Cyclus b 14e zondag door het jaar Bezinning bij / surfen naar



Dovnload 8.71 Kb.
Datum07.10.2016
Grootte8.71 Kb.
Cyclus B 14e zondag door het jaar

Bezinning bij / surfen naar




  • Ezechiël 2, 2-5

  • Marcus 6, 1-6

“De tong is een klein orgaan, maar wat een grootspraak kan ze voortbrengen! Bedenk eens hoe een kleine vlam een enorme bosbrand veroorzaakt. Onze tong is net zo’n vlam: een wereld van onrecht, die onze lichaamsdelen in brand steekt. Want ze besmet het hele lichaam, ze steekt het rad van het leven in brand, met vuur uit de hel. Er is geen mens die de tong kan temmen, dat onberekenbare kwaad, vol dodelijk venijn. Met onze tong zegenen we onze Heer en Vader, en we vervloeken er mensen mee die God heeft geschapen als zijn evenbeeld. Uit dezelfde mond klinkt zegen en vervloeking.”


Zusters en broeders, dit was Jacobus, in de enige brief die van hem bekend is. Ik dacht aan die woorden bij het lezen van het evangelie van vandaag. Jezus heeft als profeet al een zekere faam vergaard, maar Hij heeft het nog niet gewaagd de Goede Boodschap ook te brengen in de stad waar Hij zijn jeugd heeft doorgebracht. Hij weet immers dat “een profeet overal geëerd wordt, behalve in zijn eigen stad, bij zijn verwanten en in zijn eigen kring”. Maar toch acht Hij de tijd nu gekomen om ook in Nazaret te gaan onderrichten. De talrijke toehoorders vragen verbaasd: “Waar heeft Hij dat vandaan? En wat is dat voor een wijsheid die Hem geschonken is? En wat zijn dat voor wonderen die zijn handen verrichten?” Hun eerste reactie is dus verbazing om de wijsheid van zijn woorden en de wonderen van zijn handen. Ze horen en zien dat Jezus anders is dan zijzelf, en ze erkennen dat ook. En dan komen de tongen los: “Is dat niet de timmerman, de zoon van Maria en de broeder van Jacobus en Jozef en Judas en Simon? En wonen zijn zusters niet hier bij ons? En zij namen er aanstoot aan.” Nee, die wijsheid en die kracht, dat gunnen ze niet aan een stadgenoot. Misschien, wie weet, als Hij de zoon van de burgemeester was geweest, of van de overste van de synagoge, of van de priester of de leviet. Dan, ja, misschien, wie weet. Maar toch niet de zoon van de timmerman daar om de hoek zeker! Wat beeldt die zich wel in! En ze hebben meteen succes: “Hij kon geen enkel wonder doen, behalve dat Hij een klein aantal zieken genas die Hij de handen oplegde.”
Ik ken eigenlijk geen andere tekst waar de kern zelf en de gevolgen van het roddelen zo raak worden weergegeven als precies hier: zijn stadsgenoten roddelen Jezus kapot, en ze hebben daar maar een paar minuten voor nodig. Hun tong is hun wapen, hun tong, “dat onberekenbare kwaad, vol dodelijk venijn”, om Jacobus nog eens te citeren.
Het achtste van onze tien geboden. “Vlucht de achterklap en het liegen.” Die tien geboden zijn zo oud als de straat. Achterklap, liegen, roddelen, kwaadspreken en lasteren zijn dat dus ook, en ze zijn allemaal familie van elkaar. En ze hebben ook allemaal hetzelfde gevolg: ze zijn dodelijk. Jezus wordt inderdaad vakkundig ‘vermoord’: de Goede Boodschap verkondigen heeft geen zin meer en wonderen kan Hij niet meer verrichten, gewoon omdat niemand nog wil geloven dat Hij het kan. Taal als moordend wapen. In een paar minuten boor je er iemand mee de grond in.
Dikwijls hoor je dezelfde verantwoording als het op roddelen aankomt. ‘De waarheid mag en moet gezegd worden.’ Het is nog maar de vraag of dat waar is. Er is immers niets of niemand, en er is ook geen enkele wet die ons verplicht ongevraagd negatieve dingen over iemand anders te vertellen, ook al zijn ze waar. Als we dat wél doen, is dat omdat we dat graag doen, omdat we die iemand willen raken, willen kwetsen, willen vernederen, zijn goede naam door het slijk willen halen. Misschien omdat we jaloers zijn, ik weet het niet. Of omdat we een ander niets gunnen, of gewoon omdat we liever afbreken dan opbouwen. ‘Zeg, heb je het al gehoord wat die heeft meegemaakt? Niet te verwonderen! Zoals die erbij loopt. Ze heeft wat ze verdient.’ ‘Die? Die zit toch aan de drugs, dat weet iedereen.’ ‘Met die moet je oppassen. Die is niet te vertrouwen.’ ‘Wat zou die dat kunnen! Hij is zeker vergeten vanwaar hij komt en wie zijn vader is?’ ‘Hoor die eens bezig. Wie denkt hij wel dat hij is? Hij zou beter terug tussen de schapen en de kamelen gaan hokken.’ ‘Die een profeet? De zoon van een timmerman? Da’s de mop van de week!’
Zusters en broeders, het is allemaal heel herkenbaar, en spijtig genoeg ook heel alledaags. Maar je kunt mensen ook van de andere kant benaderen. Er is immers niets of niemand, en er is ook geen enkele wet die ons verbiedt goede dingen over anderen te vertellen, en onze mond te houden als we geen goede dingen weten te vertellen. En er is ook niets of niemand, en er is ook geen enkele wet die ons verbiedt goede woorden te spreken als anderen in ons bijzijn afgemaakt worden. Ik weet het, het gaat tegen de stroom in, en misschien vinden sommigen je niet sympathiek als je dat doet, maar het is wel christelijk. En het is ook christelijk geen dooddoeners te gebruiken - een woord dat precies zegt waar het om gaat: dat we met ons geroddel mensen ‘dood doen’. En verder is het christelijk negatieve dingen die je over iemand weet niet uit te bazuinen, niet verder te vertellen met de boodschap ‘Zeg niet dat ik het gezegd heb, en zeg het ook niet verder.’ En het is ook christelijk elkaar te bemoedigen, het goede in elkaar te zien en dat ook voort te vertellen.
‘Vlucht de achterklap en het liegen.’ Zusters en broeders, het achtste gebod. Laten we er werk van maken. Niet liegen en niet kwaadspreken. Want ze zijn allebei even erg en even dodelijk. En even onchristelijk. Amen.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina