Cv-regeling: fictie en werkelijkheid



Dovnload 24.79 Kb.
Datum25.07.2016
Grootte24.79 Kb.

CV-REGELING: FICTIE EN WERKELIJKHEID


Feiten en cijfers achter de fiscale maatregelen ter ondersteuning van de Nederlandse filmindustrie.



  1. Inleiding

In de afgelopen maanden zijn in de media diverse publicaties verschenen over het nut en de noodzaak van fiscale maatregelen ter ondersteuning van de Nederlandse filmindustrie.

Helaas was de aanleiding van deze publicaties in vele gevallen het mislukken van een film- cv (Delta Lloyd) ofwel het (definitieve) afstel van een filmproductie (Ocean Warrier).


Met deze opstelling van feiten en cijfers, die betrekking hebben op de directe en indirecte resultaten van de fiscale wetgeving in de periode 1999 tot en met eind 2000 voor de Nederlandse filmindustrie, wil de Federatie Film Belangen proberen de ontstane negatieve beeldvorming (fictie) te vervangen door het reële beeld van de huidige werkelijkheid.



  1. Film CV’s 1999 - 2000

In de periode van twee jaar dat de fiscale regeling actief is, zijn in totaal 29 cv’s tot stand gekomen (1999: 10 & 2000: 19) met een totaal geplaatst cv-kapitaal van zo’n 411 miljoen gulden. Hiermee zijn in totaal 43 films gefinancierd (resp. 17 in 1999 en 26 in 2000) met een totaal aan productiekosten 545 miljoen gulden (bron: FINE BV).
Het verschil tussen het geplaatst cv-kapitaal en de productiebegrotingen is gefinancierd door het aantrekken van vreemd vermogen, veelal in de vorm van achtergestelde leningen.

Het vreemd vermogen is veelal beschikbaar gesteld door diverse binnen- en buitenlandse fondsen, w.o. het Nederlands Fonds voor de Film, het Coproductiefonds Binnenlandse Omroepproducties, het Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepproducties, het Rotterdams Fonds voor de Film, het ministerie van O. C. & W. (Telefilms), en via internationale coproducties de Stiftung Nort-Rhein Westfalen, het ministerie van Cultuur van Spanje en Portugal en het Vlaams Fonds voor de Film.

Daarnaast hebben distributeurs in binnen- en buitenland, Nederlandse producenten en/of sales agents forse bedragen aan zgn. minimum garanties beschikbaar gesteld aan

de realisatie van cv-films.


Naast cv-films zijn in 1999 nog 2 en in 2000 nog ?? films gefinancierd en geproduceerd.

Het gemiddelde budget van deze films bedroeg in die jaren respectievelijk ?? en ???


In totaal zijn in 1999 ?? films in productie gegaan en in het jaar 2000 ????

Ter vergelijking: in 1998 participeerde het Nederlands Fonds voor de Film in 15 Nederlandse films en 5 internationale coproducties.



3. Productiebudgetten

Wanneer bovenstaande cijfers worden gecorrigeerd t.a.v. CV Ocean Warrier, bedraagt het totaal geplaatst cv kapitaal 373 miljoen voor in totaal 42 films, met een productiewaarde van 440 miljoen gulden. Hetgeen neerkomt op een gemiddeld cv-kapitaal van 8,9 miljoen gulden met een gemiddelde productiewaarde (inclusief oprichtings/beheerskosten (10%) en in veel gevallen ook de P&A-kosten) van zo’n 10,5 miljoen gulden per film.


Een aantal budgetten ligt ver boven dit gemiddelde, te weten in 1999 The Little Vampire (41 milj.), The Hollywood Sign (23 milj.), Down (28 milj.); en in 2000 Superstiton (18 milj.), Enigma (83 milj.), The Discovery of Heaven (21 milj.) en Resistance (35,7 milj.).

In totaal zo’n 250 miljoen voor 7 films.


Wanneer daarnaast een correctie aangebracht wordt voor twee films met elk een budget ruim onder de 1 miljoen gulden, dan zijn de overige 33 films met een gemiddeld productiebudget (geschoond voor de oprichtings/beheerskosten van cv’s) gemaakt van

4,6 miljoen gulden. Waarbij de aantekening dient te worden gemaakt dat in een aantal gevallen ook de P(rint) & A(advertising) kosten in het productiebudget zijn meegefinancierd.


In 1998 gingen 19 Nederlandse films in premiere met een gemiddeld productiebudget van 4.1 miljoen (bron: Holland Film)


  1. Rendementen

Volgens opgave in de prospectussen van de diverse emissiepartijen heeft het gemiddelde gegarandeerde minimum nominale rendement circa 3,6% bedragen (bron: FINE BV).

Ter vergelijking: het rendement op Staatsleningen was in die periode 5 à 6%, op aandelen (lange termijn) 12 à 14% en vastgoed circa 10%.

Het geprognosticeerde rendement bij een medium scenario komt volgens deze bronnen uit op gemiddeld nominaal 30%. Deze medium scenario’s zijn gebaseerd op de te verwachten inkomsten uit bezoekcijfers en/of buitenlandse verkopen.

Gezien het feit dat er nog slechts een zeer klein aantal cv’s is gestaakt (de opbrengst van de film bij staking is dus nog onbekend), is m.b.t. de haalbaarheid van deze medium scenario’s nog weinig of niets te zeggen.





  1. Nederlandse versus ‘buitenlandse’ films

In de pers (en bij Nederlandse producenten) is tevens enige commotie ontstaan over het aandeel van zgn. buitenlandse films die gebruik hebben kunnen maken van deze Nederlandse regeling.

Hoewel het niet mogelijk is exact aan te geven wanneer een film als ‘Nederlands’, dan wel ‘buitenlands’ dient te worden gekwalificeerd, kan grosso modo worden gesteld dat zo’n driekwart van de films als Nederlands is te kwalificeren.


Hierbij is het Nederlandse karakter gedefinieerd aan de hand van criteria als: Nederlandse scenarist of auteur van het boek waarop het scenario is gebaseerd; een Nederlandse regisseur en/of meerderheid van Hoofden van Dienst die de Nederlandse nationaliteit hebben; dan wel dat (zeer waarschijnlijk) meer dan 50% van de productiekosten in Nederland zijn cq. worden uitgegeven.
Vooral de in 2000 ingestelde 50% bestedingsverplichting in Nederland, heeft mogelijk ‘misbruik’ van de regeling door buitenlandse ondernemingen sterk beperkt.

Het verdient aanbeveling dat bij een eventuele aanpassing van de bestaande regeling het effect van deze beschermende maatregel gehandhaafd blijft, maar tegelijkertijd het element van internationale coproductie niet uitsluit.





  1. Effecten

Het is nog te vroeg om de effecten van de fiscale maatregelen goed en in zijn volle omvang te evalueren. Een van de redenen hiervoor is dat een groot aantal cv-films nog niet klaar is en/of in roulatie is gegaan. Toch kunnen wel al enige voorzichtige conclusies getrokken worden.
6.a. Directe effecten

Bioscoop


Eind 2000 waren slechts 16 van de 42 films gereed gekomen. Hiervan waren op dat moment negen films in Nederland uitgebracht. Begin 2001 zijn nog twee cv-films in roulatie gegaan.

De best scorende Nederlandse cv-film is tot op heden Ik ook van jou (budget 4.6 miljoen) met 160.000 bioscoop-bezoekers in Nederland. Ook de cv-film Lek (budget 4.7 miljoen gulden) deed het goed in Nederland met een kleine 100.000 bezoekers.

De Duits-Nederlandse coproductie The Little Vampire (budget 41 miljoen gulden) heeft in Nederland circa 75.000 bezoekers getrokken. Maar daarnaast een wereldwijde box office gerealiseerd van meer dan USD 26 miljoen (Nederlands aandeel hierin 1,4% (!); aandeel USA 52%).


Buitenlandse verkopen


Voor het geven van een accuraat overzicht van de internationale exploitatie van CV-films is het nog veel te vroeg.

Enerzijds vanwege het feit dat veel films nog niet eens af zijn, anderzijds omdat ze nog niet in roulatie zijn genomen. Zoals bekend is dit laatste van belang, omdat, uitzonderingen daargelaten (zie hieronder), internationale sales agents in de regel pas geinteresseerd zijn in het Nederlands product wanneer de film in het ‘thuisland’ goed heeft gescoord.


Van een film als Lek is inmiddels wel al bekend dat deze aan Duitsland, Italië, Scandinavië en Australië is verkocht en dat gesprekken met diverse territoria in Azië in volle gang zijn.

Van Rent-a-friend is bekend dat deze film eveneens aan de Duitstalige territoria is verkocht.

Tijdens het laatste festival van Cannes is de in Nederland nog niet uitgebrachte film Superstition verkocht aan distributeurs in de Duitstalige landen, Zuid-Amerika, Spanje, Polen, Scandinavië en Japan. Ook Down en Thom & Thomas kenden een goede internationale start in Cannes met verkopen aan nagenoeg alle belangrijke territoria.

Filmfestivals en internationale erkenning


Van de gereedgekomen films zijn er al velen op filmsfestivals in binnen- en buitenland vertoond, dan wel staan ze geprogrammeerd. Van Canada tot de Oekraïne en van Finland tot Italië.

Films als Mariken en Lek hebben inmiddels op diverse festivals prijzen in de wacht gesleept.


6.b. Indirecte effecten

Facilitaire bedrijven


Momenteel vindt er onder een aantal belangrijke facilitaire bedrijven in de Nederlandse filmindustrie een enquête plaats over de effecten van twee jaar fiscale maatregelen.

Vooruitlopend op de uitkomst van deze enquête kan al wel worden gesteld dat “deze bedrijven profijt hebben gehad van de toegenomen filmproductie in Nederland, die mogelijk werd gemaakt door de film CV-regeling. Ook is fors geïnvesteerd om aan de toegenomen vraag te voldoen. Deze investeringen zijn mede gedaan met het oog op een continuering van de film CV regeling voor de gehele vijf jaar.” (bron: Valkieser Capital Images)



Inverdien effecten


Hoewel de Federatie niet beschikt over cijfers op dit terrein, hebben filmproducenten gemeld dat het in 2000 veel moeilijker was om een crew voor een film te vinden, dan in de jaren daaraan voorafgaand.

Dit was het directe gevolg van het feit dat er in dat jaar veel Nederlandse films werden geproduceerd. Gesprekken met individuele crewleden bevestigen het beeld, dat het aanbod van werk in 2000 sterk is gestegen, en de werkeloze periode tussen twee films is afgenomen.


Daarnaast zijn de lonen en honoraria van crewleden, na jarenlange stilstand, meer in overeenstemming gebracht met de loonontwikkeling in andere sectoren van het Nederlandse bedrijfsleven.

De verhoogde organisatiegraad van crewleden en de nieuwe arbeidstijdenwet hebben aan deze ontwikkeling ook een positieve bijdrage geleverd.


Al met al kan o.i. met enige zekerheid worden gesteld dat door het verhoogde aanbod van werk in 2000 de ww-uitkeringen in de filmsector in dat jaar zullen zijn gedaald en de inkomsten van crewleden sterk zullen zijn toegenomen door hogere beloningen en een hogere bezettingsgraad.
Hiervan hebben niet alleen de crewleden en de facilitaire bedrijven kunnen profiteren, ook de Nederlandse schatkist profiteert mee van deze ontwikkeling.

Beleggen in Nederland


Een van de neven effecten van de fiscale maatregel is dat hiermee voor Nederlandse beleggers een alternatief is geschapen voor het doen van beleggingen buiten Nederland.

Geld dat wellicht eerder in het buitenland zou worden belegd, heeft met de komst van de Nederlandse fiscale maatregelen ter stimulering van de Nederlandse filmsector een goede kans om thans in Nederlandse bedrijven te worden belegd.


Een dergelijke ontwikkeling komt ontegenzeggelijk de gehele economische bedrijvigheid in Nederland ten goede. Met alle positieve gevolgen voor de Nederlandse economie van dien: meer werkgelegenheid, lagere ww-uitkeringen; hogere inkomsten voor crewleden en facilitaire bedrijven en producenten, hetgeen leidt tot meer loon- en inkomstenbelasting (crewleden), en hogere inkomsten uit vennootschapsbelasting (bij facilitaire bedrijven en filmproducenten).



  1. Vergelijking regelingen ter stimulering eigen filmsector in het buitenland.

Denemarken

Duitsland

Frankrijk





  1. Samenvatting en conclusies

In de periode van twee jaar dat de fiscale regeling actief is, zijn in totaal 29 cv’s tot stand gekomen (1999: 10 & 2000: 19) met een totaal geplaatst cv-kapitaal van zo’n 411 miljoen gulden.

Hiermee zijn in totaal 43 films gefinancierd (resp. 17 in 1999 en 26 in 2000) met een totaal aan productiekosten, inclusief oprichtings/beheerskosten en budgetten voor P&A-kosten van 545 miljoen gulden (bron: FINE BV).
Hiervan zijn 33 films met een gemiddeld productiebudget (geschoond voor de oprichtings/beheerskosten van cv’s) gemaakt van 4,6 miljoen gulden. Dit komt overeen met het gemiddelde productiebudget van Nederlandse films die in 1998 (dus voor de tot standkoming van de regeling) zijn uitgebracht.
Volgens opgave in de prospectussen van de diverse emissiepartijen heeft het gemiddelde gegarandeerde minimum nominale rendement circa 3,6% bedragen (bron: FINE BV).
Grosso modo kan worden gesteld dat zo’n driekwart van de films die met behulp van de fiscale regeling tot stand zijn gekomen als Nederlands is te kwalificeren.
Het is nog te vroeg om de effecten van de fiscale maatregelen goed en in zijn volle omvang te evalueren. Een van de redenen hiervoor is dat een groot aantal cv-films nog niet klaar is en/of in roulatie is gegaan.
Van de films met een groter budget dan 15 miljoen gulden is op dit moment alleen nog maar The Little Vampire in roulatie gebracht. Hoewel in Nederland redelijk ontvangen, heeft deze film in het buitenland (m.n. de USA) zeer goed gelopen.

Van de kleinere films (budgetten analoog aan de periode voor het ingaan van de fiscale maatregelen) hebben Lek en Ik ook van jou het in Nederland goed tot zeer goed gedaan.


Facilitaire bedrijven hebben profijt gehad van de toegenomen filmproductie in Nederland, die mogelijk werd gemaakt door de film CV-regeling. Door hen is fors geïnvesteerd om aan de toegenomen vraag te voldoen. Deze investeringen zijn mede gedaan met het oog op een continuering van de film CV regeling voor de gehele vijf jaar.
Hoewel cijfermateriaal op dit terrein (nog) ontbreekt kan met enige zekerheid worden gesteld dat door het verhoogde aanbod van werk a.g.v. de fiscale maatregelen, ww-uitkeringen in de filmsector zullen dalen, inkomsten van crewleden sterk zullen toenemen door hogere beloningen en een hogere bezettingsgraad. Dit heeft zgn. positieve inverdien effecten voor de Nederlandse schatkist tot gevolg.
Een niet kwantificeerbaar neveneffect van de fiscale maatregel is dat het voor Nederlandse belastingbetalers attractief wordt om in Nederlandse bedrijven te beleggen. Dit zal op den duur ontegenzeggelijk de gehele economische bedrijvigheid in Nederland ten goede komen.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina