Dames en heren



Dovnload 27.87 Kb.
Datum23.07.2016
Grootte27.87 Kb.
Dames en heren.
Vandaag staat het verlangen centraal. Dat is te zien aan het programma. Aan de kleur van de folder: roodgloeiend. En aan de opbouw van de dag: verlangen naar stilte, verlangen naar verbondenheid en verlangen naar bezieling.

Maar wat is eigenlijk verlangen? En wat gebeurt er met het verlangen, wanneer het de stilte binnengaat? Of wanneer het verbondenheid aandurft? En waartoe zou het verlangen bezield worden?

Verlangen
Het woord zelf zegt het al: verlangen is langer maken, verlengen. Maar wat moet er langer gemaakt worden? Of wat moet er verlengd worden? Ik denk allereerst onszelf, onze reikwijdte, ons territorium. In het verlangen strekken wij onszelf uit naar wat buiten ons ligt, om het zo spoedig mogelijk in te lijven. Zo spóedig mogelijk, want verlangen mag niet te lang duren. Dan wordt het ongedurig. En ten slotte gaat de rek eruit.

Laten we het verlangen eens van dichtbij bekijken.

In eerste instantie doet het verlangen zich voor als lijfelijke behoefte aan warmte, aanraking, eten en drinken, bezit, bevrediging. Verlangen is hongeren en dorsten naar voldoening en verzadiging. Verlangen is lijfelijk en zinnelijk.

Deze lijfelijke behoeften maken deel uit van een bredere huishouding: onze ziel. In dit zielement wonen onze neigingen en strevingen, onze begeerten en verwachtingen. Neigingen zijn de lichtste vorm van het verlangen: we zijn iemand genegen, we hellen over naar een bepaald genoegen of we kunnen de verleiding niet weerstaan. Strevingen zijn actiever: ze zijn uit op een goed resultaat, ze jagen een positie na. Dit is het gebied van de ambities en aspiraties. Begeerte is: stérk verlangen. Hier wordt de kleur van de folder roodgloeiend. Ik begeer jou te hebben, helemaal. Ik begeer jouw warmte, ik begeer jouw strelingen, ik begeer jouw liefde. Verwachtingen zijn het meest pijnlijke deel van het verlangen: gemis. Het verlangde blijft buiten ons bereik. Toch blijven we uitzien en hunkeren. Hier wordt het verlangen op de proef gesteld. Het blijft onvervuld.

De psychische huishouding van het verlangen − neigingen, strevingen, begeerten en verwachtingen − is verankerd in het geestelijke vermogen van de wil. Zonder wil geen verlangen. Verlangen is willen: van binnenuit intensief iets of iemand willen, willen hebben en willen sturen. Ik verlang jou, dat jij er bent en doet wat ik wil. Ik verlang met klem en hartstocht iets van jou. Hier zijn we in het gebied van de claims, de eisen.

Wat gebeurt er nu met dit verlangen - lijfelijke zielsbewegingen van de wil - wanneer het binnengaat in de stilte, verbondenheid zoekt en zijn bezieling ontdekt?

Verlangen naar stilte
Wanneer het verlangen meegeeft met de stilte, dan wordt het dicht bij zichzelf gebracht. Zeer dicht bij zichzelf gebracht. Om heel langzaam open te gaan, ontvankelijk te worden. Ik wil u dit laten zien aan de hand van een gedicht van Johannes Climacus, Jan van der Ladder. Rond 600 schrijft hij zijn meesterwerk Ladder van de opgang naar God. Langs dertig treden klimt de ziel naar de Godsliefde. Stilte is de elfde sport op deze ladder. Prachtig heeft Johannes Climacus de diamant van de stilte geslepen. U moet daarbij vooral letten op wat de stilte met het verlangen doet.
Stilte is

de moeder van het gebed,

de bevrijding uit de ballingschap,

de vrijwaring van het vuur,

de behoedster van de bedenksels,

de wachtpost tegen de vijand,

de kerker voor ons verdriet,

de vriendin voor onze tranen,

de boetseerder van ons doodsbesef,

de schilderes van de tucht,

de bedrijvige minnares van de onderscheiding,

steun bij onrust,

vijand van de vrijblijvendheid,

gezellin van de rustige adem,

tegenstandster van de drang tot preken,

vroedvrouw van de kennis,

boetseerder van de beschouwing.
Wanneer het verlangen de stilte binnengaat, gebeuren er volgens Johannes Climacus vier dingen tegelijk.

Ten eerste, het verlangen wordt bevrijd van zijn vervreemding en aangeprate behoeften. Blind meegeven met onze behoeften, neigingen en begeerten brengt ons ver van huis. We zien dit dagelijks gebeuren in onze consumptiemaatschappij. Stilte bevrijdt uit deze verslaving.

Ten tweede, de stilte wekt het besef van eindigheid in het verlangen en richt de ziel op God. Stilte geeft de ziel een helder beeld van de weg en brengt haar bij de Godskennis en de beschouwing. Stilte is op al deze punten de creatieve vormgeefster, moeder en vroedvrouw van het verlangen.

Ten derde, de stilte beschermt het verlangen. Zij behoedt het voor te vurige gretigheid en te kille bedenksels. Zij verdedigt het tegen destructie en depressiviteit. Zij bestrijdt vrijblijvendheid en prekerigheid.

Ten slotte, de stilte begeleidt het verlangen. Zij is steun en toeverlaat bij onrust. Zij vergezelt de rustige adem. Zij is de vriendin van ons verdriet en de minnares van ons helder inzicht.

Zo zien wij wat de stilte met ons verlangen doet, wanneer het zich blootstelt aan haar bevrijdende, scheppende en behoedzame begeleiding.

Verlangen naar verbondenheid
Wat gebeurt er met het verlangen, wanneer het zich waagt in de verbondenheid met mensen, met medeschepselen, met God? Een antwoord op deze vraag is niet zo eenvoudig. Op het eerste gezicht lijken verlangen en binding elkaar uit te sluiten. Het ongerijpte verlangen lijkt zich immers uit te strekken naar de ander, om die bij zich in te lijven. Alle verlangens lijken variaties op dit grondmotief. Ook de psychische verlangens neigen ernaar de ander binnen mijn sfeer te trekken. Maar de ander aan wie ik mij bind, is nu juist geen eetwaar, geen bezit. Hij is niet in te lijven.

Hiermee staat het verlangen voor een niet gering dilemma: volgt het zijn eigen willigheid en zijn inhaligheid of waagt het de sprong buiten zichzelf en komt het tot echte overgave?

Martin Buber heeft dit dilemma scherp verwoord in zijn meesterwerk Ik en jij uit 1923. Hij maakt onderscheid tussen gevoelens en verbondenheid. Gevoelens zijn de kleuren die het verlangen aanneemt, wanneer het op zoek gaat naar eten, drinken, warmte, geborgenheid, liefde, aandacht, trouw. Gevoelens zijn het veelkleurige gewaad van ik-wil. Verbondenheid daarentegen gaat uit van de ander tegenover mij, die mij aanziet, die mij aanspreekt. Buber zegt: ‘Het jij komt mij tegen uit genade, door zoeken wordt het niet gevonden’. Het verlangen kan zoeken wat het wil, het zal de ander nooit vinden. Want de ander ligt niet in het verlengde van mijn verlangen. De ander kiest mij. Betrekking ontstaat, wanneer ik kies voor deze uitverkiezing door de ander. Buber zegt: ‘Het jij komt mij tegen. Ik ga een betrekking met hem aan. Zo is betrekking gekozen worden door de ander en daarvoor kiezen. Ik word aan het jij, ik wordend zeg ik jij!

Wat gebeurt er met het verlangen, wanneer het zich waagt in de verbondenheid met het jij, de verbondenheid met de andere mensen, de medeschepselen en de Schepper van hemel en aarde? Het ik-wil wordt buiten zichzelf getrokken, het wordt excentrisch en geeft zich gewonnen aan de ander. Daarom zegt Martin Buber: ‘Ik word aan het jij’, dat wil zeggen: ‘Ik word zo diep geraakt, aangesproken, ontroerd, dat ik uit mijzelf wordt getrokken, en voor een ogenblik mezelf vergeet’. Zo uit mijzelf getrokken worden bevrijdt mij van mijn zelfbetrokkenheid. Verbondenheid bevrijdt het verlangen uit de gevangenis waarin het zichzelf opsluit. Deze bevrijding is in het begin pijnlijk, want het verlangen is met al zijn vezelen aan zichzelf vastgekleefd. Hoe pijnlijk echter ook, het verlangen wil ontzettend graag wat het vreest: zichzelf verliezen, van zichzelf loskomen.

Heeft het verlangen eenmaal dit spoor van zelfovergave gevonden, dan gaat een oneindige weg open, de weg van de Oneindige. Hier klinken krachtige woorden. ‘Geen groter liefde dan wie zijn leven geeft aan zijn vrienden’, zegt Jezus. Starets Zosima zegt in De Gebroeders Karamazov: ‘Ieder van ons is schuldig tegenover alle anderen en ik meer dan wie ook’. Emmanuel Levinas zegt: ‘Verantwoordelijkheid voor de ander betekent dat ik niets voor mijzelf houd. Alles in mij is schuld en schenking. Mijn bestaan is bestaan voor jou’. Nu begrijpen we de visionaire kracht van één van de grote meesters in het geestelijk leven Vincentius a Paulo, wanneer hij het volgende in de regel van de liefdezusters schrijft:
Jullie klooster zal bestaan uit de huizen van de armen,

hun zolderkamertje zal jullie cel zijn,

de straten van de stad zijn jullie pandgang,

jullie slot is gehoorzaamheid aan de armen en zieken.

Jullie sluier is de schroom

waarmee jullie met hen omgaan’.


Verbondenheid tot het uiterste is de uiteindelijke bevrijding van het verlangen als zelf-verlenging, een bevrijding waarin het zijn oneindige reikwijdte ontdekt.
Verlangen naar bezieling
Er lijkt niets zo dicht bij het verlangen te liggen als bezieling. We spreken niet voor niets van een ‘zielsverlangen’, een innig en vurig verlangen. Verlangen en bezieling lijken op elkaar als twee druppels water. Ze zijn beide levendig en beweeglijk. Ze zijn beide gevoelig en gedreven. Waarom zou het verlangen nog uitzien naar bezieling? Bezielt ons verlangen niet reeds al wat wij doen en laten?

Toch voegt bezieling iets wezenlijks toe aan het verlangen. Bezieling maakt ons verlangen inniger en vuriger, sterker en bewogener. Zij zorgt ervoor dat het verlangen mee-ademt met het Grote Verlangen dat heel de schepping doortrekt. Om dit te verduidelijken laat ik u de prachtige tekst van Paulus uit zijn Romeinenbrief horen.


Heel de schepping verlangt vurig

naar de openbaring van de kinderen Gods,

zij reikhalst vurig

naar hun bevrijding.

Heel de natuur kreunt

en lijdt barensweeën, altijddoor.

Ook wijzelf, die de Geest reeds ontvingen,

wij zuchten zolang wij verlangend uitzien

naar die grote bevrijding.

Wij hopen en wachten.

In dit hoopvol uitzien

proeven wij iets van die bevrijding.

Maar wij zien het niet,

want wij spreken niet van hopen

als wij al zien waarop wij hopen.

Wij zien hoopvol uit

naar wat niet te zien is.

De Geest komt onze zwakheid te hulp.

Want wij weten niet eens

hoe wij moeten bidden,

maar de Geest zelf pleit voor ons

met onuitsprekelijke verzuchtingen. (Rom. 8: 18-26)


Dit is het Grote Verlangen. Dit is de Lange Adem. Hier wordt het verlangen van mensen verbonden met het verlangen van de kosmos, die getekend is door vluchtigheid en vergankelijkheid. Het wil er nog steeds niet helemaal uitkomen dat wij vrij zijn, kinderen van God, geen slaven en enggeestige wezens. We zijn opgenomen in de Eeuwige Geboorte en weten zelf nog niet wat er in ons geboren wordt. Het enige dat we weten is: het verlangt al, het zucht al in ons. In dit verlangend uitzien proeven we iets van de bevrijding. Maar we zien het niet. Want dan houdt het verlangend uitzien op. Nee, we verlangen juist vuriger en inniger, omdat we niet weten en niet zien. We weten zelfs niet hoe wij moeten zoeken en vragen. Het is zuiver verlangen. Het is zuiver Gods Geest.

Wanneer dit verwachtend uitzien ons verlangen bezielt, is het innig en vurig, sterk en bewogen.

Het is innig, omdat het ten diepste aansluit bij onze geboorte. Het is het kind in ons, onze oorspronkelijke vrijheid. Daartoe zijn wij op aarde, dat het er uit komt, dat het er ooit van komen zal: de vrijheid van de kinderen Gods.

Het is vurig, want het reikhalst en zucht, als een drenkeling die hoopt op redding.

Het is sterk, omdat de Geest ons biddend verlangen te hulp komt. Al weten we niet hoe en wat, het bidt in ons met onuitsprekelijke verzuchtingen.

Het is bewogen, bewogen met heel de schepping, bezield door grote compassie met al wat is.

Levenslang leren
Wanneer het verlangen de stilte binnengaat, zich bindt aan de ander en zich aansluit bij het Grote Verlangen, dan betekent dat levenslang leren. Het ambacht van het verlangen krijgt niemand zomaar op één dag onder de knie. Daarom kennen alle godsdiensten hun spirituele ambachtscholen. In het christendom zijn dat de kloostertradities. Daar leert men verlangen, in stilte werkend, in trouw verbonden en door mededogen bezield.

Dit ambacht leren is niet eenvoudig. Leren is sowieso niet eenvoudig. Ik moet steeds weer denken aan dat merkwaardige voorval van Jezus met die Kanaänitische vrouw, woonachtig buiten Israël, in het gebied van Tyrus en Sidon. Zij spreekt Jezus aan. Haar dochtertje is verslaafd, bezeten door demonische machten. ’Help mij toch, heb mededogen’, roept zij (Mat. 15, 22). Maar Jezus reageert totaal niet. Hard als een steen rechtvaardigt hij zijn houding aldus: ‘Ik ben uitsluitend bedoeld voor het huis van Israël’. Hij doet dus een beroep op God en op zijn roeping. Hij voegt er aan toe: ‘Het is niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is, aan de honden te geven’. Maar de buitenlandse vrouw komt sterk terug. Zij is niet beledigd door de grove taal van een autochtone rabbi die een allochtone vrouw een hond noemt. Zij laat zich niet afschrikken door een beroep op zijn God en zijn religieuze roeping. Niets daarvan, ‘Jawel, mijn Heer’, zegt ze, ‘de honden eten toch ook van de tafel van hun meester!’ Pats. Nu gaat Jezus door de knieën voor deze vrouw, voor deze vreemdeling. De grote leraar wordt een leerling. Hij stelt zijn Godskennis en roeping bij. Hij leert, hij verandert van houding en geneest het meisje van haar obsessies. Een schoolvoorbeeld van leren.

Nu begrijp ik waarom Jezus een kind in het midden van de kring van zijn leerlingen plaatste. Leerlingen van Jezus zijn schoolgaande kinderen, geen afgestudeerden. Nu begrijp ik ook waarom het Matteüs-evangelie eindigt met de oproep: ‘Maak leerlingen. Geen weters, en zeker geen betweters. Maak zoekers, mensen die vragen, zich verwonderen. Maak verwonderaars, verbazers, mensen die niet weten, zich verlangend uitstrekken, hopen’.

Wanneer het verlangen deze leerschool binnengaat, dan zal het groeien en rijp worden. Het zal verstillen bij zoveel verbazingwekkends dat ons om niet gegeven is. Het kijkt zijn ogen uit. Geen enkele ervaring is het eindstation. Het schoolgaande verlangen raakt niet gefixeerd in dit of dat, in zus of zo. Het gaat verder, bezield door het wonderlijke dat zich dagelijks voor onze ogen afspeelt, en waarvoor wij, hoe dan ook, medeverantwoordelijk zijn. Het gerijpte verlangen klampt zich niet vast aan opinies of aan de waan van de dag. Het reikt verder, altijd verder. Het laat zich verrassen, onbevangen als een schoolgaand kind. Het valt van de ene verbazing in de andere.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina