoord of verlating [de moeder ­loopt weg met mede­neming van het huishoudgeld, de vader maant de kinderen moeder op te sporen en terug te halen].

 De ouder laat het kind getuige zijn van extreem geweld tegen de an­dere ouder waarbij de laatste ernstige verwondingen oploopt.

 De ouder geeft het kind de schuld van de zelfmoord of dood van een ge­zins­lid.

 Het kind wordt opgesloten en geïsoleerd (bijvoorbeeld in zijn kamer) gedurende vijf à acht uur.

 De ouder bindt het kind helemaal vast of sluit het kind op in een enge ruimte (het kind wordt bijvoorbeeld vastgebonden aan een stoel of opge­sloten in een doos) gedurende minder dan twee uur (het kind is volledig of bijna volledig be­perkt in zijn bewegingsvrijheid en/of de temperatuur, ventilatie of verlichting zijn zeer ongunstig of worden zeer ongunstig ge­maakt).


Voorbeelden

• De kinderen waren getuige van een handgemeen tussen de ouders, de moeder werd door de vader belaagd en moest in het ziekenhuis worden opgenomen.

• De ouder sluit het kind voor straf tien uur op in de kelder.

• De ouder dreigt het kind dat het naar de tucht­school moet omdat het niet deugt.


5. (‘Fataal’)

 De ouder doet een zelfmoordpoging in bijzijn van het kind.

 De ouder poogt het kind te doden of dreigt het kind te zullen vermoor­den zonder dat het kind daadwerkelijk gewond raakt.

 De moeder [de primaire verzorger] verlaat het gezin een et­maal of lan­ger zonder enige aanwijzing of en wanneer zij zal terug­keren of waar zij kan worden bereikt [zie ook Definitie (2) onder d].

 De ouder bindt het kind strak vast of sluit het op in een enge ruimte gedurende meer dan twee uur (het kind wordt bijvoorbeeld strak vastge­bonden aan een stoel of opge­sloten in een kist).

 De ouder sluit het kind langdurig (bijvoorbeeld langer dan acht uur) op in een enge ruimte (bijvoorbeeld in een kast of in een kruip­gat).


Voorbeelden

• De ouder ketent het kind met behulp van een halsband twee dagen lang vast aan de muur.

• De moeder liet de kinderen twee weken bij oma achter zonder iets te zeggen over waar zij zou zijn en wanneer (en of) zij zou terug­keren.

• Om het kind schrik in te boezemen, jaagt de ouder het kind op met de auto; het kind liep geen (fysieke) verwondingen op.

• In bijzijn van de kinderen nam de ouder een overdosis slaappillen in, de ouder vertelde de kinderen dat het leven met hen ondraaglijk was.
F. Normatieve en educatieve maltraitering (morele corrum­pering en schoolverzuim)21
Definitie

Van normatieve dan wel educa­tieve maltraitering is sprake wan­neer de verzor­ger of op­voe­der van het kind c.q. degene die voor het kind ver­ant­woorde­lijk is [hierna kortheids­halve: de ouder], gedrag ver­toont waaruit blijkt dat hij of zij niet in staat of bereid is tot minimale bekom­mernis om­trent de socialise­ring van het kind [normatieve maltrai­tering/morele corrumpering], met inbegrip van de zorg voor ge­schikt on­derwijs voor het kind [educatieve maltraitering/school­ver­zuim]. De ouder stelt het kind bloot aan of be­trekt het kind bij illegale activitei­ten of andere handelin­gen of feitelijk­heden die delin­quentie of antisoci­aal ge­drag bij het kind uitlok­ken of be­vor­deren; respectievelijk ziet er niet op toe dat het kind regel­matig naar school gaat.


Gradaties (criteria en voorbeelden)
1. (‘Licht’)

 [Morele corrumpering, hierna MC:] De ouder laat het kind activiteiten van en voor volwassenen bijwonen (het kind heeft hiervoor niet de wet­tige leeftijd bereikt).

 [Schoolverzuim, hierna SV:] De ouder houdt het kind vaak thuis zonder dat er sprake is van ziekte of sterfgevallen in het gezin of andere nood­situaties; het kind is minder dan 15% van de tijd afwezig.

Voorbeelden

• [MC:] De ouder neemt het kind mee naar drinkgela­gen of naar gelegen­he­den voor volwassenen die duidelijk niet voor het hele gezin zijn be­doeld.

• [SV:] De ouder staat toe dat het kind zonder opgaaf van redenen 25 school­dagen in een jaar mist.
2. (‘Matig’)

 [MC:] De ouder laat zich in met illegale activiteiten met medeweten van het kind (bijvoorbeeld winkeldiefstal of heling waar het kind bij is).

 [SV:] De ouder staat toe dat het kind spijbelt gedurende 15 tot 25% van de tijd.
Voorbeelden

• [MC:] De ouder verkoopt drugs in bijzijn van het kind.

• [SV:] De ouder houdt het kind thuis om op de jongere kin­deren te pas­sen; het kind mist in zeven we­ken tijds negen schooldagen.
3. (Ernstig)

 [MC:] De ouder is ervan op de hoogte dat het kind zich inlaat met il­lega­le acti­vi­teiten maar grijpt niet in (staat bijvoorbeeld vandalisme, winkeldiefstal, alco­hol­gebruik toe).

 [SV:] De ouder houdt het kind vaak of langdurig van school of is ervan op de hoogte dat het kind vaak of langdurig spijbelt zonder in te grijpen (25 tot 50% van de tijd per jaar, of tot zestien school­dagen achtereen).
Voorbeelden

• [MC:] De ouder is verteld dat het kind winkeldiefstal­len pleegt maar doet er niets aan.

• [SV:] Het kind is drie weken niet op school verschenen zonder dat het ziek was.
4. (Zeer ernstig)

 [MC:] De ouder laat het kind straf­bare feiten plegen of daaraan deel­nemen (het kind wordt bijvoorbeeld aangezet tot winkel­diefstal, of het krijgt drugs); volwas­se­nen moedigen [met instemming van de ouder] het kind aan tot deelname aan strafbare feiten of dwingen het daartoe.

 [SV:] De ouder houdt het kind geregeld langdurig (meer dan 50% van de tijd in een bepaalde periode of langer dan drie weken [zestien school­dagen] achter­een) van school, zonder het kind van school te ne­men.
Voorbeelden

• [MC:] De [niet behoeftige/hongerende] ouder zet het kind aan tot dief­stal van etens­waren uit de supermarkt.

• [SV:] Het gezin is verschillende keren verhuisd en elke keer heeft het kind langdurig de school verzuimd, in totaal heeft het een half schooljaar gemist.
5. (‘Fataal’)

 [MC:] De ouder laat het kind deelnemen aan ernstige misdrijven (gewa­pende diefstallen, gijzeling [resp. artt. 312 en 282a WvStr]).

 [SV:] De ouder zet een kind onder de zestien aan de school te ­verlaten of stuurt het kind in het geheel niet naar school.
Voorbeelden

• [MC:] Het kind woont in een drugspand dat door de ouders wordt ge­rund; het kind wordt ingeschakeld bij de verkoop van drugs en heeft deel­genomen aan con­flicten met andere drugs­dea­lers die met wapens werden uitgevochten.



• [SV:] De ouder stuurt het kind niet naar school, het kind krijgt geen enkel onderricht.


1Vgl. voor een nadere toelichting hoofdstuk 11, par. 11.2.3.

2Douglas barnett, Jody Todd manly, Dante cicchetti, ‘Defining child mal­treat­ment: the interface between policy and research,’ in: Dante cic­chetti, Sheree L. toth (eds.), Child abuse, child development, and social policy, Ad­vances in applied develop­mental psychology, vol. 8, Norwood, New Jersey 1993, pp. 7-73, ‘Appen­dix: Maltreatment subtype defini­tions and severity ratings,’ op pp. 51-73, ‘System for quantify­ing child protective service records; subtype defini­tions and severity scales,’ op pp. 54-73.

3Cursiveringen in het origineel zijn weggelaten; toevoegingen of aan­passin­gen/inkortin­gen zijn tussen [tekst­­haken] geplaatst; weglatingen zijn op de gebruikelijke wijze ─ aldus: (...) ─ aan­gegeven. Soms (met name bij de voorbeel­den) is tamelijk vrij vertaald; de interpunctie is aange­past.

4Het betreft, strikt ge­nomen, een ontwikkelingspsychopathologische benadering waarbij volledigheidshalve behalve naar (de subtypen en) de gradaties ook moet wor­den ge­keken naar (de relatie tot) de dimensies: frequentie/chroniciteit van de gewraakte han­delin­gen/tekortko­mingen; ontwikkelingsfase/leeftijd van het kind; scheiding van kind en ouder(fi­guur) of uithuis­plaatsing van het kind; en pleger van de gewraak­te hande­lin­gen/nalatigheden (moe­der/vader, stiefmoe­der/ vader/ander ouder­figuur, ander fami­lie­lid, op­pas/vriend, vreem­de/onbe­kende): zie bar­nett e.a., t.a.p., op (met name) pp. 23-24, 32-44 en 51-52. Gemakshalve is even­wel in deze bijlage van deze dimensies ge­ab­stra­heerd. Uiteraard betekent dit te meer dat de ernstfactoren met de nodige voor­zichtig­heid dienen te worden ge­han­­teerd. Bij nadere juridische operationalisering (dat wil zeg­gen bij de afwe­ging of opvoe­dingshulp moet worden opgelegd) zal die voorzichtigheid nopen tot voor­op­stelling van het ontwikkelings , dat is persoonswordingsbelang van het kind.

5Vgl. DSM-IV, V 61.21 (Z 61.6).

6De besnijdenis (genitale verminking) van meisjes valt naar Nederlands recht onder strafbare mishandeling.

7Vgl. DSM-IV, V 61.21 (Z 61.4). Vgl. ook noot 15 (sexuele verwaarlozing, affec­tief-fysieke verwaarlozing).

8In het origineel is sprake van ‘sodomie.’ Als overkoepelend begrip voor ‘onna­tuurlijke’ en ‘tegen­natuurlijke’ handelingen vallen hier allerlei sexuele va­riaties en varianten onder waarvan een rangschikking, voorzien van Latijnse nomencla­tuur, is te vinden (de vrucht, zo laat zich denken, van vele eeuwen sollicitatio bij de biecht) in de katho­lieke mo­raal­theolo­gie. Zie bij­voorbeeld J. stelzen­berger, Zedenleer van het Konink­rijk Gods (oorspr. titel: Lehrbuch der Moraltheologie; Die Sittlichkeitslehre der Königs­herr­­schaft Got­tes), (impri­matur) Brugge 1962, pp. 262-266. Op p. 266 leest men onder ‘sodomie’ (in enge of eigenlijke zin): ‘Hier­onder verstaat men een onna­tuurlijke geslachtelijke om­gang tussen man en vrouw extra vas naturale id est extra vaginam (in anum, in os, inter mamillas, inter brac­chi­a, inter crura). (...) Vaak wordt het woord sodomie (...) gebruikt voor bestia­liteit (sodomia ratio­ne generis) en homosexualiteit (sodo­mi­a ratione sexus). Verder gebruikt men dikwijls de uit­drukking sodomia perfecta voor homosexuali­teit en sodomia imper­fecta voor de concubitus van personen van ver­schillend geslacht in vase indebito. Om de zaak zuiver te stellen moet men het woord sodomie slechts in de laatste bete­kenis gebruiken.’ In casu gaat het om de combinatie van incestus (als zonde van onkuis­heid en ‘zwaar vergrijp tegen de heilige banden van piëteit’: a.w., p. 264 sub 4) en sodomia (als sexue­le perversiteit in perfecte dan wel imper­fecte zin). (Vgl. met betrekking tot de sollicita­tio het kritische werk van Karl­heinz desch­ner, De kerk en haar kruis; Geschiede­nis van de seksua­liteit in het Chris­tendom, Amster­dam 1978, pp. 206-208.)

9In het origineel is sprake van ‘sodomie bedrijven’: zie daartoe de vorige noot.

10Vgl. DSM-IV, V 61.21 (Z 64).

11Zie ook noot 4 (ernstfactoren relateren aan diverse dimensies).

12Waaronder, gezien het medisch-giftkarakter, m.i. ook nicotine gebruik.

13Let wel dat het hier niet gaat om schending van ‘rechten van de foetus’ maar om pre­na­tale schending van de (gezonde-ontwikkelings)rechten van het kind (het kind is im­mers ─ per juridische definitie ─ pas rechts­subject bij de geboorte; vandaar dat er geen pre­na­taal recht op leven bestaat). Met andere woorden: alcohol , nicotine  en/of drugs­gebruik tijdens de zwanger­schap is in beginsel een ernstige schending van het kern­recht van het kind op minimale persoonswor­ding (zie echter ook onder ‘Fa­taal’).

14Het betreft hier een fatale schending van de prenatale rechten van het kind: zie de vorige noot.

15Onvoldoende normatief toezicht ─ gebrek aan struc­tuur en disciplinering (stellen van duidelijke grenzen) ─ valt onder emotio­nele maltraite­ring (E).

Al met al zou­den de vol­gende (elkaar deels overlap­pen­de) vormen van verwaarlo­zing kunnen worden on­derschei­den: lichamelijke ver­waarlo­zing (gebrek aan fy­sie­ke zorg) (C); fysieke verwaarlo­zing (gebrek aan fysiek toezicht) (D); affectieve (of emoti­o­nele) ver­waar­lozing (E); normatie­ve verwaarlo­zing (ge­brek aan gren­zen/normen-en-waar­den) (E/F); pedagogi­sche ver­waar­lozing (ge­brek aan struc­tuur en discipli­nering) (E); cogni­tieve verwaarlo­zing (gebrek aan geeste­lijke stimu­lering) (E/F); educatie­ve ver­waarlo­zing (F); sexuele verwaar­lozing (kind niet voor­lich­ten, sexue­le gevoe­lens/proble­men van pu­ber/ado­lescent nege­ren) (E); affectief-fysieke ver­waarlo­zing (kind nooit aanhalen of knuf­felen) (E).

Vgl. ook de on­derschei­ding gemaakt in de PEWA-studie Verwaar­loosde kinderen: op­vat­­tin­gen uit het veld, ver­meld in 0/25 (Tijd­schrift over jeugd) 1997/1, pp. 57-58.


16Zie ook noot 4 (ernstfactoren relateren aan diverse dimensies).

17Emotionele maltraitering wordt als verzamelterm gebruikt voor zowel psychische mis­handeling/emotioneel mis­bruik en affec­tieve verwaar­lozing als norma­tieve/peda­go­gische ver­waarlo­zing (on­voldoende grenzen, onvoldoende struc­tuur, onvol­doende/geen disci­pline­ring). Zie voor dat laatste de volgende noot. Zie voor de (deel)term pathogene zorg noot 20.

18Het bieden van structuur, het op basis daarvan stellen van grenzen, en het als gevolg daarvan c.q. in verband daarmee disciplineren van het kind betreft een emotio­nele basisbehoefte van het kind welke bij niet-vervulling kan worden ge­rangschikt onder de sub-subvorm norma­tieve/peda­gogi­sche ver­waar­lo­zing. Deze variant is niet expli­ciet onder de (vijf) onderstaande ernst-categorieën uitgesplitst. De van toe­pas­sing zijnde ernst­­factor (in de regel vermoedelijk ernstig tot zeer ernstig) zal van geval tot geval moeten wor­den be­oor­deeld, afhan­kelijk van de concre­te (ge­zins)omstan­dig­he­den, de duur, leeftijd en aard van het kind, en de mate van aan  of afwezig­heid van pro­tectieve facto­ren zoals veer­kracht c.q. wils­kracht, intelli­gentie, ‘helpende [i.c. bijsturende] getui­ge’ (miller) en zo meer. Vgl. voor meer inzicht in (de gevolgen van) norma­tieve/peda­gogi­sche ver­waar­­lozing bij­voorbeeld John clee­se, Robin skyn­ner, Hoe overleef ik mijn familie (oorspr. titel: Families and how to survive them, 1983; oorspr. Neder­landse ver­taling: Van je familie moet je ’t hebben, 1986), Am­ster­dam 1995 (zes­de druk), pp. 260-336 (pas­sim), 411, 413. Ik wijs ook op het gezegde bij lowen (Alexan­der lo­wen, Leven zon­der angst (1980), Cothen 1996 (derde druk), pp. 288/289) dat ‘[w]e beginnen in te zien dat het kind-gerichte gezin [het gezin dat aan kinderen geen eisen/ gren­zen stelt, waarin kinderen worden ‘verwend,’ jw] geen indivi­duen voortbrengt die een sterk en zeker besef van het zelf hebben. Het is een paradox van het leven dat vrijheid afhankelijk is van begrenzingen en structuur.’

(Vgl. ook DSM-IV, V 61.20 (Z 63.8): ‘inadequate discipline.’)



19Sexueel misbruik vindt veelal plaats tegen een achtergrond van affectieve ver­waarlozing (draijer); door ‘bijkomende’ omstandigheden (valse/geveinsde aan­dacht, mis­lei­ding, emotionele chantage/manipulatie, beloningen/voortrekken, geheim­houding/ ‘bondjes,’ rol-omkering, omkering van waar­den/hypocrisie, om­kering van de waarheid/ rücksichtslose ontken­ning c.q. blaming the victim, en wat incestplegers verder nog maar in hun ‘trucendoos’ hebben) is sexu­eel misbruik wel­licht in de eerste plaats, althans in de kern emotio­ne­le mal­traite­ring. Vgl. nico­lai in hoofdstuk 12, par. 12.3.1 (onder Traumatisering en revicti­mi­sering). Zie ook hoofdstuk 11, par. 11.2.2.3 (vanaf 5. Sexuele kindermishan­de­ling). Sexueel misbruik kan met andere woorden beter gekwa­lificeerd worden als psy­cho-sexue­le mishan­deling (veelal) na affectieve verwaar­lo­zing (beide: emotio­ne­le mal­trai­te­ring) en (veelal) in combi­na­tie met morele corrum­pe­ring (sexueel-norma­tieve maltraite­ring).

20Vgl. DSM-IV, 313.89 sub C, Pathogene zorg (ad 1): ‘Pathogene zorg zoals blijkt uit ten minste één van de volgende: 1. aanhoudende veron­achtzaming van de basale emo­tio­nele behoeften van het kind aan troost, aanmoe­diging en affec­tie; 2. aan­houdende ver­on­achtza­ming van de basale lichamelijke behoef­ten van het kind; 3. herhaald wisselen van de vaste verzorger, hetgeen de vorming van een stabie­le hechting verhindert (bij­voorbeeld frequent veranderen van pleeg­zorg).’

Pathogene (psychisch-ziekmakende, tot ontwikkelingspsychopathologie leidende) zorg in de betekenis van aanhoudende (passieve dan wel actieve) veron­achtza­ming (niet aan­voelen, negeren, frustreren, manipuleren) van (de) emotionele basis­behoef­ten van het kind kan als de quintessens (zo al niet als synoniem) van emo­tionele maltraite­ring worden be­schouwd (zie Definitie (1)). Wellicht verdient deze term zelfs de voor­keur boven emo­tionele maltraite­ring. In elk geval wordt het verschijnsel dat een kind ernstig/ langdurig emotioneel wordt beschadigd door (fysiek) zeer zorgzame (overbescher­mende/neurotische) ouders, meer recht ge­daan door de term pathogene zorg te bezi­gen: zorg name­lijk die, hoe goed be­doeld ook, ontwikkelings­psychopathogeen is. Juist bij zeer zorgzame maltraiteren­de ouders is het immers aanne­melijk dat het vooral eigen niet verwerkte jeugd­erva­ringen zijn die het hun onmogelijk ma­ken ─ althans bij afwe­zig­heid van op verwerking van eigen jeugdervaringen gerichte op­voedings­onder­steuning ─ (alle) emotionele basisbe­hoeften van het kind aan te voelen.



21Vgl. ook noot 15 (normatieve verwaarlozing, educatieve verwaarlozing).




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina