Cursushandleiding



Dovnload 157.33 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte157.33 Kb.










Planten
Determineren
Veldwerk























DOCENT: A.Hammink









CURSUSHANDLEIDING












Nijmegen, april 2013

Sectie biologie























Planten determineren en veldwerk






Gebruik van de flora






Inhoud





Gebruik van de Flora: Planten determineren




  1. Gebruik van de Flora: verklaring van termen 4

  2. Zaadplanten 6

  3. Naaktzadigen 7

  4. Bedektzadigen 8

  5. Eenzaadlobbigen 9

  6. Tweezaadlobbigen 10

  7. Gele composieten 12

  8. Het gebruik van de Flora van Nederland 13

  9. Enkele belangrijke Nederlandse plantenfamilies 15




Eigen en op het instituut aanwezige gebruiksmaterialen.
CD-ROM

  1. R. van der Meijden: Heukels Interactieve Flora van Nederland

  2. J.W.M. Marijnissen e.a.: De Interactieve Flora van Nederland en Vlaanderen

  3. Biosleutels (Word document met 10 gescande zoekkaarten, op CD-Rom)

  4. M.W. Wilmsen: Plantentabellen en afbeeldingen. ver. 0.5b. 2001

Flora’s


  1. R.van der Meijden (red): Heukels Flora van Nederland. Wolters-Noordhoff; isbn 900158344X; 23e druk. 2005

  2. E.Heimans, H.W. Heinsius, Jac.P. Thijsse ( bewerking J. Mennema): Geillustreerde Flora van Nederland. Versluys; isbn 9024913535; 23e druk. 1994

  3. H. Eggelte: Veldgids Nederlandse Flora.KNNV Uitgeverij; isbn 9050111351.2000. 1e druk 2003

  4. J.W.M. Marijnissen: Flora van de lage landen.

E.J. Weeda, R. Westra, Ch. Westra, T. Westra: Nederlandse Oecologische Flora , 5 delen, Uitgave IVN, VARA, VEWIN, 1985-1994. ( zonder sleutels)


R. Fitter, A. Fitter, M. Blamey: Nieuwe Bloemengids. Thieme. isbn 9052101280. 8e druk. 1993
Zo nodig en zo mogelijk: Ander lesmateriaal zal tijdens de cursus worden gebruikt en / of uitgedeeld.


Gebruik van Flora: verklaring van termen

T
ermen die bij het determineren van planten gebruikt kunnen worden en die min of meer tot parate kennis moeten worden.




ZAADPLANTEN

Zaadplanten hebben een “stengel – blad – wortel”-opbouw en ze vormen zaden.



  1. NAAKTZADIGEN (= Gymnospermen)

    • boom of heester

    • naalden of schubben

    • zaden niet in de vrucht,maar tussen schubben geklemd

    • vrucht: “kegel”

    • voorbeelden den , spar , larix (lork), jeneverbes, cypres , levensboom (thuja)




  1. BEDEKTZADIGEN ( Angiospermen)

    • kruid , heester of boom

    • bladeren

    • zaden in de vrucht , door vruchtblad of vruchtbladeren omsloten





  1. Eenzaadlobbigen

    • zaad met 1 zaadlob parallelnervige bladeren

    • bloemen (1) , 3 , (6) tallig

    • bijwortels

    • geen extra diktegroei






  1. Tweezaadlobbigen

    • zaad met 2 zaadlobben

    • bladeren veer- of handnervig

    • bloemen 2 of 5 tallig

    • hoofd- en zijwortels

    • wel extra diktegroei


NAAKTZADIGEN (enkele bomen).

naaldbomen



SPARREN naalden staan afzonderlijk

2 ‘geslachten’



Abies: naalden zonder ‘bladkussen’
kort gesteeld (of onderaan verbreed) ;
o.a. zilverspar, reuzenzilverspar

Picea: naaldén op bladkussen (bruin), gaat met naald mee bij afplukken ;
o.a. kerst”den” = fijnspar,
blauwspar, sitka-spar.

DENNEN naalden in bundels: 2 tot 5 bijeen.

Grove den: 2 naalden bijeen, max. 7,5 cm
bast naar boven toe bruin ;.

Zwarte den: naalden 2 bijeen , + 9 cm


kegels langer (tot 8 cm)
schors donkerbruin tot zwart;

a. Corsicaanse den naalden gekromd

b. Oostenrijkse den naalden recht,stijf

Weymouthden 5 naalden bijeen , heel zacht


lange smalle kegel
’plumeau-den’
Douglasspar (= Pseudotsuga): naalden apart ; 2/3 cm ; gekneusde naalden ruiken sterk (naar citroen, zure appels shampoo)
naalden staan in één vlak platte indruk.
Hemlockspar (=Tsuga): zachte , korte naalden
overhangende top en takeinde ; kleine kegeltjes.
Lariks / Lork: naalden in bosjes bijeen , lichtgroen , ‘s winters kaal !! (aan nieuwe scheuten staan de naalden niet in bosjes)
Europese lariks: kegel eivormig, ronde schubben
Japanse lariks: kegel wat afgeplat, schubben met omgekrulde randen :.

schubbomen

Diverse conifeersoorten ,die we in siertuinen aantreffen. O.a. Thuya en Chamaecyparus


Taxus : donkergroene ‘naaldachtige’ bladeren ; groene vlezige vruchten die bij rijping rood worden.
Juniperus = jeneverbes: spitse , blauwgroene ‘schubachtige naalden’ staan in kransen van 3 of kruisgewijs
aan de vrouwelijke ‘bomen’ komen bessen, die in het derde jaar blauwkleurend rijpen;
keukenkruid en ook gebruikt voor het aromatiseren van jenever.

BEDEKTZADIGEN (indeling en enkele groepen).

A. Eenzaadlobbigen

voorbeelden grassen en grasachtigen

waterweegbree , eendekroos , lisdodde

leliefamilie (eenbes , lelietje der dalen, salomonszegel, hyacint , tulp, lelie , look (allium)) , lissen, orchideeën
B. Tweezaadlobbigen

voorbeelden beuk , eik , wilg , lipbloemigen , schermbloemigen , anjerachtigen , composieten (samengesteld bloemigen), ranonkelfamilie , kruisbloemigen , rozenfamilie, vlinderbloemigen enz. enz.





Eenzaadlobbigen

GRASSEN en GRASACHTIGEN



* CYPERGRASSEN (Cyperaceae)
stengel i.h.a. gevuld met merg

stengel vaak 3-kantig

geen of onduidelijke knopen vastgegroeide bladschede , geen tongetje geen kroon , kelk.

bloemen bestaan alleen uit stamper en/of meeldraden

Wollegras, bies, cypergras en andere geslachten: vaak in natte omgevingen.

Carex = Zegge: driekantige stengel zonder knopen


vaak meerdere rolvormige aren aan één bloemstengel
vaak mannelijke en vrouwelijke aren gescheiden aan één bloemstengel
één kafje en 3 meeldraden: mannelijk aartje
één kafje en urntje dat het vruchtje volledig omgeeft: vrouwelijk aartje
* RUSSENFAMILIE (Juncaceae)
stengel met merg gevuld
stengel meestal rond
geen knopen
bloemen 2-slachtig

bloemdek: 6 bloemdekbladeren (2 kransen van 3: groen/bruin)


6 meeldraden (2 kransen van 3) en 1 bovenstandig vruchtbeginsel met 3 stijlen

a. Russen (Juncus): bladen kaal , priemvormig


vruchten met veel zaden
b. Veldbiezen: grasachtige bladen: gewimperd of vezelig behaard
vruchten met 3 zaden
* GRASSEN (Poaceae of Gramineae)
stengel hol, rond

stengel met (massieve) knopen;

bladen met een losse, draaibare bladschede

op de grens van bladschijf en bladschede een vliezig tongetje

bloemen met 3 meeldraden én

1 stamper met (i.h.a.) 2 geveerde stempels


bloem”bladeren” zijn kafvormig
we onderscheiden kelk- en kroonkafjes (lemma en palea).

Tweezaadlobbigen ENKELE FAMILIES, een korte karakteristiek.

A. Losbladige bloemkroon


KRUISBLOEMIGEN

4 kroon- en kelkbladeren: kruisgewijs/diagonaal

6 meeldraden 4-machtig (4 lange, 2 korte)

1 vruchtbeginsel , bovenstandig

vrucht hauw of hauwtje

bladeren verspreid.


SCHERMBLOEMIGEN

5 kroon- en kelkbladeren

5 meeldraden

1 vruchtbeginsel , onderstandig, vrucht splitvrucht

bloeiwijze: scherm

bladeren samengesteld , verspreid


VLINDERBLOEMIGEN

Zie afbeelding



5 kroonbladeren , 5 kelkbladeren (vergroeid)

10 meeldraden

1 vruchtbeginsel , bovenstandig

vrucht peul

bladeren verspreid , meestal samengesteld

bloemkroon vlag — 2 zwaarden — kiel




RANONKELACHTIGEN

5 kroon- en kelkbladeren

veel meeldraden

veel, eenhokkige , bovenstandige vruchtbeginsels

bladeren verspreid , vaak gedeeld; geen steunblaadjes




ROOSACHTIGEN

5 kroon- en kelkbladeren

veel meeldraden

1 onderstandig vruchtbeginsel of veel vruchtbeginsels

schijnvruchten of ‘nootjes’

bladeren verspreid , enkelvoudig of samengesteld, met steunblaadjes




V
linderboem

B. Bloemkroon vergroeidbladig


LIPBLOEMIGEN

Zie afbeelding



5 kroonbladeren, 2 lippig, kelk 5-tandig’

4 meeldraden

1 vruchtbeginsel, 4-delig

4-delige vrucht

bladeren kruisgewijs , stengel vierkant


RUWBLADIGEN

5-lobbig of -spletig , kelk “tandig”

5 meeldraden

1 vruchtbeginsel , 4-delig

bloeiwijze schicht

bladeren verspreid , enkelvoudig

(ruw) behaard



SAMENGESTELD-BLOEMIGEN

veel bloempjes staan bijeen op de bloembodem en zijn door ‘omwindselblaadjes’ omgeven

kroon buis- of lintvormig

kelk bestaat uit haren

1, eenhokkig, onderstandig vruchtbeginsel


bloemhoofdje kan uit alléén buis- of alléén lintbloemen

bestaan of uit buis- én lintbloemen







Lipbloem


Gele composieten


Tabel voor op paardebloemen lijkende composieten met (bijna) alleen gele lintbloemen en een doorsnede van het bloemhoofdje van 2 tot 5 cm.
1 --de bloeiende plant heeft geen bladeren;de bloei stengel is onvertakt,draagt roodachtige schubben klein hoefblad
--de bloeiende plant heeft bladeren 2
2 --de bloeistengel is onvertakt,draagt slechts 1 bloemhoofdje 2

--bloeistengel vertakt,meerdere bloemhoofdjes 5


3 --bloeistengel onbehaard , hol paardebloem

--bloeistengel geheel of gedeeltelijk behaard 4


4 -- bladeren van het wortelrozet omgekeerd eivormig , met lange haren ; omwindsel grijs, bezet met (kleverige) klierhaartjes ; lintbloemen licht- (citroen-)geel, de buitenste aan de onderkant vaak met een rode streep muizenoortje

--bladeren langwerpig met insnijdingen 5


5 --bladeren gevlekt , stengel stijf behaard gevlekt biggekruid

--bladeren niet gevlekt;omwindselblaadjes overlappen elkaar ruige leeuwentand


6 --bloeistengel draagt géén of ‘n enkel blad, soms schubben 7

--bloeistengel draagt bladeren 10


7 --bloeistengel hol,naar boven toe regelma­tig dikker , geen schubben korensla

--bloeistengel niet (of weinig) verdikt 8


8 --bloeistengel iets verdikt aan het einde, geleidelijk overgaand in het hoofdje,
met schubben herfstleeuwentand

--bloemhoofdje duidelijk van stengel gescheiden 9


9 --bladeren niet gevlekt,bloeistengel onder het hoofdje niet behaard , schubben biggekruid

--bladeren gevlekt,bloeistengel geheel behaard gevlekt biggekruid


10 --bladeren met oortjes 11

--geen oortjes aan de bladeren 12


11 --bladrand met fijne spitse tanden (regelmatig) melkdistel

--geen ‘regelmatige’ spitse tanden streepzaad


12 --omwindselblaadjes langer dan de lintbloemen, bladeren grasachtig gel morgenster

--omwindselblaadjes even lang of korter dan de lintbloemen 13


13 --buitenste omwindselblaadjes breed,met fijne stekels,plant vaak stijf behaard dubbelkelk

--geen stekels op de plant 14


14 --plant ruw behaard,buitenste omwindselblaadjes zijn teruggeslagen,staan naar buiten

bitterkruid

--plant niet of zacht behaard 15
15 --met wortelrozet,weinig bladeren aan de bloeistengel gewoon havikskruid

--bloeistengel met veel bladeren , wel of geen wortelrozet 16


16 --geen wortelrozet,bladeren veel langer dan breed, buitenste omwindselblaadjes afstaand (omgebogen) schermhavikskruid

--soms wortelrozet, brede bladeren, omwindsel aanliggend stijf havikskruid


Het gebruik van de Flora van Nederland.

Voor het determineren van plantensoorten maken we gebruik van een flora. Het doel van deze opdracht is het leren gebruiken van de flora. Je moet daartoe de “gebruiksaanwijzing” onder de knie krijgen. In de Heukels’ Flora van Nederland (van der Meijden) wordt veel informatie gegeven over plantensoorten en plantenfami­lies. Deze flora is hierdoor ook te gebruiken als naslag­werk voor systemati­sche en oecologi­sche gegevens over planten­soorten.


Om deze flora te leren gebruiken zijn de volgende opgaven samengesteld. Ze horen bij de Flora van Nederland van 2005, de 23e druk. Als je een andere flora gebruikt, probeer dan hetzelfde doel te bereiken. Probeer de opdracht te interpreteren en zo goed mogelijk uit te voeren
1. Wat betekenen de volgende afkortingen (blz. 22 e.v.):

P

H



Z

G
2.1 De flora geeft een kaartje met de plantengeografische distric­ten van Nederland. Welke plantengeografische districten komen in de omgeving van Nijmegen voor?

2.2 Het duindistrict wordt opgedeeld in het Renodunaal en Waddendistrict. Welke abiotische factor is bepalend voor deze indeling?
3.1 Wat betekenen de volgende afkortingen die voorkomen in de beschrijving van de genoemde soorten? Lees eerst Blz. 683

Noteer het standaardlijstnummer van de soort. (zie L blz.683)

Geof.; lees Bosanemoon, blz. 253

Cham.; lees Struikhei, blz. 459

Hemi.; lees Muskuskaasjeskruid, blz. 441

Phan.; lees Zomereik, blz. 405

Ther.; lees Straatgras, blz. 215
3.2 Omschrijf het begrip 'Levensvorm':
4. Je moet in de flora beginnen met de hoofdsleutel (blz. 26).

Deze is onderverdeeld in verschillende sleutels. Elke sleutel omvat een andere groep planten. Noteer de verschillende groepen.


7. De Spermatophyta werden in 2 onderafdelingen ingedeeld (blz. 73); Gymnospermae en Angiospermae. Wat betekenden deze namen?
8. Familie 136 is de familie van de Asteraceae. (Blz 586)

Wat is de Nederlandse naam?

Hoe wordt deze familie ook wel genoemd?

Geef een voorbeeld van een geslacht.


9. Bij de volledige soortnaam wordt het geslacht (met een hoofdletter, de soortaanduiding (met een kleine letter) en de auteur (met een afkorting) weergegeven.

Geef de volledige wetenschappelijke naam en de levensvorm van:

-Daslook

-Bosrank blz. 254!!

10. Geef de volledige Nederlandse naam en de levensvorm van:

Silene dioica (L.) Hemi.

11. Welke betekenis hebben bij de Zwarte nachtschade (blz. 485):

0,05 - 0,60

Juni- herfst

OF 3:188


12. Familie 44 is de familie van de Poaceae (blz. 170).

Wat is de Nederlandse naam?

Welke twee sleutels horen bij deze familie?
13. Wat betekent (blz. 683) 'Rode lijst'?

http://www.minlnv.nl/lnv/301.htm

http://www.minlnv.nederlandsesoorten.nl/get?show=legislationList&site=lnv.db&view=lnv.db&id=i000253&page_alias=


Enkele belangrijke Nederlandse plantenfamilies

Nadat je de flora hebt leren kennen en een aantal planten hebt leren kennen, is de bedoeling van deze opdracht bij de tabellen op de volgende blz. dat je enkele belangrijke, grote en duidelijk herkenbare families leert kennen. Je hoeft bij het determineren dan niet steeds vooraan in de flora te beginnen. Bij het gebruik van plaatjesboeken zul je minder snel in een totaal verkeerde familie terecht komen.




  1. De familienamen uit de tabel worden nog veel gebruikt Toch hebben ze in de nieuwste drukken van de flora’s andere namen gekregen. Schrijf de nieuwe namen boven de tabellen.

  2. Je zoekt of je krijgt exemplaren van vertegenwoordigers uit de families uit de volgende tabel.

  3. Vul in de kolom “plant” zoveel mogelijk met dun potlood de waargenomen kenmerken van je plant in (of gebruik meteen de tekstverwerker. Zie het voorbeeld in de kolom met kleefkruid).

  4. Determineer de plant met Heukels tot op familie. Vul met behulp van Heukels in de kolom familie de eigenschappen in die bij de familie horen. Ook hier moet je erop verdacht zijn dat je achteraf nog wijzigingen aan moet brengen.

  5. Accentueer de belangrijkste of meest karakteristieke familiekenmerken om ze te onthouden.

  6. Determineer verder tot op soort. Vul waar nodig de kenmerken in de kolom plant aan.

Let op! Vaak worden een aantal van deze families al in het practicum behandeld. Zorg dat je deze tabellen klaar hebt liggen, dat scheelt je werk voor thuis.







Rubiaceae

Walstrofamilie

Cruciferae

Kruisbloemenfamilie

Umbelliferae

Schermbloemenfamilie




familie

plant

familie

plant

familie

plant

Stengel : houtig of kruidig

Meestal kruidachtig

Kruid













Doorsnee


Rond, soms vierkant

Rond













Bladstand


Schijnbaar in kransen

Krans van 6-8













Enkelvoudig … gelobd .. samengesteld

bladrand


Enkelvoudig

Enkelvoudig Gaafrandig













Bladschede of steunblaadjes

Steunblaadjes lijken blaadjes

Nee













Bloeiwijze


Verschillend

Gesteelde bloemen in bijscherm













Bloem: bijzondere bouw




Nee













Symmetrie


Regelmatig

regelmatig













Kelkbladen: aantal, vergroeid, bijzonderheid

4

vergroeid

4

vergroeid















Kroonbladen: aantal, vergroeid, bijzonderheden

4

vergroeid

4

vergroeid















Meeldraden: aantal, bijzonderheden

4,

op de kroon ingeplant



4,

op de kroon ingeplant















Stamper: aantal, aantal stempels, bijzonderheden

1 stamper.

Vruchtbeginsel 2-hokkig



1, vruchtbeginsel 2-hokkig.

1 stijl














Vruchtbeginsel: boven- of onderstandig

Onderstandig

Onderstandig













Vrucht(en)


2-delige split- of steenvrucht

Borstelige 2-delige vrucht













Overige bijzonderheden


Door bladachtige steunbladen ,bladeren schijnbaar in kransen

Kleverige plant













Plant

gedetermineerd als







Kleefkruid:

Galium aparine





















Papilionaceae

Vlinderbloemenfamilie

Labiatae

Lipbloemenfailie

Compositae

Samengesteldbloemigen




familie

plant

familie

plant

familie

plant

Stengel : houtig of kruidig



















Doorsnee




















Bladstand




















Enkelvoudig … gelobd .. samengesteld



















Bladschede of steunblaadjes



















Bloeiwijze




















Bloem: bijzondere bouw



















Symmetrie




















Kelkbladen: aantal, vergroeid, bijzonderheid



















Kroonbladen: aantal, vergroeid, bijzonderheden



















Meeldraden: aantal, bijzonderheden




















Stamper: aantal, aantal stempels, bijzonderheden



















Vruchtbeginsel: boven- of onderstandig



















Vrucht(en)




















Overige bijzonderheden




















Plant

gedetermineerd als

























Determineren en veldwerk






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina